Dag 67: woensdag 2 mei 2012: Jezus redt

’s Nachts slaap ik niet vanwege mijn zere voeten; vooral mijn extra lange, linker middelteen zit voortdurend in een kramp. Vanaf een uur of 3 komt de regen met bakken uit de hemel en als we om 5 over half 9 vertrekken, hebben we alle regenkleding aan, want het is ook wat frisser dan de afgelopen dagen. We worden uitgeleide gedaan door de zuinig kijkende dame – met eindeloos geduld, want niet alleen onze schoenen kosten altijd veel tijd, ook moet er bij regen het een en ander in plastic worden gehuld… – en ze kijkt extra afkeurend als ik een van mijn schatten – mijn bamboewortel – aan mijn henrotas hang. ‘Ze zwaait ons niet eens uit’, zegt Mels verontwaardigd als we de straat uitlopen. Ik had me al de moeite bespaard om om te kijken… De regen blijkt gelukkig wat minder erg dan de afgelopen nacht. Aan de overzijde van het kruispunt is een café waar we wifi weten, maar dat is op dit vroege uur nog gesloten. Onder het afdak ervoor haalt Mels via zijn i-phone toch wat mails binnen, al duurt het erg lang.

Dan beginnen we aan ons dagprogramma: zo’n 21–22 kilometer te lopen en 5 tempels te bezoeken, waarvan de laatste 1–2 kilometer voor onze overnachtingsplaats. Een kilometer later zijn we al bij de ‘combitempel’ 68 en 69, 2 tempels die hetzelfde terrein delen. De hoofdtempel van 68 is een betonnen gebouw gecombineerd met een aluminium overkapping. Lelijk en sfeerloos. Ernaast is daarentegen een sfeervolle bergtuin vol bolrhododendrons waarvan de eersten in bloei beginnen te komen. Bij tempel 69 staat een enorme kamferboom met een meters ver uitgestulpte voet die vele malen groter is dan de stamomtrek. De klokkentoren bevat zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde erg mooi houtsnijwerk. We vervolgen onze weg naar het oosten, naar tempel 70, langs de zuidoever van een brede rivier waar hier en daar een groepje witte reigers rondhangt. Vooral langs de rivier is er een felle (uiteraard tegen)wind, de regen waait ons in het gezicht en ik word erg moe van het geworstel tegen de wind in. We hebben bovendien allebei behoorlijke buikkrampen. Maar… dan is er redding. We kunnen schuilen bij Jezus: bij de ingang van een koffiehuis staat een groot wit Jezusbeeld. We nemen er meteen maar een tweede ontbijtje – het is pas even na 10 uur – onder het genot van intreurige fumumuziek. Het duurt even, maar na zo’n 20 minuten dringt bij Mels eindelijk de naam van het koffiehuis door: Ribapuru betekent natuurlijk… Liverpool! Hij vraagt de gastvrouw naar de herkomst van de naam en zij wijst op de voorkant van een Mini Morris die naast het Jezusbeeld tegen de voorgevel is geplaatst: Mini Morris komt uit Liverpool! ‘En Jezus?’, vraagt hij. Daar krijgt hij geen antwoord op. Ik zeg tegen hem: ‘Waarom zetten mensen Boeddhabeelden in hun huis en tuin? Bij veel mensen zijn die toch ook alleen als decoratie bedoeld?’

De smalle weg langs de rivier wordt allengs smaller, eindigend in een fiets- en voetpad met bermen vol met Japanse duizendknoop, zuring en wikke. Op het asfalt ligt een doodgereden schildpadje, even verderop een grote zwarte vlinder met felrose vlekken. Zo’n 4–5 kilometer na de vorige tempels, steken we de rivier over en komen dan meteen bij tempel 70, een mooi complex met een grote pagode en bij het stempelkantoor 2 grote kamferbomen, maar zo in de regen… blijven we toch niet erg lang. Naar tempel 71 is het 11,5 kilometer door de laagvlakte waaruit in de verte af en toe wat bultjes oprijzen. Een afwisseling van agrarisch met halfstedelijk gebied, waar we nauwelijks iets van zien. De wind smijt de regen in onze gezichten en ook zakt mijn capuchon voortdurend half over mijn ogen. Bij een kaiten-sushi eten we ons helemaal ongans. De rekening? € 13. Sushi kost hier bijna niets!

Het laatste stuk van de route naar tempel 71 moeten we hebben verdrongen. ‘Geen stijgingen’, had Mels vanochtend nog voorspeld. Maar op de een of andere manier stijgt de weg steeds hoger. En nog wat… en nog wat… Het begint tot ons allebei door te dringen dat we op deze manier ons dagprogramma niet meer gaan halen: de 4 kilometer verderop gelegen bangai 18 hadden we voor half 5 moeten halen, anders moeten we morgen 1–2 kilometer terug lopen om hem alsnog te bezoeken en dat betekent 3–4 kilometer extra bovenop een dagprogramma van al 25 kilometer… Maar het is al half 4 en eerst komt tempel 71 nog… Pas als we bij de eerste trappen naar tempel 71 komen, herinneren we ons weer wat een ontzagwekkende hoeveelheid trappen dit complex bevatte. Bij een van de tempels is het stempelkantoor, waarvoor we de schoenen uit moeten trekken. Een deel van de tempel is in een grot. Een heel sfeervolle hoek. De hoofdtempel is nog vele trappen verder, langs in de kale, steile bergwand uitgehouwde beelden, sommige half weggeërodeerd door wind en regen. Een magische plek.

Na tempel 71 moeten we via een klein paadje verder naar bangai 18 – ook al zullen we deze tempel niet meer op tijd halen; we moeten er langs voor onze overnachtingsplaats – en we vinden een richtingaanwijzer waarop een tempeltje is aangegeven dat de goede richting uit is. Eigenlijk neemt niemand deze route. Normaal voegen henro’s eerst bangai 17 in de normale pelgrimsroute en dan ergens anders in de route bangai 18. Mels heeft het andersom gepland; theoretisch moet het korter zijn eerst bangai 18 te bezoeken… Het betekent wel dat we geen wegwijzers meer tegen zullen komen.

Zodra we rond 4 uur het tempelterrein verlaten in de richting van bangai 18, stijgt het het paadje tot onze verrassing. We gaan verder de bergen in. En ons is ook meteen duidelijk waarom de route niet wordt gebruikt… Het pad is een beekbeddinkje en door de aanhoudende regen is die ook nog eens niet meer droog. We klotsen voortdurend door het water. Een keer sta ik tot mijn enkels erin. Vaak kost het behoorlijk wat moeite de grote stappen te nemen tegen kleine watervalletjes in. Langzaam werken we ons steeds verder omhoog. Dan komen we op een splitsing. In het beschaduwde bos is het routeboekje nauwelijks nog te lezen – de splitsing staat er sowieso niet in – maar Mels weet zich door de teksten op enkele wegwijzers heen te werken en komt na ampele vergelijking met het boekje tot de conclusie dat we linksaf naar beneden moeten. Als we het paadje nemen het volgende dal in, kan ik door de laaghangende bewolking soms zelfs niet eens Mels meer zien. In de wildernis om ons heen is geschreeuw van apen.

Lange tijd worstelen we ons behoedzaam langs het glibberige paadje naar beneden. Vaak moeten we elkaar vasthouden, om wat extra steun te bieden. Maar na enige tijd is er nauwelijks meer een pad te bespeuren; alleen aan de beeldjes die we af en toe tegenkomen, kunnen we concluderen dat we waarschijnlijk nog goed zitten. Dan kruist het vage paadje een klein beekje. We moeten er doorheen klauteren en waden en het duurt even voordat we aan de andere zijde het vervolg van het paadje tegenkomen. Een paar maal kruisen paadje en beekje elkaar op dezelfde manier, tot het moment dat er helemaal geen vervolgpaadje meer is. Mels klimt over de hoge oever om rond te kijken, maar er is gewoonweg geen pad meer. Er zit niets anders op dan het beekje te blijven volgen; dat zal in ieder geval naar het dal leiden. Stap voor stap bewegen we ons omzichtig over de spekgladde stenen en soms door de diepere delen, wadend door het water, telkens proberend in te schatten waar nu weer het beste een schoen neergezet kan worden. De tijd begint ook steeds meer te dringen; het is niet handig in het donker hier vast te komen zitten.

Pas na 100-den meters zien we weer een vervolgpaadje. Kort daarna zijn er enkele stenen treden die leiden naar een klein tempeltje, maar de laatste treden zijn ingestort. We moeten ons weer naar beneden laten zakken. Toch zijn er nog weer af en toe stenen beeldjes in de wildernis. Nogmaals moeten we door het beekje waden en als ik van opzij een ander beekje hoor naderen met duidelijk een waterval erin, vrees ik het ergste. Maar dan is er plotseling een bruggetje dat aansluit op een breder pad. En lopen we opeens een stuk makkelijker en sneller. In het beekdalletje verschijnt een monstrueuze dam; via een stenen trap komen we erlangs naar beneden. In de verte zien we plotseling de kustvlakte vol havenindustrie. Rijen grote kranen, grote sluizen, de zee en talloze eilanden. Niet lang daarna zijn we bij het begin van het dal. In de schemering lopen we via kleine straatjes en weggetjes naar het noorden, richting kust. Aan bangai 18 denken we niet meer; het is al lang 6 uur geweest.

Op de overdekte goot langs een drukke 2-baans weg buigen we af naar het oosten. Volgens het routeboekje moet onze overnachtingsplaats zich bevinden na een waterplas direct na een splitsing in deze weg. Het laatste stukje weg blijkt weer een huchtje op te leiden. De waterplas is er inderdaad en we zien zelfs een groot bord met de naam van de ryokan erop, half verscholen achter enkele boomkronen. Als we dichterbij komen, blijkt dat op het bord ook is vermeld dat de ryokan zich 50 meter ónder de waterplas bevindt. We lopen weer het huchtje af via een kleinere weg, maar geen ryokan te ontdekken. Opnieuw gaan we even verderop via een ander weggetje weer half het huchtje op, dan weer eraf, dan weer erop… Het begint inmiddels te duisteren… Ik stel voor bij een huis aan te kloppen of te bellen. De bewoner is druk met het eten bezig, maar laat meteen zijn huis achter om met ons mee te lopen. Weer naar beneden, terug naar vlak voor de oorspronkelijke splitsing, dan via een zandpad omhoog om bij de ingang van de ryokan te komen. De gastvrouw staat ons al op te wachten. We zijn de man zeer dankbaar; zelf hadden we op deze manier nog heel lang rond kunnen dolen…

Als we onze natte spullen hebben opgehangen, kunnen we meteen aanschuiven in de eetzaal. Er is één andere henro, een 78-jarige man. Hij vertelt dat hij twaalf keer de tempeltocht met de auto heeft gedaan; nu doet hij andere tochten. Hij bezoekt nu de 200 heiligdommen in Japan waar Kannon wordt vereerd, de boddhisatva van meededogen. Op een kopie van een stafkaart heeft hij met kleurtjes de verschillende lokaties ingetekend. Wij krijgen een cadeautje van hem: tekeningen van Kannon die hijzelf heeft ingekleurd en geplastificeerd.

Geplande afstand: 21,4 km, geen stijgingen (achteraf komen we toch met het routeboekje op 250 m stijging)
Werkelijke afstand: 26,9 km, hoogste punt (top na tempel 71) 281 m, totale stijging 676 m, totale daling 650 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1266,5 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.34– ca. 18.15 uur
Looptijd: 5,20 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u (??)
Bezochte tempels: tempel 68, 69, 70, en 71
Blaren: 1 (onafscheidelijk dezelfde)
Overnachting: minshuku Deguchi Sō (1 kamer 14 tatami’s groot met tokonoma en schrijntje in kast, 1 tafeltje, tv, binnenveranda, redelijk avondeten, redelijk/goed ontbijt)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *