Dag 45: dinsdag 10 april 2012: Vissen naar ballen

Even op en neer naar bangai 7 die zich ver buiten de ‘doorgaande’ henroroute bevindt, op 653 meter hoogte: 14 kilometer heen, 14 kilometer terug. Slapen in dezelfde ryokan, dus de meeste bagage blijft in de kamer. Maar… Hide-san mailde ons dat de bangai op 812 meter hoogte staat en ons hotel bevindt zich op 21 meter… Hide-san gebruikt het Japanse routeboekje dat een stuk gedetailleerder is dan het Engelstalige (met onder meer veel meer overnachtingsplaatsen) en veel nauwkeuriger wat betreft afstanden en hoogtelijnen. Dat wordt geen makkelijke dag. Hopelijk blijft de beloofde regen uit… Er zijn 3 routes mogelijk naar de tempel: de meest oostelijke is grotendeels via de weg, de 2 andere zijn via bergpaadjes. Mels vraagt de ryokan-eigenaar naar de gesteldheid van de verschillende routes en hij adviseert de weg te nemen, de andere zijn te moeilijk. ‘Maar hij heeft de routes waarschijnlijk nog nooit zelf gelopen’, dring ik aan bij Mels. ‘Zullen we de middelste route heen doen en via de weg teruglopen? De middelste route heet de Jizo-route en Jizo is de beschermheilige, niet alleen van de gestorven kindertjes, maar ook van de wandelaars. Dus het kan nooit een verkeerde route zijn…’ We nemen de Jizo-route…

Om 10 voor 8 storten we ons in de ochtenddrukte en lopen al gauw het westen van Ōzu uit. De bergen rondom Ōzu zijn gehuld in een rozige smog, maar de temperatuur is aangenaam. Nadat we in een supermarkt wat sushi hebben gekocht voor de lunch, lopen we langs route 234 verder naar het westen door een breed dal. We komen langs een oefengolfveld, in Japan een lang 2-laags gebouw vanwaaruit je je ballen schiet naar een kunstgrasveld of… naar een vijver, omgeven door 10-tallen meters hoge netten. Deze golfcourse bestaat uit een grote vijver. Een man in een roeibootje is bezig met een visnet ballen te vangen, zijn boot ligt al aardig vol met balletjes. We maken foto’s. Achter ons stopt een auto, een man knoopt een praatje aan. Hij blijkt Rogier Uitenboogaart te kennen, de Nederlandse papierkunstenaar op Shikoku die we nog niet zo lang geleden hebben bezocht.

Naarmate route 234 zich meer en meer afsplitst en de bergen inloopt, wordt het steeds stiller. ‘Welke berg zou het zijn?’, vraag ik Mels. ‘De bergen die je ziet, zijn niet hoog genoeg. Hij moet erachter liggen’, is het antwoord. ‘Oh…’ Na 5 kilometer komen we bij het begin van het bergpaadje, dat vooralsnog bestaat uit een betonnen pad. We trekken de fleecejacks uit; het wordt steeds warmer. ‘Zal ik eens kijken hoe hoog we al zitten?’, vraagt Mels. Dat blijkt 262 meter te zijn, niet erg bemoedigend. Langs het pad zie ik kleine blauwe besjes aan een rits; ze zien eruit als donkere glaskraaltjes; nooit eerder gezien. Even verderop in een steil wandje zit een groepje kikkers te brullen in hun holletjes die werken als kleine versterkertjes. Al gauw verandert het pad in een breed grintpad, regelmatig afgewisseld met iets dat meer op een wildpaadje lijkt. Dit moet op zijn zachtst gezegd een weinig gebruikte route zijn, vaak is er helemaal geen pad te onderscheiden. We lopen regelmatig over een richeltje langs de berghelling, 1 voet breed. Af en toe voelen we een voet wegzakken en moeten we ons haasten voordat de richel intstort… ‘Ik leer hier wel omgaan met smalle richeltjes en diepe afgronden’, zegt Mels. Dat denk ik ook, met zijn hoogtevrees had hij dit, denk ik, een paar jaar geleden niet gedurfd…

Overal staan viooltjes, pastelblauw met heel soms een witte ertussen, vooral op hellingen waar is gekapt. We krijgen het warmer en warmer; het zweet gutst eruit, mijn ogen lopen regelmatig vol… Kort rusten we op een richel bij een begraafplaatsje en trekken dan weer verder. Door uitgestrekte sugi-bossen, of soms een bamboe-enclave. Overal zijn sporen te zien van vroegere bebouwing: gestapelde muurtjes, paden die half terugveroverd zijn door de natuur, ingestorte gebouwtjes, verlaten akkertjes, aangeplante boomgroepjes… Het wordt steeds stiller. In de diepte is soms nog een motorzaag te horen, soms heel erg ver weg nog wat verkeersgedruis. Nachtegalen nemen het over, en soms is er de ik-weet-niet-hoe-ik-moet-stopppen-en-wij-weten-niet-hoe-hij-heet-vogel, boven de de bossen vaak het gegok van raven en verder weg wat gekoer van duiven. Langs het pad zie ik een wat verlopen morielje. Vaak schuifelen we door een dikke bladerlaag, beducht op halfsluimerende slangen. Langs de brede, makkelijk te belopen grintpaden liggen soms lange 1 meter hoge stapels stammetjes met shiitake-mycelia. In enkele beschutte kommetjes onder de hoge sugi is enkele keren een hele verzameling gerangschikt: 1 meter lange stammetjes half schuin neergezet in lange rijen, als het soldatenleger van Xi’an, verstild, doods…

Zo’n 4 kilometer voor de tempel komen we op een asfaltweg – de weg die we ook weer naar beneden zullen nemen. Richting tempel duikt de weg eerst nog een dal in. Tja, je kunt ook niet verwachten dat de eerste berg meteen DE BERG is…, denk ik berustend, maar we zijn allebei niet blij dat we dalen; naar de tempel is het nog minstens 300 meter stijgen. Na anderhalve kilometer komen we bij het laatste traject, weer een bergpaadje. Alle 3 henroroutes naar bangai 7 komen hier samen. En het is duidelijk een goed onderhouden en veel gebruikte route. Via een makkelijk pad – we zien zelfs sporen van een motorfiets! – stijgen we gestaag. Af en toe is er midden op het pad een vreemd – groot en ondiep – gat gegraven, gevuld met regenwater en in het midden een boomknotje tot een scherpe punt afgeslepen en glad alsof er steeds weer overheen is geaaid… We hebben er geen verklaring voor. Kort voor de tempel komen we langs een klein heiligdom: een schrijntje met rode vlaggen en gordijnen en tal van beelden met rode slabbetjes en mutsjes. Heel erg mooi. Ik blijf er even zitten op een bankje en we nemen wat foto’s.

Meteen daarna – het is inmiddels half 1 – komen we bij de omheining van het tempelcomplex waar een enorm standbeeld staat van Kukai. We lopen er de henro tegen het lijf die me gisteren liet schrikken met zijn belletje. Hij vertelt dat hij route 234 helemaal heeft afgelegd naar bangai 7 en dát is 26 kilometer…

Een heleboel trappen later komen we aan bij de poort, waar een enorme sugi nog niet zo lang geleden is ingestort: op enkele 10-tallen meters hoogte zijn recente sporen te zien van de afgeknakte stam. Blijkbaar heeft de boom geen schade berokkend aan zijn omgeving, zelfs de oude, volledig begroeide klokkentoren aan de andere zijde van de trap, is ongeschonden. Nog wat trappen verder komen we bij de fraaie hoofdtempel, volgens de gps 821 meter hoog, nog hoger dan Hide-san had voorspeld. Maar de afgelegde afstand is wat korter dan verwacht, slechts 13,1 kilometer. Het uitzicht is nog steeds erg heiig; de omringende bergen staan in verschillende grijstinten achter elkaar. De bewolking is inmiddels toegenomen; de zon schijnt er nog lichtjes doorheen. Het is koud op de top. Na het uitvoeren van de rituelen, aarzelen we tussen sushi op een tochtig bankje en een onverwacht udon-restaurantje in het tempelcomplex. Het wordt soep. Maar ik wil niet te lang blijven. ‘We hebben alle tijd!’, zegt Mels. ‘Er hangt regen in de lucht’, dring ik aan. Om 2 uur vangen we de terugweg aan, het eerste traject via hetzelfde pad als de heenweg. Er is een koude wind opgestoken. Bij het kleine heiligdom hebben we allebei eenzelfde ervaring van helderheid. Een magische plek. Alsof je dwars door de dingen heen kunt zien. Ik had diezelfde ervaring 2 jaar geleden, op een pad tussen tempel 81 en 82. Mels heeft die ervaring ook verschillende malen gehad. ‘Meestal heeft het te maken met meer verbranden dan je eet’, zegt Mels nuchter… Maar het is wel mooi…

Het makkelijke pad van de heenweg is niet zo makkelijk af te dalen… Het pad is bezaaid met sugi-takken die opspringen als je erop stapt. Als je de ander niet laat struikelen op die manier, dan gebeurt het vaak jezelf… En het coniferenloof is ook erg glad. En er zijn erg veel losliggende keien. Halverwege zien we een henro zitten, mooi gekleed in traditionele kledij: witte broek en tuniek en eroverheen een lange, zwarte, tuleachtige hes, gecompleteerd met een zwarte, stoffen schoudertas, een mooie, cognackleurige, rondgebogen bamboehoed en een zwarte staf met een setje ringen bovenaan. We vragen of we hem op de foto mogen zetten. Dat is wederzijds. Hij blijkt 68 te zijn, even oud als Mels. We hadden hem 90 geschat. Wonderlijk mooi!

Daarna loop ik voorop en ren zowat naar beneden. ‘Het gaat vandaag goed met lopen, hè!’, zeggen we nog maar eens tegen elkaar. ‘Dat we dit toch allemaal kunnen!’ Al snel zijn we terug bij de asfaltweg die vanaf hier eerst omhoog, dan steeds verder omlaag loopt, door fraaie bossen. Af en toe is er een akkertje. Percelen loofbos ogen nog winters kaal. Ook nu zien we regelmatig shiitake-boomstammetjes, in lage, langgerekte stapels langs de weg (net geënt met mycelia of juist ‘uitgewerkt’), of in kleine beschutte inzinkingen schuin in het gelid gezet, waar ze pas na 2 jaar te oogsten zijn, is ons gisteren verteld. Het is een fraaie weg, die we helemaal voor ons alleen hebben. We komen geen mens (en geen auto) tegen. Grote groepen geelbloeiend koolzaad omzomen de weg. Behalve sugi zijn er opvallend veel dennenbomen.

Als de asfaltweg weer het dal induikt, zien we in de diepte de weg die we vanochtend volgden door het dal. Het begint af en toe te druppelen, maar de regen zet niet door. Enkele keren snijden we een bocht af via een paadje, maar dat is niet altijd mogelijk: eenmaal is een paadje over een betonnen wand vanwege (duidelijk!) instortingsgevaar afgesloten, een andere keer is het pad overgenomen door een uitgestrekte zandgroeve. Het laatste deel van de weg snijden we zelf af, we nemen wat andere weggetjes die rechtstreekser het dal inlopen, maar lopen vast op een spoorlijn. Enkele vrouwen roepen ons terug: naar Ōzu moeten we iets terug, via een overdekte goot langs de achtertuinen. Ook de rivier is een hindernis: we moeten iets omlopen voor een brug. En dan lopen we aan tegen de heuvel waarop het mooie kasteel van Ōzu staat. Een man helpt ons: we moeten weer wat teruglopen en hij loopt met ons mee tot we voor onze ryokan staan. ‘Hayai!’, zegt hij tegen Mels terwijl hij naar mij wijst. ‘Ze loopt wel erg snel!’ Ja, dat lukt wel vandaag. Even over half 6 zijn we bij de ryokan.

Tijdens het avondeten overwegen we het Lampionnenfestival. Maar het regent inmiddels. En we zijn toch wel erg moe… Misschien morgen… in het volgende stadje. ’s Avonds komt er af en toe wat mail binnen via een onbeveiligd wifi-signaal. Er is een mailtje van de tv director die betrokken was bij ons interview: hij laat ons weten dat het interview uit het programma is geknipt. Helaas… de scène tijdens het avondeten is nog wel te zien, maar ik geloof niet dat we daar iets (zinnigs) hebben gezegd. Helaas…

Geplande afstand: 28,0 km, 653 m stijging
Werkelijke afstand: 26,0 km, hoogste punt 821 m, totale stijging 1095 m, totale daling 1095 m
Cumulatief afgelegde afstand: 828,5 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.51– ca. 17.30 uur
Looptijd: 5,22 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: bangai 7
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Shōraku (1 kamer 8 tatami’s groot met tokonoma / kastenwand, tafeltje, kluisje en tv, lange hal, 2 binnenveranda’s met wasmeubel en hurktoilet resp. kaptafeltje, af en toe een moment onbeveiligde wifi in de kamer, matig avondeten, matig ontbijt)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *