Dag 25: woensdag 21 maart 2012: Geven en nemen…

Meneer Hagiwara is een vroegopstaander. Al voor dag en dauw, nog voor de hanen beginnen te kraaien, hoor ik geschuifel aan de andere kant van de gemeenschappelijke schuifwand. Blijkbaar is hij zijn rugzak opnieuw aan het inpakken en is hij zich aan het aankleden. Na een tijdje wordt het weer stil, tot er opnieuw geschuifel is. Het maakt niet uit, al de hele nacht kan ik bijna in mijn eigen zweet naar buiten zwemmen, liggend tussen 2 vachtachtige dekens. Ik heb toch niet geslapen, hoewel 4 uur toch wel wat vroeg is… Het geschuifel gaat zo lange tijd door, tot meneer Hagiwara rond half 6 naar de keuken gaat, waar onze beide kamers aan grenzen. Blijkbaar heeft hij zijn staf meegenomen, ik hoor het belletje eraan telkens rinkelen als hij heen en weer loopt. Misschien is hij even aan het vooroefenen voordat hij echt op stap gaat. Af en toe botst hij nadrukkelijk tegen onze schuifdeuren aan, maar wij reageren niet. Tegen kwart voor 6 wordt het stil. Meneer Hagiwara is blijkbaar vertrokken. En voor ons is het tijd om op te staan…

Na het ontbijt is Mels nog even de blog aan het uploaden en ga ik alvast terug naar het appartement om mijn voeten in te tapen. Als hij na een uurtje er nog niet is, loop ik maar terug naar het restaurant. Snel komt hij naar buiten: een fietsvriend van de Franse fietsclub is door een auto aangereden en zwaargewond op de ic beland. Uiteindelijk vertrekken we om kwart over 8. We lopen verder rond Kochi; eenzelfde traject als vorig jaar. Het is – hoewel zonnig – erg koud: sjaal en handschoenen worden weer tevoorschijn gehaald. Al snel zijn we bij tempel 30 en na de rituelen te hebben uitgevoerd (en de kleine sandaaltjes te hebben vastgebonden aan het poortgebouw!), gaan we op weg naar de volgende tempel. Aanvankelijk lopen we vooral langs sawa’s, later meer door stedelijk gebied. Langs een rivier staat een bejaarde vrouw met een fiets ons op te wachten. We krijgen een halve kilo tomaten (Japanse tomaten zijn heerlijk zoet!) en enkele hoestsnoepjes met gembersmaak. Ze wil de pelgrims ondersteunen; ook de viooltjes langs het weggetje zijn door haar geplant als osettai! Een tijd later worden we aangesproken door een andere vrouw. Ze is zeer geïnteresseerd in onze bezigheden. We blijven lang staan praten. Weer later is er een man op een fiets die enthousiast een praatje met ons aanknoopt. We vinden het erg fijn als mensen zo positief reageren op onze tocht.

Na zo’n 5 kilometer leggen we even aan voor koffie. We hebben al snel de volle aandacht van het restaurant. Waar we vandaan komen, of we de hele tocht lopen, in 1 keer… wat, al 3 keer???? Als we weer buiten staan, zegt Mels: ’Volgens mij ben ik opgelicht bij het afrekenen…’ En dát is niet gebruikelijk in Japan… Via wat kleine, smalle weggetjes en straatjes lopen we naar de voet van de berg waarop zich een botanische tuin uitstrekt én de volgende tempel zich bevindt. In een grote rivier zien we weer talloze schildpadden, zonnend op elk stukje wrakhout dat ze kunnen vinden. Een bejaarde man uit het restaurant komt ons achterna op de fiets en wil ons blijkbaar de weg wijzen. Wij lopen echter iets te snel voor hem; regelmatig moet hij weer op zijn fiets springen om ons bij te kunnen houden. Bij het betonnen trappetje – met piepkleine treden – dat de berg op gaat, laten we hem zwaaiend achter. Voorgaande jaren liepen we de berg op onder een hemel van bloesem; maar nu zit alles nog in knop. Enkele weken geleden zei een vrouw tegen ons: ‘De pruimenbloesemtijd loopt ten einde, het sakkurafeest nadert: de kersenbloesems!’ Maar hoewel Shikoku – zeker het zuiden – een subtropisch klimaat kent, is het voorjaar dit jaar erg koud en de natuur zeer laat. Kersenbloesems hebben we nog maar weinig gezien. Naarmate we hoger stijgen, zien we in de diepte een grote vlakte met natte sawa’s, blinkend in de felle zon. Na een korte klim komen we in de botanische tuin. Ook daar is het nog erg kaal. Hier en daar zijn groepen bloeiende narcissen, blauwe druifjes, helleborus en crocussen. En af en toe een azalea. Citroentjes fladderen er tussendoor. In een dal ver weg is een grote kolonie sneeuwreigers aan het broeden, hoog in de bomen die er inmiddels erg kaal bijstaan door alle bijtende stront die naar beneden valt.

Op een bankje eten we een ijsje, met uitzicht op drijvende plantenbakken in een grote vijver, gevuld met bloeiende tulpen en andere voorjaarsbloeiers. Plotseling is het warm, erg warm. Heerlijk! Net als we de botanische tuin willen verlaten, ontdekken we een tropische kas vol met cactussen, orchideeën, tillandsia’s, euphorbia’s… en 2 langneuzen: een echtpaar uit Schotland; hun dochter geeft Engelse les op Shikoku. We blijven even staan kletsen; blij dat we eindelijk weer echt kunnen converseren, want het Japans blijft toch erg moeilijk…

Direct achter de botanische tuin bevindt zich tempel 31, een idyllisch plekje dat nog ligt binnen de invloedssfeer van de tuin: op de plateaus tussen de talrijke trappen staan diverse plantenbakken met voorjaarsbloeiers. Een stenen kantjil koestert zich in de zon. Helemaal bovenaan alle trappen bevinden zich niet alleen de tempels en een stoepa, maar ook een koddig groepje zittende beelden met rode, gebreide mutsen op. Helaas zit ook deze tempel volop in de werkzaamheden. In enkele bomen worden takken gesnoeid en in de grond worden gaten geboord rond een slecht groeiende kamferboom. We rennen tussen de vallende takken door om de hoofdtempel te bereiken en proberen de hartsoetra te reciteren tegen het lawaai van allerlei apparaten in. Gauw weer weg…

We eten – bij gebrek aan alternatieven – udonsoep in een tentje onderaan het tempelcomplex. De rest van de middag heb ik spijt… En Mels zegt – als we weer aan het lopen zijn: ‘Volgens mij ben ik hier óók opgelicht…’ In plaats van extra osettai’s krijgen we op de sterfdag van Kukai blijkbaar andersoortige ‘cadeautjes’… Maar we kunnen er niet echt mee zitten, daarvoor vinden we de mensen van Shikoku over het algemeen véél te aardig. Het zal de grotestadsmentaliteit zijn die we in en rond Kochi wel ervaren: ook medehenro’s zijn hier vaak zo op zichzelf gericht dat ze regelmatig geen tijd hebben om elkaar dag te zeggen…

Via een smal asfaltweggetje bereiken we het volgende dal en lopen dan lange tijd over een weggetje tussen een grote en kleine rivier. Uit het kleine water springen af en toe grote vissen, net als in voorgaande jaren. En met de zon komen natuurlijk ook de slangen tevoorschijn. Als ik een hoek omsla en een bruggetje over wil steken, weet ik net op tijd te stoppen voor een zonnende slang. Wat foto’s rijker lopen we weer door.

Langs een 2-baans weg over een klein huchtje komen we bij een meertje met een rest hut. We rusten er kort en krijgen gezelschap van een bejaarde vrouw. Maar helaas heeft Mels vandaag weer een moeilijke dag, nu vanwege zijn rug en hij heeft niet zo’n zin in praten. We nemen al snel afscheid. Kort daarna bereiken we de voet van de volgende berg waar tempel 32 zich op bevindt. Via een klein paadje zijn we al snel boven. We voeren de rituelen uit en bewonderen het uitzicht: in de verte is onze overnachtingsplaats voor vannacht te zien, bovenop een volgend bergje, aan de andere kant van een groot water. Nadat we zijn afgedaald, volgen we lange tijd route 14, een stoep langs een drukke 2-baans weg, vlak langs de kust, eerst langs sawa’s, later door havenindustriegebied. Om ons een beetje moed in te prenten, eten we nog een ijsje bij een supermarkt – het tweede ijsje vandaag; blijkbaar zijn we weer op een ijsjesdieet aanbeland… – en dan… ja dan komt die vervelende brug weer. De weg wordt wat smaller; de stoep hoger en zo mogelijk nóg smaller… – het is een haast nachtmerrieachtige toevoerweg – en dan gaan we met zijn allen – het razend drukke autoverkeer en wij – de hoogte in en via een langzame bocht komen we in de goede richting naar het schiereiland waarop ons hotel zich bevindt. De brug maakt een sierlijke boog over het brede water; in de diepte – tussen de schitteringen van de inmiddels bijna ondergaande zon – zien we de veerboot die we 2 jaar geleden namen. Maar inmiddels hebben we een hotel ontdekt dat zó goed is dat we er een omweg voor over hebben – én een stressvolle looptocht over een hoge brug… Elke struikeling kan fataal zijn. Elke keer als er een grote vrachtauto aan komt, drukken we ons plat tegen de vangrail, in de hoop dat we niet worden meegesleurd door de ver uitstekende spiegels. Angst geeft vleugels… De opluchting is groot als we van de stoep af kunnen stappen…

Dan is er nogmaals een klim, rond de heuvel waar ons hotel zich op bevindt. Met een fenomenaal uitzicht op de kust waar we het laatste deel van de dag langs hebben gelopen en ook op de oneindige oceaan natuurlijk. En in de diepte het strand waar mensen en honden lopen, piepkleine poppetjes.

Rond half 6 komen we aan bij het hotel bovenop de top. We blijken een westerse kamer te hebben met bedden. Helemaal niet erg voor een keer… En het eten…. het eten is goddelijk!

Geplande afstand: 22,0 km, 150 m stijging
Werkelijke afstand: 22,8 km, totale stijging 556 m, totale daling 510 m
Cumulatief afgelegde afstand: 429,0 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.16– ca. 17.35 uur
Looptijd: 5,02 uur
Gemiddelde snelheid: 4,5 km/u
Bezochte tempels: tempel 30, 31 en 32
Blaren: 0!
Overnachting: hotel Katsurahama (westerse kamer, 2x1p-bed, bureau, koelkast, 2 stoelen, tv, badkamer met bad, douche, wastafel en wc en invalidenoprit, fantastisch uitzicht over kust en oceaan en onder ons een vuurtoren en (ver onder ons) het strand, wifi in de lounge, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *