Dag 62: vrijdag 27 april 2012: Vals plat

‘Pan’ blijkt een magisch woord. Gisteren zagen we tijdens het ontbijt een van de vele werkmannen die in het hotel logeren, met een dik plak geroosterd brood rondlopen en dat lijkt ons ook wel wat (een slechter ontbijt dan we tot nu toe hier hebben gehad, kan haast niet…) We vragen om ‘pan’, Japans voor brood, en dat blijkt een magisch woord, want we krijgen ook boter, marmelade en zelfs koffie. En even later joghurt. Een tweede kopje koffie is ook mogelijk. Als een van de hoteldames – de magere… – onze verbazing bemerkt, zegt ze: ‘Dat hoort toch bij brood?’

Met de taxi laten we ons afzetten op 337 meter hoogte bij de trap naar tempel 65, tot waar we gisteren al hebben ‘voorgewandeld’. Vanaf hier lopen we een voor ons nieuw traject, naar bangai 13 en 14 en dan verder naar onze overnachtingsplaats. Om bangai 13 te bereiken moeten we eerst via een paadje een bergrug beklimmen tot 700 meter hoogte en dan aan de andere kant weer afdalen, ofwel via de weg om de hogere delen van de bergrug heenlopen, minstens 5 kilometer om. We hebben voor het paadje gekozen, maar helaas… we kunnen het niet vinden. Er moet direct na de trap naar tempel 65 een paadje zijn. We worden de weg gewezen door 2 vrouwen: eerst via de weg dezelfde richting uit als vorig jaar naar tempel 66, daarna een afslag nemen. Maar na 10 minuten lopen komen we tot de conclusie dat er iets niet klopt. Dat is het voordeel van de gps: zowel het routeboekje als de gps bevatten niet altijd even gedetailleerde kaarten, maar we kunnen wel al snel zien of we de goede richting uitlopen. En dat doen we dus niet. We lopen weer terug en terwijl Mels opnieuw een uitgebreide discussie heeft met de 2 vrouwen – nu met de kaart in de hand die Hide-san ons heeft toegestuurd; een gedetailleerde kaart van het gebied en daarop staat toch echt ook een paadje óver de berg getekend – verken ik ondertussen enkele zijpaadjes, maar allemaal eindigen ze weer bij een trap naar tempel 65. Uiteindelijk gaat Mels terug naar de stempelmonnik, terwijl ik wat hogerop op het tempelterrein nog wat paadjes uitprobeer. De vrolijke stempelmonnik van gisteren laat meteen het stempelkantoor onbeheerd achter om ons het begin van het pad te wijzen. Het blijkt iets te zijn dat ik voor een goot had aangezien…

Hij was er gisteren zonder meer vanuit gegaan dat wij over de weg zouden lopen en is wat verbaasd dat wij voor dit pad kiezen. Maar hij kan het wel waarderen. Op zeer beeldende wijze, met af en toe een Engels woord ertussendoor, legt hij uit dat het een heel oud pad is en dat er maar heel weinig henro’s voor kiezen dit pad te gebruiken. Hij wijst ons op een oude stenen wegwijzer. Een lange vierkante paal waarop een wijzende hand is uitgehouwen. Deze wegwijzers zijn door een pelgrim in de tweede helft van de 17e eeuw neergezet op honderden punten langs de pelgrimsroute, iets waarvoor ik grote bewondering heb. De stempelmonnik maakt duidelijk dat deze wegwijzers de enige zullen zijn. Als we bijna op de top zijn, links aanhouden, en op de top zelf, na een Jizo-beeld duikt het pad aan de andere kant de diepte in, zo schetst hij de route. Hij waarschuwt dat er 10 jaar geleden tijdens een tyfoon een grote aardverschuiving is geweest. Ik aarzel even, maar durf niet te vragen of iemand sindsdien het pad heeft gebruikt… We krijgen nóg een waarschuwing: ‘Many snakes!’, en hij maakt een slangachtige beweging met zijn arm. ‘Mamushi?’, vraagt Mels. Inderdaad, het zijn de gevaarlijke Japanse adders. Inmiddels is er een andere henro aan komen lopen; hij wil zijn boek laten stempelen. Met verbazing ziet hij dat wij dit pad nemen. De stempelmonnik schudt met beide handen onze handen, onderwijl ons ‘heel, heel veel geluk’ toewensend… ‘Het voelt een beetje alsof we het dodenrijk binnengaan’, zegt Mels tegen mij. Ja, die indruk had ik ook al. ‘Weet je zeker dat je dit wilt?’, vraag ik hem. Ja, hij weet het zeker… Nou, dan ga ik ook maar…

Om half 9 vertrekken we opnieuw… Het is duidelijk dat het pad weinig of zelfs helemaal niet wordt gebruikt. Struikelend en strompelend waden we door een dicht dek van afgevallen sugiloof. De staffen zwaaien we voor ons uit om eventuele slangen weg te jagen. Het is warm, 24 graden is er voorspeld. En met alle doeken rond mijn hoofd, heb ik het erg benauwd. Al gauw is er niets anders meer te horen dan wat zingende vogels en mijn hevige gehijg, met soms in de diepte nog wat verkeersgedruis. In de schaduw van de bomen, trek ik af en toe wat doeken weg, want het wordt me met al dat gehijg soms wat licht in het hoofd… Mels vindt een klein geweitje, een 2-ender, en even later ontdekt hij een 2-hoevige pootafdruk. Tot mijn geluk vind ik ook een slangenhuidje, achtergelaten na een vervelling. Ik ontdek tussen de vele varensoorten ook een koningsvaren, in Nederland een zeldzaamheid en ook hier kom ik hem nauwelijks tegen.

Om 10 uur zijn we op de top op 765 meter hoogte. Naast een kleine verzameling beelden zijn er ook 2 bankjes waar we dankbaar gebruik van maken. Maar Mels wil al snel weer verder: nog veel te doen vandaag. Het pad duikt aan de andere kant de diepte in. Door het dichte dek van afgevallen sugiloof zijn de contouren van het pad nauwelijks te onderscheiden. Wat lager wordt het nog moeilijker als het sugiloof is vervangen door leerachtige bladeren die erg glad zijn, erg verraderlijk om over te lopen. Af en toe hebben we een schitterend uitzicht over de omringende bergen en dalen. Zo’n 50 tot 100 meter onder de top zijn er wat huizen en een jonge boomgaard. Als het pad een weggetje kruist, blijkt het vervolgpaadje echter plotseling verdwenen. Zou dit de aardverschuiving zijn waarover de stempelmonnik het had? We volgen korte tijd het weggetje naar beneden tot we weer tekens zien van het henropaadje. Ook wat lager is het paadje op verschillende plaatsen bijna helemaal verdwenen. Vlak voor onze voeten schiet een adder weg. Gisteravond heeft Mels nog in zijn rugzak en koffer zitten zoeken naar het slangensetje, maar niet meer kunnen vinden. Daarom pluk ik onderweg maar een knelband mee die rond een boom zit. Je weet maar nooit… In de wildernis is er plotseling een fraai tempeltje. Langs een stenen trap dalen we af en lopen tussen grote stenen lantaarns door. Ook een tijdje later zijn er in de wildernis wat treedjes die leiden naar een lange waterval die zich over een bergrand stort. Wij buigen onderlangs af en komen bij een haast stilstaand kommetje in hetzelfde beekje, waar wat vissen hun thuis hebben gevonden. Af en toe staat er een enorme boom – sugi of kamfer – langs het pad. Het is dan wel geen makkelijk pad, maar wel betoverend mooi.

Rond 12 uur komen we aan bij bangai 13; we hebben er anderhalf uur langer over gedaan dan de 2 uur die de stempelmonnik had voorspeld, Langzaam dalen we af naar het fraai gelegen tempelcomplex in de diepte, het laatste stuk over lange stenen trappen. Op de omringende hellingen van het kleine valleitje ‘hangen’ verschillende mooie paviljoentjes. Een ervan is omgeven door massa’s kleine geelwitte irissen. Het hoofdgebouw is een imposant, stokoud ogend houten gebouw. De schoenen moeten uit. Op de bovenverdieping ervan zijn de tempels – een ervan in een kleine grot in de bergwand – en het stempelkantoor. We maken een praatje met de aardige stempeldame. Ze vraagt of we geen last hebben gehad van wilde honden, die volgens haar erg gevaarlijk kunnen zijn. Maar die hebben we niet gezien rond het paadje. Ik koop een mooie, lange rozenkrans en krijg er een houten doos bij die ik in mijn rugzak stop. We rusten kort op een bankje in de zon terwijl we onze lunch opeten. Om 1 uur verlaten we het terrein door verder af te dalen in het valleitje, om het hoofdgebouw heen, waarachter we enorme sugibomen ontdekken. Afdalend langs de zijkant van het gebouw, zien we ook dat de toegang ertoe rust op een korte brug met een hoge boog. Eronder is een fraaie waterval die uitmondt in het idyllische beekje dat de kleine weg naar beneden begeleidt. Overal staan geelwitte irisjes te bloeien.

We komen uit op een weg die verder naar het oosten leidt door een dal, met in de diepte een groenblauwe rivier, aan de oevers te zien een ‘stuwmeer-rivier’. De zeer rustige weg kronkelt aanvankelijk heen en weer en op en neer langs de berghellingen tot hij langdurig gaat stijgen, op weg naar een tunnel. Ik zie opnieuw verschillende koningsvarens. Af en toe staan we kort even uit te puffen in de schaduw van wat bomen. Het is erg warm en we hebben allebei last van onze ruggen; de afgelopen nacht heb ik nauwelijks geslapen, voor het eerst door de pijn in mijn voeten en in mijn linkerschouder, en ook dat neemt in de loop van de dag weer toe. En eigenlijk zijn onze lichamen gewoonweg allebei erg moe van al het lopen…

De 1260 meter lange tunnel is de enige toegang tot het andere dal; een alternatief paadje over de bergen is er niet. Gelukkig is er een verhoogde overdekte goot waar we op kunnen lopen. Na de tunnel is er een verrassend uitzicht op de grijze zee waarin talloze eilanden drijven, als in het lege niets. En nog verrassender… op Shikoku Chuou, de kustvlakte met talloze grote fabrieksschoorstenen, die we vanochtend achter ons hebben gelaten. We zijn met een boogje teruggekomen, iets verder naar het oosten. Na de tunnel daalt de weg eindeloos af naar de vlakte, de omringende bergen bedekt met fris voorjaarsgroen. Zowel voor als na de tunnel zien we af en toe een teken van de Camino naar Santiago: de jacobsschelp.

Na een afslag die ons verder naar het oosten zal voeren, komen we uit op de weg waarover we vorig jaar zijn getrokken. We rusten kort in een rest hut, waar een vrouwelijke henro uit de regio Nagoya zich bij ons voegt, ook al zo ingepakt tegen de zon. Ze doet de tocht in delen, vertelt ze; vanavond slaapt ze in dezelfde ryokan als wij, de enige in de wijde omgeving. Nadat de weg verder is afgedaald – wij soms via een afkortend paadje – tussen vele terrassen met natte, in de zon fel blinkende sawa’s vol ratelende kikkers door, komen we om kwart voor 4 (ook weer veel later dan de voorspelde 2 uur…) bij bangai 14, die langs de ‘normale’ henroroute ligt. Een heel klein en zeer fraai complex. Vorig jaar hebben we het ook al bekeken. De toegang tot het tempelterreintje wordt gevormd door dikke rode zuilen. Overal staan grote camelia’s, nu inmiddels ver uitgebloeid, waaraan de tempel zijn naam ontleent: Tsubaki Do, plek met camelia’s. Vorig jaar vielen ons de enorme fallussymbolen op het tempelterreintje op, nu zijn ze allemaal zedig bedekt door slabbetjes. Van de intreurig ogende stempeldame krijgen we een buntan en zoute koekjes. We rusten even uit op een bankje en zien de henro uit Nagoya weer. Daarna verliezen we haar uit het oog. Vanaf bangai 14 is het nog 7 kilometer naar onze overnachtingsplaats, langs route 192, die voortdurend stijgt, opnieuw op weg naar een tunnel. We zijn door de Nagoya-henro voor de tunnel gewaarschuwd, maar het is te warm en inmiddels ook al veel te laat om nog het paadje over de berg heen te nemen. De 972 meter lange tunnel heeft gelukkig toch een verhoogde overdekte goot, wel extra smal en met regelmatig schots en scheef liggende dekplaten, maar toch…

De opkomende avondkilte, de geur van houtgestookte kachels, hier en daar een stil paadje dat onder de donkere sugibomen verdwijnt… het doet ons allebei denken aan Zwiterland. Plotseling doet het landschap heel Europees aan. In een klein gehucht langs de grote weg worden we om 6 uur hartelijk verwelkomd door de bejaarde vader en zijn dochter die de ryokan beheren. We kennen ze van vorig jaar. Het binnenplaatsje zit al vol met henro’s. Na de ofuro kunnen we gelijk aanschuiven in de piepkleine keuken/eetzaal. Met 8 henro’s en de gastheer zit het propvol. We zien er ook weer de henro die er vanmorgen bij kwam staan toen wij de weg werden gewezen door de stempelmonnik. Hij bezoekt ook de bangai-tempels, maar is vandaag over de weg gelopen naar bangai 13, niet over het bergpaadje. Hij geeft ons een rode osame fuda; hij loopt de tocht voor de 13e keer, vertelt hij. We zitten al een half uur te eten als de gastvrouw met de Nagoya-henro binnenkomt. Ze heeft ook de tunnel genomen, vertelt ze, maar ze heeft daarna gebeld naar de ryokan om te worden opgepikt met de auto. Het werd teveel en te laat. ‘Hayai!’, zegt ze tegen ons. ‘Jullie zijn snel!’ Ja, die laatste 7 kilometer op de gestaag stijgende weg hebben we erg snel afgelegd, in zo’n anderhalf uur, terwijl daar ook 2 uur voor voorspeld waren. Op het platte vlak – zelfs het vals platte vlak – zijn we goed. Maar onze voeten doen wel erg zeer… Onze 84-jarige gastheer geeft ook vanavond weer een performance onder het eten. De helft van het gezelschap beklimt morgen de berg waar tempel 66 zich op bevindt, net als wij vorig jaar hebben gedaan; de overige 4 henro’s doen de bangai’s erbij en lopen daarom een andere route. Onze gastheer is gespecialiseerd in tempel 66 en de ‘avontuurlijke en gevaarlijke’ route ernaartoe. Met veel overtuigingskracht toont hij waar het allemaal mis kan gaan. Hij geniet er zichtbaar van. En zijn gasten ook. Het is een heel gezellige avond, zo op de grond voor het aanrecht.

Geplande afstand: 20,7 km, 800 m stijging
Werkelijke afstand: 25,3 km, hoogste punt 765 m, totale stijging 1104 m, totale daling 1189 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1165,3 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.05– ca. 17.55 uur
Looptijd: 5,59 uur
Gemiddelde snelheid: 4,2 km/u
Bezochte tempels: bangai 13 en 14
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: minshuku Okada (1 kamer 6 tatami’s groot met kastenwand, 1 tafeltje, tv, goed avondeten, matig ontbijt)

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *