Dag 16: maandag 12 maart 2012: Henro spotting

Mels ligt een groot deel van de nacht te hoesten, maar in de ochtend gaat het toch iets beter met hem. Toch slaan we de tempeldienst maar over: dat scheelt niet alleen een uur slaap, maar ook een koude en lange klim – alle trappen weer op naar de hoofdtempel – en een lange zit in een vrij koude tempelruimte… En we besluiten ook de ‘toeristische’ kustroute te laten voor wat die is en de route te volgen die we in voorgaande jaren al hebben afgelegd: langs route 55 – voornamelijk op een trottoir; soms op de witte streep of op de overdekte goot; met diverse tunnels – verder naar het zuiden. De kustroute is niet alleen langer, maar loopt ook meer door de wildernis. Mocht Mels toch te ziek worden, dan is er makkelijker hulp te vragen langs route 55. Bovendien verwachten we er meer restaurantjes waar we op kunnen warmen, ook al weten we – uit eerdere ervaring – dat er de eerste 4 uur niets zal zijn…

Het is zonnig en tamelijk koud als we vertrekken om 10 over 8. Naarmate de tocht vordert, wordt het wel steeds warmer, maar rond pasjes en bij tunnels is er een erg koude (tegen)wind. Net als gisteren geeft Mels er de voorkeur aan niet te rusten op winderige bankjes en in dito rest huts. Dus lopen we maar door, pasje na pasje, tunnel na tunnel. Kort na de langste tunnel (690 meter) schiet er een aap over de weg. Op de berghelling zien we hier en daar groepjes apen zitten. Ze zijn niet erg verlegen, zolang we maar niet hun kant uitkijken, want dan schieten ze weg. Niet lang daarna stopt luid toeterend een auto voor ons. Een oudere heer houdt een heel verhaal. We verstaan 3 woorden: Osettai, police, one hour Mugi. Mugi is een plaatsje waar we vandaag doorheen zullen lopen. Mels is gefrustreerd dat hij na al zijn Japanse lesjes evenveel woorden begrijpt als ik. Het is duidelijk dat hij ons een osettai aan wil bieden, maar wat en waar… We knikken ‘one hour Mugi’ en lopen door na veel bedankingen.

Een klein uurtje later, bij het begin van Mugi, zien we de bakker waar we vorig jaar lekkere broodjes hebben gekocht en buiten in 2 kampeerstoelen hebben gezeten. Helaas dicht. Even verderop is er wel een bakker open met een leuk lachebekje achter de kassa; helaas zonder stoelen en koffie en alleen met mierzoete koeken. Jammer, want na 4 uur lopen zijn we errug moe en doen onze voeten ook errug zeer. Maar dan staat die oudere heer daar weer met zijn auto. Nog 10 minuten beduidt hij. Kort daarna zien we het restaurantje waar we vorig jaar koffie hebben gedronken. We kijken elkaar aan: als iemand een uur op je heeft gewacht, kun je hem niet teleurstellen, toch? En misschien biedt hij ons wel een lunch aan… Vreemd, hoe een niet-gedane belofte toch schuldplichtig maakt… We lopen door en ook het volgende restaurant negeren we. En dan zien we – schuin tegenover het politiebureau – de grote henro rest hut, gemaakt van 2 tenten, die we vorig jaar ook al zagen, maar toen verlaten. Er zit al een groepje mensen. We worden verwacht. De oudere heer heet ons welkom: Koffie? Uiteraard! Een andere loophenro stapt net op. Een 4-tal mensen blijft over op de geïmproviseerde banken rond een grote eettafel: een vrijwilligersgroep die henro’s verwent. Vorig jaar zagen we al een heel corveeschema hangen. Een van hen – een bejaarde man van 83 – herkent ons van vorig jaar, ergens van langs de weg. Een oudere, breedlachende vrouw brengt koffie met repen zoetebonenpasta en doet de afwas bij het aanrechtje dat ook in de tent is gezet. De oudere heer – 77 is hij – trekt er blijkbaar telkens op uit met de auto om henro’s binnen te halen. Er zijn sinds de aardbeving maar weinig henro’s, vertelt een andere man die wat Engels spreekt. Als ze horen waar we zullen overnachten – nog maar een klein uurtje lopen – suggereren ze een alternatieve route: een oude pelgrimsroute uit de tijd dat er nog geen tunnels waren, eerst een paadje links van route 55, dan een weggetje rechts ervan, beide over een huchtje. We krijgen een kopie van een zelfgetekend kaartje mee. In een boek schrijven we onze namen, adressen en leeftijden én dat we voor de derde keer lopen. De oudere heer toont hoe jaarlijks van alle lijsten tabelletjes zijn gemaakt. Ik krijg 2 schelpjes, met stof bekleed en samen aan een koordje hangend: 1 schelpje is ongelukkig; 2 identieke schelpjes samen zijn gelukkig, wordt erbij verteld. De moraal is duidelijk. Het afscheid is hartelijk; we krijgen nog een zakje met allerlei koekjes en snoepjes mee en wij laten elk een osame fuda achter.

We voelen wel iets voor die alternatieve route – het is nauwelijks om – maar we hebben ondertussen nog steeds niet geluncht en teruglopen naar de eerdere restaurants vinden we niet beleefd, dus lopen we maar door, maar veel eetgelegenheden verwachten we niet meer te zien, zeker niet langs die alternatieve route. Gelukkig is er bij het begin van die route een supermarkt met zithoekje waar je udonsoep kunt eten. We blijven er lang hangen, want het verblijf in de henro rest hut was niet lang genoeg om even goed uit te rusten. Mels heeft in de loop van de ochtend last van onderrug en schouder gekregen en allebei hebben we erg pijnlijke voeten. Uiteindelijk vertrekken we toch voor het laatste loodje. Eerst een mooi paadje dat enige tijd kronkelt over een heuvelrug, afwisselend omgeven door een wat fijnere bamboesoort, dan met links en rechts kronkelende bomen, vervolgens omzoomd door hoogstengelige varens die hoog uittorenen boven de holle weg. Het is erg fijn even weg te zijn van de drukke autoweg. De afdaling is echter erg lastig, via een sterk uitgesleten paadje. Ons looptempo daalt drastisch. Als we route 55 oversteken voor de tweede omweg, zien we in de verte de ryokan liggen, waar we voorgaande jaren hebben overnacht: een uitstekende ryokan met heerlijk eten en wifi op de kamer. Maar dit jaar hebben we gereserveerd in een bangai-tempel, enkele kilometers verderop. Het weggetje aan de andere kant van route 55 is heel wat makkelijker en al om even voor 4 uur komen we aan bij de bangai. We voeren eerst de rituelen uit en bij het stempelkantoor worden we al opgehaald door een uitstekend Amerikaans-Engelssprekende non. Ze heeft 4 jaar in de USA gewoond met een Amerikaans vriendje. De tijden van avondeten en tempeldienst zijn onduidelijk: eerst 5 uur eten, half 6 de dienst, later 6 uur eten en nog weer later half 7 eten met om half 8 de dienst… ‘Beneden rent een boze priester rond, driftig met zijn armen zwaaiend’, vertelt Mels als hij terugkomt van de ofuro. ‘Volgens mij hebben ze niet alles onder controle. Je zou toch anders verwachten in een tempel…’

Als we de eetzaal binnengaan, begrijpen we alle stress en chaos: een cameraploeg is druk bezig met filmen. Mels en ik zitten aan een lange tafel, samen met een autohenro, en kort daarop wordt er bijgedekt: we krijgen een jonge presentatrice erbij. De lange tafel achter ons wordt ingenomen door een groep vrouwen en een man (busgroep met chauffeur?). Een priester komt even een praatje houden dan wordt gezamenlijk de hartsoetra gereciteerd. Het groepje vrouwen gaat nog lang door met het reciteren van allerlei andere soetra’s. Onderwijl beginnen wij maar te eten. De presentatrice begint vragen te stellen, eerst aan de autohenro, dan aan Mels en mij, eerst in het Japans, later ook in het Engels. De camera’s worden veelvuldig op ons gericht. Het eet niet echt rustig. Af en toe fluistert de cameraman haar een nieuwe vraag in. Mels vraagt haar voor wat voor programma het is: het blijkt een serie van de NHK (Japanse NOS) te zijn over gastenverblijven bij tempels. Ze reizen allerlei eilanden af en vandaag zijn ze op Shikoku aangekomen. In april wordt het uitgezonden. Moe Oshikiri heet ze en ze schijnt een zeer BJ-er te zijn. Of we haar niet kennen? Nee, helaas. Ze is ietwat teleurgesteld… ‘We gaan vooruit’, zegt Mels. ‘Vorig jaar hadden we een groot interviewartikel in de Asahi Shimbun, de grootste krant in Japan, ik denk zelfs ter wereld, en nu gaan we op de nationale televisie komen…’ Als de camera’s weg zijn, is helaas ook haar interesse voor haar tafelgenoten weg.

Na het eten halen we onze windjacks en henrojasjes en gaan naar de hoofdtempel. Vaak zijn gastenverblijf en hoofdtempel via allerlei gangen met elkaar verbonden, zodat je voor de dienst niet naar buiten hoeft. Dat is ook hier het geval, maar anders dan we hadden verwacht. Na enkele gangen in het gastenverblijf – met vele fraaie foto’s van henro’s en ook met veel beelden – komen we bij de ingang van een langzaam rond lopende en langzaam dalende tunnel waarin langs de ene wand stenen beelden staan en langs de andere wand vitrinekasten vol met kleine gouden Myōō-beeldjes, het moeten er minstens 10.000 zijn. Myōō’s worden beschouwd als goddelijke boodschappers en als strijders tegen het kwaad, vooral bij waanvoorstellingen, slechte begeerten en rusteloze geesten. Elk beeldje is gewijd aan een overledene, horen we later. De tunnel draait steeds verder rond en daalt langzaam totdat we bij de ingang van een grote, donkere, 8-kantige ruimte komen. We vermoeden dat de ruimte zich bevindt onder de fraaie, grote 8-kantige tempel bovengronds. Van een priester in goudgeel gewaad krijgen we wat as in een handpalm. Langzaam komen ook de andere gasten binnen, alleen de presentatrice en haar cameraploeg ontbreken. Langs de wanden staan ­– van boven tot beneden – rijen met wat grotere gouden Myōō-beelden. Tegenover de ingang is een altaar met een groot Myōō-beeld. Ervoor gaan 4 goudgeelgeklede priesters zitten rondom een vuurplaats. Ze beginnen met het reciteren van soetra’s. Hun diepe bassen weerklinken indrukwekkend in de ruimte. Een van hen voert allerlei rituelen uit en maakt langzaam een vuur aan. Een dikke rookkolom stijgt naar boven waar een grote afzuigkap hangt. De meeste rook verspreidt zich echter via het plafond en de wanden. Het wordt rokerig. En nog donkerder in de ruimte. Plotseling vlamt het vuur hoog op en weerklinkt een zware trom. De hartsoetra wordt gereciteerd op de maat van de trom, steeds opnieuw. Opzwepend, bezwerend. Daarna volgen nog weer andere soetra’s. Elke keer als de priester zijn handen opheft, vlamt het vuur nog hoger op. Een van de priester komt met een enorme staf ons zegenen: het symbool van de pelgrimsstaf van Kukai (Kobo Daishi) die deze tocht als eerste liep. Als het ritueel voorbij is, volgt een inzegening van de rozenkransen (de mijne ligt op de kamer…) en een uitleg van een van de priesters. We mogen tot slot – al reciterend – eenmaal rondlopen langs het altaar en krijgen bij vertrek een goudgekleurde osame fuda. Een indrukwekkende dienst!

Geplande afstand: 19,3 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 22,5 km, totale stijging 508 m, totale daling 526 m
Cumulatief afgelegde afstand: 240,5 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.12–15.52 uur
Looptijd: 4,46 uur
Gemiddelde snelheid: 4,7 km/u
Bezochte tempels: bangai 4
Blaren: restantjes…
Overnachting: gastenverblijf bangai 4 (Saba Daishi) (kamer 12 tatami’s groot + wat extra, halletje, 2 kastenwanden, 2 deuren, 2 zaklantaarns, tafeltje, kluis, uitstekend avondeten, karig (Mels) c.q. matig (Yna) ontbijt)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *