Dag 49: zaterdag 14 april 2012: Wie is wie???

De zuidelijke route, van west naar oost door de bergen, gaat voor een groot deel langs route 380, een meestentijds smalle en zeer rustige bergweg die gestaag en stevig stijgt (7–8% helling), vergezeld door een kleine rivier en omringd door hellingen met eindeloze sugibossen. Enkele delen van de weg kunnen worden afgesneden door een bergpaadje over een pasje te nemen, maar als we om 8 uur vertrekken uit de fraaie, oude ryokan – hartelijk uitgezwaaid door het vriendelijke ryokan-echtpaar – hebben we nog steeds geen beslissing genomen of we de weg blijven aanhouden of niet. Het eerste bergpaadje heeft ons vorig jaar (na een verkeerde afslag) geleid naar een uiterst vriendelijk echtpaar dat ons tracteerde op koffie en taart, maar het paadje bestaat wel voor een groot deel uit zeer steil beton, erg vervelend met nat weer. Ook al regent het nauwelijks meer, het pad zal nog erg glad zijn. Maar soms wordt een beslissing voor je genomen… We zijn zo’n 7 kilometer onderweg langs de fraaie bergweg – omzoomd door sakura in alle mogelijke tinten rose en wit en ook door massaal bloeiend koolzaad – als er een kleine pickup naast mij stopt met een breed grijnzende man en vrouw. Of wij die potters uit Nederland zijn die vorig jaar bij hen hebben koffiegedronken?! Ja, dus! De vrouw knijpt me stralend in de handen. Ze leggen uit dat ze shiitake aan het enten waren (of juist op weg zijn om te gaan enten; dat is ons niet helemaal duidelijk…) Ze zijn erg blij dat ze ons zien en het woord ‘koffie’ valt enkele malen. Wij knikken. ‘Ato de’, zeggen we. ‘Tot straks.’ Als ze wegrijden krijgen we nog een pak chocolade cakejes in de handen gedrukt. ‘Ik weet eigenlijk niet zeker of ze ons hebben uitgenodigd…’, zegt Mels. We zien wel. We eten de heerlijke chocolade cakejes op in de shintotempel die iets verderop staat, zittend op de houten treden en omringd door oude schilderijen onder meer over de Japans-Russische oorlog. Maar we blijven niet lang, het is niet alleen nog steeds aardig koud, we willen het vriendelijke echtpaar ook niet te lang laten wachten met de koffie…

Meteen na de shintotempel begint het bergpaadje en het valt inderdaad niet mee. Dikbemoste delen zijn nog het minst glad en langzaam werken we ons naar boven. Even vergeten we de verkeerde afslag te nemen, maar dan komen we toch uit bij het huis dat zo mooi gelegen is bovenin de vallei, omringd door geelbloeiend koolzaad. Het huis ziet er echter totaal verlaten uit; de pickup is nergens te zien. Ik roep een paar maal en we kijken om ons heen: dit is toch wel het goede huis? We zijn net bezig een cadeautje uit de rugzak te halen om achter te laten als dank voor de hartelijke ontvangst vorig jaar, als er een deur opengaat. Een man komt naar buiten, hebben we hem uit zijn slaap gehaald? Het is niet dezelfde man als in de pickup en hij kijkt ons wat verbaasd aan. We verontschuldigen ons – misschien tóch het verkeerde huis? – maar dan herkent hij ons: de mensen van vorig jaar! En hij haalt er wat stoelen bij, oploskoffie, een pak zoetebonenkoekjes, een bord rijstballen en een bord shiitakes. Hij vertelt dat zijn vrouw shiitakes aan het enten is; hijzelf heeft een pijnlijke rechterschouder en een zere vinger van het enten en is niet in staat om te werken. Hij ziet er duidelijk erg ongelukkig uit. Maar als dit de man is die ons vorig jaar heeft ontvangen, wie zijn dan de man en vrouw in de pickup??? We breken ons allebei het hoofd en komen er niet uit. Was de vrouw in de pickup soms de echtgenote van deze man? Maar wie was dan die andere man?

De man merkt onze interesse in de shiitake-teelt en neemt ons mee naar de schuur waar een moderne, computergestuurde droogkast staat om de shiitakes te drogen. Hij toont ook de tablets waar 900 propjes inzitten met shiitake-mycelia, qua vorm en grootte net vingerhoedjes. Hij vertelt dat hij 70.000 stammetjes per jaar prepareert met in totaal 300.000 mycelia. De geprepareerde stammetjes blijven een half jaar lang op stapels liggen, af en toe (als het niet vanzelf regent) met water besproeid, en zonodig beschermd tegen de wind met een fijngazig windscherm; daarna worden ze schuin neergezet gedurende anderhalf jaar. Er wordt meerdere keren geoogst; na 5 jaar wordt een stammetje afgedankt. Na de koffie nemen we afscheid met een klein cadeautje; rijst en shiitakes laten we beleefd staan, ’t is nog geen 10 uur, nog wat vroeg voor een lunch.

We volgen het zeer steile (en gladde!) betonnen paadje door zijn tuin en komen dan weer op de weg uit die verder voert door eindeloze sugibossen. Bij ons bezoek aan Shigaraki vorig jaar, vertelde Regina ons dat de Japanse overheid in het verleden massaal sugi heeft laten aanplanten op de berghellingen, vanwege de houtproductie. Maar dat blijkt een ernstige fout te zijn: de sugi’s worden bedreigd door een ziekte en op Honshu zagen we al veel bruine plekken in de bossen. Hier op Shikoku lijken de bomen nog niet aangetast te zijn. Het eerste deel van route 380 voerde vanmorgen ook langs veel percelen met jonge aanplant.

Na een – af en toe erg donkere – tunnel van 712 meter daalt de – brede – weg langzaam het volgende dal in. Net als in het vorige dal zijn ook hier weer massaal bloeiende kersenbomen. Het is soms zo mooi, dat het haast pijn doet. Zoveel mooie herinneringen neem ik mee…

Gedurende de ochtend hebben we verschillende bankjes, rest hut’s, bushokjes met banken en zelfs 2 henro yado’s gezien, maar tegen de tijd dat we toe zijn aan een goede pauze en wat lunch, is er niets meer te vinden. Het is te nat en ook veel te koud om zo ergens te gaan zitten, dus lopen we maar door. Vlak bij het begin van het tweede bergpaadje dat over een pasje op 651 meter hoogte voert, kijken we nog even in het routeboekje. Meteen stopt er een auto: een 89-jarige man stapt uit om ons de weg te wijzen. We maken even een praatje en slaan dan het pad in. Een breed, makkelijk begaanbaar grintpad dat langzaam stijgt. Hier en daar staat er een bloeiende papierstruik onder de donkere hoge sugi’s. Mels heeft het moeilijk met zijn rug, maar gaat gestaag door. Vlak voor het pasje gaat het grintpad over in een klein, wat steiler paadje dat door een kleine kloof voert. Ook het paadje dat afdaalt naar het volgende dal, is smal en steil en door de regen wat glibberig. Na enige tijd komt het uit op een weggetje dat langs huizen en natte sawa’s vol ratelende kikkers voert. In een akkertje staat een oud busje, het dak vervangen door golfplaat. Het is in gebruik als schuurtje. Even verderop staat een busje waarvan de zijdeur is vervangen door een houten deur. In gebruik als opslagruimte. Dat zien we veel in Japan: oude busjes die nooit worden afgevoerd naar de sloop, maar in gebruik blijven als opslagplaats – de banden volkomen plat; soms 3 van dat soort auto’s op een rijtje bij een huis.

We hebben weer allebei dezelfde ervaring van helderheid, waarschijnlijk gestimuleerd door het lichte hongergevoel. Na nog een klein bergpaadje over een laag pasje komen we weer op een breed grintpad dat langzaam langs de uitlopers van de bergen afdaalt naar Kuma Kōgen, het plaatsje waar we zullen overnachten. Langs route 33, die door het plaatsje loopt, zijn verschillende houtverwerkingsbedrijven gesitueerd; vrachtwagens, hoog opgetast met boomstammen, rijden af en aan. Maar we zien ook in de verte een knipperlicht. Dat duidt meestal op een restaurant. Het is inmiddels 2 uur en we zijn erg toe aan rust en warmte. Het knipperlicht is wel de verkeerde kant op, we moeten er zo’n halve kilometer voor terug lopen, maar dat hebben we er voor over. Het restaurant zit vol met mensen, maar gelukkig is er nog net plaats. Dan komt de waardin aanlopen en wuift ons – op niet bepaald aardige wijze – eruit: ze gaan zo sluiten… De boodschap is duidelijk. We druipen af. Jammer, want we hebben vorig jaar de ervaring opgedaan dat er in het hele plaatsje verder niets is dan een currytent, waar we de meest smerige (en ook de zoutste) curry ooit hebben gegeten.

Enkele kilometers de andere kant uit langs route 33 passeren we echter een supermarkt. We besluiten onze onigiri voor morgen te bewaren en kopen er ijs en brood en cake en zakken dan dankbaar neer op het bankje ervoor. En dan breekt de zon door. Plotseling is de hemel blauw met alleen nog in de verte voortsnellende wolken. Het is zelfs warm en ik dommel langzaam weg. Er komen enkele kinderen aanlopen. Aan de rand van het parkeerterrein houden ze kort krijgsberaad. Dan komen ze netjes in een rij, in paren van 2, langs ons bankje. En dan klinkt het, steeds opnieuw: ‘Hello!’ (giechel… giechel…) Wij giechelen mee. Pas een half uur later lopen we de resterende 800 meter naar onze overnachtingsplaats. De ryokan is ons aanbevolen door veel henro’s onderweg. En ook in het routeboekje staat de ryokan met een sterretje vermeld. Het ziet er op het eerste gezicht echter niet bijzonder uit, eerder wat verlopen. Na de ofuro brengt Mels een bezoek aan de kapper vlakbij de ryokan; ik werk wat aan het dagboek. Bij het avondeten zien we het echtpaar terug dat we gisteren enkele malen onderweg ontmoetten. De 68-jarige, zeer onderdanige vrouw praat met een enkele octaven hogere stem dan normaal en heeft ook voortdurend de neiging te knikken en te buigen. Hij is van het robuuste zwijgzame type. Veearts geweest, 74 jaar oud, uit Yokohama, 50 jaar getrouwd, last van blaren. Als we met zijn 2-en nog wat natafelen komt de 65-jarige gastvrouw binnen. Ze maakte – al toen wij bij de ryokan aankwamen – op ons de indruk dat ze een attaque heeft gehad, wat langzaam sprekend en ons steeds doordringend aankijkend. Af en toe zegt ze ‘please’ en lacht ze. Nu zegt ze iets dat Mels met de i-phone weet te vertalen in ‘andere kamer’. ‘Okay’, zeggen we en we gaan mee, in de veronderstelling dat we gaan verhuizen met onze spullen. Ze neemt ons echter alleen mee omdat ze ons een andere kamer wil laten zien: 120 jaar oud en van een wonderbaarlijke schoonheid. Met minuscuul ingelegd hout op de vloer van de tokonoma. Het plafond met vierkantjes van verschillende houtsoorten en… van houtzwammen die deels nog uit het plafond steken. Met boven de goudkleurige schuifdeuren open vensters met houtsnijwerk van houtzwammen en hout, zó verschrikkelijk mooi. Ook de vensters van papier en dun lattenwerk zijn kunstwerken: ragfijne latjes vormen samen een ingenieus en kunstzinnig gestileerd landschap of ingewikkelde abstracte patronen. De tokonoma is afgegrensd door gezandstraalde boomstammen: de verticaal geplaatste hashira en de horizontaal boven de tokonoma geplaatste nageshi. De kamer ernaast bevat een mooie kast die ook door een hashira wordt gekaderd. De grote lage tafels zijn gemaakt van dikke plakken van een enorme boomstam. Ze heeft enkele krantenknipsels voor ons neergelegd van 25 jaar geleden toen er een artikel over deze kamers is geschreven. Mels mag een boek lenen: Shikoku Onna Henro Ki, een verslag in 1928 geschreven door een vrouwelijke henro op Shikoku, herdrukt in 1988. We maken foto’s. Alles is zo wonderbaarlijk mooi…

Geplande afstand: 18,0 km, hoogste punt 651 m (pasje), 500 m stijging
Werkelijke afstand: 20,7 km, hoogste punt ca. 651 m (pasje), totale stijging 947 m, totale daling 663 m
Cumulatief afgelegde afstand: 886,4 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.04– ca. 15.15 uur
Looptijd: 4,25 uur
Gemiddelde snelheid: 4,7 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Omogo (1 kamer ca. 7 tatami’s groot met tafeltje en tv, 1 voorkamer 2 tatami’s groot met kastenwand, halletje, 1 binnenveranda met stoeltjes en tafeltje, goed avondeten, goed ontbijt)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *