Dag 44: maandag 9 april 2012: Het schimmelparadijs

Onze gastvrouw gaat ’s ochtends opnieuw met haar neus door het stof, eerst bij het ontbijt – waarbij we ook 2 grote pakken onigiri krijgen en wat muntjes om in de tempel te offeren – en later bij ons afscheid om 10 voor 9. We volgen bijna de hele dag route 56 – of wat parallelweggetjes die door gehuchtjes voeren – verder naar het noorden. Het traject is grotendeels hetzelfde als vorig jaar, maar korter (zowel aan het begin als het eind een stuk eraf). Route 56 is erg druk en de omgeving is vrij saai. Op afstand liggen geregeld lage bergruggen, als losse schapen in een weiland; typisch Japanse bergjes, zo midden op een vlakte steil omhoog reizend. Hoewel het erg koud was bij ons vertrek, wordt het gedurende de dag warmer en warmer. Al gauw lopen we te zweten en gaan er jacks uit. Mels is inmiddels ook begonnen met afbladderen, misschien is het toch de zon…

Mels heeft een terugslag; misschien gisteren iets te enthousiast gelopen? We hebben allebei last van onze ruggen, maar Mels schijnt er het meeste onder te lijden. Zijn rugzak is loodzwaar. Bij een fraaie rest hut laten we wat gewicht achter: 2 grote dozen met onigiri, een doos met sushi, wat broodjes en het (ongebruikte) kinderponchootje. We zetten er data op, in de hoop dat iemand anders het eten gaat gebruiken. Nog geen 50 meter verder, komt er een man uit een huis rennen met 2 grote citrusvruchten. ‘Ik ben blij dat je ruimte hebt gemaakt voor nieuwe dingen…’, zeg ik tegen Mels.

Na de koffie heeft Mels, zoals wel vaker, extra last van zijn knieën. Het tempo blijft uiterst laag. Praten is ook lastig, als we al naast elkaar kunnen lopen, dan kunnen we elkaar nauwelijks horen door het drukke verkeer. ‘Kijk, een chalet.’ ‘Wie is weg?’ ‘Wat?’ ‘Er is iemand weg?’ ‘Wie?’ Hopeloos… maar ja, dat zijn we onderhand wel gewend in Japan, een groot deel van de pelgrimstocht voert langs drukke wegen…

Niet ver voor een autotunnel nemen we een afslag richting pasje. Vorig jaar was onze ervaring met deze meer dan 1 kilometer lange tunnel zonder stoep bijzonder angstaanjagend en we lopen graag de 3 kilometer lange omweg over het pasje dat zo’n 165 meter hoger ligt dan de ingang van de tunnel. Eerst dalen we wat af en via wat weggetjes door een dal bereiken we het bergpaadje dat makkelijk begaanbaar is. Rond 1 uur bereiken we de pas op 474 meter hoogte. Ik hoor steeds een belletje achter me, zeg ik tegen Mels, als we weer afdalen naar het volgende dal. ‘Dat is de belvogel’, grapt hij. Ik kijk om en zie tot mijn schrik een henro – met het gebruikelijke belletjes aan rugzak of tempeltas – die blijkbaar al een tijdje probeert mij te passeren… We krijgen alledrie de slappe lach. Het pad naar beneden is niet altijd even makkelijk: enkele keren bestaat het uit een zeer steil betonnen paadje dat door coniferenloof en kiezelsteentjes erg verraderlijk is; we zijn erg blij dat het niet regent… Lange tijd lopen we over een (afwisselend geasfalteerd en ongeasfalteerd) weggetje dat eindeloos langs de berghellingen cirkelt, nauwelijks dalend. We komen er langs een groepje mensen dat boomstammetjes aan het prepareren is met mycelia van shiitake. De mannen zijn met boormachines in de weer om overal gaten te boren in de 1 meter lange boomstammetjes; de vrouwen stoppen er kleine propjes in met mycelia. Een vrolijk gezelschap dat geen bezwaar heeft tegen foto’s. Even later – en 4 enorme citrusvruchten rijker – lopen we door.

Tot slot volgt er een laatste verraderlijk betonnen paadje. En dan een volgend dal vol kersenbloesem. Bij route 56 vinden we een wegstation met diverse restaurantjes. We kiezen Woody life. Er is geen lunch meer te krijgen om kwart over 2, maar er is taart, ook goed. Een hoogbejaard echtpaar nodigt ons uit aan de bar. De man spreekt wat Engels; zij heeft de pelgrimstocht eens per auto afgelegd. De warme choco met slagroom en taartpunt met ijs en slagroom zijn verrukkelijk. Het bejaarde echtpaar neemt verse jus en een enorme schaal met wafels en ijs en vruchten. De helft ervan wordt onze kant opgeschoven. Mels ontfermt zich over de wafels, ik over het ijs… Oeffff!!! Bij een rest hut kort daarna laten we de meeste van de citrusvruchten achter bij een zwerfhenro die er ligt te slapen, naast zijn fiets met 2 grote kratten met al zijn bezittingen erin

Tot mijn verbazing zet Mels er de pas in. Ook bergop- en afwaarts was hij al snel, maar dat verbaasde me niet: ik ben altijd langzaam op hellingen, hevig zwetend naar boven, bang om te vallen naar beneden… Maar de klim heeft hem goed gedaan, misschien is het de afwisseling? Ook voor mij is een dag langs de autoweg moeizamer dan wat afwisseling met bergjes in het programma.

Zo’n 5–6 kilometer later naderen we Ozu. Naast de nieuwe snelweg staat een enorme kathedraal, in de schaduw ervan een piepklein kapelletje. Dergelijke gebouwen zijn vaak neergezet als trouwlocatie, weten we. De kathedraal oogt in de verte typisch Europees, maar mist bij nader inzien iets… Alle details ontbreken, alleen op de torens zijn lijnen te zien als van echte shingles. Alsof de hele kathedraal van karton is gemaakt. Lopend langs een riviertje komen we bij een grotere rivier waar aan de overzijde een fraai theehuisje halverwege een bebost bergje hangt; 2 jaar geleden hebben we er een bezoek aan gebracht. In Ozu lopen we kriskras door wat oude straatjes, bekend als filmlocatie. We zien bij toeval een lampionnenmaker en stappen binnen. De man spreekt Engels. We zijn allebei geïnteresseerd in lampionnen, maar ze zijn niet goedkoop: handgemaakt met ragfijn bamboe staketsel, papier erover en dan beschilderd. Mels koopt er 2, rood plastic, drinkgelegenheid staat erop.

Even na half 5 komen we aan bij onze overnachtingsplaats. In de oude wijk staat op de hoek van een kruispunt een hotel dat zo uit een film over de negentiende eeuw weggelopen zou kunnen zijn. ‘Een goedmakertje voor gisteren?’, vraag ik. ‘Kan nog tegenvallen. Je moet nooit afgaan op de buitenkant…’, antwoordt Mels. Binnen blijkt het inderdaad om een erg aftandse gelegenheid te gaan met een sjagerijnige eigenaar. Jammer, want we blijven hier 2 nachten. De kamer is ruim, maar het hurktoilet ruikt nogal en er kan niet worden gelucht. Mels trekt een yukata aan en verdwijnt naar de ofuro. Maar meteen komt hij terug: te vies. ‘De muren, het plafond, alles zit onder de schimmel. En het stinkt…’ Schimmel, dat zijn we wel gewend in de Japanse ofuro’s – ook bad, badcover en doucheslang zitten er vaak onder – maar deze keer schijnt het wel heel erg te zijn. De kleren gaan weer aan. Kort vangen we een onbeveiligd wifi-signaal op, maar het is weg voordat ik mail kan binnenhalen.

Het avondeten in de koude eetzaal is zeer matig. En vooral erg weinig. Andere henro’s zijn er niet, wel enkele zwijgzame werkmannen. ‘Misschien is de ryokan-eigenaar niet sjagerijnig, maar lijdt hij onder het leven’, suggereer ik. Ik vind hem er vooral treurig uitzien. Zijn assistent – type zwerver maar wel erg aardig, die zijn visnetten heeft uitgehangen in de eetzaal – komt ons elk nog een extra schaaltje brengen: Mels krijgt hom of kuit, ik wat aangemaakte komkommer. ‘Misschien hebben jullie nog zin het Lampionnenfestival te bezoeken?’, vraagt hij. ‘Bij het kasteel van Ozu is de sakura erg mooi!’ Misschien morgen…

Geplande afstand: 18,7 km, 300 m stijging
Werkelijke afstand: 22,0 km, hoogste punt 474 m, totale stijging 589 m, totale daling 824 m
Cumulatief afgelegde afstand: 802,5 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.49– ca. 16.35 uur
Looptijd: 5,11 uur
Gemiddelde snelheid: 4,2 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Shoraku (1 kamer 8 tatami’s groot met tokonoma / kastenwand, tafeltje, kluisje en tv, lange hal, 2 binnenveranda’s met wasmeubel en hurktoilet resp. kaptafeltje, af en toe een moment onbeveiligde wifi in de kamer, matig avondeten, zeer matig ontbijt)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *