Dag 87: dinsdag 22 mei 2012: Naar de hel

’s Ochtends vroeg zie ik door het badkamerraam door het rijtje donkere boomsilhouetten naast het huis zonovergoten velden. Het weer is omgeslagen. Al voor het ontbijt is Kohaku bezig de kakibladeren die hij vannacht in huis in grote rieten schalen had geborgen, weer buiten uit te spreiden op netten. Als de bladeren eenmaal zijn gedroogd, worden ze gekneusd en voor het zetten van thee gebruikt. Ik dool rond door de tuin en struin door het atelier waar hij instrumenten maakt. Na een gezellig en uitgebreid ontbijt met zijn allen rond de keukentafel, maken we ons op om een bijzondere tempel in de buurt te bezoeken. Onderwijl neemt Kohaku ons mee naar het stukje bos achter de tuin. Tot onze verrassing vinden we er een heus hunebed; 1500 jaar oud, is door een deskundige vastgesteld, vertelt Kohaku. Er zijn nog opgravingen gaande naar een (houten) kasteel dat iets verder in het bos zou hebben gestaan. Aan de rand van het bos staan enkele graven uit de Kamakuraperiode, verzameld door de vorige eigenaar van het huis. Een shintopriester heeft een ritueel uitgevoerd om te voorkomen dat er geesten mee zouden komen…

Met de auto volgepakt met 6 mensen en 3 reisbagages, arriveren we bij de tempel. ‘Kumano Magaibutsu is een shinbutsu kongo,’ vertelt Kohaku, ‘een combinatie van een shinto- (shin) en een boeddhistische (butsu) tempel, zoals je heel veel ziet in Japan.’ Vanaf een kleine tempel, met stenen beelden van de 12 Japanse dierenriemtekens, is er een lange trap naar 2 enorme boeddhabeelden die in de rotsen zijn uitgehouwen; ze zouden uit de 8e eeuw stammen. We (eigenlijk Kure en Kohaku) raken met een echtpaar uit Seto aan de praat en plotseling hebben we een uitnodiging om te komen logeren als we daar nog eens keramiek gaan bekijken. We klimmen nog even verder over een ‘natuurlijke’ trap tot we bij de tempel hogerop de berg komen. ‘Mo sukoshi’, zegt iedereen die we tegenkomen als we ons langzaam naar boven werken. ‘Nog een klein stukje…’ Ja, dát kennen we… Later hebben Mels en ik allebei last van onze knieën en voeten, alsof we nauwelijks gewend zijn te lopen…

Bij een tentje aan de parkeerplaats eten we ijsjes en drinken we wat fris, want het is aardig warm en zweterig weer. Dan scheuren we weer verder. Tot grote hilariteit van de hele meute dichtopeengepakte meerijders, rijdt Kure regelmatig door rood. Kure en Kohaku brengen ons naar het station in Beppu, waar Ken een trein pakt verder naar het zuiden en wij alvast een reservering maken voor onze terugreis naar Osaka aan het eind van de middag. We lunchen bij een kaiten sushi en dan brengen Kure en Kohaku ons naar de bovenste van de 8 of 9 ‘hellen’ die er in het noorden van Beppu te vinden zijn: kokende warmwaterbronnen (Jigoku). Nadat we afscheid hebben genomen, kopen we een ‘8-ritten’-kaart en lopen ze 1 voor 1 af. De 1e hel blijkt een groot park met onder meer een azuurblauw meertje vol stoom en eentje met kokend roestbruin water. Er is ook een tropische kas – verwarmd door de bron uiteraard – met relatief kleine Victoria regina’s. De 2e hel heeft grijze, zachtbubbelende modderbaden en ook de andere ‘hellen’ herbergen allemaal kokende poelen. Allemaal hebben ze stalletjes met eieren die in het water zijn gekookt. Het ziet er allemaal wat erg ‘aangelegd’ uit en verschillende oorden herbergen ook een onooglijk dierentuintje: de een heeft een serie aquaria waarin nauwelijks iets te onderscheiden valt, de ander een krokodillenfarm en een derde een willekeurige verzameling: een hok met een zeer eenzame olifant in de volle zon op het kale beton, enkele apen die zich doodvervelen, roze flamingo’s en zwarte zwanen rond een betonnen vijvertje, een nijlpaard dat nauwelijks in zijn bad past, 2 lama’s, wat pauwen. Hartverscheurend. Na de 6e hel hebben we genoeg gehad en nemen de bus terug naar het station. In de diepte ligt Beppu en erachter strekt zich een spiegelgladde, zilvergrijze zee uit die ongemerkt over gaat in de hemel. Middenin drijft een lange streep havenindustrie van de tegenoverliggende oever die verder niet zichtbaar is: een fata morgana. Op het station vinden we een heerlijke cappuccino en wat broodjes voor onderweg. En dan is het tijd om op de trein te stappen. In minder dan 4 uur zijn we in Osaka.

Maar welke uitgang moesten we ook al weer nemen? Waar was het hotel ook al weer? Oh ja, in de buurt van de Starbucks… Na enig ronddolen spreken we een jong stelletje aan. Hij zoekt op zijn mobieltje de dichtstbijzijnde Starbucks en ze lopen zelfs het hele eind mee met ons. ’t Is helaas niet de goede Starbucks, maar dat zeggen we niet. Na een reuzencappuccino – Osaka is cappuccino heaven! – dolen we nog wat verder rond en komen uiteindelijk toch weer goed terecht. Bij het hotel zijn voor ons 2 pakketjes afgeleverd: de ene met 2 mooie kaarten van Asaka en de andere met bonitoschaafsel (bonito=tonijn) en een drinkpak, gestuurd door de eigenaresse van Business Hotel Tosa, zoals ze ons beloofd had toen we in haar hotel op Shikoku logeerden. Ik stel Mels voor nog een drankje te nemen in de bar van het hotel, maar hij heeft een beter idee: de umeshu uit het pak lijkt hem wel lekker. Maar hij trekt een vies gezicht als hij een slok neemt. Het blijkt sojasaus. De vending machine in het hotel geeft alleen koude sake en bier. Mels haalt een blikje sake op, maar we lusten het geen van beiden. Bedtijd.

Overnachting: Cross Hotel, Osaka (westerse kamer, 2×1½p-bed, bureau met stoel, tv, 2 kluizen, koelkast, kast, badkamer met wc/wastafel en ofurokamer, wifi op de kamer, geen ontbijt besteld)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *