Dag 72: maandag 7 mei 2012: Waar is die tempel???

Na een goede nachtrust voel ik me een stuk beter dan de afgelopen dagen. Bij toeval ontdek ik dat mijn rugzak kapot is: een van de banden waarmee de zak aan de heupband zit, is volledig doorgesneden door de metalen strip die onderaan het frame zit. Een constructiefout. De rugzak zit al jaren scheef, maar we weten dat aan het feit dat mijn ene heup 3 centimeter hoger zit dan de andere. Mogelijk heeft het toch (ook) met de rugzak zelf te maken…

We blijven lang hangen aan de ontbijttafel, nog even genieten van het mooie uitzicht. Het is bewolkt en erg nevelig. In de verte hangt een gele smogsluier. De Japanse Binnenzee oogt spiegelglad. In de laagvlakte rijden piepkleine autootjes in file over de wegen. Af en toe spuit er een grote wolk stoom uit een schoorsteen aan de kust. Het mooie van het zitten op een berg is dat je perspectief verandert: al het drukke gedoe in het dal lijkt zo verschrikkelijk nietig. Niets is meer belangrijk. Het leven geeft me alles wat ik nodig heb.

Bij het afrekenen blijkt het hotel een stuk goedkoper dan verwacht, we houden zelfs – na contante betaling – nog zo’n ¥ 10.000 (€ 100) over in de pot. In de lobby spreken verschillende mensen ons aan over de pelgrimstocht. We blijven uitgebreid staan kletsen en het is al 9 uur als we eindelijk vertrekken. Het dagprogramma is middelzwaar: 25–26 kilometer te lopen en 4 tempels te bezoeken, maar Mie belde vanochtend dat ze om 5 uur op het station in Takamatsu op ons zal wachten. Het lijkt ons onwaarschijnlijk dat we dat gaan halen, maar dat heeft Mels haar al wel verteld. Als we er niet zijn, zal ze naar het hotel bellen.

Via de weg dalen we iets verder af naar tempel 81 waar we al een kwartier later aankomen. Uit luidsprekers klinkt zacht traditioneel gezang. Via enkele trappen klimmen we omhoog naar de tempelgebouwen; onderweg zijn er verschillende kleine tempeltjes, waar kleine diersculpturen voor staan. Vorig jaar zijn we met een aap en een schaap op de foto gegaan; onze oosterse dierenriemtekens. Er zijn ook fraaie bomen – zoals een grote kamferboom en een kronkelige den – en donkerrood bloeiende rhododendrons. Bij de hoofdtempel staat een echtpaar de hartsoetra te reciteren, de man met luide(r) stem. Daarna begint iemand anders ook al erg luid te reciteren. Als wij wierook en kaarsje hebben aangestoken, willen wij ook beginnen met de hartsoetra en op dat moment begint iemand op volle kracht te reciteren. We kunnen onszelf niet eens verstaan. Als we klaar zijn, schieten we allebei (stilletjes) in de lach. Zou het besmettelijk zijn, dat harde reciteren? Bij een klein zijtempeltje bovenaan sta ik plotseling in het volle zonlicht. Ik ervaar opnieuw een grote helderheid. Een magische plek. Op weg naar de uitgang zien we weer 3 vrouwen waarmee we in de lobby van het hotel spraken. We gaan met zijn allen op de foto. En ik koop 2 minigelukskatjes, voor thuis.

Tempel 82 bevindt zich zo’n 5 kilometer verderop op hetzelfde plateau als tempel 81. We nemen een klein pad dat eerst verder de berg oploopt en dan lange tijd langs de hellingen kronkelt. Hier en daar zijn er weer felrose bloeiende azaleaboompjes langs het fraaie pad; enkele keren ook een groepje koningsvarens. Af en toe zijn er wroetsporen. Aan het eind stijgt het pad weer tot we op de weg uitkomen. Bij een klein restaurantje met de lyrische naam Gras naast de weg nemen we voor het 3e opeenvolgende jaar een ijsje. Van de uiterst hartelijke gastvrouw mogen we hem binnen opeten en we krijgen er ook een glas water bij. Het laatste stuk naar tempel 82 gaat opnieuw via een klein pad, nu licht dalend. We komen er een loophenro tegen die de tocht in omgekeerde richting doet… op krukken. We kijken hem verbijsterd aan. ‘Dat moet moeilijk zijn’, zeg ik in het Japans tegen hem. ‘Ja’, dat is het zeker’, antwoordt hij. Hij ziet er erg ongelukkig uit. ‘Sterkte’, zegt Mels. We kunnen onze ogen bijna niet geloven. Voor een gezond mens is de tocht al zwaar; met krukken begint het op ernstige zelfkastijding te lijken. Maar wie zijn wij om daarover te oordelen? ‘We kennen zijn verhaal niet’, zegt Mels, terecht. Even later komen we bij de trappen naar tempel 82 aan, de tempel waar het karkas van een 1600 jaar oud geworden boom staat: een monument voor een boom. Op de trap zijn bloedsporen te zien. We denken meteen aan de man met krukken, maar dit moet verser zijn… We zien echter nergens een gewonde.

Na tempel 82 nemen we een pad dat aan de noordoostkant van de berg afdaalt, op weg naar bangai 19. In een klein bamboebosje horen we op 2 plaatsen geluiden als van ‘bamboespechten’, maar we kunnen de bron ervan niet ontdekken. Op het pad liggen lege doppen van kleine walnoten. Regelmatig hangen kleine spannertjes aan lange draden boven het pad. Af en toe zie ik door mijn oogharen weer eentje langs de rand van mijn hoed kruipen. Het laatste deel van de afdaling gaat over smalle weggetjes door gaarden vol zakjesstruiken. In een klein akkertje langs de weg staat een rijtje uienplanten – bossen met holle stengels die het midden houden tussen reuzenbieslook en ui – en op de bolronde bloeiwijzen zitten talloze vlinders: zwarte met lange slippen en roodrose stippen, zwartwit geblokte met een oranje toefje en azuurblauwe omgeven door zwarte biezen. Plotseling ontvouwt zich een fraai, verstild panorama over de Japanse Binnenzee. In de spiegelgladde, blauwgrijs getinte zee drijven donkere, puntige silhouetten van beboste eilanden. De nabije kustvlakte bevat een mix aan huizen en akkerland; verder naar het oosten, half achter een heuvelrug, is Takamatsu te zien, de grootste stad aan de noordkust van Shikoku, met hoge torenflats en havenindustrie.

Eenmaal in de laagvlakte vinden we geen tekens meer van het pelgrimspad, maar we denken dat er weinig fout kan gaan als we steeds naar het noorden of noordoosten aanhouden, ongeveer richting zee. Maar de weg buigt helaas steeds meer naar het noordwesten en uiteindelijk moeten we concluderen dat we helemaal niet goed zitten. Het kost ons minstens een kilometer extra. Als we weer naar het oosten lopen, zien we al snel een udontentje. Het is al half 2 en we snakken naar een lunch, dus leggen we even aan. Binnen hangt een mooie verzameling antieke kinderkimono’s. Helaas niet te koop. Op de tv zien we beelden van een zware tyfoon die in een regio ten noorden van Tokyo is langsgetrokken. Kort na de lunch hebben we weer allebei last van buikkrampen, maar gelukkig niet lang deze keer. Pas kilometers later arriveren we eindelijk bij bangai 19. Het is dan al half 3. In het stempelkantoor staan fraaie oude beelden. Op het stille tempelcomplex staan ook rijen en rijen beeldjes van kindertjes; allemaal met roodgehaakte mutsjes en rode slabbetjes met witte biesjes. Bij de hoofdtempel hangt een grote rozenkrans aan het plafond, ik laat de grote kralen door mijn handen gaan. ‘Het gaat fout. We gaan het niet meer halen’, zegt Mels na het uitvoeren van de rituelen. Het is vanaf bangai 19 meer dan 9 kilometer naar de in het binnenland gelegen tempel 83. Als we die niet halen voor 5 uur (liefst half 5 voor de zekerheid), dan is dat een ramp: de tempel ligt veel te ver van het hotel om er morgenvroeg nog even ‘bij’ te kunnen doen. Mels stelt voor een taxi te nemen. Maar het is pas 3 uur en dan wil ik het er nog niet bij laten hangen. Terwijl we stevig doorlopen, zegt Mels: ‘Ik heb zitten berekenen dat we er theoretisch om 5 voor 5 kunnen zijn.’ ‘Kun je geen betere berekening maken?’ ‘Nou, 4 voor 5 eigenlijk…’ Eerst schieten we nog even een postkantoor binnen: eindelijk weer ruim geld! Dan stappen we stevig door. Aanvankelijk via allerlei kleinere wegen, later lange tijd over een fietspad langs een brede rivier. En dan gaat het weer fout. We lopen een brug te ver. Kost ons weer een halve kilometer extra. Mels vraagt verschillende keren aan enkele schoolkinderen of ze de tempel kennen, maar tempels ‘leven’ blijkbaar niet zo bij kinderen… Gelukkig is er eindelijk een vrouw die ons de goede richting uitwijst. Om 13 voor 5 komen we aanstormen bij het stempelkantoor. We zijn niet de laatsten. Auto- en loophenro’s komen nog voortdurend hijgend aanrennen; opgelucht grijnzend als ze zien dat het stempelkantoor nog open is.

Na het uitvoeren van de rituelen blijven we langdurig op een bankje midden op het tempelcomplex zitten, onder een kersenboom vol wensbriefjes en kleine wensparasolletjes. We nemen een cola uit de vending machine. De stempelmonnik is ondertussen bezig met afsluiten. ‘Het werk zit erop?’, vraagt Mels in het Japans aan hem. Hij grijnst breed. Even later komt hij met 2 blikjes ijskoffie aan. ‘Dit zijn de snelste 10 kilometer die we ooit hebben gelopen’, grijnst Mels. We hebben alleen wel behoorlijk pijn in onze voeten…

Ja, en dan… Dan moeten we nog 7 kilometer lopen naar het hotel… Lange tijd lopen we langs een drukke 2-baans weg – opnieuw naar het noorden, maar nu iets oostelijker – meestal met stoep of overdekte goot; het tempo wat lager dan de voorgaande 10 kilometer. Ik zie een rat wegschieten, een zijgoot in. De zon verdwijnt bloedrood achter een heuvelrug. Langzamerhand lopen we Takamatsu binnen. Het is al donker als we bij het hotel aankomen. Er is geen eten bij inbegrepen, maar we kunnen terecht in het kleine restaurant bij het hotel en eten daar onverwacht goed. Mie belt niet meer…

Geplande afstand: 25,3 km, 100 m stijging
Werkelijke afstand: 30,5 km, hoogste punt (vlak voor tempel 82) 438 m, totale stijging 766 m, totale daling 1074 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1382,9 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.59–19.00 uur
Looptijd: 6,27 uur
Gemiddelde snelheid: 4,7 km/u
Bezochte tempels: tempel 81 en 82, bangai 19, tempel 83
Blaren: 1 restant en 1 hele (groter gegroeid)
Overnachting: hotel No. 1 (westerse kamer, 2x1p-bed, bureau met krukje, fauteuil, koelkast, tv, badkamer met bad/douche/wc, internet met kabeltje op kamer, (goed/uitstekend avondeten,) redelijk ontbijt)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *