Dag 30: maandag 26 maart 2012: Leven op te grote voet…

Bij het ontbijt nemen we afscheid van Herbert. Voordat we zelf vertrekken, gaan we nog even met Koji zijn in aanbouw zijnde grotwoningen bekijken. Via het al eerder door hem gebouwde Santorini-gedeelte dat deze ochtend baadt in het zonlicht, komen we, nog wat lager, bij enkele organisch gevormde, half in de bergwand verscholen appartementen. Ook deze hebben een schitterend oceaanzicht. Een groot deel van de werkzaamheden is inmiddels afgerond, maar de fijnafwerking moet nog plaatshebben. Het afscheid van Koji is hartelijk. Wij hebben voor hem wat cadeautjes uit Nederland meegenomen: een stropdas met tulpjesmotief en stroopwafeltjes in een Hollands zakje. Koji zien we mogelijk nog terug tijdens onze tocht: als het enigszins kan, komt hij ons opzoeken in een ryokan onderweg.

We volgen vandaag dezelfde route als 2 jaar geleden, maar we hebben deze keer wat dichterbij een ryokan gevonden waar we kunnen overnachten. Gedurende de ochtend lopen we over het schiereiland, dat één groot natuurgebied is. De vrij stille 2-baans weg golft voordurend heen en weer en op en neer tussen de 100 en 160 meter hoogte. Links in de diepte zien we geregeld de oceaan, waar sliertige uitlopers van het gebergte baai na baai scheiden. Het is de mooiste kust die ik ooit heb gezien. Vlakbij is een grote vissersboot met links en rechts grote netten uitgezet. Aan de rechterkant is er geregeld het estuarium waar pontons op drijven. Soms is het schiereiland zo smal dat we aan beide zijden water zien. Het is zeer fraai weer. Warm zelfs; alleen bij pasjes is er soms een koude wind. De hellingen zijn bedekt met bossen en overal zijn plukjes wit en rose te zien: pruimenbomen die bijna zijn uitgebloeid – de bloesem inmiddels gemengd met het teerbruinrood van het ontluikende blad – en kersenbomen – hoewel hier nog steeds veel van in knop staat. Af en toe is er een boompje met trosjes gele bloemen; in knop lijken ze net op hangende katjes. In de berm staan vaak grote groepen lichtpaarse viooltjes; een enkele keer een tuiltje diepviolette miniviooltjes. Overal zijn nachtegalen te horen. Regelmatig is er de doordringende geur van wilde dieren. ‘Te groot!’, zegt Mels als voor de zoveelste keer een buizerd vlak boven ons komt hangen. We rusten tweemaal kort op een bankje; restaurants zijn hier niet. We zien regelmatig een andere loophenro, een 72-jarige man uit de omgeving van de Fuji-berg. Hij heeft tweemaal de Camino gelopen en driemaal de henri-michi (en in zijn jonge jaren de Matterhorn en de Montblanc beklommen…) ‘Camino en henro-michi, 2 zusters van hetzelfde bloed’, zegt hij.

Rond het middaguur komen we aan bij het begin van het schiereiland. Langzaam dalen we af naar een dal en worden verwelkomd door een legertje kwakende kikkers. We negeren een koffiehuis; ik heb sinds het ontbijt behoorlijk last van maag en darmen. Ook lopen we voorbij het drijvende restaurantje in de oksel van het estuarium. We hebben er 2 jaar geleden een lunch genomen, maar die bleek toen te bestaan uit schelpdieren die levend geroosterd werden op een tafelgrill. Het duurde erg lang voor ze ophielden met klepperen en spuiten. Niet leuk. En bovendien vonden we ze helemaal niet lekker. In plaats daarvan hopen we wat eten te kopen in een supermarktje bij een haventje verderop, maar we lopen het mis. We zijn inmiddels erg moe geworden en willen graag even rusten na zo’n 15 kilometer te hebben afgelegd, maar er is nergens een gelegenheid. Er staat een behoorlijk koude wind, dus even op een richeltje zitten is er ook niet bij. Dan zie ik toch nog een kleine super, maar het blijkt een sakezaakje te zijn. Ik vraag naar aisu kurimu (icecream), maar helaas. De hartelijke eigenaresse begrijpt het probleem en komt aan met 2 groenige, bolronde ijsjes. Mels zegt meteen nee; van groene thee-ijsjes houden we niet. Ik neem het beleefd aan, want het is duidelijk een osettai. We zien wat chocolaatjes liggen en daar heeft Mels wel zin in. We kopen wat en vragen dan of we even op het bankje bij de toonbank mogen zitten. Uiteraard. Terwijl Mels keuvelt met de aardige dame, probeer ik steeds wanhopiger iets van het ijsje te eten. Het is keihard en smaakt nergens naar. Het bijgeleverde houten lepeltje biedt ook geen soelaas. Hoe kan ik het ongemerkt in mijn tas laten verdwijnen, terwijl ze toekijkt??? Pas na 5 minuten kom ik tot de ontdekking dat ik bezig ben de groene, hardplastic verpakking af te likken… Zou ze denken dat ik vreemd gedrag vertoon? Dat ik alle verpakkingen altijd eerst aflik??? Binnenin het groene bolletje zit heerlijk vanilleijs; een prima middel tegen darmklachten! We krijgen ook nog een buntan mee en worden hartelijk uitgezwaaid als we vertrekken.

Na een vervelende, slecht verlichte autotunnel zonder stoep, komen we in een volgend dal. Inmiddels hebben we felle, erg koude tegenwind. Steeds meer komen we er met moeite tegenin. Het gebrek aan een lange rustpauze breekt ons allebei op. Mels is in de loop van de dag steeds meer last gaan krijgen van rug, knieën en voeten en ook ik ben erg aan een wat langere rust toe, ook mijn voeten zijn erg pijnlijk. We rusten – samen met de andere henro – nog weer even kort in een rest hut die aan de windkant is afgeschermd met doorzichtig golfplastic. Dan lopen we geleidelijk een enorm industriegebied in. Van de ochtendidylle komen we in het moderne Mordor. Mels sleept zich voort. Lange tijd lopen we langs een enorme betonfabriek. Het verkeer is erg druk en af en toe druk ik mezelf tegen de vangrail om niet geraakt te worden. Overal in het dal lopen autowegen die in hoogte variëren en her en der elkaar kruisen. Langs een rivier (in beton gevat, zoals bijna overal) staan nog veel meer betonfabrieken en liggen grote schepen aangemeerd. Langs de kade van een kleinere zijrivier liggen kleine vissersbootjes hoog boven het wateroppervlak; de zee is vlakbij en het is blijkbaar eb. Tegen 3 uur lopen we het stadje Susaki binnen en hier zijn wel restaurantjes. We leggen aan voor koffie en krijgen er zelfgebakken koekjes bij en een gelatinepuddinkje met aardbei. We blijven lang zitten; onderwijl pelt de eigenaresse een buntan voor ons. Lekker!

Daarna is het nog slechts enkele kilometers naar onze overnachtingsplaats, een ryokan aan de voet van het bergje waarop bangai 5 zich bevindt. Het is een ryokan waar we voor de eerste keer komen en het blijkt een schot in de roos: via een fraaie binnentuin met (letterlijk!) een boom van een schijfcactus, komen we bij een volgend gebouwtje dat we helemaal voor onszelf ter beschikking blijken te hebben. Het zijn allemaal oude gebouwen – 120 jaar oud – vol fraaie details. Op de kamer, in de tokonoma, staat een fraaie vaas met verse lelies en ontluikende wilgenkatjes. Alles ziet er goed verzorgd uit en ook de ofuro is – voor de verandering – erg schoon. We zijn de enige gasten en terwijl wij in de eigen kamer aan de verwarmde tafel een meer dan uitstekende maaltijd krijgen opgediend, worden in de even fraaie kamer naast ons de futons opgemaakt; de spiegel afgedekt een een mooie doek. De gastvrouw is uiterst hartelijk en blijkt een (nogal schel) lachebekje. Dat onze voeten – zoals gewoonlijk – veel en veel te groot zijn voor de binnensloffen en ook voor de houten buitenslippers, ze moet overal hartelijk om lachen.

Geplande afstand: 23,2 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 24,7 km, totale stijging 594 m, totale daling 654 m
Cumulatief afgelegde afstand: 493,3 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.32– ca. 16.25 uur
Looptijd: 5,20 uur
Gemiddelde snelheid: 4,6 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 0!
Overnachting: Yanagi Ya (2 kamer van elk 6 tatami’s groot met kastenwand en fraaie tokonoma, verwarmd tafeltje met 2 grondstoeltjes, tv, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *