Dag 38: dinsdag 3 april 2012: Koffie?

Onze gastvrouw adviseert route 21 op onze tocht door het binnenland richting tempel 39. Die is wel wat langer dan een andere weg, maar gaat minder over de bergen heen. Alle gasten krijgen van haar een plastic tasje met onigiri, banaan, yakult, koekjes en snoep. Wij zijn er blij mee, want op weg naar de ryokan 3 kilometer voor tempel 39 verwachten we geen restaurants of supermarkten tegen te komen en het is een erg lange tocht: zo’n 30 kilometer. In zee is slechts vaag het donkergrijze silhouet van een kaap te zien. Met de wind valt het nog wel mee, maar al sinds half 5 hoost het. De wereld is weer grijs. Een flits en een klap… om kwart voor 7 begint het te onweren, minder dan 2 kilometer verwijderd, nog voordat we de deur uit zijn… Toch nog maar even wachten… We staren naar de regen buiten. In zee zitten op een rots wat verregende aalscholvers. Een zwaluw is druk bezig een nestje onder het dak van de ryokan te fourageren. ‘Als het onweer blijft aanhouden, bel ik een taxi’, suggereert Mels. ‘Dat hoeft niet… Vorig jaar bracht de ryokan-eigenaresse enkele gasten naar tempel 39. Als wij vragen om te worden gebracht, zal ze dat ook doen…’, antwoord ik. Maar na de derde klap blijft het stil en om half 8 stappen we goed ingepakt tegen de regen naar buiten; de gastvrouw zwaait ons uit, een paar Hollandse klompjes in haar hand. De wind is nog niet sterk, maar komt wel van alle kanten en mijn armzalige parapluutje begeeft het bijna meteen; ook die van Mels raakt wat geknakt. Mijn capuchon heeft de neiging steeds opnieuw via mijn linkeroog af te wateren. Grote hoeveelheden water stromen over de stoep. We zwoegen voort, weer naar het noorden langs route 321, dezelfde kustweg waarlangs we 3 dagen geleden naar het zuiden gingen. Tweemaal is er toch weer een donderslag en kort daarop een lichtflits en schuilen we onder een carport, dan blijft het definitief stil. Maar het lijkt wel of er steeds meer kranen worden opengezet. Bij de karaokebar waar we 3 dagen geleden zo genoten, slaan we weer het binnenland in en via een smal weggetje langs een rivier komen we op route 21 die ons verder naar het westen voert. In de natte sawa’s klinken 1000-en rateltjes, in alle toonaarden. In de stromende regen is een boer aan het ploegen. De weg versmalt steeds meer en klimt heel lichtjes maar gestaag een rivierdal in met rondom steeds hoger wordende, donkerbeboste berghellingen. In de diepte kronkelt een brede rivier, diep groenblauw als de regen niet een donkermat timbre eroverheen zou leggen. Slechts af en toe passeert er een auto. Felrode krabbetjes lopen over het asfalt, soms is er een salamander of een wegspringende kikker; ook zijn er weer de reuzenregenwormen. Na zo’n 10 kilometer komen we voorbij bouwwerkzaamheden: een beekdalletje wordt met een dam afgezet. Wij schuilen even onder het smalle afdakje van de bouwkeet en eten staand snel een banaan en wat koekjes op.

Uur na uur rijgt zich aaneen. Het lopen lijkt een trance; nog een paar zintuigen alert om struikelen te voorkomen en aanstormende auto’s op te merken. Steeds meer kranen worden opengezet. Met emmers tegelijk komt de regen naar beneden. Langs de berghellingen zijn overal stroompjes, vaak met fraaie watervalletjes. Soms heeft een waterloop de weg overgenomen en moeten we door het snelstromende water waden. Vanonder de capuchons zien we vaag een indrukwekkend mooi berglandschap voorbij trekken; de grote rivier steeds in de diepte. Mijn windjack en regenbroek lekken na enige tijd behoorlijk door. Tegen deze felle regen is niets bestand. Af en toe haal ik de grote plastic zak om mijn pelgrimstas los en laat het water dat zich onderin heeft verzameld er even uit lopen; ook de regenzak rond Mels’ rugzak blijkt een waterverzamelaar. Dan, rond een uur of 11, worden plotseling de kranen een voor een dichtgedraaid en korte tijd later is het al droog. De weg daalt langzaam naar de rivier. In het zich verbredende dal kruisen weg en sterk kronkelende rivier elkaar vele malen. Af en toe zijn er wat huizen. Bij een hutje naast de weg staat een man ons te wenken. Het blijkt een rest hut voor henro’s, gemaakt van bamboestammen en blauw zeil, bij de inrit naar zijn huis. Op tafel staat een kratje met koffie, thee, koekjes, chocolaatjes en instantsoep, met ernaast een elektrische waterkoker. Een koelkastje herbergt blikjes; een vers trosje bananen hangt aan een standaardje. Een andere henro is net aan het vertrekken. Wij krijgen door de gastheer koffie aangeboden en nemen heel erg dankbaar plaats. We zijn doodmoe en erg nat en nog niet eens halverwege de tocht. Dit is een heel erg plezierige verrassing. Helaas laat ik na de eerste slok het bekertje koffie uit mijn handen vallen; ik krijg geen nieuwe aangeboden. Jammer, erg, erg jammer… We besluiten onze meegebrachte lunch alvast op te eten, aangezien we niet weten of we nog eens zo’n beschutte plek tegen zullen komen. Maar als we het onderste vak van Mels’ rugzak openen, blijkt al het eten rond te drijven in het water. We proberen nog wat te eten van een rijstbal omwikkeld met zeewier, maar het is echt niet lekker… Ik stel voor verder te lopen naar een supermarkt die volgens het routeboekje 8 kilometer verderop moet zijn.

De zon komt tevoorschijn; langzamerhand verdwijnt de bewolking steeds meer. Maar er steekt ook een sterke tegenwind op waar het moeilijk tegenin worstelen is. Het dal verbreedt zich steeds meer; de hoge bergen vervangen door hier en daar wat kleine bergjes. Natte sawa’s vormen een groot mozaïek, schitterend in de zon. Hier en daar zijn huizen. Rond 1 uur komen we langs een huis met een grote koivijver waarin reuzenrotsen liggen. Overal staan grote en kleine waterradjes, plastic eenden, dwergen. Plotseling horen we een stem boven ons hoofd: ‘Kōhii?’ (koffie?) Een man staat bovenop een van de grote rotsen, een visnetje in zijn hand. Hij nodigt ons uit zijn terrein op te lopen. We bewonderen de koivissen en de vele andere bezienswaardigheden in de tuin. Dan nodigt hij ons uit, niet in het huis erachter, maar naar een klein huisje bovenop een bergje… We laten de rugzakken achter en klimmen man- en vrouwmoedig de lange trap op. Het blijkt een theehuisje te zijn; in een hoek staan de attributen voor een theeceremonie. Aan de tuinzijde is een groot raam waar 4 rotan kuipstoelen bij staan. Er wordt een vers pak koffiebonen geopend voor ons en terwijl het koffieapparaat bezig is, rent hij weer de trap af en komt even later terug met chocoladebroodjes en zoetebonenkoekjes. ‘Biertje, misschien?’ ‘Nou, nee.’ ‘Ach, een klein biertje dan?’ ‘Nee, echt niet. We moeten nog lopen…’ Dan krijgen we bij de koffie glazen met water en ijsblokjes. Hij neemt zelf een grote bel cognac met ijs en water. Miata Toshinori ziet er met zijn ravenzwarte haar uit als een goed geconserveerde vijftiger, maar hij blijkt 65. Hij is werkzaam (geweest?) bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Als hij hoort dat wij potters zijn en over keramiek schrijven, toont hij zijn chawans, theekommen, mooi verpakt in houten doosjes. Een ervan komt zelfs uit Mashiko. Na de tweede kop koffie neemt hij ons mee naar het huis achter de koivijver. Schoenen uit. In het grote huis is een uitgebreide verzameling keramiek en glaswerk; in elke kamer staat wel een kast vol… en is er ook een drankverzameling. Tot zijn verrassing ziet Mels een replica van een Koreaanse wierookbrander waarvan in het komende nummer van KLEI een foto zal staan (en waarvoor hij heel veel moeite heeft moeten doen om die foto te bemachtigen…) De echtgenote komt thuis en we babbelen nog wat. Of we nóg wat tijd hebben? Nou… we moeten nog 4 uur lopen… nog even dan… Er worden foto’s genomen en even daarna zien we onze verwaaide en roodgebrande gezichten uitvergroot op de enorme breedbeeldtelevisie. Daarna volgt een korte serie over de kersenbloesems langs de weg die we nog moeten volgen, gisteren op de foto genomen. Het afscheid is zeer, zeer hartelijk en we moeten zeker nog eens terugkomen.

We genieten van de sakura die overal onderweg te zien zijn in alle mogelijke witte, rose en roserode tinten, met enkele en dubbele bloemen, aan grote en kleine bomen, soms in treurvorm met watervallen van bloemen. Af en toe is er een dichte regen van bloesemblaadjes; het plaveisel is er soms wit van. Zo’n anderhalf uur na de onverwachte lunchpauze lopen we door een gehucht, als er aan de overkant van de straat bij een bushalte een man ons staat te wenken: ‘Kōhii?’ Een 3-persoons, witte skaileren bank neemt het hele bushokje in beslag. We worden uitgenodigd te gaan zitten en krijgen elk een blikje koude koffie, in Japan even gewoon als icetea. Hij neemt er zelf ook een en laat ons onderwijl op zijn mobieltje foto’s zien van zijn plantenkwekerij: onder meer lelies en kerstbomen. Dan zwaait hij en springt in zijn kleine pick-up. Wij blijven nog even zitten… Het is een mooie dag, vol verrassingen. Kort daarna komen we langs de ‘blokhut’ waar we 2 jaar geleden hebben geslapen; de slechste ryokan die we ooit hebben gehad en we lopen er graag wat extra voor om…

Het is erg moeizaam worstelen tegen de steeds meer aanwakkerende stormwind in; af en toe worden we zelfs teruggeworpen. In een tunnel worden we zowat gezandstraald door de sterke tegenwind; ik knijp ogen en mond zoveel mogelijk dicht. Na de tunnel is er een lange brug die op grote hoogte een weidse kronkel in de brede rivier oversteekt. We moeten moeite doen niet over de lage reling te waaien en houden onze staffen krampachtig vast. Plotseling krijgt de wind vat op de regenzak van Mels’ rugzak. Langzaam heen en weer zwaaiend op de wind zien we hem verdwijnen naar de diepte waar hij in de rivier achter een boomstam blijft haken. Erg vervelend, maar niets meer aan te doen… Een volgende tunnel is even moeilijk. De laatste kilometers door de laagvlakte nemen we een parallelweggetje en pas als we binnen de bebouwde kom zijn, hebben we iets minder last van de wind. Wel zijn we ons erg bewust van alle half ingestorte huizen en andere rotzooi die er ligt: erg gevaarlijk met dit weer. In de ryokan worden we verwelkomd door de 2 henro’s die we in vorige ryokans al tegenkwamen. Een van hen is een kleine, tengere vrouw op leeftijd. Blijkbaar weet ze het tempo aardig vol te houden. Bij de verschillende koffiepauzes vandaag kregen we telkens de opmerking dat we ‘yukuri’ – langzaam – lopen, met kortere dagtrajecten dan gemiddeld, maar wij zijn na zo’n lange tocht als vandaag heel erg moe. Op de televisie zijn beelden te zien van de storm die over het land trekt: omgevallen bomen, ingestorte huizen en vooral heel veel paraplu’s die het moeilijk hebben.

Geplande afstand: 29,2 km via kortste route, 31,4 km via route 21, 100 m stijging
Werkelijke afstand: 33,6 km, totale stijging 752 m, totale daling 766 m
Cumulatief afgelegde afstand: 674,7 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.33– ca. 17.20 uur
Looptijd: 6,31 uur
Gemiddelde snelheid: 5,2 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1 (verder gegroeid)
Overnachting: ryokan Tsuru no ya (1 kamer 8 tatami’s groot plus wat extra plus verhoogd deel ca. 3 tatami’s groot, tafeltje, tv, goed avondeten, goed ontbijt)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *