Dag 14: zaterdag 10 maart 2012: Ziek!

Mels twijfelt of het verstandig is verder te lopen. Zijn hoest is erger geworden en hij voelt zich belabberd. We kijken eerst maar even wat voor weer het is en dat blijkt in ieder geval droog en bewolkt met zonnige perioden te zijn. We besluiten toch te lopen. Als we om half 7 de ontbijtzaal binnengaan, blijkt de groep al te zijn vertrokken. Ze hebben voor ons een osettai achtergelaten: een schaaltje met lekkere tomaten. Net zoals in voorgaande jaren krijgen we een borrelkommetje umeshuu bij het ontbijt. Als we naderhand naar de kamer lopen, zien we tot onze schrik dat iemand onze bergschoenen op speciale verwarmingsapparaten voor schoenen heeft gezet. Ik haal ze er snel vanaf, want niets is zo slecht voor schoenen dan nat bij de verwarming zetten…

We nemen nog een lekkere cappuccino. Mels trekt alle kleren aan die hij in de rugzak heeft, een handdoek als sjaal om zijn nek. Als we om 8 uur de frisse lucht instappen, worden we hartelijk uitgezwaaid. Tassen en schoenen zijn nog steeds nat, maar ze drogen snel in de wind. Het fototoestel werkt gelukkig nog steeds. Onze handen zijn kapot van alle nattigheid en kou en het ons overal aan vastgrijpen gisteren, vooral aan de pelgrimsstaffen. Ook de staffen hebben geleden, ze zijn erg vezelig geworden op die plaatsen waar we ze hebben vastgehouden.

We volgen dezelfde route als vorig jaar, want we willen weer een van onze meest favoriete minshuku’s en ryokans aan doen. Een afstand van 21,5 kilometer, met 1 tempelbezoek, voornamelijk via asfaltwegen. De koude wind hebben we gelukkig in de rug. Enkele keren moeten we een huchtje over, de eerste keer weer via een paadje van betonnen boomstamtreedjes, dat ik langzaam beklim terwijl ik mijn rechterknie zoveel mogelijk probeer te ontzien, maar deze keer is de pas al op 250 meter. Omlaag gaat het via een afwisselend rotsig en lemig paadje dat erg glibberig is door de regen van gisteren. Hier en daar zitten groepjes kikkers te brullen; net grommende hondjes. In het volgende dal lopen we weer via asfaltwegen en al om 10 uur zijn we bij tempel 22, waar veel pruimenbomen in bloei staan. Mels is kapot. We drinken eerst maar eens koffie: in de vending machine met gekoelde flesjes is meestal ook een afdeling hete blikjes. We hebben deze koffie van het begin af aan smerig gevonden, maar toch blijven we proberen… Bij sommige dingen blijf je hopen dat je eraan went…

Nadat we langdurig hebben gerust op de bankjes bij de tempel, voeren we de rituelen uit. Bij het stempelkantoor ontwaar ik een staffenbak met verweesde pelgrimsstaffen. Ik ben al weken op zoek naar een mooie staf van bamboe. Die vind ik mooier dan de wat stijve officiële staffen, waarvan ik er al eentje in huis heb staan. Deze keer zou ik graag zo’n bamboestaf mee willen nemen naar Nederland. Hier staat er een groot aantal en ik kies de allergrootste uit; hij komt bijna tot aan mijn kin. Een ‘echte’ herdersstaf. Ik ben er helemaal weg van en verruil hem voor de aftandse (maar wel officiële) staf die ik in mijn handen gedrukt kreeg bij het begin van de eerste pelgrimshel. Ik voel me wel wat schuldig, want je krijgt toch een band met je staf, ook al heb je hem niet zelf uitgekozen. Toen Mels enkele weken geleden aan een Japanse henro vertelde dat hij een verweesde pelgrimsstaf had meegenomen, zei deze: ‘Een staf kiest jou uit.’ Maar misschien had hij naar Harry Potter-films gekeken… In ieder geval loop ik even later trots met mijn ‘nieuwe’ staf weg. Als hij neerkomt op het asfalt, wordt mijn komst luid en duidelijk aangekondigd..

Op een volgend – heel klein – huchtje pauzeren we kort bij een tempeltje met een 1000-jarige boom; we hebben er ook voorgaande jaren gezeten. Een idyllisch plekje aan een beekje. De wind is echter guur en we eten ditmaal snel onze meegebrachte onigiri op. We rusten onderweg nog enkele keren in een resthut, maar het is telkens te koud en winderig om lang te kunnen blijven zitten. Om 2 uur zien we voor het eerst de oceaan. Onwillekeurig denken we aan vorig jaar. Toen stonden we hier op 11 maart, kort voordat 800 kilometer noordelijker de verschrikkelijk tsunami plaatsvond. We dalen af naar Tainohama Beach, waar we om kwart over 3 bij de minshuku aankomen. Kintaro, de witte samojeed staat voor de deur te wachten. Miki, de dochter des huizes, komt net naar buiten. We knijpen elkaars handen van vreugde en dansen op en neer; kussen durven we nooit met Japanners. Even later is er ook Natsu, de Japanse inu, en de gastvrouw, Kayoko. Een van de 2 ofuro’s is voor ons gereserveerd: ‘BOOM’ staat er met grote letters op. Gastheer Yuzuro is al druk bezig met vullen. Het blijkt een enorm bad te zijn en we brengen er meteen een uurtje in door. Daarna gaat Mels meteen op de futon.

De minshuku ziet eruit alsof deze een lichte opknapbeurt heeft gehad, en dat geldt ook voor het echtpaar en zelfs voor de honden: ze ogen allemaal wat actiever en slanker. De honden komen steeds even langs als we op de bank in de eetkamer zitten. Bij het avondeten zien we een henro terug die we al in de ryokan bij tempel 13 tegenkwamen: Dai Yano. ‘Where have you been all the time?’, vraagt hij quasi(?) verbaasd. Hij blijkt al naar de volgende tempel te zijn gelopen en weer terug, rustig aan doend vanwege een zere enkel, volgens hem. Macho-talk? We hebben afgelopen jaren erg vaak de mannelijke henro’s tegen elkaar op horen bieden: wie meer dan 40 kilometer op een dag loopt, krijgt applaus; als je minder dan 30 kilometer op een dag loopt, heb je een excuus nodig zoals een zere enkel…

Het avondeten is weer overvloedig en heerlijk, maar Mels krijgt bijna geen hap door zijn keel. Hij legt aan Kayoko uit dat hij ziek is en krijgt prompt een thermometer onder zijn arm gedrukt en een zelfgebrouwd kruidendrankje ter inname. Ik krijg er voor de zekerheid ook maar een. Mels verdwijnt weer op de futon. Ik sleep hem naar een kant van de kamer, zodat ik ook mijn eigen futon op kan maken. Ik kan ook wel wat extra slaap gebruiken en inmiddels begint ook mijn keel zeer te doen. Onze gastvrouw komt nog langs met een hete kruik voor de voeten en een icepack voor in de nek. Ze merkt dat ik de futons niet heb opgemaakt zoals het hoort. Op het lichaam – en vaak ook eronder – moet eerst een deken, daarna pas het dekbed. Wij vinden dekens eigenlijk niet zo lekker en slapen liever tussen lakens. Maar de gastvrouw trekt zonder verdere plichtplegingen het dekbed van Mels af. Ik schiet in de lach. Luid giebelend spreiden we een deken over hem uit waarop het dekbed komt. Mels laat het allemaal maar gebeuren. Voor 8 uur liggen we allebei te slapen. Zo’n 4 uur later komt Kayoko met een nieuw icepack en wat zoet drinken. Dat hebben we vaker gemerkt bij minshuku’s: als je in de problemen zit, krijg je aan alle kanten hulp. Hartverwarmend!

Geplande afstand: 21,5 km, totale stijging 300 m
Werkelijke afstand: 22,6 km, totale stijging 699 m, max. helling 22%, totale daling 731 m
Cumulatief afgelegde afstand: 207,5 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.02–15.15 uur
Looptijd: 4,52 uur
Gemiddelde snelheid: 4,6 km/u
Bezochte tempels: tempel 22
Blaren: restantjes…
Overnachting: Green House Juen (kamer 10 tatami’s groot + wat extra, halletje, kastenwand, verwarmd tafeltje, enorme tv, muziekapparaat, lage zitstoeltjes, grondstoeltjes, webmail via computer Miki, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt)

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *