Dag 68: donderdag 3 mei 2012: Dark room op sokken

De hartelijke en zeer betrokken gastvrouw doet ons het bier van gisteravond cadeau en we krijgen ook nog 2 gele citrusvruchten mee. Wij geven Delftsblauwe klompjes. Lang, heel lang zwaait ze ons na, met een paraplu in de regen. We hebben een overvol dagprogramma voor de boeg: minstens 28–30 kilometer te lopen en 6 tempels te bezoeken, maar we gaan er al half vanuit dat we de laatste tempel (bangai 17) niet zullen halen; die kunnen we morgen, op onze vrije dag, inhalen door er vanuit de volgende overnachtingsplaats heen (en weer terug) te lopen.

Wij gaan eerst weer naar het westen, naar bangai 18 die we gisteren hebben gemist. Het regent stevig en we schieten al gauw wat kleinere straatjes in om de drukke 2-baans weg met meters ver weg opspattende plassen te ontwijken. Als ik diep ademhaal zie ik witte wolkjes uit mijn mond komen. Het is vandaag een stuk frisser dan voorgaande dagen. Bangai 18 blijkt over 2 lokaties verspreid. In de eerste tempel worden we door de flamboyante stempelmonnik met bakkenbaarden tot aan zijn kin uitgenodigd de tempel zelf binnen te gaan. Wel schoenen uit, rugzakken af. Hij blijkt zeer gecharmeerd van onze hartsoetra. We blijven even kletsen; hij zet stempels. Daarna bezoeken we ook nog de stupa bovenop het huchtje bij de tempel. En dan lopen we nog even terug naar de hoofdtempel die tegen een groot, oerlelijk gebouw aan blijkt te hangen. In plaats van de 2 hemelse koningen die bijna altijd de tempelpoort links en rechts flankeren, staan hier 2 sumoworstelaars links en rechts van de poort. Grapje? Of een moderne interpretatie van het Japanse veelgodendom? Ook hier is er een stempelmonnik. Als we een stapeltje osame fuda’s kopen, maken we ook met hem kort een praatje. Hij vertelt dat deze tempel de geboorteplek van Kukai’s vader is; bangai 17 is de geboorteplek van Kukai’s moeder.

Vanaf bangai 18 trekken we weer het binnenland in, naar het zuidoosten, waar 5 kilometer verder tempel 72 is. Plotseling houdt het op met regenen. Vanuit zee breekt de zware bewolking open en verschijnt een blauwe hemel. Opeens is het bloedheet en plakkerig. Uit het asfalt stijgen grote stoomwolken op. Bij een klein treinstation trekken we onze regenkleding uit. De wind steekt op; tegen uiteraard. Onderweg komen we langs een dakpannenfabriek. Omdat we vanuit een andere richting naar tempel 72 lopen, herkennen we de omgeving niet, zelfs niet als we vlakbij de tempel zijn gekomen. Maar om 11 uur staan we toch echt voor het poortgebouw; in een vijvertje zitten schildpadden; een kleintje zit bovenop een grotere te zonnebadderen. De volgende tempel is een halve kilometer verder, iets hoger gelegen. Langs gaarden vol zakjesstruiken komen we daar al 3 kwartier later. Als we de tempel weer verlaten, hebben we een mooi uitzicht over de kustvlakte vol groepjes hijskranen; erachter is de zee met talloze eilanden en de hoge bruggen die Shikoku via enkele eilanden verbinden met Honshu.

Ook naar de volgende tempel is het slechts enkele kilometers door een mix van agrarisch en halfstedelijk gebied: een afwisseling van grote – zowel traditionele als moderne – woonstedes, rijtjeshuizen, woonflats en ertussen door akkerlandjes, regelmatig met wuivende rijstvelden. Het is warm, zo in het open veld. Zoals wel vaker, moet ik uitkijken dat ik niet al lopend in slaap val. Rond tochtige heuveltjes is er een sterke wind die dan weer in de rug, dan weer tegen is. Na tempel 74 zitten we plotseling middenin de havenindustrie en daarna zijn er weer woonwijken tot we – ook slechts een kilometer later; het is dan inmiddels half 2 – bij tempel 75 aankomen. Voor veel henro’s is deze tempel het hoogtepunt van de pelgrimstocht: het is de geboorteplek van Kukai. Het is een enorm complex dat nogal commercieel aandoet, mede dankzij de vele marktkraampjes en winkeltjes op het terrein. En het is er altijd erg druk; zeker tijdens de Golden Week. Er was ons van diverse kanten aangeraden eens te slapen in het gastenverblijf bij deze tempel, maar dat gaat Mels te ver. We willen deze keer echter wel extra tijd uittrekken voor deze tempel. Eerst gaan we naar het restaurantje waar we vorig jaar ook hebben geluncht, in de hoop dat er ook nu weer een wifi-signaal op te vangen zal zijn, maar helaas vangen we met de i-phone en Apple laptop veel minder vaak wifi op en ook nu lukt het niet. Na de lunch bezoeken we het uitgestrekte tempelcomplex. Na het uitvoeren van de rituelen bezoeken we de Kaidan Meguri, een wandeling – op sokken – van 100 meter in totale duisternis door een rondlopende tunnel onder de tempel waar Kukai zou zijn geboren. Een plaats voor reflectie: ‘We wish you a beautiful mind’ staat in de Engelstalige folder. Maar toevallig hebben we wel een horde kinderen achter ons aan. We zijn er al snel doorheen. Daarna bezoeken we de tuin achter de tempel, waar een gebouwtje is met ‘the well of the birth water’ (we weten niet zeker wat ermee wordt bedoeld…) en een museum met de tempelschatten, zoals rollen met soetra’s, een oude tempelbel, een vergulde bronzen staf en een wierookvat.

Maar ons belangrijkste doel is de hoofdtempel die wat verderop op het complex staat. Vorig jaar kreeg Mels in het restaurantje het mailtje waarin stond dat zijn broer Herman was overleden. Juist op deze plaats willen we daarom daar opnieuw bij stilstaan. In de hoofdtempel staan enkele enorme vergulde beelden, omringd door een beeldengang van kleinere stenen beelden – ik denk Lakham. Voorin de tempel kun je grote wierookstaven branden. Mels steekt er een op om Herman te gedenken; ik steek er eentje op voor Meiny. En een andere voor mezelf, want de wierookstaven zijn niet alleen bedoeld om overledenen te gedenken. Als we de tempel verlaten, is er opeens een erg frisse wind; er drijven donkere wolken langs de hemel. Voor de tempel komen de Lachende Boeddha tegen, een henro die we vorig jaar enkele keren ontmoetten tijdens onze tocht. Hij liep vorig jaar de tocht voor de 16e keer; dus nu moet het minstens de 17e keer zijn. Hij ziet er slecht uit. Zijn mond oogt wat tandelozer en zijn flamboyante houding is weg; hij oogt erg mat. We zien ook weer het echtpaar dat we 2 dagen geleden bij tempel 67 spraken, degenen die ons op tv hadden gezien; ze beëindigen de tocht vandaag bij tempel 75. We blijven even kletsen en lopen dan nog wat over het terrein, langs de grote pagode en de 2 enorme kamferbomen die meer dan 1000 jaar oud zouden zijn. Pas 2 uur later vervolgen we onze weg.

Het is inmiddels 4 uur en we moeten nog 7 kilometer lopen naar ons hotel. Ook hier in het stedelijke gebied zijn geen pijlen van het pelgrimspad te vinden en moeten we vaak even het routeboekje en het kompas erbij pakken. We komen langs een uitgestrekte legerplaats, waar enkele Nederlands aandoende gebouwen staan: oude kazernes. We beginnen net een beetje de bebouwing achter ons te laten als een man met een Japanse inu ons aanspreekt: Waar we naartoe op weg zijn. Het Park Hotel? Maar we zijn toch niet serieus van plan dat helemaal te gaan lopen? Nou, toch eigenlijk wel. In ieder geval weten we nu zeker dat we op de goede weg zijn… Korte tijd later, op een kleine 2-baansweg, die loopt langs talloze boomkwekerijen met strak in vorm gesnoeide boompjes, stopt even verderop een busje, dat daarna achteruit rijdt tot het naast ons staat. Een lift nodig? Nee, 1000x dank, maar we willen lopen, ook al doen onze voeten steeds meer pijn en zijn we steeds moeier. Weer enkele kilometers later – we lopen inmiddels op een stoep naast een erg drukke 2-baansweg – stopt er weer een auto. ‘Instappen!’, worden we gedirigeerd. ‘Park Hotel!’, zegt de man en dan zie ik pas dat het de man met de Japanse inu is. Hij heeft de auto gepakt en is gaan rondrijden tot hij ons terugvond. Erg lief. Maar we willen toch echt lopen. Er komt een grote bus aanrijden, ik houd mijn hart vast. De man is erg vasthoudend, maar wij ook. Uiteindelijk rijdt hij lachend verder. We zwaaien lang.

Kort daarna leggen we even aan bij een Joyfull voor – uiteraard – ijs, want we hebben het onderweg weer warm gekregen, de zon schijnt alweer volop. Het is inmiddels half 6… Enkele kilometers later arriveren we bij ons hotel in het stadje Kotohira. Het personeel is wat stijfjes – dat doet blijkbaar extra sjiek aan – maar we moeten deze keer wel zelf onze koffers sjouwen, die naar dit hotel zijn doorgestuurd. In de lift blijf ik met mijn bamboewortel hangen tussen de deuren; hij overleeft het niet… De kamer blijkt de kleinste te zijn van onze hele tocht. Als de een staat, kan de ander er niet meer langs. Het vergt wat organisatievermogen en regelmatig overleg om elkaar niet teveel in de weg te zitten. We besluiten meteen maar te gaan eten, want dat moet je niet te laat doen in Japan. Omdat er bij het hotel geen restaurant is, gaan we naar de 300 meter verder gelegen kaiten-sushi, van een heel wat mindere kwaliteit dan de vorige en 2–3x zo duur, maar ze hebben wel edamame. Buiten blijkt het erg koud te zijn. Ik typ nog wat, zittend op bed; Mels probeert de wifi in de hal uit, maar dat werkt niet. Dan maar op bed…

Geplande afstand: 25,4 km (excl. 1,5 km extra naar bangai 18; incl. 2×5 km van Park Hotel naar bangai 17 en terug), 50 m stijging
Werkelijke afstand: 21,5 km, hoogste punt (eindpunt) 96 m, totale stijging 455 m, totale daling 357 m (gps heeft niet gewerkt tussen bangai 18 en tempel 72)
Cumulatief afgelegde afstand: 1288,0 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.13– ca. 18.15 uur
Looptijd: 5,54 uur (??)
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u (??)
Bezochte tempels: bangai 18, tempel 72, 73, 74 en 75
Blaren: 1 (trouw dezelfde)
Overnachting: Park Hotel (westerse kamer, 2p-bed, bureau met stoel, koelkast, tv, piepkleine badkamer met bad/douche/wc, internet staand via kabeltje in hal, redelijk ontbijt Japans/westers)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *