Dag 57: zondag 22 april 2012: Zoveel tempels…

We dralen lang aan de ontbijttafel. Zoveel lekkers. En bovendien… buiten regen… Maar uiteindelijk pakken we onszelf en de rugzakken toch maar weer in tegen de nattigheid. Het frame van Mels’ rugzak – een grote kunststof plaat – is ingestort, hebben we dit weekend geconstateerd, maar er is geen reparatiemogelijkheid, dus hij gaat gewoon weer om; hopelijk geeft het geen extra problemen voor zijn rug. Bij de ingang van het hotel staat de ober van gisteravond. Om nog even dag te zeggen. Mels zegt dat hij de pelgrimstocht ook eens zou moeten doen, maar de man schudt nee: last van knieën en allerlei andere dingen. Misschien als hij gepensioneerd is… Maar hij wenst ons een bijzonder goede tocht toe. We zwaaien. Tot onze verbazing is het droog als we het hotel uitlopen.

We hebben voor vandaag geen zwaar programma gepland: zo’n 20 kilometer lopen en 2 bangai-tempels bezoeken, maar die 2 zitten wel in het laatste deel van de dagroute, dus we moeten ze halen voor half 5. Eerst moeten we weer terug het huchtje over om terug te komen op de henroroute. We verlaten bijna meteen de grote weg, om onder het spoor en de snelweg door te komen op de weg die over een volgend huchtje voert en uitkomt in het brede dal dat haaks staat op de noordelijke kust en waar niet alleen de tempels zich bevinden, maar ook onze overnachtingsplaats. Aan de overzijde van het dal staan op een lange rij de dreigende donkere bergen waar we morgen naar toe zullen gaan, vaag achteraan staat de hoogste berg van Shikoku: Ishizuchi-san, 1982 meter hoog. Sneeuw is er dit jaar niet te zien op de toppen; wel hangen er donkere regenwolken boven de bergen. Elke keer als we het dal binnenlopen, lijkt de rest van het dagtraject een peulenschil. Maar we hebben nog minstens 12 kilometer te gaan. De laagvlakte is bezaaid met gehuchten. Allerlei wegen voeren ons verder het dal in en door het dal verder naar het zuiden. In tuinen bloeien witte en blauwe wisteria en soms een jasmijn en er zijn vele hagen met rode of roze bloeiende azalea’s. De velden staan vol met bijna volgroeide rijstplanten. Tegen 11 uur zien we een zwaailicht. Een tentje met takoyaki: weke meelballen met inktvis, overgoten met een pittig sausje. We vragen om koffie. Er is alleen instanto, maar dat vinden we ook prima. En we bestellen gelijk wat ballen, want we verwachten verder geen restaurant meer tegen te komen. We krijgen er zoetebonenpastei en -broodjes bij. We trekken onze regenkleding uit, want het is er eigenlijk te warm voor. Als we afrekenen, hoeven we alleen de helft van de balletjes te betalen, de rest is allemaal osettai. Wij geven osame fuda’s die meteen op worden gehangen. In de supermarkt er vlak na kopen we nog wat cake, bij gebrek aan redelijk brood, en wat Yakult, en vervolgen dan onze weg.

Plotseling steekt er een storm op. We kunnen ons er nauwelijks tegenin worstelen, soms worden we alle kanten uitgewaaid. Overal wippen golfplaten op daken op. Van alles staat te klapperen. Enkele houders met vlaggen vallen omver. Even verderop liggen midden op straat eterniet dakplaten in stukken gebroken. Het is uitkijken. Ik houd mijn ogen toegeknepen om gezandstraalde contactlenzen te voorkomen. Een groepje palmbomen staat in de stormwind hevig te fluisteren met hun grote, droge bladeren. Om 12 uur gaan de sirenes af; overal om ons heen stijgt hondengehuil op. We lopen allebei te hijgen, niet alleen van vermoeidheid door het vechten tegen de wind in, maar ook door de suzushi, het warmvochtige weer. We druipen, onze kleren zijn door en doornat van het zweet. Vooral als de weg ook nog eens gestaag stijgend de bergen inloopt naar bangai 10. Langzaam, heel langzaam neemt de wind weer wat af. Rond half 2 komen we aan bij een mooi oranje, rondgebogen bruggetje over een diepgelegen beekje, links en rechts staan kleine geelwitte irisjes. Het paadje na de brug stijgt nog wat verder tot de tempelpoort, waar op het plaveisel grote reuzenregenwormen krioelen. Een loophenro geeft ons 2 ansichtkaarten met zijn naamkaartje erbij. Na de poort loopt het pad verder omhoog, met af en toe met wat treedjes, geflankeerd door steeds grotere sugibomen. Links, verscholen in de diepte, is een kabbelend beekje te horen. Het pad voert langs een grote rots, het oppervlak doorsneden met barsten waar muntjes in zijn gestopt. Als je ergens terug wilt keren, laat je een muntje achter… Een reuzenregenworm kruipt langzaam uit een barst. Even verder zijn de resten te zien van een reusachtige boom: van de enorme stronk staan alleen de contouren nog. Verder omhoog leunt een stokoude kamferboom tegen een grote sugi die daar blijkbaar geen bezwaar tegen heeft. En overal zijn grote groenbladerige Japanse esdoorns. In het najaar moet het hier een groot, roodgekleurd feest zijn. Het laatste deel naar de tempelgebouwen bestaat uit brede, natuurstenen trappen – in totaal zijn er 300 treden horen we later van de stempeldame – waarvan de treden bedekt zijn met paarse en enkele bleekpaarse, bijna witte viooltjes, en soms een varentje. Het is een sprookjesachtig mooi valleitje.

Als we bijna boven zijn, gaat het weer wat regenen. We bezoeken eerst het stempelkantoor en gaan dan even zitten onder het afdak boven een groot wierookvat om wat te eten. De aardige stempeldame komt een praatje maken en geeft ons 2 ansichten van de tempel. Haar kleine beige poedeltje komt af en toe wat bedelen; haar zoontje probeert ons te betrekken bij het verstoppertje spelen. Bij de tempelgebouwen staan ook weer 2 enorme stronken van gestorven woudreuzen. Boven beide stronken is een afdakje gemaakt en om de stronken heen is een dik gevlochten touw gehangen met witte papieren slingers eraan, iets wat in Japan veelvuldig is te zien bij Shinto-heiligdommen en rond grote bomen. De stempeldame wijst ons op een pijp waar water uitkomt. Water dat onder de reuzenstronken door is gelopen en dus geneeskrachtig is. Een jonge vrouw komt er net wat flessen vullen. Ik drink er ook wat van.

Heen en weer hollend door de regen voeren we de rituelen uit en dalen dan weer voorzichtig af van de vele trappen, uitgezwaaid door de stempeldame. De regen is al bijna weer opgehouden als we terug zijn bij de brug. De weg voert ons verder terug in het dal. We lopen omzichtig om een adder adder (Mamushi, de meest giftige slang van Japan) heen die op de weg ligt te zonnen, uiteraard na het nemen van wat foto’s… In een moestuin is een vrouw aan het werk, ze zwaait enthousiast naar ons. Ik ben druk bezig foto’s te nemen van het mooie uitzicht, als er even later een scooter achter ons stopt: dezelfde vrouw met een zak grote sinaasappels. Voor ons.

Dit jaar zien we dit dal voor het eerst vanaf deze invalshoek, afdalend van bangai 10, en het uitzicht is erg verrassend: links kunnen we de Japanse binnenzee zien met talloze eilanden, achter het brede dal, dat bezaaid is met bebouwing, staan vele rijen uitlopers van de hoge bergen recht voor ons. Voor de donkere, hoge bergen in vele grijstinten staan hier en daar nog lage heuvelruggen vol lichter groen van sugi en bamboe.

Bangai 11 is slechts enkele kilometers verderop en we zijn er al snel. De tempelgebouwen en de bergen erachter worden mooi weerspiegeld in een meer. Ik maak vele foto’s, maar als ik bezig ben met het fotograferen van de poort, zegt Mels langzaam: ‘Dit is niet de goede tempel. De naam klopt niet.’ De echte bangai 11 ligt nog een kilometer verder… Ach, er zijn ook zoveel meer tempels op Shikoku dan de 88 plus 20 die wij bezoeken… De grote tempel een kilometer verderop blijkt echter een Shinto-tempel. Ernaast vinden we eindelijk bangai 11, een vrij onopvallend complex midden tussen de stedelijke bebouwing. Naast de hoofdtempel ligt het karkas van een reuzenboom, een afdak erboven. We gaan even op een bankje zitten om de sinaasappels op te eten, maar die blijken niet lekker, veel te uitgedroogd. We offeren ze bij een schrijntje…

Daarna is het nog geen 2 kilometer naar onze ryokan, over de weg, door de stedelijke bebouwing. We hebben er al tweemaal eerder gelogeerd en worden – voor hun doen – hartelijk verwelkomd. De gastvrouw ziet eruit als een goed-Gereformeerde oude zuurpruim en ook de gastheer komt tamelijk nors over, maar ze hebben een hart van goud. De was kunnen we gratis laten doen. Osettai! En morgen zullen ze weer onze bagage brengen naar de volgende ryokan, zodat wij wat lichter de berg op kunnen lopen naar tempel 60. Ook osettai! Het eten wordt, zoals altijd, zwijgend opgediend, maar onze gastvrouw vertelt en passant wel even trots lachend aan de andere 6 loophenro’s aan tafel – 2 echtparen en 2 mannen alleen – dat wij voor de derde keer lopen én bij hen logeren.

’s Avonds op tv zien we beelden van de zware storm: omgevallen vrachtwagens, kleine boten aan flarden, golven die beuken op de kust, etc. Mels constateert dat mijn gezicht weer rood en opgezet is, net als voorgaande avonden, als een masker. Voorgaande tochten werd ik ook steeds roder en roder, maar nu is het wel helemaal erg…

Geplande afstand: 20,2 km, 200 m stijging
Werkelijke afstand: 20,3 km, hoogste punt (bangai 10) 263 m, totale stijging 641 m, totale daling 630 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1046,2 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.25– ca. 16.25 uur
Looptijd: 4,14 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: bangai 10 en 11
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Sakaeya (1 kamer 6 tatami’s groot met tokonoma, 1 tafeltje, tv, matig avondeten, matig ontbijt)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *