Dag 46: woensdag 11 april 2012: Waterdief!

Vandaag is er een heel kort traject gepland, 12 kilometer, naar het mooie historische stadje Uchiko, waar we onze ‘vakantiedag’ willen doorbrengen. Vorig jaar hebben we er al het kabuki(poppen)theater bezichtigd en wat oude straatjes doorgelopen, nu willen we er wat langer blijven. We slapen uit en ontbijten pas om 8 uur en daarna blijven we nog lange tijd op de kamer hangen, want af en toe vangen we wat wifi op en buiten regent het pijpenstelen. Het lukt om 2 dagverslagen te uploaden op het blog; foto’s uploaden lukt al een kleine 2 weken niet meer vanwege de vaak te lage snelheid van de verbinding. Maar uiteindelijk moeten we toch eens naar buiten… Het hotel is totaal verlaten als we even na half 11 de regen instappen. Onder Mels’ nieuwe, zonnebloemgele regenzak tekenen zich de contouren af van de 2 dagen geleden gekochte lampions. Onder onze nieuwe pluutjes blijven we voorlopig lekker droog. We pakken weer route 56 op om het uitgestrekte industriegebied aan de noordoostkant van Ōzu te doorkruisen. Als we over een van de lange bruggen over de brede rivier lopen, zien we links op een heuvel het erg mooie kasteel van Ōzu liggen: helderwitte muren met grijze dakpannendaken in een verder grijsmistige wereld. In de diepte onder de brug liggen tientallen kleine, overdekte rondvaartboten, wachtend op het toeristenseizoen.

Het kilometerslange traject door het industriegebied van Ōzu is nooit echt leuk: afwisselend op een smalle stoep, dan weer balancerend op de dekplaten over de goot, langs een erg drukke autoweg, met als enige uitzicht kantoren, autobedrijven en andere industrie; hier en daar een winkel of restaurant. De regen maakt het er niet beter op: de grote plassen op de weg worden metershoog opgeworpen door het voorbijrazende verkeer. ‘We vergeten een tempel!’, gil ik plotseling naar Mels, boven al het verkeersgedruis uit. Hij kijkt me met grote ogen aan. Het routeboekje wordt uit een plastic zakje tevoorschijn gehaald. Inderdaad, we waren bijna bangai 8 vergeten… We zijn er nog net niet voorbij gelopen.

Het is inmiddels half 12 en we hebben 5 kilometer afgelegd, daarom leggen we eerst even aan bij een Joyfull voor (in chronologische volgorde) ijs en friet (Yna) respectievelijk gebak en tofu (Mels). We krijgen een handdoek om ons wat af te drogen. Als we eenmaal zijn geïnstalleerd, zie ik bij de ingang de ene na de andere gast een handdoek uit de hand- of aktetas halen en zich afdrogen. Dat is me in Japan wel vaker opgevallen: bijna iedereen heeft een handdoek bij zich, om zich af te drogen bij regen, om eventueel zweet af te wissen bij warmvochtig weer en voor een onverwacht bezoek aan een onsen. Altijd handig.

Al kort na de Joyfull is in de innige omhelzing van route 56 en een op grote hoogte kruisende snelweg bangai 8 te vinden. Jammer, denk ik, soms kan een mooi gebouw zich op zo’n verschrikkelijk verkeerde plaats bevinden… De regen is inmiddels afgenomen en beperkt zich afwisselend tot een heftig buitje, dan weer tot gestage druilregen. De tempelgebouwen bevinden zich op een rijtje langs route 56, een winderig plekje waar regenvlagen en wind voortdurend proberen greep te krijgen op fototoestel en boekjes. De stempelmonnik geeft ons elk een klein origami-krabbetje, zelfgevouwen. In ons routeboekje staat bij deze tempel dat we ook even onder de brug ernaast moeten kijken. Daar blijkt Kukai te slapen, vereeuwigd in steen. Een ontroerend plekje met schrijntjes en kussens op een klein stukje kade onder de brug. Een tweetal duiven volgt onze aanwezigheid nieuwsgierig. Volgens de overlevering zou Kukai tijdens zijn pelgrimstocht op Shikoku vaak onder bruggen hebben geslapen. Dat is een van de dingen die Mels en ik al voor onze eerste tocht hebben afgesproken: we gaan niet in bushokjes, op treinstations en onder bruggen slapen. Niet alleen omdat je dan ook de hele tijd een goede slaapzak en een matje mee moet slepen, maar ook omdat we denken dat onze lichamen daar echt niet meer tegen kunnen… Maar we houden ons wel aan het goede gebruik de pelgrimsstaf niet neer te laten komen op bruggen en viaducten, want dan zou je Kukai wakker kunnen maken… Het is een van de rituele gewoonten om alert te blijven op je pelgrimstocht. Ook het belletje aan je pelgrimstas, rugzak of jas is bedoeld om je voortdurend eraan te herinneren dat je op pelgrimstocht bent.

Als route 56 zich splitst, nemen een kleinere weg. Ik neem foto’s van enkele mooie oude gebouwtjes; op het terrein bevinden zich ook een grote loods en diverse houtstapels. Een man komt uit de loods, hij blijkt een paar woorden Engels te spreken. Hij had ons vanochtend al langs de weg zien lopen, vertelt hij. Of we zin hebben in thee? Jazeker! Hij maakt een van de schilderachtige gebouwtjes, dat half verscholen is onder een grote bloeiende kersenboom, open. Het blijkt een piepklein en erg mooi oud barretje. Hij vertelt dat hij o-mochi produceert, kleverige balletjes gemaakt van rijstpasta en gevuld met zoetebonenpasta; hij maakt ze op traditionele wijze: in houten vaten (vergelijkbaar met karnvaatjes) met een houten stamper die wordt aangedreven met de voeten. Op de veranda staat een houtskoolbrandertje voor het verwarmen van de balletjes. Of we zin hebben? ‘Zeg alsjeblieft ‘Nee’,’ zeg ik tegen Mels, ‘laatst ben ik er bijna in gestikt; ik krijg ze niet doorgeslikt…’, maar hij zegt ‘Ja’ en belooft alles op te eten of zonodig stiekem weg te werken. Maar even later krijgt hij wat last van zijn hart – het slaat over, iets waar hij het grootste deel van zijn leven al last van heeft – en hij weigert verder te eten of te drinken. Beleefdheidshalve eet en drink ik verder alles op en gelukkig valt het deze keer mee, ik krijg alles weggewerkt zonder te kokhalzen… Het is een aardige man en we hebben er een leuke tijd. Europa heeft hij zelf ook bezocht; zijn dochter geeft les aan de universiteit in Londen. Wij geven hem een osame fuda en een visitekaartje.

Om in Uchiko te komen, moeten we nog een kleine vallei door, over een door de regen zompig geworden pad. Het is een stille vallei met verlaten sawa’s, omringd door bossen. We hebben allebei weer eenzelfde ervaring van helderheid, net als gisteren. In het volgende dal, vlak voor Uchiko, is een park met een grote vijver met bedelende koivissen, zwarte en witte zwanen en eenden. In een boom aan de waterkant zit een groepje witte reigers. Net als ik een foto wil nemen, schiet er een pijnscheut vanuit mijn rug naar mijn linkerbeen. Langzaam bewegend strompel ik van links naar rechts, want plotseling zien we op verschillende berghellinkjes reigerkolonies hoog in de bomen, met zowel witte als blauwe reigers. Af en toe vliegt er eentje over met nestmateriaal in de snavel.

In Uchiko zullen we in 2 verschillende ryokans verblijven, omdat het niet lukte 2 nachten achtereen te reserveren in dezelfde ryokan. De eerste ryokan blijkt een groot complex te zijn. Ook de kamer is riant en tot mijn grote vreugde zijn er ook een badkamer en een zitwc. ‘Je hebt nog niet gekeken’, probeert Mels mijn enthousiasme te temperen. ‘Maakt niet uit, ik ben wel kleine badjes gewend.’ ‘Je hebt nog niet gekeken’, zegt hij nog een keer, nu wat nadrukkelijker. Ik doe de deur open: douche en bad zijn niet te gebruiken, overal liggen van de muur gevallen of afgebikte tegels op de vloer en in het bad… Wat een sof…
Maar het avondeten is uitstekend en bovendien erg gezellig. We delen de maaltijd met 2 Japanse henro’s en een Duitse fietshenro met zijn Japanse reisgenoot. De laatste begint meteen Mels ervan te beschuldigen dat hij de ofuro leeg heeft laten lopen. Als buitenlanders zullen we dat natuurlijk wel niet weten, dat iedereen in hetzelfde water moet baden. Nu kon ‘zijn’ Duitser niet baden. Mels ontkent; nu kijkt de man beschuldigend naar mij. Maar de vrouwen- en mannen-ofuro zijn hier gescheiden en ik ben sowieso niet in het mannengedeelte geweest. Hij lijkt het nauwelijks te willen geloven…
De Duitser – violist bij het Dresdener orkest – vertelt dat hij vaak beroepsmatig in Japan is geweest en jaren geleden van de pelgrimstocht op Shikoku hoorde. Het was zijn grote wens de tocht eens te maken en hij is erg blij dit samen met zijn Japanse ‘vriend/tolk/gids’ te doen. Naar Japanse gewoonte heeft zijn gids wel de totale controle overgenomen: de Duitser wil graag na het eten nog even door Uchiko lopen, maar dat wordt hem door zijn Japanse gids niet toegestaan; morgen moet er weer worden gefietst…
De Japanse henro aan de andere zijde van mij, spreekt aardig Engels, een cursus gedaan na zijn pensionering. Hij is 70, komt uit Osaka en doet de tocht voor de vijfde maal, maar moet vanwege voetproblemen deze keer af en toe de trein nemen. ‘Naze?’, vraagt hij. ‘Waarom doen jullie deze tocht?’ Mels vertelt ons verhaal. En wat de tocht met ons doet, dat je wereld klein wordt tijdens zo’n tocht, los van de ‘normale’ wereld, los van de stress, met simpele keuzes: links of rechts?

Geplande afstand: 12,0 km, 653 m stijging
Werkelijke afstand: 14,9 km, hoogste punt 111 m, totale stijging 375 m, totale daling 336 m
Cumulatief afgelegde afstand: 843,4 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 10.36– ca. 16.45 uur
Looptijd: 3,01 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: bangai 8
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Shin Machi So (1 kamer 10 tatami’s groot met kastenwanden, 2 tafeltjes, tv en 2 grondstoeltjes, 2 halletjes waarvan 1 met wasmeubel, 1 wc, 1 badkamer die niet is te gebruiken…, uitstekend avondeten, goed ontbijt)