Dag 66: dinsdag 1 mei 2012: Geen pijl op te trekken

Buiten op het houten terras in de tuin liggen 4 teckels, lekker in de zon die door de dunne bewolking schijnt. ‘Als zeeleeuwen op de drijvende vlonders in San Francisco’, zegt Mels. ‘Vader, moeder en 2 dochters’, vertelt de gastvrouw als we om kwart over 8 uitgebreid worden uitgezwaaid door het vriendelijke ryokan-echtpaar. We geven ze Delftsblauwe klompjes; wij krijgen een handdoekje. We lopen eerst weer een kleine kilometer terug naar de berg waar we gisteren zijn afgedaald, met het plan om via een omweg langs bangai 16 te lopen en dan verder te gaan naar tempel 67. Aangekomen bij het pad onderaan de berg nemen we een afslag die ons naar het westen voert langs de lagere hellingen van de berg. Merktekens van het henropad zijn er niet te zien, maar al snel komen we langs een bord waarop in Japanse karakters ‘oude henroweg’ staat. ‘Kijk, dat kan ik nu dit jaar voor het eerst lezen!’, zegt Mels trots. Probleem is alleen dat het bord niet zegt of het de oude henroweg naar tempel 67 is of naar bangai 16… Ik stel voor het pad toch uit te proberen; Mels aarzelt, maar laat zich overhalen. ‘Mocht het de verkeerde richting uitgaan, dan hebben we dat snel genoeg door.’ Het blijkt een fraai betonnen paadje te zijn dat langs mooie valleitjes loopt. Aanvankelijk loopt het de richting uit die we op het oog hebben, maar naarmate de tijd verstrijkt, neigt het pad onmiskenbaar terug naar het oosten. ‘Volgens het routeboekje komt het pad uiteindelijk uit op een weg en we kunnen altijd nog via die weg weer terugkomen naar het westen’, zegt Mels. Daarom lopen we door en als het pad inderdaad op een weg uitkomt, volgen we die naar het westen, maar voor de zekerheid houden we de enige auto aan die voorbijkomt. De man beduidt ons dat de weg doodloopt op een dam. We keren terug op onze schreden en kijken dan of we een weggetje kunnen nemen dat aan de andere zijde van het stuwmeer loopt. Via een wirwar aan weggetjes en paadjes kunnen we dan mogelijk toch bij bangai 16 komen, maar dan hebben we wel wegwijzers nodig in dit verder niet bewoonde gebied, want de kaart in het routeboekje is bij lange na niet gedetailleerd genoeg. Maar de enige pijl die we vinden, is naar het oosten gericht, weer naar de verkeerde tempel. Er zit maar een ding op en dat is de hele ‘oude henroweg’ weer terug te lopen tot we op de oorspronkelijke weg terug zijn. Het experiment kost ons 3 kilometer extra lopen. Maar het levert me een mooie bamboewortel op die ik op de terugweg vind, even geleed als een bamboestengel, maar dunner en kromgebogen.

Terug op de oorspronkelijke weg, lopen we opnieuw naar het westen. De stille weg loopt gestaag wat omhoog, onderwijl zich windend langs de ene na de andere uitloper. Het is een erg mooie omgeving, die af en toe ontsierd wordt door grote dammen in de kleine beekvalleitjes. Tussen het gemengde loofbos zie ik acacia, bijna in bloei, en natuurlijk zijn er weer toefjes felrose, of soms lichtrose, van de bloeiende azalea’s. Een paar keer zie ik weer koningsvarens. Grote, dikke hommels hangen boven de weg stil in de lucht. ‘Helihommels’, noemt Mels ze al gauw. En overal fladderen vlinders, soms hele grote, zwartwit geblokte met een toefje rood onderaan de binnenkant. Even voor 10 uur komen we langs het dalstation van de ropeway naar tempel 66. In het grote restaurant bij de parkeerplaats nemen we koffie. Ik vind er een mooi stempelboek in de winkel, dat ik alvast voor de volgende tocht koop. Mijn voeten en knieën protesteren heftig als we weer vertrekken: met houten kistje (van de rozenkrans), stempelboek, geweitje en bamboewortel neemt de druk merkbaar toe en dus ook de pijn. Zelfs mijn rugzak heeft er moeite mee: de stelbanden schieten telkens wat losser.

Vanaf de ropeway nemen we een weg naar het noordwesten, opnieuw langzaam dalend naar de kustvlakte. De omringende heuvelruggen zijn bedekt met citrusboomgaarden. In een van de gaarden is een fazantenkoppeltje: de haan feller gekleurd dan in Europa, met een felrode vlek, en ook de hen lijkt opvallender van kleur. Hier en daar is een groot agrarisch complex te zien: kippenboerderijen. Langs de weg zijn er regelmatig betonnen waterbekkens in de grond ingegraven, vol met eendenkroos en kikkers. Als we voorbij lopen, springen er telkens 10-tallen kikkers in het water, soms met een hard kefje. Overal zingen nachtegalen en ook de ik-weet-niet-hoe-ik-moet-stoppen vogels. Het is nog steeds erg heiig. Van de kustvlakte is weinig te zien en zelfs voor tegenovergelegen berghellingen die niet al te ver weg zijn, hangen sluiers van mist door de hoge luchtvochtigheid. Bergruggen doemen vaag op uit een wit moeras om naar de toppen toe steeds donkerder te worden. Door de hoge luchtvochtigheid is het de hele dag warmplakkerig.

Na zo’n 10 kilometer (inclusief de omweg) komen we bij bangai 16, een wat rommelig complex verscholen achter een tuin en een souvenirshop. In de shop halen we onze stempels en we kopen er ook 2 mooie zwart-beige doeken met de hartsoetra erop geschreven. Daarna beklimmen we de trappen naar de tempelgebouwen. Wat onbestemde fumumuziek deint vaag over het terrein. Overal staan kleine struikjes op aangeharkte bultjes aarde: hagi oftewel bush clover, waaraan de tempel zijn naam ontleend. Op een overdekt terrasje achter het shopje eten we de onigiri op die we van de ryokan hebben meegekregen. We krijgen er groene thee bij.

Daarna vervolgen we onze weg naar het noordoosten, naar tempel 67. In de lagere dalen is steeds meer akkerland te vinden; er zijn veel percelen met al volwassen rijst, maar soms ook net aangeplante sawa’s. In de kustvlakte zijn regelmatig stuwmeren en andere grote wateropslagplaatsen. Een paar keer lopen we weer op de bonnefooi, want merktekens zijn er vaak niet te vinden. Bij een modern ogend gebouwtje leggen we aan voor koffie. Binnen blijkt een expositie te zijn, foto’s gemaakt door de eigenaar. Hij toont ons een boek met erg mooie landschapsfoto’s. Om kwart over 2, zo’n 7–8 kilometer na bangai 16 komen we bij tempel 67, gelegen op een klein heuveltopje. Naast de trappen staan 2 enorme bomen. Een ervan is een indrukwekkende stokoude kamferboom, omgeven door een dik touw met touwkwasten en witte slingers. Ik laat er een muntje achter. In het houtsnijwerk van de klokkentoren hebben metselbijtjes aanvullende kunstwerkjes gemaakt. Van de stempelmonnik krijgen we 2 koekjes die we opeten op een bankje tegenover de tempel. Er lopen veel echtparen en henro’s alleen rond op het terrein en het valt ons allebei op hoe treurig – of misschien ontevreden? – veel mensen kijken. Ligt het aan de dag? Of aan de tempel misschien? Net als we ons afvragen hoe we de boel wat vrolijker zouden kunnen maken, spreekt de vrouw van het echtpaar naast ons op de bankjes ons aan. Waar we vandaan komen. En of ze ons misschien op de tv heeft gezien? Ja, dus! Het is meteen lachen. Plotseling verschijnt er een lach op de gezichten.

Na tempel 67 hebben we nog zo’n 8 kilometer af te leggen – opnieuw naar het noordwesten – naar onze overnachtingsplaats vlakbij tempel 68 en 69. Na enkele kilometers komen we tot de ontdekking dat we – net als vorig jaar blijkbaar – aardig zijn omgelopen, terwijl we vanaf de tempel toch de henrotekens hebben gevolgd. Niets aan te doen. De weg voert aanvankelijk nog door agrarisch gebied. Op veel akkertjes wordt handmatig gewerkt; mannen en vrouwen met rieten hoeden met brede randen, de vrouwen met een jasschortje, lange witte mouwtjes en handdschoenen. Later komen we steeds meer door stedelijk gebied, soms langs grotere wegen, vaak ook via kleine weggetjes die overal achterlangs en tussendoor voeren. Het laatste deel van de route is erg vervelend, langs een drukke 2-baans weg waar vaak geen stoep langs is, of alleen een overdekte goot die voortdurend op en neer gaat vanwege de vele inritten. Mels krijgt last van suikertekort, maar gelukkig zien we een supermarkt: ijsjestijd.

Tegen kwart over 5 melden we ons – na enig zoeken – bij de ryokan waar we hebben gereserveerd, in een mooie straat vol witbloeiende bomen in het stadje Kan-onji. Pas na herhaald roepen en bellen, komt er een bijzonder zuinig kijkende dame polshoogte nemen. De staffen mogen niet mee naar binnen, die moeten in het paraplubakje. Ze is duidelijk geen henro’s gewend… De ryokan oogt sjiek – de binnentuin achter de entree is betoverend mooi, vol bemoste rotsen en bodem – maar het kleine kamertje zonder badkamer valt wat tegen, tot ik de papieren schuifdeuren wegtrek om even naar buiten te kunnen kijken. Erachter blijkt nog een binnenveranda, aftands dat wel, maar met wastafeltje en 2 rechte stoelen met tafeltje. En dat is erg fijn… Om 6 uur eten we in het restaurant bij de ryokan. Als we een uur later terugkomen op de kamer blijken de futons al te zijn opgemaakt. De tafel is tegen de schuifdeuren gezet waardoor de binnenveranda is gebarricadeerd. Door de tv wat weg te schuiven, lukt het ons via een klein spleetje toch weer op de veranda te gaan zitten. Maar ja, wat wil een mens: rechte stoelen, pikkedonker, want er is geen licht… Mels ligt al om half 8 op bed, ik niet veel later.

Geplande afstand: 22,0 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 25,5 km (incl. 3 km verkeerd lopen in de ochtend), totale stijging 486 m, totale daling 626 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1239,6 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.20– ca. 17.15 uur
Looptijd: 5,24 uur
Gemiddelde snelheid: 4,7 km/u
Bezochte tempels: bangai 16 en tempel 67
Blaren: 1 (hardnekkig dezelfde)
Overnachting: ryokan Bansui (1 kamer 6 tatami’s groot met kast, 1 tafeltje, tv, halletje met kast, binnenveranda met wastafel, 2 stoelen en 1 tafeltje, uitzicht op kruispunt, goed avondeten, redelijk/goed ontbijt)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *