Dag 79: maandag 14 mei 2012: Gras naast de weg

In de gemeenschappelijke zitkamer ontbijten we met broodjes die we gisteren op het station in Osaka hebben gekocht. We krijgen er koffie van de gastvrouw bij. Even na 7 uur gaan we op pad. Via wat straatjes komen we al gauw bij het begin van het pad. Er zijn meerdere wegen naar Kōya-san, maar er is slechts 1 bergpad, zo’n 24 kilometer lang en gemarkeerd door zeer grote, stenen pathmarkers; elke cho (1 cho=108 m; 36 cho = 1 li)) staat er eentje, daarom heet het pad ook cho ishi michi, ‘cho steen pad’. Het is niet zomaar een paadje: toen Kukai op Kōya-san verbleef, woonde zijn moeder onderaan de berg. Het was vrouwen verboden heiligdommen te betreden en ze mocht derhalve de berg niet op. Daarom kwam hij 9 maal per maand de berg af om haar te bezoeken en hij nam altijd dit pad. De stad die onderaan de berg is ontstaan, heet sindsdien Kudoyama: ‘negen keer berg’. Op de plaats waar Kukai’s moeder woonde, is een tempel gebouwd, die alleen bedoeld is voor vrouwen: Jison In (Nyoninkōya). We brengen eerst een uitgebreid bezoek aan dit tempelcomplex. De pagode – momenteel in renovatie – is een ‘kindje’ van de grote pagode op Kōya-san, zo vertelt een monnik. Hide-san is een wandelende encyclopedie en kan enorm veel vertellen over alles wat met Kōya-san te maken heeft en wij zijn dankbare toehoorders. Bij de hoofdtempel hangen grote aantallen vrouwenborsten, door vrouwen zelfgemaakt van stof. Om te bidden voor het krijgen van kinderen of om genezing. We steken wierook en kaarsjes aan en reciteren er de hartsoetra. Asaka neemt 2 gomagi (bidlatjes), 1 voor haarzelf en 1 om voor mij te bidden. Ze schrijft onze namen erop en geeft ze aan de priester die ze morgenvroeg ceremonieel zal verbranden tijdens de ochtenddienst. Ik voel me omringd door de warmte van dierbare vrienden.

Vanaf de tempel voert het pad de berg op door de talrijke kakigaarden (kaki oftewel persimmon; het Israëlische Sharonfruit is een bepaald kakiras) waar deze streek om bekend is. Hide-san vertelt dat er vele kakirassen bestaan; sommige soorten kunnen alleen gedroogd worden gegeten, andere zodra ze rijp zijn. Al in het stadje zagen we dat de straatlantaarns en de putdeksels geïnspireerd zijn op de kakivruchten, en we kwamen ook voorbij een open bouwseltje op een garage waar de vruchten te drogen hingen. In de gaarden hangen in deze tijd van het jaar geen vruchten aan de bomen, maar harde, groene schijnbloemen.

We rusten bij een rest hut en eten er alvast een stukje van onze lunch op – mooie dozen met sushi gewikkeld in kakibladeren, waardoor het heerlijk vers blijft; door Hide-san geregeld via de ryokan – terwijl we onderwijl een fraai uitzicht hebben over de zonovergoten kakigaarden, Kudoyama en de omringende bergen. Kōya-san lijkt onmogelijk ver te liggen, helemaal aan de andere zijde van de vallei; herkenbaar aan het puntige topje dat boven de bergketen uitsteekt.

Kort daarna komen we in de beschermende schaduw van de bossen, met o.a. sugi, bamboe en vele loofsoorten. In vochtige bergwandjes zitten her en der bergkikkertjes in hun holletjes te raspen. In zie veel nieuwe varensoorten en koningsvarens zijn er ook weer volop, maar deze keer een stuk kleiner en meestal zonder sporendragers. We zien regelmatig bijzondere planten naast het pad, waarvan we ons al jaren afvragen wat het is. Hide-san kan er meer over vertellen: het zijn mamushi-gusa (‘adderkruid’, Arisaema japonicum), waarvan de lange stengels lijken op de mamushi, de adders, en ook het tongetje van de vreemde bloem lijkt op dat van een slang. De vrouwelijke bloemen vangen insekten in hun kelkvormige bloemen; de mannelijke hebben een gat onderin waardoor de insekten kunnen ontsnappen om vervolgens het stuifmeel te verspreiden.

Als we boven de 500 meter zijn gekomen, blijft het pad lange tijd licht op en neer kronkelen langs de hellingen. Op 575 meter hoogte gaan we een eerste pasje over. Om half 12 komen we aan bij de Futatsu Torii, een dubbele shintopoort. Vlakbij staat een rest hut waar we opnieuw een stukje lunch nemen. Hide-san heeft zijn zware fototoestel en statief meegenomen en we gaan met zijn allen op de foto bij de poorten. Daarna gaat het weer verder de berg op. Het is een fraai pad, dat door een afwisselend landschap loopt. Ik zie weer de parasitaire planten die ik al op Shikoku heb opgemerkt. Deze keer staan er op meerdere plaatsen grotere aantallen. Hide-san heeft de naam ervan opgezocht: ginryo-so (‘zilveren drakenkopkruid’, Monotropastrum globosum).

Terwijl we iets afdalen naar een uitgestrekt golfterrein, schiet een lange, zwarte slang weg onder een tas bamboe. Dan loopt het pad weer wat omhoog, dan wat omlaag. In een intieme vallei zijn verschillende moerasjes met iris. We zien er de apenvanger, in het Engels waitaminute genoemd: een nogal doornige plant. De talrijke geelwitte irisjes die we weer tegenkomen, blijken saga te zijn, weet Hide-san. En er zijn ook grote groepen witte miniminiviooltjes. En dan is er de boomaardbei: ki-ichigo (een algemene aanduiding waar o.a. Momiji-ichigo, Rubus palmatus var. coptophyllus onder valt). De urushi (hon-urushi, Toxicodendron vernicifluum, voorheen Rhus verniciflua) is een boom waarvan het sap voor lakwerk wordt gebruikt; hij wordt gekweekt in het noorden van Japan. Hier op Kyushu zien we een broertje ervan. Hide-san probeert een steen te breken om te laten zien dat er mica in zit. Het lukt hem niet de steen kapot te gooien en aangezien ik van elke reis een steen mee naar huis breng, besluit ik dat dit een mooie steen is om mee te nemen. Asaka vraagt ons of we de andere betekenis kennen van Gras naast de weg (de naam van een tentje tussen tempel 81 en 82), in het Japans michi kusa: als er onderweg links en rechts van je pad zoveel de aandacht trekt, waardoor je je doel uit het oog verliest…

Ondanks de vele, vele mooie en interessante dingen die onderweg onze aandacht trekken, vorderen we gestaag, maar de tijd gaat wel wat dringen. Om half 2 kruist het pad (op inmiddels weer ‘slechts’ 500 meter hoogte) een weg waar een theehuis is. De matcha is op, we kunnen wel koeken en gewone groene thee krijgen. Buiten op een bankje eten we de lunch verder op. Daarna stijgt het pad weer; steeds vaker staan er enorme sugi langs het pad, voorboden van de reuzen op Kōya-san. We zien nogmaals een slang, deze keer een hele lange bruine. Het is al 5 uur geweest als Hide-san vraagt of ik misschien opnieuw voorop wil lopen, hij heeft een verrassing voor me. Na enkele 10-tallen meters komt het pad opnieuw bij een weg en langzaam rijst de enorme toegangspoort tot Kōya-san voor me op: de Daimon poort. Een zeer indrukwekkend gezicht. We maken opnieuw uitgebreid foto’s van ons groepje en we raken er aan de praat met 2 jongens uit Osaka die erg geïnteresseerd zijn in onze pelgrimsreis. Daarna is het nog 3 kilometer door Kōya naar onze overnachtingsplaats: het gastenverblijf van tempel Ekō In. Asaka belt alvast dat we wat verlaat zijn en als we aankomen kunnen we bijna meteen eten. Met zijn 4-en hebben we een aparte eetzaal, omgeven door fraai beschilderde schuifdeuren vol kraanvogels, en elk zittend op een plat kussen voor enkele kleine tafeltjes.

Om kwart over 7 gaan de schoenen echter weer aan: er is een avondexcursie onder leiding van een van de monniken naar de enorme, 2 kilometer lange begraafplaats die uitstrekt tot het mausoleum van Kukai of Kobo Daishi. De sprookjesachtige begraafplaats herbergt minstens 200.000 (volgens de monnik mogelijk 400.000) graven uit allerlei perioden, veelal bedekt met moskapsels, en omgeven door eeuwenoude reuzensugi (de oudsten zijn gedateerd op 850 jaar volgens hem). Opnieuw een magische plek. Ik vind het een van meest betoverende plaatsen ter wereld. Links en rechts van de 2 hoofdpaden staan grote stenen lantaarns en er is ook straatverlichting. Af en toe valt er een druppeltje regen. Zo in het donker, is de sfeer nog betoverender.

Terug in het gastenverblijf drinken we – na de ofuro – nog wat groene thee op de kamer van Hide-san. Asaka komt er ook bij, nadat ze de hartsoetra heeft uitgeschreven op een vel papier en afgegeven bij een van de monniken. Hide-san verbaast zich erover dat Mels niet elke dag naar de ofuro gaat. Zonder ofuro kan hij niet slapen; hij denkt dat hij niet zou kunnen leven zonder. Tja, dat dacht ik ook wat betreft mijn ochtenddouche die ik bijna elke dag moet missen in Japan, maar ik leef nog steeds… Alles went op den duur… Hide-san leert ons een muntspelletje: miyama kuzushi (=the art of breaking balance), beter bekend als nim (van het Duitse nehmen: nimm) en we hebben er veel plezier mee. Al vroeg liggen we op de futon, want morgenvroeg begint om half 7 de tempeldienst.

Geplande afstand: 24,0 km, 790 m stijging
Werkelijke afstand: 24,5 km (excl. 4 km avondexcursie), hoogste punt 853 m (eindpunt: Kōya-san), totale stijging 1377 m, laagste punt 56 m (vertrekpunt: ryokan Nakagawa, Kudoyama), totale daling 609 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1546,0 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.18– 17.53 uur
Looptijd: 5,47 uur
Gemiddelde snelheid: 4,2 km/u
Bezochte tempels: Jison In (Nyoninkōya)
Blaren: restantjes
Overnachting: gastenverblijf tempel Ekō In, Kōya-san (1 kamer 8 tatami’s groot met tokonoma, 1 tafeltje, tv, binnenveranda met kastenwand, 2 stoeltjes en tafeltje, kluis, hal, uitzicht op fraaie binnentuin met Japanse esdoorns en bloeiende rhododendrons, redelijk vegetarisch avondeten, karig vegetarisch ontbijt)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *