Dag 73: dinsdag 8 mei 2012: Knabbelen aan de poorten van de hemel

Om kwart over 8 werken we ons door de drukke ochtendspits van Takamatsu verder naar het oosten. Lange tijd lopen we op de stoep naast route 11, een drukke, 4-baans verkeersader. De vele stoplichten geven veel oponthoud, evenals het fietsverkeer dat de stoep deelt met de voetgangers. Grote horden schoolkinderen fietsen ons tegemoet. Op een wat rustiger stoep liggen 2 dode lapjeskatten; netjes naast een boom gelegd. Bij een brug over een brede rivier staat een grote groep witbloeiende acacia’s, een zware, zoete geur verspreidend; in het water duiken aalscholvers naar vis; 2 bruggen over brede rivieren – en enkele kilometers – later zijn er schildpadjes en een witte zwaan en zwemmen er grote scholen vissen waarvan er sommige boven het wateroppervlak uit springen. Direct erna nemen we een smal weggetje naar het noorden en al snel laten we de grotestadsdrukte achter ons.

We hebben voor vandaag 25–26 kilometer gepland, met bezoek aan 3 tempels, maar de 1e 2 liggen wel elk op een ander bergje en de 3e moeten we per se halen vandaag. Het 1e bergje beklimmen we via een betonnen weggetje, afgewisseld met natuurstenen plaveisel en treedjes. De zon weet de meeste tijd door de sterke nevel heen te prikken; het is warm en broeierig en het zweet gutst ervan af. In 3 kwartier zijn we boven bij tempel 84, waar Kannon centraal staat, de boddhisatva van mededogen. Naast de mooie, oude hoofdtempel staat een modern (maar ook erg fraai) museumgebouw. Eigenlijk had ik graag deze keer de Snow Garden (steentuin) achter het museum willen bezoeken, maar de tijd ontbreekt ons vandaag; misschien een volgende keer… Van de aardige stempelmonnik krijgen we 2 koekjes die we meteen opeten. Om 11 uur dalen we de berg weer af aan de oostkant via een nogal hachelijk paadje, een van de allermoeilijkste tijdens onze tocht. Gelukkig heeft het de afgelopen dagen niet geregend, anders was het gewoonweg niet te doen. Langzaam, heel langzaam dalen we af naar een smal, langgerekt dal dat uitkomt bij een diepe inham van de Japanse Binnenzee; in de diepte is een vissershaven. Aan de overzijde van het dal is een bergrug waar grote happen uit zijn: 2 toppen zijn half afgegraven. Het enorme lawaai van de caterpillars is aan deze zijde van het dal zelfs te horen. ‘We zijn in 37 minuten afgedaald’, zegt Mels, de man van de cijfers, als we in het dal zijn aangekomen, weer terug op zeeniveau. ‘Dat is 8 minuten sneller dan de vorige keer. We wennen aan die moeilijke paadjes.’

Door het dal lopen we via allerlei straatjes en weggetjes naar de berg aan de overzijde. Onderweg kopen we bij een supermarkt wat brood en cake voor de lunch. En ik vind er een nieuwe zonnebril van € 10, het kan er nu vanaf. Op het bankje bij de bushalte ervoor eten we de lunch meteen op. Het bankje kijkt uit op de berg waar we naartoe moeten. Er steken 5 toppen op een rij uit boven de plaats waar de volgende tempel ongeveer moet zijn. Vorig jaar vertelde een man ons dat God woont op die 5 toppen. Nu realiseer ik me dat die toppen tot dezelfde bergrug behoren als waar er zo driftig wordt afgegraven. Er wordt geknaagd aan de poorten van de hemel…
Langs sawa’s, met piepjonge rijstplantjes of waar driftig machinaal wordt geplant, lopen we verder door het dal. Aan de voet van de berg zijn we vorig jaar uiterst hartelijk onthaald door een echtpaar. De schuifdeuren van het huis zijn nu dicht. Mels loopt snel verder, maar ik blijf verlangend naar de deuren kijken die prompt openschieten. Het weerzien is hartelijk. We worden binnen uitgenodigd; schoenen uit. Behalve de gastvrouw zijn er nog 2 andere vrouwen. Ze schieten allemaal de keuken in om ons opnieuw te verwennen: een maki met groente, koffiegelatine met room, thee, rijstkoekjes, schijfjes buntan… En of we zin hebben in echte groene thee? We worden naar de speciale theekamer geleid en krijgen er bancha in mooie chawans, en lekkere koekjes erbij. De gastvrouw laat ons het Delftsblauwe doosje zien dat we vorig jaar gaven. En ook haar plakboek, met onze naamkaartjes én een krantenknipsel van het artikel dat over ons is verschenen in de Asahi Shimbun. Ook dat hebben ze bewaard. Ze vertelt dat er steeds meer buitenlanders langskomen, gisteren nog een Canadees, een Fransman en een Zwitser. Uiteindelijk moeten we ons losscheuren, hoe gezellig het ook is. We moeten weer verder. Deze keer geven we een koelkastmagneet. Delftsblauw uiteraard.

In minder dan een half uur lopen we de smalle bergweg op naar tempel 85. Boven de weg hangen overal spannertjes, maar ook andere rupsen aan lange draden. De metalen reling langs de weg zit vol met rupsen, ik tel minstens 7 verschillende soorten: kleine zwarte, grote felgroene met een punt en vooral bontgekleurde – zwart, wit, felgeel, rood en roodbruin – met lange haren. Ook op de weg krioelt het ervan; vele zijn al doodgereden. Gisteravond hadden we allebei wat last van uitslag – ik op mijn onderarmen, Mels op zijn gezicht, heup en benen – mogelijk hebben deze rupsen daar mee te maken. We proberen ze zoveel mogelijk te ontwijken.
Ook tempel 85 is een van die plaatsen die we allebei als speciaal ervaren, een magische plek. Naast de hoofdtempel zijn er vaag beelden in de bergwand uitgehouwen. Naar de andere tempels is het een eindje lopen, langs klokkentoren, schrijntjes, poeltje en beelden. Voor een van de andere tempels staat een boom met paarswitte, kelkvormige bloemen. Het totale tempelcomplex strekt zich uit over vele niveau’s, maar jammer genoeg ontbreekt het ons nu aan tijd om de berg nog verder op te gaan. We voeren alleen de rituelen uit en vertrekken dan weer. Van de stempelmonnik krijgen we 2 blikjes koffie. Aan de zuidoostkant dalen we de berg weer af via een lange, af en toe sterk dalende weg (21%). Ook hier zijn weer duizenden rupsen, vooral de bontgekleurde. In een van de vele stuwmeertjes zwemmen schildpadden; uit een rozenstruikje onderaan de betonnen oever klinkt een roerdompachtig geluid – een duidelijke misthoorn – maar we kunnen de vogel niet ontdekken.

Anderhalf uur later zijn we bij tempel 86; het is 4 uur, ruim op tijd. Voorgaande jaren vonden we het een wat rommelig geheel, waar her en der wat terreinwerkzaamheden leken te gebeuren. Er is nog niets veranderd, behalve dat een van de bijgebouwen is afgebrand en dat daadwerkelijk wordt herbouwd. De stokoude ginkgo op het terrein ziet er nóg wat minder gezond uit. In het vijvertje erachter kiften enkele reigers. Nu zie ik pas dat er reigernesten zitten in de grote oude kamferbomen achter op het terrein. Door de enorme hoeveelheden stront zijn de bovenste takken al afgestorven. Grote groepen duiven zitten op de hoofdtempel en op het pad. Enkele vleermuizen scheren over. Na de rituelen nemen we de tijd om even te rusten. Daarna hebben we nog 7,3 kilometer te lopen naar onze overnachtingsplaats naast tempel 87. ‘Jullie zijn er niet voor 7 uur’, zegt een andere loophenro tegen ons. Maar dan kent hij nog niet die snelle Hollanders van het platte vlak. Even na 6 uur zijn we er al. Maar de laatste loodjes vallen niet mee. Onze voeten doen nóg meer zeer dan gisteren en we zijn nóg moeier. Engelsen hebben daar een mooi woord voor: weary. De hartelijke ontvangst en het heerlijke avondeten doen wonderen, maar we merken wel dat we de laatste tijd moe, erg moe zijn. En de laatste dagen zijn we ook wat treurig: het einde van de tocht nadert. Elk jaar opnieuw is het alsof de de 1e helft van de tocht heel helder en bewust voorbijtrekt. Van dat deel herinner ik me veel meer details dan van de 2e helft van de tocht – zo ongeveer vanaf het moment dat we langs de westkust naar het noorden trekken – waarbij de dagen als in een waas voorbij lijken te trekken. Alles verwordt tot een blur. Als in een trance. Is dat verlichting? Dat je op een gegeven moment te moe bent om je nog druk te kunnen maken om iets? Maar het is geen vervelende moeheid, geen moeheid die het leven mat maakt. Het is meer dat er gewoonweg geen ruimte meer is voor iets anders dan lopen en alles wat er direct omheen hoort. We constateren allebei dat het ook enorm verslavend is, dat lopen. Niet alleen vanwege de endorfinen die vrijkomen. Het is ook de manier van leven, het ongecompliceerde… het onderweg zijn…

’s Avonds laat is er via de mail bericht uit Mashiko: de zware tyfoon die over die regio is getrokken, heeft ook Mashiko getroffen. Er is opnieuw – soms ernstige – schade aan huizen en ateliers. Het lijkt wel of het weer in de war is: het tyfoonseizoen in Japan is normaal in het najaar.

Geplande afstand: 25,3 km, 100 m stijging
Werkelijke afstand: 29,4 km, hoogste punten 287 m (tempel 84) en 225 m (tempel 85), totale stijging 985 m, totale daling 944 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1412,3 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.15– ca. 18.10 uur
Looptijd: 6,20 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: tempel 84, 85 en 86
Blaren: 1 restant en 1 hele (nog groter gegroeid)
Overnachting: minshuku Nagaoji (1 kamer iets meer dan 6 tatami’s groot met 1 tafeltje, tv, kast, halletje, uitzicht over tempelterrein, wifi op kamer, goed avondeten, goed ontbijt)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *