Terug…

Thuis kunnen we moeilijk aarden. Zelfs na een week… Dat we terug zullen gaan, is zeker. Maar eerst is er de Camino. Het is al 10 jaar geleden dat ik Mels vroeg mee te gaan op pelgrimstocht naar Santiago. Ook Joop vroeg hem al eens mee op deze tocht, maar dan op de fiets. Het kwam er niet van. Maar de plannen gaan nu wat concreter worden…

Soms moet je eerst op reis gaan, om weer thuis te kunnen komen… 

Dag 89: donderdag 24 mei 2012: Voor het allerlaatst…

Terug naar Nederland. In de zeer vroege ochtend lopen we door de straten van Osaka, op weg naar de trein die ons naar het vliegveld zal brengen. Op een brede richel liggen enkele zwervers te slapen; het is dit jaar voor het eerst dat we zwervers zien in Japan. Net als we ook veel en veel meer zwerfhonden hebben gezien dan voorheen; alleen 2 jaar geleden zijn we een groepje zwerfhonden tegengekomen die net op dat moment liefdevol werden opgepikt door een man en vrouw met een busje. Is het een teken dat het slecht gaat met Japan? Of dat de normen veranderen? Op het platteland van Shikoku zagen we veel hoogbejaarde mannen en vrouwen die kromgebogen aan het werk waren op het land, de rollator langs de weg geparkeerd. Is dat armoede of juist rijkdom? Zoveel hoogbejaarde mensen die nog zo actief kunnen zijn! In de steden regeert daarentegen de jeugd (al dan niet goed ‘geconserveerde’ jeugd) en er heerst een koortsachtige feestvreugde. Er wordt druk geflaneerd, de eeuwig 16-jaar oude meisjes in hotpants of minirok, met heel veel kantjes en roesjes en meestal op torenhoge naaldhakken, de eeuwig 16-jaar oude jongens met Bogart hoedjes en nonchalent ver afzakkende lange broeken. De winkels puilen uit met torenhoog geprijsde artikelen; de vele gokhallen braken een kakofonie aan geluid uit als er een deur opengaat. Een gouden zeepbel? Hoe zal het verder gaan met Japan? Enkele weken geleden lazen we in het nieuws dat de laatste kerncentrale in Japan zal worden gesloten. Een moedig besluit.

Op het perron staat achter een catheder een nette juffrouw in grijs mantelpak met rode biezen, een gondeliershoedje in bijpassende kleuren op het hoofd. Ze ontvangt ons met veel egards en controleert nogmaals onze kaartjes (voor de 3e keer…) ‘Degene die Playmobil heeft bedacht, moet zijn inspiratie hebben opgedaan in Japan’, zei Mels eens onderweg. Elke functie heeft zijn eigen werkkleding. Werkmannen die in lichtmasten hangen hebben werkpakken aan – lichtblauwe, mintgroene of beige, afhankelijk van het bedrijf – met witte helmen; hun opzichters middelgrijs, met witte helmen. De bijbehorende vlaggenmansen zijn in het donkerblauw met witte banden rond het bovenlichaam en een witte helm; in de hand een rood vlaggetje aan een stokje; of, in het donker, met roodflikkerende banden rond het bovenlichaam en een roodflikkerende staaf. (‘The force…’, weet Mels.) Meteropnemers zijn in het lichtgroen; vuilnismannen in lavendelblauw; in de grond wordt gegraven met pastelpaarse pakken aan; postbodes op scooters zijn in het donkerblauw met een witte band en een witte helm. Bij benzinestations wordt elke auto omringd door enkele pompbediendes in middelgrijs met rode biezen. Hotels en winkels hebben hun eigen uniformen. Scholen ook: leerlingen dragen veelal marinepakjes, of zijn in het zwart, de jongens met zwarte broek en hooggesloten jasje met witte boord erbovenuit, de meisjes met witte blouse, zwart jasje, zwart plissérokje, zwarte kniekousjes. De kleinere met gele helmpjes. En als het regent gele parapluutjes; heel soms is er een groepje met blauwe pluutjes. Het playmobil-effect wordt versterkt door de vaak compacte, vrij vierkantige autootjes, de felrose of zachtpaarse graafmachines en de lichtgewicht trekkertjes op de sawa’s. Een overzichtelijke maatschappij. Zouden daarom de henropakjes ook zo geliefd zijn om te dragen? Vooral bushenro’s kunnen zich helemaal optuigen: smetteloos witte broek en jasje (wit ondergoed ook uiteraard), witte sokken en gympen, witte slobkousjes en aanzetmouwtjes die de polsen tegen de zon beschermen, witte doek of handdoek rond het hoofd met erop het bekende rieten punthoedje, aangevuld met een witte pelgrimstas, een kleurige sagesa (gebedssjaal) en een pelgrimsstaf met even kleurig hoesje rond de bovenkant. Loophenro’s zien er over het algemeen wat minder ‘compleet’ en smetteloos uit. De Japanse maatschappij blijft ons mateloos intrigeren…

Op het vliegveld geven we onze koffers én onze staffen af. Vorig jaar hadden we grote problemen onze staffen mee te krijgen in het vliegtuig, ook al stond er in de voorwaarden van de KLM dat elke passagier een wandelstok mee mag nemen. Dit jaar bleek de wandelstok geheel verdwenen te zijn uit die voorwaarden en hebben we maar het zekere voor het onzekere genomen en extra betaald voor onze staffen. En nou maar hopen dat ze het overleven… Mijn bamboe pelgrimsstaf heeft helaas na verschillende grote regenbuien en langdurige zweetpartijen langs de bovenste 20–30 centimer het mooie patina van verwering en aangekoekt vuil verloren door mijn regelmatig heen en weer glijdende hand. En aan de onderkant zit een viezig tapeje tegen de splijtzucht waar bamboe staffen nou eenmaal aan lijden. Maar we zijn zeer gehecht geraakt aan onze staffen…

Dan stijgen we op vanaf het kunstmatige eilandje in zee, vlak voor de kust van Osaka. Nog even zien we vaag wat scheepjes in het water, dan zijn er alleen nog maar wolken. Shikoku is niet te zien.

Naar huis… Zoveel herinneringen die ik meeneem…

Dag 88: woensdag 23 mei 2012: Voor het laatst…

Na een ontbijtje bij Starbucks met reuzencappuccino’s, een wrap (Mels) en een broodje ham/kaas (Yna) bezoeken we het Museum voor Oosterse Keramiek. Het is even zoeken, want de aanduiding op het kaartje in ons toeristisch boekje klopt niet, maar na enig vragen lukt het er te komen. Het museum bevat een van de mooiste collecties oosterse keramiek ter wereld, waaronder 1000 Chinese en Koreaanse stukken. Er is een tijdelijke tentoonstelling gaande over het Duitse Meissen dat 300 jaar geleden het Chinese en Japanse porselein wist na te maken. Een deel van de vaste collectie is daarom niet te zien. Er is – helaas voor ons – slechts 1 zaal met Japanse keramiek. Zowel de tijdelijke als de vaste tentoonstelling zijn fraai ingericht en er zijn Engelse teksten, zowel in een folder als in de zalen. Zeer de moeite waard! We lunchen tussendoor in het museumrestaurant, uiteraard op Royal Copenhagen en Meissen porselein.

Later die middag bezoeken we het Japans Volkskunstmuseum en dat blijkt helaas een aanfluiting te zijn. Volgens onze toeristische gids moet dit ook een van de mooiste collecties van Japan zijn, met bamboe, meubels, speelgoed en keramiek. Maar nadat we € 5 p.p. hebben betaald, zijn er alleen 2 kleine zaaltjes met enkele batikjes en heel veel keramiek dat allemaal nogal op elkaar lijkt en waar ook geen Engelse teksten bij zijn. Geen idee wie het heeft gemaakt of wanneer. Ook het Engelstalige A4-tje geeft geen informatie daarover. Een klein winkeltje herbergt wat speelgoed en weer heel veel oninteressant keramiek. We ontdekken wat aardige houten gebruiksvoorwerpen – enkele raamopeners en een meetlat – maar de juffrouw komt meteen aangesneld: niet te koop! We vertrekken maar gauw.

Shopping time! We doorkruisen onder andere het bekende Dotonbori vlakbij ons hotel. Het straatje herbergt vele winkels en restaurants die met grote gevelsculpturen klanten proberen te werven – een bewegende krab, een hangende koe, een reuzenkogelvis en vooral heel veel draken – en ook een fraai theater, waar eerder vandaag om half 11 al hordes mensen voor in de rij stonden, verschillende in traditionele kimono. Een politieman staat geduldig alle verkeerd geparkeerde fietsen op een rijtje te zetten. Dat is nog eens aardig! In een zijstraat bezoeken we het grote en dure warenhuis Daimaru. Op de 12e verdieping van het 2e gebouw is een tentoonstelling gaande van keramiek, glas en schilderijen, in het kader van een naderende veiling. Een kakiemon-achtig vaasje is getaxeerd op € 40.000, een vaas van Shōji Hamada voor € 10.000. Om maar even een indicatie te geven… Ik vind in het warenhuis ook nog een mooi inktblok. Dat wilde ik erg graag hebben, maar ja… het blok dat ik mooi vind, kost € 600…

We lunchen bij een sushi-restaurant. Voorlopig de laatste keer… We voelen ons allebei wat treurig nu ons verblijf hier zijn einde nadert. Na het avondeten dolen we nog wat straatjes door die in het naderende duister al mooi zijn verlicht. In het hotel pakken we de koffers in en proberen we voor de zoveelste maal e-mailtjes binnen te halen; dát lukt pas na een paar uur.

Overnachting: Cross Hotel, Osaka (westerse kamer, 2×1½p-bed, bureau met stoel, tv, 2 kluizen, koelkast, kast, badkamer met wc/wastafel en ofurokamer, wifi op de kamer, geen ontbijt besteld)

Dag 87: dinsdag 22 mei 2012: Naar de hel

’s Ochtends vroeg zie ik door het badkamerraam door het rijtje donkere boomsilhouetten naast het huis zonovergoten velden. Het weer is omgeslagen. Al voor het ontbijt is Kohaku bezig de kakibladeren die hij vannacht in huis in grote rieten schalen had geborgen, weer buiten uit te spreiden op netten. Als de bladeren eenmaal zijn gedroogd, worden ze gekneusd en voor het zetten van thee gebruikt. Ik dool rond door de tuin en struin door het atelier waar hij instrumenten maakt. Na een gezellig en uitgebreid ontbijt met zijn allen rond de keukentafel, maken we ons op om een bijzondere tempel in de buurt te bezoeken. Onderwijl neemt Kohaku ons mee naar het stukje bos achter de tuin. Tot onze verrassing vinden we er een heus hunebed; 1500 jaar oud, is door een deskundige vastgesteld, vertelt Kohaku. Er zijn nog opgravingen gaande naar een (houten) kasteel dat iets verder in het bos zou hebben gestaan. Aan de rand van het bos staan enkele graven uit de Kamakuraperiode, verzameld door de vorige eigenaar van het huis. Een shintopriester heeft een ritueel uitgevoerd om te voorkomen dat er geesten mee zouden komen…

Met de auto volgepakt met 6 mensen en 3 reisbagages, arriveren we bij de tempel. ‘Kumano Magaibutsu is een shinbutsu kongo,’ vertelt Kohaku, ‘een combinatie van een shinto- (shin) en een boeddhistische (butsu) tempel, zoals je heel veel ziet in Japan.’ Vanaf een kleine tempel, met stenen beelden van de 12 Japanse dierenriemtekens, is er een lange trap naar 2 enorme boeddhabeelden die in de rotsen zijn uitgehouwen; ze zouden uit de 8e eeuw stammen. We (eigenlijk Kure en Kohaku) raken met een echtpaar uit Seto aan de praat en plotseling hebben we een uitnodiging om te komen logeren als we daar nog eens keramiek gaan bekijken. We klimmen nog even verder over een ‘natuurlijke’ trap tot we bij de tempel hogerop de berg komen. ‘Mo sukoshi’, zegt iedereen die we tegenkomen als we ons langzaam naar boven werken. ‘Nog een klein stukje…’ Ja, dát kennen we… Later hebben Mels en ik allebei last van onze knieën en voeten, alsof we nauwelijks gewend zijn te lopen…

Bij een tentje aan de parkeerplaats eten we ijsjes en drinken we wat fris, want het is aardig warm en zweterig weer. Dan scheuren we weer verder. Tot grote hilariteit van de hele meute dichtopeengepakte meerijders, rijdt Kure regelmatig door rood. Kure en Kohaku brengen ons naar het station in Beppu, waar Ken een trein pakt verder naar het zuiden en wij alvast een reservering maken voor onze terugreis naar Osaka aan het eind van de middag. We lunchen bij een kaiten sushi en dan brengen Kure en Kohaku ons naar de bovenste van de 8 of 9 ‘hellen’ die er in het noorden van Beppu te vinden zijn: kokende warmwaterbronnen (Jigoku). Nadat we afscheid hebben genomen, kopen we een ‘8-ritten’-kaart en lopen ze 1 voor 1 af. De 1e hel blijkt een groot park met onder meer een azuurblauw meertje vol stoom en eentje met kokend roestbruin water. Er is ook een tropische kas – verwarmd door de bron uiteraard – met relatief kleine Victoria regina’s. De 2e hel heeft grijze, zachtbubbelende modderbaden en ook de andere ‘hellen’ herbergen allemaal kokende poelen. Allemaal hebben ze stalletjes met eieren die in het water zijn gekookt. Het ziet er allemaal wat erg ‘aangelegd’ uit en verschillende oorden herbergen ook een onooglijk dierentuintje: de een heeft een serie aquaria waarin nauwelijks iets te onderscheiden valt, de ander een krokodillenfarm en een derde een willekeurige verzameling: een hok met een zeer eenzame olifant in de volle zon op het kale beton, enkele apen die zich doodvervelen, roze flamingo’s en zwarte zwanen rond een betonnen vijvertje, een nijlpaard dat nauwelijks in zijn bad past, 2 lama’s, wat pauwen. Hartverscheurend. Na de 6e hel hebben we genoeg gehad en nemen de bus terug naar het station. In de diepte ligt Beppu en erachter strekt zich een spiegelgladde, zilvergrijze zee uit die ongemerkt over gaat in de hemel. Middenin drijft een lange streep havenindustrie van de tegenoverliggende oever die verder niet zichtbaar is: een fata morgana. Op het station vinden we een heerlijke cappuccino en wat broodjes voor onderweg. En dan is het tijd om op de trein te stappen. In minder dan 4 uur zijn we in Osaka.

Maar welke uitgang moesten we ook al weer nemen? Waar was het hotel ook al weer? Oh ja, in de buurt van de Starbucks… Na enig ronddolen spreken we een jong stelletje aan. Hij zoekt op zijn mobieltje de dichtstbijzijnde Starbucks en ze lopen zelfs het hele eind mee met ons. ’t Is helaas niet de goede Starbucks, maar dat zeggen we niet. Na een reuzencappuccino – Osaka is cappuccino heaven! – dolen we nog wat verder rond en komen uiteindelijk toch weer goed terecht. Bij het hotel zijn voor ons 2 pakketjes afgeleverd: de ene met 2 mooie kaarten van Asaka en de andere met bonitoschaafsel (bonito=tonijn) en een drinkpak, gestuurd door de eigenaresse van Business Hotel Tosa, zoals ze ons beloofd had toen we in haar hotel op Shikoku logeerden. Ik stel Mels voor nog een drankje te nemen in de bar van het hotel, maar hij heeft een beter idee: de umeshu uit het pak lijkt hem wel lekker. Maar hij trekt een vies gezicht als hij een slok neemt. Het blijkt sojasaus. De vending machine in het hotel geeft alleen koude sake en bier. Mels haalt een blikje sake op, maar we lusten het geen van beiden. Bedtijd.

Overnachting: Cross Hotel, Osaka (westerse kamer, 2×1½p-bed, bureau met stoel, tv, 2 kluizen, koelkast, kast, badkamer met wc/wastafel en ofurokamer, wifi op de kamer, geen ontbijt besteld)

Dag 86: maandag 21 mei 2012: Klein geluk

De eclips die om half 8 volledig zou zijn, gaat de mist in. Er is teveel bewolking. Af en toe valt er lichte regen. Omdat er in het hotel vanwege vakantie geen ontbijt is te krijgen, zoeken we (Ken, Mels en ik) rond het station naar iets eetbaars, maar tot onze verbazing is alles gesloten tot 9 of 10 uur. Bij een eveneens gesloten wafeltentje krijgen we toch koffie. We eten er wat kaakjes bij. En later op het station vinden we nog wat brood. In de trein die ons naar het oosten brengt, trekken eindeloze beboste berghellingen voorbij. Af en toe zijn er bijzonder mooie watervallen. In een uur zijn we in Yufuin, bekend vanwege zijn onsens (openbare baden) die elk jaar in de top 10 van Japan eindigen, vaak zelfs op de allerhoogste plaatsen. Het is een toeristisch plaatsje vol bijbehorende winkeltjes en riksha’s met magere jongemannen, bovenop het hoofd een klein staartje, waardoor ze allemaal wat op elkaar lijken. Hier en daar lopen we even naar binnen en ik koop wat cadeautjes. In bijna elk pandje is ook ijs te koop – zelfs Italiaans! – maar we weten allebei de verleiding te weerstaan. Door de ramen zien we hier en daar mensen aan een lange goot zitten, de onderbenen in het water, waar ze worden omringd door kleine visjes die aan huidschilfers en ander ongerief knabbelen. ‘Het kriebelt enorm!’, laat een van de bezoekers weten, terwijl ik wat foto’s neem door het open schuifraam. Rond het middaguur zoeken we een restaurant op dat Ken al eerder heeft bezocht, maar het voltallige personeel staat netjes op een rij net de laatste klant uit te zwaaien. Het beekje vlakbij zit vol visjes die regelmatig boven het water uitspringen. Dichtbij is een ander, ook uitstekend restaurant, waar we de streekspecialiteit nemen: kip.

Tussen alle winkeltjes zit ook een aantrekkelijke galerie. Om 1 uur ontmoeten we er Arai Masayuki, een 32-jarige, dus relatief jonge keramist die hier een tentoonstelling heeft en erg mooi werk maakt: wit-, beige- en zwartgeglazuurd gebruiksgoed van steengoed, met een bruinig randje waardoor het een patina van ouderdom krijgt. Na onze vragen, nemen we ook vele foto’s. Daarna pikken Kure en Minna ons weer op met de auto en bezoeken we Ana Koreya, 39 jaar oud en met vergelijkbaar gebruiksgoed, maar dan van porselein en zonder bruin randje. Hij is druk bezig voor een tentoonstelling in Tokyo, al in juni, maar maakt toch tijd vrij voor ons. We drinken er thee en praten over zijn werk.

Dan gaan we met de auto verder naar het oosten, naar Beppu dat aan de noordelijke oostkust van Kyushu ligt. Een autosnelweg voert vlak langs de kust, waar talloze lange palmbomen staan; dan rijden we opnieuw het binnenland in naar enkele van de heetwaterbronnen waar Beppu bekend om staat. Het gloeiend hete water stroomt door 3750 bronnen en 168 onsens, en verwarmt ook huizen en ovens. We zien overal stoom uit de poreuze grond komen, tussen huizen, in de bossen, overal. Als een overjarige wasserij met talloze lekkende heetwaterleidingen. Hier en daar staat een betonnen ‘boiler’ om het water in op te slaan. In lage rietgedekte schuren wordt het water door kleimassa’s gevoerd om het klaar te maken voor de modderbaden (‘badkristallen’). Er hangt een sterke zwavellucht en de leidingen en basins waar het water doorheen wordt gevoerd, zijn behoorlijk aangekoekt. In een restaurantje in de bergen rondom Beppu eten we eieren die in een heetwaterbron zijn gekookt en kleine puddinkjes (een soort crème brulée). Dan scheuren we naar het huis van Kure Matsumoto en haar man Kohaku, waar we een nacht zullen logeren. Kure rijdt breedgrijnzend 80 waar het 40 km/u zou moeten zijn en 140 op 120 km trajecten.

Eens woonden ze in Tokyo, maar op een landelijke plek op Kyushu vonden ze hun thuis: een groot, traditioneel huis op een stuk land van 9000 m2, met een stukje bos, een grote sier- en moestuin, een kakiboomgaard, groene theestruiken en enkele rijstvelden. Kohaku is zowel musicus en instrumentmaker (snaarinstrumenten en blokfluiten) als boer (voor eigen gebruik). Catherina hebben ze hun thuis genoemd, naar hun hond, en als Mels vertelt dat dat ‘puur’ betekent, zijn ze daar erg blij mee, want alles wordt hier organic gekweekt. Kure musiceert niet alleen, ook ontwerpt en naait ze kleding. Het mooie en gezellig ingerichte huis is bezaaid met paspoppen en instrumenten.

Kure dringt aan op een gezamenlijk bezoek aan de onsen, maar Mels is niet te vermurwen en ook Ken laat het afweten, en we nestelen ons al gauw met zijn allen in de schilderachtige keuken. Kohaku haalt de groente uit de tuin, en terwijl Minna kookt, helpen Kure, Mels en ik de groente schoon te maken, gezellig aan de oude houten tafel. Tot ’s avonds laat eten en kletsen we. Onder meer over geluk. Ken heeft gelezen dat Nederlanders de gelukkigste mensen ter wereld zijn. Maar ja, wat is geluk? En hoe meet je dat? ‘Je kunt niet altijd gelukkig zijn’, zegt Mels. ‘Het gaat vooral om accepteren wat er is.’ Ik denk dat er naast het grote geluk van een huwelijk of een geboorte vooral heel veel klein geluk is, het ‘dagelijkse geluk’ en dat is misschien nog wel veel belangrijker. ‘Misschien schuilt daar het geluksgevoel in: de kunst dat kleine geluk te zien’, suggereer ik. Kure denkt dat veel Japanners zo verlangen naar het grote geluk, dat ze het kleine geluk niet zien.

In het donker kijk ik door het badkamerraam naar de velden. Rondom het huis zitten ontelbare aantallen kikkers te kwaken. Dit is een plaats van geluk.

Overnachting: huis Kure en Kohaku Matsumoto (met wifi, meer dan uitstekend avondeten, meer dan uitstekend ontbijt).

Dag 85: zondag 20 mei 2012: Uit de grond gestampt

Na een boemeltje dat opnieuw overdadig gevuld is met licht meurende schoolkinderen (op een zondag!), een sneltrein en weer een boemeltje, arriveren we om half 11 in het in het bergachtige binnenland gelegen Hita, ons vertrekpunt voor diverse excursies. Na wat vragen en zoeken vinden we koffie met gebak. En om half 1 ontmoeten we Ken Nishigori, cultureel attaché in Nederland, en Matsumoto Kure en haar dochter Minna die ons vandaag en morgenmiddag zullen rondrijden. Hartelijke en vrolijke mensen. Minna heeft 3 maanden in Nederland bij Ken gewerkt en komt binnenkort weer. Zij kookt, haar moeder is musicus.

We bezoeken eerst Onta, dat 16 kilometer van Hita ligt. In dit plaatsje werd 300 jaar geleden begonnen met het maken van keramiek en de techniek is sindsdien niet veranderd. De gele klei wordt in de omringende bergen gedolven en met reuzenstampers, aangedreven door stromend beekwater, fijngestampt. Het stampende geluid is overal in het dorp te horen. Er zijn nog 6 noborigama’s over, die gezamenlijk, volgens een bepaald rotatieschema, worden gestookt. Overal in het dorp zijn de ovens te vinden, evenals de werkplaatsen met stampers. Buiten staan lange rijen potten met klei te drogen. Als de klei is gedroogd, kan ze tot fijn poeder worden gestampt.

Na het nemen van veel, heel veel foto’s – want het stampen is een zeer intrigerend gezicht – bezoeken we de 8e generatie Sakamoto. Hij is 48 jaar oud en werkt inmiddels samen met zijn zoon. Zijn verre voorvader was de stichter van het plaatsje; de buurvoorvader bracht de pottenbakkerstechnieken (van Koreaanse oorsprong) naar Onta, iemand anders had geld om klei te delven. (‘To buy a mountain.’) Lang is er keramiek gemaakt in Onta, maar ook veel gedronken én gevochten voor de verdeling van de klei. De jongere generatie heeft het nu overgenomen en de 10 families hebben een union opgericht. Samen zoeken ze nu naar nieuwe delfplaatsen, want de klei begint steeds meer op te raken. De keramiek uit Onta is tamelijk traditioneel, gekend om de patronen die met een metalen veer in het slib worden geslagen of met een kam worden getrokken, en niet duur: € 18 voor een theepot. We bezoeken nog het tegenover gelegen atelier annex winkel van Yanase, die druk aan het draaien is, en nemen dan een lunch in een restaurantje iets lager gelegen.

Onta had de kunst van het pottenbakken afgekeken van Koishiwara waar al 600 jaar keramiek wordt gemaakt. We brengen er een bezoek aan het michi no eki (wegstation) waar een grote bazaar is met keramisch gebruiksgoed. Daarna volgt een lange autotocht door de bergen, met eindeloze bossen en vele houtfabrieken, naar Inaba Kosaku, een 65-jarige keramist in Kama City. Een bijzonder aardige man met volwassen dochter en klein hondje; zijn vrouw is kort geleden overleden. Hij maakt gebruiksgoed – houtgestookt met een anagama – dat sterk doet denken aan Bizen-keramiek: tamelijk roodbruin en somber, met witte veldspaatkorrels en nadrukkelijke sporen van het vuur en de as. Erg mooi en dramatisch werk. Zijn dochter schenkt koffie. Hijzelf beantwoordt vele vragen en speelt en passant ook nog even op zijn shakuhachie, een grote, zelfgemaakte bamboefluit. Kure, Minna en Ken vertalen voor zover nodig. Er is veel laaggeprijst werk, maar de kom en het kruikje dat we op de foto zetten zijn hoger geprijst: € 500 respectievelijk € 150. Chawans – theekommen – zijn nu eenmaal speciaal gewaardeerd in Japan.

De hele dag is het al bewolkt en fris en tijdens onze laatste rit is er af en toe een druppel gevallen, maar als we binnen zitten bij Inaba begint het pas echt goed te regenen. De lange rit terug naar Hita is in toenemend duister, onder het genot van Ierse vioolmuziek en later de zacht voortkabbelende uitvoeringen van Mina’s broer en zus, beiden ook al musicus. De hemel verkleurt vaag zilvergrijs met wat lichtrose, de bergen zijn in verschillende grijstinten geneveld. In Hita rijden we door wat fraaie, oude straatjes vol traditionele huizen. We vinden er een sushibar en hebben er een gezellige avond. Bij het hotel nemen we afscheid van Kure en Mina: zij moeten nog 2 uur terug naar huis rijden; morgenmiddag zien we elkaar op een andere plaats.

Overnachting: San Hotel, Hita (westerse kamer, 2p-bed, bureau met krukje, tv, koelkast (werkt niet), fauteuil, piepkleine badkamer met wc/bad/douche, uitzicht op stad/omringende bergen, internet via kabeltje op kamer, geen ontbijt i.v.m. vakantie)

Dag 84: zaterdag 19 mei 2012: Geheime ovens

De Nabeshima Clan maakte tot aan de Meji-periode porselein voor zowel de keizer als voor de shogun. De clan verhuisde in 1675 van Arita naar het in de bergen gelegen Okawachiyama om hun speciale technieken geheim te houden. Nog steeds is het plaatsje het belangrijkste centrum voor de productie van Imari porselein. Okawachiyama ligt 6 kilometer buiten Imari en met de bus zijn we er in zo’n 20 minuten. Met de op het station in Imari verkregen Engelstalige plattegrond kunnen we goed uit de voeten. Okawachiyama blijkt een klein, pittoresk pottenbakkersplaatsje, omarmd door lage, donkerbeboste bergruggen waarbovenuit kale, grillig gevormde rotsen steken. De toegangsbrug is weer met porselein gedecoreerd: mozaïek en tegels langs de balustraden; erbovenop grote vazen. We bezoeken eerst het Imari Arita Ware Traditional Craft Center dat een zaal herbergt met oud porselein uit de streek en een zaal met werk van hedendaagse keramisten, evenals enkele cursusruimten. Engelstalige teksten zijn er helaas niet. Daarna slenteren we door de straatjes, vol winkels gevuld met porseleingoed. De meeste waren lijken nogal op elkaar, en helaas ook nogal op hetgeen bij elke toko in Nederland te koop is: commercieel massagoed. Maar er zijn enkele (positieve) uitzonderingen. Het dorp ziet er goed onderhouden uit, misschien iets te goed… Hoewel we in de afgeschermde schuren achter en naast de winkels werkplaatsen vermoeden, lijken de grote bakstenen schoorstenen overal in het dorp vooral ter decoratie aanwezig te zijn. Ook de enige noborigama die we zien op een berghelling, lijkt al lange tijd niet gebruikt. Is er massaal overgegaan op gasstook? Of wordt hier soms Made in China verkocht?

Via wat paadjes lopen we een van de omringende bergjes op, met mooi uitzicht over het dorp en de kale, vreemdgevormde rotsen. We komen langs mooie, stille hoekjes – een schrijntje waarboven een grote boom zich vastklemt aan de zijkant van een kale rots, een noborigama, de plaats waar de ruïne van een noborigama is aangetroffen (de basisstructuur aangegeven door een rijtje grote natuurstenen) – en af en toe zijn er weer ovenstenen verwerkt: grove in muurtjes, smalle in het plaveisel. We komen ook langs typisch toeristische plekjes die zwaar vervallen zijn: een viezige vitrine met potscherven middenin het bos, de Pottery Plaza en het Hanyo Kiln Park beide met kapotte mozaïeken. Blijkbaar gaat alle aandacht in dit dorp alleen maar uit naar het commerciële gedeelte. Al om 12.22 uur nemen we de bus terug naar Imari en lunchen er bij het matige Gusto, een restaurantketen waarvan de naam meer suggereert dan ze bieden. Daarna rusten we een uurtje in het hotel en maken ons dan op voor de 2e helft van ons dagprogramma: Imari.

Imari staat bekend om zijn porselein, zijn enorme biefstukken en om de degenkrabben, de levende fossielen die in de zomer in de baai aan de kust komen om te paren en eieren te leggen. In de Engelstalige folder/stadsplattegrond die we over Imari hebben gevonden, staat onder meer het treinstation als bezienswaardigheid vermeld. Dat doet het ergste vermoeden – Tilburg promoot zich ook op die manier… – zeker als we het bouwwerk bij onze aankomst al niet de moeite waard vonden… Over Imari kunnen we inderdaad melden dat er niets te zien valt… We lopen vanaf het station eerst naar het noorden. Af en toe staat er in de straat een keramisch beeld op een sokkel. Vlak voor de brug over een brede rivier is er aan een gevel een langwerpige, keramische klok, onder meer met een VOC schip erop. In het straatje erachter bezoeken we het Ceramic Merchant’s Home, een gerestaureerde opslagplaats uit 1820. Beneden is er een kleine winkel en een ruimte om zelf de draaischijf te proberen; op de 1e verdieping is er een klein museum met Ko-Imari, antiek Imari porselein. We gaan al gauw weer verder. Na de lange brug, waarop eveneens enkele keramische sculpturen staan, besluiten we al snel dat het niet zinvol is door te lopen. Imari heeft ons niets te bieden, geen interessante keramiek, maar ook niet een leuk stadscentrum met pittoreske huizen of interessante winkels.

Via een omweg door wat kleine straatjes keren we terug naar de rivier en volgen die enige tijd naar het westen, de richting van de riviermonding op. De brede betonnen rivierbedding bestaat voor een groot deel uit slik. Ik schud mijn hoofd als ik telkens in mijn ooghoek een snelle beweging zie. Als ik wat beter kijk, schieten – zich zijwaarts voortbewegend – 100-en kleine krabbetjes in hun holletjes in de modder. Kleine, witte monddelen steken er voorzichtig uit. Via wat grotere wegen lopen we weer de richting van ons hotel uit. Eindelijk zien we ergens een winkelcentrum: een super, een 100 ¥ shop, Mister Donut en… – tot onze blijdschap – een kaiten sushi. We eten héél vroeg en al voor 7 uur zijn we weer terug bij het hotel, nadat ik onderweg nog even mijn goedkope supermarktzonnebrilletje heb laten repareren dat al na 2x dragen uit elkaar viel.

Overnachting: Sentararu Hotel (Central Hotel), Imari (westerse kamer, 2×1½p-bed, bureau met krukje, tv, koelkast (werkt niet), fauteuil en bank met tafeltje, kast, piepkleine badkamer met wc/bad/douche, uitzicht op stad/omringende bergen, internet via kabeltje op kamer, redelijk ontbijt)

 

Dag 83: vrijdag 18 mei 2012: De porseleinen stad

Gewapend met broodjes gerookte zalm en grote cappuccino’s nemen we ’s ochtends de trein naar Arita en Imari. Grote vlaktes met akkerland en nederzettingen trekken voorbij, iets verderweg is er heuvelland met grotere bergen erachter. Al gauw komt de zee aan onze rechterhand. Als ik de Japanse borden en vlaggen negeer, zou ik me zo kunnen wanen aan een spiegelgladde, zonovergoten Middellandse Zee. (En op een enkele grintfabriek na…) In de baaien staan stokken met netten in het ondiepe water. Vissersbootjes dobberen aan hun kettingen. Later zijn er groen- en goudgele rijst- en korenvelden en vlak voor Arita zijn er lage bergen met hier en daar kale, knobbelige rotsen.

Het was een Koreaan die rond 1600 porseleinklei vond in de bodem van Kyushu. Al gauw groeide de streek rond Arita uit tot keramiekstreek gespecialiseerd in porselein. Toen in de 2e helft van de 17e eeuw de VOC problemen ondervond met de handel in Chinees porselein vanwege interne spanningen in dat land, werd China’s rol overgenomen door Japan. Het porselein dat werd vervaardigd voor de Europese markt was aangepast aan de eisen van de opdrachtgevers en de Europese smaak. Imari was eigenlijk de naam van de haven van waaruit het porselein uit deze regio naar Europa werd verscheept en de Europeanen noemden het daarom al gauw Imari-porselein.

Het informatiekantoor op het station in Arita heeft goede Engelstalige informatie en stadsplattegrond. Buiten biedt een man zich aan als gids, maar dat slaan we af; we hebben geen behoefte aan een algemene toeristische excursie. We bezoeken eerst het Kyushu Ceramic Museum waar in verschillende zalen keramiek wordt getoond: een deel van de collectie Mr.&Mrs. Shibata (in totaal 10.000 stukken), de geschiedenis van Kyushu keramiek en tot slot oude keramiek. De zalen voor hedendaagse keramiek en voor wisseltentoonstellingen zijn gesloten. Dankzij de Engelstalige folder en teksten in de vitrines kunnen we ons een goed beeld vormen van alles. We lunchen in het museumrestaurant met kopjes en borden van Arita porselein, die zo uit het museum zouden kunnen zijn weggelopen. Als we na de uitstekende maaltijd nog een kopje koffie nemen, legt de vriendelijke gastvrouw een kaartje erbij: het zijn echt antieke kopjes. Later legt ze uit dat we uit kopjes hebben gedronken die ¥100.000 oftewel € 1000 per stuk waard zijn. Gelukkig zegt ze het pas achteraf… Ook de toiletruimtes zijn een bezoek waard: wc-potten en -deksels zijn van blauwwit porselein, evenals de wasbak, de toiletrolhouder enzovoorts.

Een (heet!) half uur lopen later komen we bij de Kakiemon Kiln. Kakiemon I wist een uitzonderlijke kwaliteit porseleingoed te bereiken en ontwikkelde een eigen stijl die later de Kakiemon-stijl genoemd zou worden: delicate decoraties in 5–7 kleuren op een warme melkwitte ondergrond. In de showroom zien we schoteltjes voor ¥ 315.000/5 stuks en een vaas voor ¥ 6,3 miljoen. Alles wordt handbeschilderd! Achter de showroom is een klein museum. De hoffelijke Kakiemon XIV (inmiddels de 14e generatie!) leidt ons rond langs de houtoven en de werkplaatsen, waar in totaal zo’n 40 mensen werken. Vlakbij het raam wordt gedecoreerd met een penseel met 2 haren! In de showroom zien we ook weer de gids terug; hij heeft inmiddels een Japans echtpaar aan zich gebonden.

Met een taxi gaan we vervolgens naar de Imaemon Kiln waar we worden ontvangen door Imaemon Imaizumi XIV. Bij het fraaie huis is een kleine showroom en een museum. De kwaliteit van het porselein is hier wat minder, de prijzen ook ‘ietsje’: ¥ 236.000/5 schoteltjes. Aan de overkant van de straat is de werkplaats met ovens: naast de houtoven is er ook een grote gasoven; de schilderafdeling krijgen we niet te zien.

We dwalen door de kleine straatjes van Arita met fraaie traditionele huizen en muurtjes (Tombai) van grove oude ovenstenen. Overal zijn winkels met keramiek. We komen ook langs een winkel in pottenbakkersbenodigdheden en een grote porseleinfabriek. Door de ramen zien we mensen aan het werk.

Vlakbij is een shintotempel – de Touzan Schrijn – vol keramiek: de poort is van gestapelde blauwwitte cilinders, er zijn pilaren, een grote vaas en een grote schaal in schrijnen, grote keramische wachthonden enzovoorts. We komen er opnieuw de gids tegen, samen met het echtpaar. Hij wijst ons op een lage balustrade van porselein bij een wat verscholen tempeltje.

Met een taxi gaan we naar het net buiten Arita gelegen Arita Porcelain Park waar het Dresdener Zwinger is nagebouwd. Toen in Meissen bij Dresden 300 jaar geleden eindelijk het geheim van de vervaardiging van porselein werd ontrafeld, werd het een belangrijk porseleincentrum. Kopieerden de Europeanen eens het Chinese en Japanse ‘Delftsblauw’, nu hebben de Japanners het Zwinger gekopieerd, compleet met een kleine dorpje vol vakwerkhuizen. Vooral het paleis ziet er surrealistisch uit. Alsof er iets niet klopt. Mensen zijn er nauwelijks. De exporuimten blijken gesloten. En het puntige bergje achter de in Franse stijl aangelegde tuin oogt vreemd on-Duits. Even wat beter kijken en dan blijkt het hele paleis niet van natuursteen te zijn, maar van beton! Hoogstwaarschijnlijk zijn ook de groenkoperen daken gewoon geschilderd… In de vakwerkhuisjes zijn enkele winkeltjes en restaurants gevestigd. Rond 5 uur willen we een hapje gaan eten, maar alle restaurants blijken gesloten te zijn. Daarom laten we een taxi bellen. Onderweg zien we een van de vele bruggen in Arita die met porselein zijn gedecoreerd; deze brug wordt gesierd door de Brandenburger Tor met een witporseleinen paardenspan er bovenop. Vlakbij het station vinden we een wat matige chinees waar we wat naar binnen werken.

Van Arita is het slechts 25 minuten met een boemeltje vol schoolkinderen naar Imari. Het duistert al wat als we uit de trein stappen en de temperatuur is meteen een stuk lager. Het hotel is slechts op 5 minuten loopafstand van het station. Bij de receptie ligt er een brief van Janice, de Amerikaanse henro die we op Shikoku tegenkwamen: Dank (voor onze info over keramiek op Kyushu) en groeten. Vanuit het raam hebben we een uitzicht op de stad en omringende bergen en… op een enorme kerk. In plaats van gotische ramen zijn er balkonnetjes. Een appartementengebouw. ’s Avonds werk ik weer aan KLEI. Nog even doorzetten…

Overnachting: Sentararu Hotel (Central Hotel), Imari (westerse kamer, 2×1½p-bed, bureau met krukje, tv, koelkast (werkt niet), fauteuil en bank met tafeltje, kast, piepkleine badkamer met wc/bad/douche, uitzicht op stad/omringende bergen, internet via kabeltje op kamer, redelijk ontbijt)

Dag 82: donderdag 17 mei 2012: Smeltkroes

Nagasaki is een cosmopolitische stad. Eens was het de enige toegangspoort naar het Westen, toen het alleen aan de Nederlanders was toegestaan handel te drijven met Japan, via het eilandje Deshima voor de kust van Nagasaki. Toen de handel met het Westen na meer dan 200 jaar opnieuw werd toegestaan, kreeg de stad daar opnieuw een belangrijke rol in. Hoewel de stad 3 dagen na Hiroshima eenzelfde tragisch lot onderging, waarbij circa 75.000 mensen omkwamen, willen wij de stad vooral bezoeken vanwege zijn reputatie als smeltkroes van culturen. Hiroshima betekent stilstaan bij het verleden, Nagasaki vertegenwoordigt de hoop voor de toekomst.

Na een zeer matig ontbijtje bij Tully’s, een Japanse keten van wat mindere kwaliteit, brengen we een bezoek aan Deshima (tegenwoordig geschreven als Dejima). Tot onze verrassing blijkt het eiland al in 1904 te zijn opgeslokt door Nagasaki. En het is klein! Het kunstmatige eiland is maximaal 70 meter breed en 233 meter lang geweest. En van de Nederlandse handelspost (1641–1859) is ook niets overgebleven dan wat fundamenten in de bodem. Pas in de 2e helft van de 90-er jaren van de vorige eeuw is een begin gemaakt met de wederopbouw ervan, uitgaande van de situatie zoals die begin 19e eeuw was, want het eiland heeft vele veranderingen doorgemaakt in de loop van de tijd. Het straatje met fraai herbouwde huizen en opslagplaatsen is een klein anachronisme in het moderne, na 1945 herbouwde Nagasaki, een kleine oase omringd door kantoren en parkeersgarages. Hordes schoolkinderen in matrozenpakjes bezoeken de nederzetting, als we aan onze rondtocht beginnen. In het straatje staan enkele mannen in traditionele (Japanse) kleding, compleet met rieten punthoed en sabel, waarmee de kinderen graag op de foto gaan. Bijna elk gebouw bevat een tentoonstelling die meer vertelt over de geschiedenis van het voormalige eiland. En vooral over de enorme impact die het contact met de Nederlanders had op de modernisering van Japan, de talrijke technische verworvenheden die vanuit het Westen hier werden geïntroduceerd. En uiteraard over de export vanuit Japan naar het Westen: onder meer zilver, koper en… keramiek. We blijven er uren en uren, want er is veel te zien en te lezen, dat laatste dankzij de Engelse samenvattingen die er overal zijn. Af en toe stroomt het zweet ons weer overvloedig over de rug – ondanks de bewolking is het erg warm zodra de zon even tevoorschijn komt – en op andere momenten hebben we kippenvel.

Na een wat matige ‘internationale’ lunch in het museumrestaurant, bezoeken we het Nagasaki Museum of History and Culture, dat als centraal thema heeft: ‘Overseas Exchange’. De permanente collectie is gegroepeerd rond de overzeese contacten die er zijn geweest en bevat vele kunst- en gebruiksvoorwerpen, maar ook vele documenten die met de handel te maken hadden. Keramiek is er weinig te zien, maar zeer fraai zijn de verschillende kamerschermen. Jammer genoeg zijn er nauwelijks Engelstalige teksten, dus het blijft voornamelijk bij kijken. Een wisseltentoonstelling heeft de olifant als thema, zoals het dier werd afgebeeld in het verleden, in boeken, op kamerschermen, op porselein, enzovoorts. Tot slot is er ook een reconstructie van een vroeger gerechtsgebouw in Nagasaki. We komen er verschillende houten bulletin boards tegen waarop de proclamatie staat van het verbod op het christendom, in 1587 uitgeroepen uit angst voor indoctrinatie en onderwerping door het Westen. De christenen werden eeuwenlang zwaar vervolgd in Japan. Een gravure toont de kruisiging van 26 christenen op de Nishizakaheuvel bij Nagasaki. Elders werden christenen in kokende zwavelbronnen geworpen. Toen in 1864 voor het eerst weer een kerk mocht worden opgericht voor de buitenlandse gemeenschap in Nagasaki, meldde zich een groep christenen die hun geloof meer dan 200 jaar in het geheim hadden gepraktiseerd. Het is een geschiedenis die ik helemaal niet kende. En dat plaatst ook de ontmoeting die we op 17 april hadden met iemand die trots vertelde dat hij christen was, in een ander daglicht. Ik had zijn mededeling for granted aangenomen, in het Westen is zoiets immers niets bijzonders. Voor hem lag dat duidelijk anders. En dat begrijp ik nu beter.

Na het museumbezoek lopen we door Chinatown, een oude Chinese ‘enclave’ in Japan, vol met toeristische winkeltjes en relatief dure restaurants. Via wat winkelstraten lopen we terug in de richting van het hotel en vinden tot ons geluk een kaiten suhsi. Na een ritje met de tram halen we (ik) nog een cappuccino en dan keren we – behoorlijk moe – terug naar het hotel. De zon is net verdwenen achter de bergen, de nevelige, lichtblauwe avondhemel achterlatend met een vaag rose gloed.

Overnachting: JR Hotel, Nagasaki (westerse kamer, 2×1½p-bed, bureau met stoel, tv, koelkast (werkt niet), fauteuil met tafeltje, badkamer met wc/bad/douche, uitzicht op treinstation/stad/omringende bergen, internet via kabeltje op de kamer, geen ontbijt besteld)

Dag 81: woensdag 16 mei 2012: Little Boy

Onze laatste reisweek in Japan staat geheel in het teken van keramiek op Kyushu. We vertrekken laat in de ochtend; nog even uitslapen en ompakken: de koffers blijven achter in het hotel in Osaka. De rugzakken zwaar beladen met boeken en tijdschriften (waaronder eindelijk mijn leesboek weer!) lopen we naar station Namba waar we de metro nemen naar de Shinkansen. We lopen opnieuw Gwen tegen het lijf. Nóg een keer nemen we afscheid.

Onderweg naar Nagasaki doen we Hiroshima aan. Een bezoek dat ons diep raakt. Hiroshima is een beladen naam en je gaat er niet heen voor toeristisch sightseeing, maar om stil te staan bij de apocalyptische verwoesting die er heeft plaatsgevonden. Wij bezoeken het Vredespark, dat baadt in de warme zon én in grote aantallen schoolgroepen. Net buiten het park bevindt zich de A-Bom-koepel, het overblijfsel van het vroegere Centrum voor Industriële Productie dat dicht bij het hypocentrum stond waar op 6 augustus 1945 de eerste atoombom in de geschiedenis van de mensheid explodeerde. Het is het enige restant dat na zoveel jaar nog bewaard is gebleven en het is uitgeroepen tot Werelderfgoed. We staan te kijken bij de puinhopen, de verbogen resten van een draaitrap en het staketsel van de koepel bovenop het gebouw. Ik denk aan de foto’s die ik van de stad heb gezien, genomen kort na de verschrikkelijke verwoesting. Hiroshima was een bloeiende stad met 350.000 inwoners. Hoeveel er zijn omgekomen is onbekend, want ook de volledige administratie was vernietigd. De jaren erna zijn er nog eens 180.000 mensen overleden aan de gevolgen van de bom. We zijn allebei diep geëmotioneerd. Naast ons kakelen een moeder en dochter in het Engels: ‘Dat ze die rotzooi nog niet opgeruimd hebben! Wat moet je ermee.’

In het park luiden we om de beurt de Vredesklok, daarmee een wens tot vrede de wereld inzendend. Verderop in het park is het Kindervredesmonument dat is opgericht om alle kinderen te gedenken die door de bom zijn omgekomen. Het verbeeldt een klein meisje met een kraanvogel en is gebaseerd op een waar gebeurd verhaal: Sadako Sensaki was 2 jaar oud toen de bom viel; 9 jaar later kreeg ze leukemie. Ze geloofde dat ze beter zou worden als ze 1000 papieren kraanvogels zou vouwen. Ze overleed toch en haar klasgenootjes gingen door met haar werk. Ze zamelden geld in voor een monument. Op de plaquette eronder staat: ‘Dit is onze Schreeuw. Dit is ons Gebed. Vrede op Aarde.’ Nog steeds maken schoolklassen 1000 kraanvogels om bij het monument te hangen. Als we er aankomen, begint er juist een ceremonie: een schoolklas die een grote hoeveelheid kraanvogels komt brengen. Enkele kinderen houden een toespraak. De 2 Engelse vrouwen zijn druk bezig met het nemen van foto’s van de kraanvogels die er al hangen en lachen en gieren ondertussen met zijn 2-en. Ik kijk verbijsterd toe. Zelf kunnen we onze tranen nauwelijks inhouden.

We bezoeken ook de Vredesvlam, ‘die pas zal worden gedoofd als alle nucleaire wapens de wereld uit zullen zijn’ en de Cenotaaf, een ontwerp van Tange Kenzo, ter herdenking van de slachtoffers van de bom. Een inscriptie vermeldt: ‘We zullen deze fout nooit meer maken.’ Een optimistische uitspraak, voortkomend uit een diep verlangen. De Herinneringshal omvat een panorama van 360 graden van na de verwoesting, gezien vanuit het hypocentrum. En er zijn computers met namen en stambomen van de slachtoffers. Bij de receptie liggen kraanvogeltjes, sommige heel klein. Ik sta ze te bewonderen, als de receptioniste met een doos aankomt: ik mag er een klein papieren doosje uitkiezen, met erin piepkleine kraanvogeltjes. Om niet te vergeten.

Op het station kopen we 2 obento’s – doosjes met meeneemmaaltijden – en nemen dan de Shinkansen naar Nagasaki. We zijn er pas om 9 uur, maar ons hotel bevindt zich in het station: de Japan Railways hebben eigen hotels van een uitstekende kwaliteit (en je hoort geen trein!) Vanuit onze kamer op de 10e verdieping hebben we een sensationeel uitzicht over de sporen en de stad eromheen. Een berg vlakbij is bezaaid met lichtjes. Sprookjesachtig. Ik werk nog even door, want er zijn deadlines die al lang zijn overschreden. Gelukkig kan ik het in de trein voorbereide werk het internet op krijgen. Om 10 uur gaan we nog even op zoek  naar een cappuccino, maar er is niets te vinden en inmiddels is het al behoorlijk fris geworden. In een van de vele, vele convenience shops (buurtsupers) kopen we een pak oma’s jus en werken dan maar weer verder op de kamer.

Overnachting: JR Hotel, Nagasaki (westerse kamer, 2×1½p-bed, bureau met stoel, tv, koelkast (werkt niet), fauteuil met tafeltje, badkamer met wc/bad/douche, uitzicht op treinstation/stad/omringende bergen, internet via kabeltje op de kamer, geen ontbijt besteld)

Dag 80: dinsdag 15 mei 2012: Met dank aan de zwaartekracht

Na de tempeldienst is er een vuurceremonie in een ander tempelgebouwtje en met een grote groep mensen – waaronder nog 4 à 5 andere buitenlanders – zitten we opgepropt rond de priesters die het vuur stoken en de soetra’s reciteren. Na het ontbijt lopen we opnieuw over de begraafplaats naar het mausoleum toe, deze keer in de – nog niet al te ernstige – regen. Het natte weer voegt een extra dimensie toe aan deze bijzondere omgeving. Ik maak talloze foto’s. Bij het mausoleum steken we wierook en kaarsjes aan – Mels voor zijn jongste dochter, ik voor mezelf – en reciteren we de hartsoetra. Om half 11 maken we een ceremonie mee die 2x per dag plaatsvindt: vanuit een van de tempelgebouwen wordt door 2 priesters een draagkist met voedsel naar Okuno In gebracht, de tempel bij het mausoleum. In de tempel wordt het voedsel op het altaar gezet voor het raam dat uitkijkt op de laatste rustplaats van Kobo Daisi. Mels schrijft een gomagi (bidlatje) voor mij en geeft het aan de monnik in de tempel om later ceremonieel te laten verbranden. Daarna dalen we af in de kelder onder de tempel, vol beeldjes (25.000 volgens Mels). We lopen er de Parijzenaar tegen het lijf die we 6 mei op Shikoku tegenkwamen. Hij blijkt Gwen (en nog heel veel meer) te heten (een Keltische naam), is 30 jaar en werkt als computerdeskundige bij Parisbas. Gwen voegt zich ongevraagd bij ons groepje. Met zijn allen gaan we nog eens uitgebreid op de foto. Mels en ik laten onze stempelboeken afstempelen en krijgen van Hide-san nog een extra stempelkaart bestemd voor tempels langs het voetpad dat we hebben afgelegd. Daarna zoekt Mels een plaatsje voor een reepje stof dat hij heeft meegekregen van een Nederlandse keramiste. Hij bindt het rond een van de fraaie grafstenen en neemt er foto’s van, zodat ze zal weten waar haar reepjes stof naartoe gevlogen zijn.

Op weg naar de andere tempels op Kōya-san, komen we langs de tempel waar we 2 jaar geleden verbleven – de Shojoshin tempel – de fraaie bergtuin nu getooid met zachtbruinrode tinten van diverse struiken. Asaka geeft bij de Ekō In tempel enkele gomagi af om morgenvroeg tijdens de vuurceremonie te laten verbranden, om te bidden voor haar familie. Na een lunch bij een van de restaurantjes op Kōya-san, bezoeken we nog enkele tempels. Bij de Kongobuji tempel laten we voor de (voorlopig) laatste maal ons boek afstempelen. Het hart van Kōya-san wordt gevormd door de bijna 50 meter hoge, feloranjegekleurde Konpon Daito pagode. We overwegen een bezoek, maar Mels en ik vragen ons langzamerhand wel af of de tijd niet teveel gaat dringen om de hele voettocht naar beneden nog te kunnen maken, tenslotte hebben we over de klim zo’n 9 uur gedaan. Hide-san verzekert ons echter dat we in een uur beneden kunnen zijn: ‘Met dank aan de zwaartekracht.’ We kunnen het bijna niet geloven.

Het is al 3 uur als we ons op maken om de berg weer af te dalen; bij de pagode nemen we afscheid van Gwen, die nog wat tempels gaat bezoeken. We nemen een weg die naar het noorden leidt en – tot onze verrassing – nog iets verder omhoog ook. Dan begint het echt serieus te regenen. Bij een tempel aan de rand van Kōya houdt Hide-san stil voor overleg. We kunnen nog kiezen op dit punt: het bergtreintje (de cable car) naar beneden óf te voet de berg afdalen. We kiezen er zonder enig voorbehoud voor te lopen en trekken allemaal onze regenjassen aan. Het blijkt gelukkig een zeer goed geplaveid pad te zijn, hoogstens af en toe wat glad door afgevallen sugiloof. We schieten snel op, maar Hide-san valt bijna als een van de dekplaten over een goot omkantelt. Ook bij een volgende goot ligt een dekplaat los. Hide-san verzekert alle platen netjes, zodat een volgende wandelaar er niet over zal vallen. Daarna haasten we ons weer verder naar beneden. Na een klein uur zien we achter een lange, feloranje brug het Gokurakubashi (=Brug naar de hemel) treinstation waar al een trein staat te wachten. We hebben zo snel gelopen – 1 uur, zoals gepland! – dat Hide-san denkt een eerdere trein te kunnen nemen terug naar Osaka. Maar we moeten eerst nog de brug over en via een omweggetje naar het station en dat doen we al hollend. Net op tijd schieten we de trein van 16.25 in. Gwen blijkt er ook te zijn en voegt zich opnieuw bij ons gezelschap. Buiten trekt een dampig berglandschap voorbij vol sugi en andere bomen. We zien weer de bloeiende bomen die we al op Shikoku zagen: chinkapin of Castanopsis sieboldii blijken ze te heten, familie van de beuk, wintergroen, volgens Hide-san.

In anderhalf uur zijn we in Osaka. We nemen opnieuw afscheid van Gwen. Asaka kent een goed restaurant waar – naast de internationale keuken – ook specialiteiten van Osaka worden geserveerd zoals doteyaki (gestoofde runderpezen, simmered beef sinew). Hide-san heeft opnieuw een verrassing: hij geeft Asaka en mij elk een boekje getiteld Valentines, met Japans- en Engelstalige poëzie. Vertaald door Hide-san! Hij vertelt dat hij bepaalde Japanse gewoonten rond Valentijn erg vervelend vindt: vrouwen geven chocolade aan een man die ze leuk vinden en de man is dan verplicht haar uit te nodigen voor bijvoorbeeld een lunch. Daar heeft hij helemaal geen zin in. Toen hij dit boekje in een Engelse boekhandel zag, stelde hij de uitgever voor een vertaling ervan te maken, want deze Valentijntjes spraken hem wel aan.

Het is een heel gezellig samenzijn. Warme momenten die ik zal blijven koesteren. Mensen die me zo dierbaar zijn geworden, zoveel warmte geven. Hadden we voorgaande jaren erg veel moeite met de overgang van pelgrimstocht naar de ‘normale’ maatschappij, deze keer sluit alles naadloos op elkaar aan. De 2 dagen op Kōya-san zijn weldadig geweest. Nadat Asaka en Hide-san met de trein vertrokken zijn, mijmeren we nog wat na bij een cappuccino. Vanuit Starbucks hebben we een goed uitzicht op de drukke winkelstraat waar 10 uur ’s avonds nog druk geflaneerd wordt. Het leven is goed.

Geplande afstand: onbekend, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 5,0 km, hoogste punt 868 m (noordrand Kōya-san), totale stijging 106 m, laagste punt 461 m (eindpunt: Gokurakubashi treinstation), totale daling 407 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1551,0 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 15.04– 16.25 uur
Looptijd: ca. 1 uur
Gemiddelde snelheid: ca. 5 km/u
Bezochte tempels: Ekō In (geslapen in gastenverblijf), Okuno In (bij mausoleum Kobo Daishi; met bezoek stempelkantoor), Kongobuji (met bezoek stempelkantoor) op Kōya-san
Blaren: restantjes
Overnachting: Cross Hotel, Osaka (westerse kamer, 2×1½p-bed, bureau met krukje, tv, 2 kluizen, koelkast, kast, fauteuil met tafeltje, badkamer met wc/wastafel en ofurokamer, wifi op de kamer, goed ontbijt)

Dag 79: maandag 14 mei 2012: Gras naast de weg

In de gemeenschappelijke zitkamer ontbijten we met broodjes die we gisteren op het station in Osaka hebben gekocht. We krijgen er koffie van de gastvrouw bij. Even na 7 uur gaan we op pad. Via wat straatjes komen we al gauw bij het begin van het pad. Er zijn meerdere wegen naar Kōya-san, maar er is slechts 1 bergpad, zo’n 24 kilometer lang en gemarkeerd door zeer grote, stenen pathmarkers; elke cho (1 cho=108 m; 36 cho = 1 li)) staat er eentje, daarom heet het pad ook cho ishi michi, ‘cho steen pad’. Het is niet zomaar een paadje: toen Kukai op Kōya-san verbleef, woonde zijn moeder onderaan de berg. Het was vrouwen verboden heiligdommen te betreden en ze mocht derhalve de berg niet op. Daarom kwam hij 9 maal per maand de berg af om haar te bezoeken en hij nam altijd dit pad. De stad die onderaan de berg is ontstaan, heet sindsdien Kudoyama: ‘negen keer berg’. Op de plaats waar Kukai’s moeder woonde, is een tempel gebouwd, die alleen bedoeld is voor vrouwen: Jison In (Nyoninkōya). We brengen eerst een uitgebreid bezoek aan dit tempelcomplex. De pagode – momenteel in renovatie – is een ‘kindje’ van de grote pagode op Kōya-san, zo vertelt een monnik. Hide-san is een wandelende encyclopedie en kan enorm veel vertellen over alles wat met Kōya-san te maken heeft en wij zijn dankbare toehoorders. Bij de hoofdtempel hangen grote aantallen vrouwenborsten, door vrouwen zelfgemaakt van stof. Om te bidden voor het krijgen van kinderen of om genezing. We steken wierook en kaarsjes aan en reciteren er de hartsoetra. Asaka neemt 2 gomagi (bidlatjes), 1 voor haarzelf en 1 om voor mij te bidden. Ze schrijft onze namen erop en geeft ze aan de priester die ze morgenvroeg ceremonieel zal verbranden tijdens de ochtenddienst. Ik voel me omringd door de warmte van dierbare vrienden.

Vanaf de tempel voert het pad de berg op door de talrijke kakigaarden (kaki oftewel persimmon; het Israëlische Sharonfruit is een bepaald kakiras) waar deze streek om bekend is. Hide-san vertelt dat er vele kakirassen bestaan; sommige soorten kunnen alleen gedroogd worden gegeten, andere zodra ze rijp zijn. Al in het stadje zagen we dat de straatlantaarns en de putdeksels geïnspireerd zijn op de kakivruchten, en we kwamen ook voorbij een open bouwseltje op een garage waar de vruchten te drogen hingen. In de gaarden hangen in deze tijd van het jaar geen vruchten aan de bomen, maar harde, groene schijnbloemen.

We rusten bij een rest hut en eten er alvast een stukje van onze lunch op – mooie dozen met sushi gewikkeld in kakibladeren, waardoor het heerlijk vers blijft; door Hide-san geregeld via de ryokan – terwijl we onderwijl een fraai uitzicht hebben over de zonovergoten kakigaarden, Kudoyama en de omringende bergen. Kōya-san lijkt onmogelijk ver te liggen, helemaal aan de andere zijde van de vallei; herkenbaar aan het puntige topje dat boven de bergketen uitsteekt.

Kort daarna komen we in de beschermende schaduw van de bossen, met o.a. sugi, bamboe en vele loofsoorten. In vochtige bergwandjes zitten her en der bergkikkertjes in hun holletjes te raspen. In zie veel nieuwe varensoorten en koningsvarens zijn er ook weer volop, maar deze keer een stuk kleiner en meestal zonder sporendragers. We zien regelmatig bijzondere planten naast het pad, waarvan we ons al jaren afvragen wat het is. Hide-san kan er meer over vertellen: het zijn mamushi-gusa (‘adderkruid’, Arisaema japonicum), waarvan de lange stengels lijken op de mamushi, de adders, en ook het tongetje van de vreemde bloem lijkt op dat van een slang. De vrouwelijke bloemen vangen insekten in hun kelkvormige bloemen; de mannelijke hebben een gat onderin waardoor de insekten kunnen ontsnappen om vervolgens het stuifmeel te verspreiden.

Als we boven de 500 meter zijn gekomen, blijft het pad lange tijd licht op en neer kronkelen langs de hellingen. Op 575 meter hoogte gaan we een eerste pasje over. Om half 12 komen we aan bij de Futatsu Torii, een dubbele shintopoort. Vlakbij staat een rest hut waar we opnieuw een stukje lunch nemen. Hide-san heeft zijn zware fototoestel en statief meegenomen en we gaan met zijn allen op de foto bij de poorten. Daarna gaat het weer verder de berg op. Het is een fraai pad, dat door een afwisselend landschap loopt. Ik zie weer de parasitaire planten die ik al op Shikoku heb opgemerkt. Deze keer staan er op meerdere plaatsen grotere aantallen. Hide-san heeft de naam ervan opgezocht: ginryo-so (‘zilveren drakenkopkruid’, Monotropastrum globosum).

Terwijl we iets afdalen naar een uitgestrekt golfterrein, schiet een lange, zwarte slang weg onder een tas bamboe. Dan loopt het pad weer wat omhoog, dan wat omlaag. In een intieme vallei zijn verschillende moerasjes met iris. We zien er de apenvanger, in het Engels waitaminute genoemd: een nogal doornige plant. De talrijke geelwitte irisjes die we weer tegenkomen, blijken saga te zijn, weet Hide-san. En er zijn ook grote groepen witte miniminiviooltjes. En dan is er de boomaardbei: ki-ichigo (een algemene aanduiding waar o.a. Momiji-ichigo, Rubus palmatus var. coptophyllus onder valt). De urushi (hon-urushi, Toxicodendron vernicifluum, voorheen Rhus verniciflua) is een boom waarvan het sap voor lakwerk wordt gebruikt; hij wordt gekweekt in het noorden van Japan. Hier op Kyushu zien we een broertje ervan. Hide-san probeert een steen te breken om te laten zien dat er mica in zit. Het lukt hem niet de steen kapot te gooien en aangezien ik van elke reis een steen mee naar huis breng, besluit ik dat dit een mooie steen is om mee te nemen. Asaka vraagt ons of we de andere betekenis kennen van Gras naast de weg (de naam van een tentje tussen tempel 81 en 82), in het Japans michi kusa: als er onderweg links en rechts van je pad zoveel de aandacht trekt, waardoor je je doel uit het oog verliest…

Ondanks de vele, vele mooie en interessante dingen die onderweg onze aandacht trekken, vorderen we gestaag, maar de tijd gaat wel wat dringen. Om half 2 kruist het pad (op inmiddels weer ‘slechts’ 500 meter hoogte) een weg waar een theehuis is. De matcha is op, we kunnen wel koeken en gewone groene thee krijgen. Buiten op een bankje eten we de lunch verder op. Daarna stijgt het pad weer; steeds vaker staan er enorme sugi langs het pad, voorboden van de reuzen op Kōya-san. We zien nogmaals een slang, deze keer een hele lange bruine. Het is al 5 uur geweest als Hide-san vraagt of ik misschien opnieuw voorop wil lopen, hij heeft een verrassing voor me. Na enkele 10-tallen meters komt het pad opnieuw bij een weg en langzaam rijst de enorme toegangspoort tot Kōya-san voor me op: de Daimon poort. Een zeer indrukwekkend gezicht. We maken opnieuw uitgebreid foto’s van ons groepje en we raken er aan de praat met 2 jongens uit Osaka die erg geïnteresseerd zijn in onze pelgrimsreis. Daarna is het nog 3 kilometer door Kōya naar onze overnachtingsplaats: het gastenverblijf van tempel Ekō In. Asaka belt alvast dat we wat verlaat zijn en als we aankomen kunnen we bijna meteen eten. Met zijn 4-en hebben we een aparte eetzaal, omgeven door fraai beschilderde schuifdeuren vol kraanvogels, en elk zittend op een plat kussen voor enkele kleine tafeltjes.

Om kwart over 7 gaan de schoenen echter weer aan: er is een avondexcursie onder leiding van een van de monniken naar de enorme, 2 kilometer lange begraafplaats die uitstrekt tot het mausoleum van Kukai of Kobo Daishi. De sprookjesachtige begraafplaats herbergt minstens 200.000 (volgens de monnik mogelijk 400.000) graven uit allerlei perioden, veelal bedekt met moskapsels, en omgeven door eeuwenoude reuzensugi (de oudsten zijn gedateerd op 850 jaar volgens hem). Opnieuw een magische plek. Ik vind het een van meest betoverende plaatsen ter wereld. Links en rechts van de 2 hoofdpaden staan grote stenen lantaarns en er is ook straatverlichting. Af en toe valt er een druppeltje regen. Zo in het donker, is de sfeer nog betoverender.

Terug in het gastenverblijf drinken we – na de ofuro – nog wat groene thee op de kamer van Hide-san. Asaka komt er ook bij, nadat ze de hartsoetra heeft uitgeschreven op een vel papier en afgegeven bij een van de monniken. Hide-san verbaast zich erover dat Mels niet elke dag naar de ofuro gaat. Zonder ofuro kan hij niet slapen; hij denkt dat hij niet zou kunnen leven zonder. Tja, dat dacht ik ook wat betreft mijn ochtenddouche die ik bijna elke dag moet missen in Japan, maar ik leef nog steeds… Alles went op den duur… Hide-san leert ons een muntspelletje: miyama kuzushi (=the art of breaking balance), beter bekend als nim (van het Duitse nehmen: nimm) en we hebben er veel plezier mee. Al vroeg liggen we op de futon, want morgenvroeg begint om half 7 de tempeldienst.

Geplande afstand: 24,0 km, 790 m stijging
Werkelijke afstand: 24,5 km (excl. 4 km avondexcursie), hoogste punt 853 m (eindpunt: Kōya-san), totale stijging 1377 m, laagste punt 56 m (vertrekpunt: ryokan Nakagawa, Kudoyama), totale daling 609 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1546,0 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.18– 17.53 uur
Looptijd: 5,47 uur
Gemiddelde snelheid: 4,2 km/u
Bezochte tempels: Jison In (Nyoninkōya)
Blaren: restantjes
Overnachting: gastenverblijf tempel Ekō In, Kōya-san (1 kamer 8 tatami’s groot met tokonoma, 1 tafeltje, tv, binnenveranda met kastenwand, 2 stoeltjes en tafeltje, kluis, hal, uitzicht op fraaie binnentuin met Japanse esdoorns en bloeiende rhododendrons, redelijk vegetarisch avondeten, karig vegetarisch ontbijt)

Dag 78: zondag 13 mei 2012: Het staartje

Veel henro’s gaan na het afsluiten van hun pelgrimstocht nog naar Kōya-san, de heilige berg ten zuidoosten van Osaka, centrum van de Shingon-sekte en laatste rustplaats van Kukai: ‘Om Kukai te vertellen dat de tocht is afgerond.’ (Kukai is niet echt dood, hij ‘mediteert’.) Voorafgaand aan onze 1e pelgrimstocht zijn we er ook geweest; nu willen we Kōya-san bezoeken ná onze voettocht. Morgen zullen we samen met Hide-san en Asaka de berg beklimmen en Hide-san heeft voor ons allemaal al de overnachtingen geregeld.

Om 10 uur nemen we de bus naar Osaka, een rit van zo’n 3 uur. Het is licht bewolkt. Opnieuw passeren we de Yoshinogawa en rijden we langs grote plantages met lotusplanten. Na de grote bruggen die Shikoku met Honshu verbinden, zijn er eindeloze beboste bergen met sugi, bamboe en loofhout. Af en toe zijn er huizen. Een tijdlang rijden we langs de Japanse Binnenzee; schimmige eilanden drijven in een gladde, zilvergrijze zee. In de laagvlaktes tussen de uitlopers van de bergen zijn wat grotere dorpen. Buizerds scheren over; boven zee zijn enkele aalscholvers. Op de velden wordt gemaaid; hier en daar liggen hoopjes afval te smeulen. Langzamerhand rijden we de metropool Kobe binnen en niet lang daarna zijn we al in Osaka.

Als we eenmaal compleet zijn, gaan we eerst op zoek naar een lunch. Asaka heeft gewoond in Osaka en ze heeft de zoektocht goed voorbereid. We doorkruisen verschillende drukke winkelstraten en er zijn enkele telefoontjes nodig voor we het restaurant weten te vinden. We doen okonomi: op een bakplaat worden mengsels van ei, groenten, vis en vlees gebakken, een van de specialiteiten waar Osaka om bekend staat. Later die middag nemen we de trein naar Gokurakubashi; vanuit een plaatsje er vlakbij zullen we morgen Kōya-san beklimmen. Het is zo gezellig kletsen, dat we vergeten over te stappen. Pas op het laatste moment springen we eruit. Ook in Gokurakubashi vergeten we uit te stappen. Gelukkig is het een eindpunt; hoewel de trein uiteindelijk wel weer terug gaat naar Osaka. Als de eerste schoonmakers arriveren in de inmiddels verder lege coupé, krijgen we het eindelijk door. De ryokan-eigenaar staat al klaar met zijn auto. Wat een luxe! We krijgen met zijn 4-en een hele bovenverdieping in de ryokan: 3 kamers om te slapen, 1 kamer als ‘lounge’. Hij brengt ons ook nog eens naar de onsen. Voor de deur van de onsen wijst hij met een wijds gebaar – dat de halve wereld zou kunnen omvatten – de route die we morgen zullen gaan lopen: van rechts in het gezichtsveld, waar de bergrug begint in de vlakte, via allerlei berghellingen en -ruggen naar een punt dat uitsteekt boven de bergrug links in ons gezichtsveld: de top van Kōya-san. We hebben nog niet eerder ons hele dagprogramma zo voor ons uitgespreid gezien. Indrukwekkend.

De onsen haalt zijn water uit heetwaterbronnen en er zijn vele baden – ook buiten – om van te genieten. We blijven er ook eten, omdat dat niet in de ryokan kan. We zitten net als er een Amerikaan even komt buurten, langneuzen wekken nu eenmaal de nieuwsgierigheid op van andere langneuzen. Patrick heet hij en hij is al 5 jaar op Kōya-san om zich verder te verdiepen in het boeddhisme. Noemt zichzelf – met een brede lach – een langzame student. Hij lijkt er niet onder te lijden. Er blijken een stuk of 5 buitenlanders op die basis te wonen op Kōya-san, naast de vele kortverblijvers. Na het eten worden we op de afgesproken tijd weer netjes opgehaald door onze gastheer.

Hide-san heeft een verrassing voor ons: hij heeft de tv-uitzending over de pelgrimstocht op Shikoku, waarin wij voorkomen, opgenomen voor ons. We bekijken de dvd gezamenlijk in de gemeenschappelijke zitkamer. En we praten, onder meer over mijn ziekte en de invloed die de pelgrimstocht erop heeft. Asaka vertelt over haar val enkele jaren geleden, van de 1e verdieping van een golfoefengebouw. Ze hield er alleen een gebroken elleboog en een scheurtje in haar bekken aan over en is ervan overtuigd dat ze dat te danken heeft aan Kukai. Daarom heeft ze daarna uit dankbaarheid Kōya-san beklommen en is daarna begonnen het pelgrimspad op Shikoku in delen te lopen, elk jaar een week lang. En daarom wilde ze ook zo graag nóg eens Kōya-san beklimmen, samen met ons. Hide-san vertelt over de pelgrimstocht die hij vorig jaar tegen de klok in aflegde op Shikoku. Hij was veelvuldig de weg kwijt, want het normale pelgrimspad loopt met de klok mee rond het eiland en de merktekens onderweg zijn alleen daarvoor bedoeld. En hij merkte dat hij ook heel veel tijd kwijt was aan de grote aantallen henro’s die hij onderweg tegenkwam, omdat hij tegen de stroom in liep: ‘Misschien kostte elke henro maar 5 minuten, maar zoveel henro’s maal 5 minuten… Soms moest ik aan het eind van een middag me enorm haasten om nog op tijd bij een tempel aan te komen…’ Hij vindt zichzelf niet een ‘ernstige’ loophenro, omdat hij steeds de bus of de trein heeft genomen op die trajecten die hij saai vond. ‘Als jullie de tocht nog een keer afleggen, dan mag je je daarna aanmelden voor de korte gidsencursus. Dan krijg je zo’n mooie oranje pelgrimsstaf met rinkelende ringen bovenaan.’ Dát lijkt me wel wat…

Overnachting: ryokan Nakagawa, Kudoyama (1 kamer 8 tatami’s groot met tokonoma, 1 tafeltje; 1 gemeenschappelijke zitkamer 8 tatami’s groot met tokonoma, 1 tafeltje met 4 grondstoeltjes, tv met dvd-speler, binnenveranda met 2 stoeltjes en tafeltje, geen avondeten, geen ontbijt)

Dag 77: zaterdag 12 mei 2012: Verse henro’s

De laatste loopdag…

Bij ons vertrek kunnen we voor de laatste maal ons ‘grapje’ maken: als we onze rugzakken omgespen, passen onze heupbanden niet meer over onze dikke buiken; zó goed hebben we gegeten, beduiden we de gastvrouw. In werkelijkheid vertrekken we ’s ochtends meestal met fleece- en/of windjack aan en arriveren we aan het eind van de dag in een hemdje. Maar het grapje werkt altijd.

We hebben – voor ons gevoel – een dagje freewheelen voor de boeg: slechts 23–24 kilometer af te leggen over min of meer vlak land, verder naar het oosten door de brede vallei van de Yoshinogawa, naar onze eindbestemming, tempel 1. We volgen eerst korte tijd de drukke 2-baans weg waar de ryokan aan ligt, maar we slaan zo snel mogelijk ervan af, om via wat kleine weggetjes in de buurt van tempel 9 weer terug te komen op de oorspronkelijke henroroute die wat dichter langs de noordelijke bergrug loopt. Mels zet er goed de sokken in; zijn voetenpijn is een stuk verbeterd. Door de zware bewolking is het aanvankelijk behoorlijk koud, maar al gauw komt de zon weer tevoorschijn. Het blijft echter lekker fris, heerlijk om te lopen. We lopen tegen de normale pelgrimsrichting in en daarom zijn er onderweg weinig merktekens waar we iets mee kunnen; we moeten regelmatig het routeboekje raadplegen om zo gericht mogelijk naar het oosten te komen via de wirwar aan weggetjes. En wat ons ook opvalt: als je tegen de stroom inloopt, kom je heel veel loophenro’s tegen! Zoveel loophenro’s die zo laat in het seizoen beginnen met lopen: zouden ze soms maar een deel van de route doen, bijvoorbeeld maar 1 prefectuur? Want anders komen ze middenin  de subtropische zomerhitte terecht én in het regenseizoen dat in juni begint.

Als we voorbij het poortgebouw van tempel 9 lopen, spreekt een autohenro-echtpaar uit Osaka ons aan. Ze doen de tocht nu met de auto, maar willen na zijn pensionering ook samen gaan lopen. Zij is benieuwd of de tocht goed te doen is. We blijven een tijdje staan praten en vervolgen dan onze tocht, steeds zoveel mogelijk over kleinere wegen. Het landschap is een mix van agrarisch en halfstedelijk. De meeste rijstvelden zijn inmiddels ingeplant. De kleine veldjes met aardappelplanten raken in bloei; een veldje met tabaksplanten is nog geen meter hoog. Een paar keer zijn er ook lotusveldjes. En langs de kant van de weg zijn er stalletjes met verse aardbeien.

Bij een supermarktje kopen we ijs en cake en vragen meteen naar een koffiehuis. We moeten er extra voor omlopen, maar dat hebben we er wel voor over. Het is een typisch ‘huiskamer’-koffiehuis zoals we wel vaker hebben bezocht: overal makkelijke stoelen, hoge planten, schilderijen aan de muur; mensen zitten te roken, spelletjes te spelen, de krant te lezen of tv te kijken. Een man komt bij ons zitten: hij is krantenbezorger en volgt Engelse les op donderdag. Ook de gastvrouw spreekt Engels en komt een praatje maken: de schilderijen zijn van haar hand. Wij geven onze kaartjes: collega-kunstenaars! Als we weggaan, mogen we niet afrekenen. Osettai! Wij geven klompjes. Zij geeft enkele foto’s van haar schilderijen. Ze zwaait ons na. Ik heb tranen in mijn ogen. Zoveel hartelijkheid!

Als we voorbij tempel 7 komen, zijn een man en vrouw druk bezig podia op te stellen voor het maken van een groepsfoto. Een busgroep komt net aan. Er wordt druk gearrangeerd, net zolang totdat iedereen erop past. De reisleider sjouwt ondertussen met zware weekendtassen richting stempelkantoor. De foto wordt eindelijk gemaakt; wij fotograferen mee… Bij tempel 6 zit weer een bedelhenro. Kwart over 12 keren we even terug naar de grote weg om bij een udonrestaurantje aan te leggen. Er zitten al 6 loophenro’s, smetteloos wit, net begonnen aan hun tocht zo te zien: ze zijn druk in de weer met kaarten en mobieltjes. We raken aan de praat met de man die aan de tafel achter ons zit: hij heeft al een eerste blaar en is evenmin tevreden over zijn kleine rugzakje, zonder frame en zonder heupband. We wensen ze ganbatte als we om 1 uur weer vertrekken.

Via wat kleinere wegen keren we vanaf de grote weg weer terug op de pelgrimsroute. Regelmatig is er een harde en behoorlijk frisse tegenwind. In een gehucht lopen we een jonge Belgische loophenro tegen het lijf en raken aan de praat. Hij vertelt dat hij een jaar economie heeft gestudeerd en daarna een jaar psychologie. Zijn moeder vond dat hij maar eens de Rue naar Santiago moest gaan lopen, maar hij houdt niet zo van Spanjaarden en koos daarom Japan. Hij heeft 2 dagen zitten wachten op een simkaart in een goedkope herberg in Bando (waar tempel 1 zich bevindt) en nu is hij ook alweer 2 dagen aan het lopen vanaf tempel 1. Zijn verhaal klinkt erg verward. Hij loopt de hele tijd verloren, zoals hij het zelf uitdrukt, weet vaak ook niet waar hij is. Hij spreekt ook geen woord Japans. De 1e dag is hij een monnik achterna gelopen naar een shintotempel, de berg op achter tempel 1, ‘wel een kilometer hoog!’ (In werkelijkheid ligt deze tempel vlakbij in een zijdal…) Op de berg was hij de weg ook al kwijtgeraakt en uiteindelijk bij een boer terechtgekomen waar hij kon kamperen. De boer had hem eten en een pint gegeven en ook een matje voor hem gesneden, want dat had hij ook niet bij zich. Hij kon echter niet slapen en was toen maar in het donker verder gaan lopen. Geschrokken van een wegschietend dier was hij weer helemaal teruggerend. Hij houdt niet van lopen, vertelt hij, en hij heeft ook niet getraind van tevoren. Hij heeft erg veel last van voeten, rug en bekken. Geldgebrek heeft hij ook. We geven hem de tip om gratis overnachtingsplaatsen te vragen bij de tempels en ook om ‘service’ (=gratis maaltijd) in restaurants. We vertellen hem over de hartelijkheid en de behulpzaamheid van de mensen van Shikoku.

Terwijl we staan te praten, gaat achter ons een deur open. Of we zin hebben in koffie? We blijken voor een beauty- en kapsalon te staan. Met zijn 3-en vleien we ons op de makkelijke stoeltjes en genieten uitgebreid van koffie met koekjes en later nog groene thee met cake. Een klant die net aankomt, moet maar even wachten en krijgt ook thee. De gastvrouw biedt aan om ons met de auto naar tempel 1 te brengen, maar dat slaan we vriendelijk af. We eindigen met foto’s. Pas om kwart over 2 gaan we verder, nadat we de Belg veel sterkte hebben gewenst en langdurig naar de gastvrouw en haar klant hebben gezwaaid. We moeten nog gaan opschieten… Nog 8 kilometer te doen en het is wel de bedoeling dat we tempel 1 nog voor 5 uur gaan halen… ‘Als je zo blijft doorlopen, zijn we er over een uur’, hijgt Mels achter mij, met de gps in de hand. ‘Je loopt weer eens 6 kilometer per uur!’

Om kwart over 4 komen we aan bij tempel 1. De aardige stempelmonnik, een bejaarde vrouw, kaalgeschoren, maakt een mooie bladzijde in ons stempelboek, compleet met einddatum. ‘Osettai!’, zegt ze. We krijgen hem gratis. En ze geeft er ook een massagestokje bij, gemaakt van rolletjes papier, en wat folders over Kōya-san. In het zithoekje tekenen we het Boek der Voltooiing; ik schiet vol. In het boek zijn sinds ons vertrek op 28 februari 577 namen bijgekomen, waarvan 29 buitenlanders, onder andere uit Argentinië, Korea, Kroatië, Italië, Duitsland, Frankrijk, Thailand, Tjechië, Nederland en vooral uit Australië en de USA. Daarna drinken we groene thee samen met enkele geïnteresseerde autohenro’s.

Vanaf Bando Eki nemen we de boemeltrein voor een ritje van 22 minuten naar Tokushima. We kijken stil naar buiten, vol tegenstrijdige emoties nu de tocht is afgelopen. Grote oppervlakken met lotuskwekerijen trekken voorbij; de planten vaak omgeven door tunnels doorzichtig plastic. Soms zijn er wijngaarden; de druiven een millimeter groot. Maar vooral zijn er weer sawa’s, eindeloze hoeveelheden sawa’s. Langzamerhand neemt het stedelijk gebied de overhand. We passeren de brede Yoshinogawa en lopen dan Tokushima binnen. Tegelijkertijd met David Moreton komen we bij het hotel tegenover het station aan. We hebben afgesproken samen uit eten te gaan. David (de auteur van het Engelstalige routeboekje) vertelt over zijn drukke werkzaamheden rond de henro michi, naast zijn ‘echte’ baan als leraar Engels aan de universiteit van Tokushima. En ook over zijn persoonlijke leven, hoe hij in Japan is terechtgekomen, en waarom hij zich er zo thuisvoelt. De zachte Japanse aard.

Pas tegen 10 uur nemen we afscheid. Op de hotelkamer kunnen we de temperatuur niet omlaag krijgen. De hotelairco staat vandaag afgesteld op verwarmen, legt de vriendelijke receptioniste uit. Uiteindelijk verkassen we om half 12 naar een andere, veel grotere kamer met 2 ramen die open kunnen. Dat geeft tenminste lucht! We zijn tot na 1 uur aan het werk, toch nog even van de wifi profiteren, want de komende dagen gaan we wéér lopen…

Geplande afstand: 23,4 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 25,0 km (incl. 1 km extra naar koffiehuis, excl. 1 km van tempel 1 naar station), totale stijging 457 m, totale daling 458 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1521,5 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.20–18.10 uur (in Sun Route Hotel, Tokushima)
Looptijd: 4,57 uur
Gemiddelde snelheid: 5,2 km/u
Bezochte tempels: tempel 1
Blaren: 2 restantjes en 1 kleine
Overnachting: Sun Route Hotel, Tokushima (westerse kamer, 2p-bed, bureau met stoel, tv, badkamer met bad/douche/wc, wifi op de kamer; om half 12 verhuist naar westerse kamer, 1x1p- en 2x 1½-bed, bureau met 2 stoelen, flatscreen tv, computer, koelkast, hal met kast, badkamer met bad/douche/wc, wifi op de kamer, goed ontbijt)

Dag 76: vrijdag 11 mei 2012: Rondje rond

Nog 2 loopdagen…
Na een ondanks de pijn toch redelijk goede nachtrust, is het eerst moed verzamelen om op te staan. Maar de voeten vallen best wel mee. Slechts af en toe is er nog een pijnscheut. Vandaag staan 22–23 kilometer op het programma: via tempel 88 naar onze overnachtingsplaats bij tempel 10. Eigenlijk is ons rondje al rond bij tempel 10, maar dat telt natuurlijk niet; we gaan morgen door naar tempel 1. Het is koud(!) als we om kwart over 9 vertrekken. We volgen de smalle weg waar de ryokan aan ligt, verder naar de 3 kilometer noordoostelijker gelegen tempel 88. Het is (het eind van) dezelfde weg als die we 2 jaar geleden namen naar de tempel. Langzaam stijgt het weggetje een kleine stille vallei in. Enkele keren horen we een fazant schreeuwen. Een paar keer rijdt een betonwagen het weggetje af. Eenmaal gaat het bijna mis: De chauffeur is druk bezig met beide handen zijn muts goed op zijn hoofd te zetten. De auto stuurt zichzelf onze kant op. Pas op het laatste moment geeft hij een ruk aan het stuur…

Al binnen een half uur zijn we bij de tempel. Via de zijpoort komen we bij een van de tempelgebouwen en bij de schrijn waar pelgrimsstaffen in worden bijgezet. De blauwe en witte wisteria ervoor zijn bijna uitgebloeid; de vele pioenrozen al helemaal. Tegen beter weten in zoek ik tussen de 1000-en staffen achter het glas naar degene die ik 2 jaar geleden achterliet bij deze tempel. Pas een jaar later hoorde ik, dat niet alle staffen worden bijgezet; normaal worden ze verbrand… We hebben allebei besloten – net als vorig jaar – onze staffen mee naar Nederland te nemen. We voeren de rituelen uit en ik laat bij het stempelkantoor mijn boekje stempelen; een diploma kopen we deze keer niet, we hebben er al een… Daarna kuieren we langzaam naar de uitgang, langs de trappen waarlangs we de vorige keer na een hachelijke bergtocht naar beneden kwamen. Bij de hoofdpoort (met links en rechts beelden van Kannon) krijgen we meteen een kommetje gemberthee aangeboden door een van de winkeliers die hier hun nering hebben. Hij had ons gisteren al ergens gezien, vertelt hij. Ik neem er ook een ijsje en koop er bovendien 2 kleine kussentjes om een klankschaal op te zetten. We krijgen 2 flesjes water als osettai mee. Nadat we in een andere winkel nog onigiri hebben ingeslagen voor de lunch, zetten we om 10 voor 11 onze tocht voort. We hebben allebei een wat onwezenlijk gevoel, nu we de laatste tempel hebben bezocht, voor we teruggaan naar nummer 1. Ik kijk af en toe nog achterom naar de hoge rotsen boven de tempel, waar we vorig jaar overheen hebben gelopen; in gedachten neem ik afscheid…

We nemen eerst dezelfde weg als voorgaande jaren, die verder naar het oosten voert, af en toe licht stijgend naar een pasje toe, maar merendeels toch gestaag langzaam dalend. Er is slechts weinig autoverkeer. Daarna slaan we af en nemen de zuidelijke route, terug naar tempel 10. De zon weet steeds meer door de bewolking heen te dringen en langzamerhand stijgt de temperatuur. Tegen half 1 vinden we een rest hut waar we onze onigiri opeten. Kort erna zijn er enkele koeienstallen. Koeien zie je weinig op Shikoku – er wordt sowieso weinig vlees gegeten – maar de weinige koeien die er zijn worden nooit op grasland gehouden, maar in lage, donkere, open stallen, die rondom zijn afgezet met hekwerk. Koeienkoppen steken triest naar buiten. Op de dichtbeboste berghellingen is tussen het donkergroen het zachte geelwit van bloeiende bomen. Een grote zand- en grintfabriek stuift torenhoge wolken stof in het rond. We blijven even staan kijken en ik neem foto’s, terwijl we onderwijl wat bestoft raken.

Mels krijgt het steeds moeilijker naarmate de middag vordert; de pijn in zijn voeten vermeerdert. Mels: ‘Kun je je niet wat inhouden?!’ Antwoord: ‘Ik probeer jou bij te houden.’ Mels: ‘Waarom loop je dan telkens zo’n eind voorop?’ En later: ‘Al die stenen op de stoep!’ Antwoord: ‘Wees blij dat er een stoep is…’ Korte tijd later is er geen stoep meer: ‘Weer zo’n klotenweg!’ Langzaam lopen we het brede dal van de Yoshinogawa in, waar we maanden geleden onze voetreis zijn begonnen. Aan de overzijde zijn de donkere, hoge bergen waar tempel 11 en 12 zich bevinden: de 1e pelgrimshel. Wij blijven aan de noordzijde van het dal. Kort maken we een ommetje naar een postkantoor, dan gaat het verder westwaarts. We halen een vrouwelijke loophenro in, gekleed in smetteloos witte kleding met rieten punthoedje. Ze doet alleen de tocht in de 4e prefectuur van het eiland. Morgen zal ze ook haar tocht afronden – via tempel 11 – bij tempel 1.

Kort voor de bergweg naar tempel 10 buigen we af naar het midden van het dal voor onze overnachtingsplaats. We hebben voorgaande jaren al bij ryokan Yawata geslapen, maar beide keren in het begin van de pelgrimstocht, nu doen we dat tegen het einde ervan. Vlak voor de ryokan lopen we toch nog verkeerd; het kost ons een paar 100 meter extra. Maar om 4 uur zijn we er dan toch, allebei met behoorlijk zere voeten. Na het heerlijke avondeten duikt Mels meteen op de futon. Af en toe hoor ik hem jammeren van de pijn. Nog voor de avond valt, verzamelen zich donkere wolken boven beide bergruggen rond de riviervlakte.

Geplande afstand: 22,5 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 23,8 km (incl. 0,5 km extra naar postkantoor), hoogste punt 450 m (bij tempel 88), totale stijging 533 m, totale daling 840 m, eindpunt 39 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1496,5 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.13–16.00 uur
Looptijd: 4,48 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u
Bezochte tempels: tempel 88
Blaren: 2 restantjes en 1 kleine
Overnachting: ryokan Yawata (1 kamer 10 tatami’s groot met 2 kastenwanden, 1 tafeltje, tv, kluis, 1 hal met wastafel, wc, uitzicht op omringende dal met beek en huizen/tegenoverliggende bergen (waar tempel 11 en 12 zich bevinden), uitstekend avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 75: donderdag 10 mei 2012: Geen tandvlees over

Er zijn vele manieren om de pelgrimsroute af te sluiten: eerst bangai 20, dan naar tempel 88, of andersom (en daar zijn ook weer variaties op), al dan niet gevolgd door het teruglopen naar tempel 1 om de cirkel weer rond te maken. Wij hebben er deze keer voor gekozen eerst naar bangai 20 te lopen, dan naar tempel 88 en vervolgens via het binnenland, langs tempel 10 – en alle andere tempels tussen 10 en 1 – terug te lopen naar tempel 1. De laatste 3 loopdagen gaan in. Vandaag zullen we eerst naar bangai 20 klimmen en dan via een andere weg weer terugkeren naar de gewone pelgrimsroute tot onze overnachtingsplaats zo’n 3 kilometer voor tempel 88.

Bij gebrek aan douche mandieën we ons ’s ochtends na het bad. Tot onze spijt kunnen we in dit hotel pas om 7 uur ontbijten, maar dan staan we ook startklaar. Toch duurt het al met al – inclusief afrekenen – tot 20 voor 8 voordat we kunnen vertrekken, 2 liter water meezeulend, want we verwachten onderweg niets te eten of te drinken tegen te komen vandaag. De weg voert naar het zuiden, verder het dal in, aanvankelijk lichtjes stijgend. Na anderhalve kilometer komen we langs de onsen – ook al een flatgebouw – waar we eigenlijk hadden willen slapen, omdat dat de dagafstand wat verkleinde, maar ze zijn deze week met vakantie. Er is slechts weinig verkeer en naarmate we stijgen, wordt de weg steeds kronkeliger, smaller en stiller. In de diepte bruist een beekje over een rotsige bedding. Hier en daar zijn wegwerkzaamheden, waar de bergwand onder de weg wordt verstevigd. Ook de wand boven de weg is veelvuldig in een betonnen frame gevat. Het lijkt een overkill voor zo’n klein, stil weggetje… Er staan massa’s koningsvarens, grote planten met grote, cognackleurige sporendragers; wat hoger zijn de varens een stuk kleiner, zonder sporen. Op de weg liggen af en toe rolletjes van bladrollers. Rondom ons zingen nachtegalen en talloze andere vogels. Verder weg is er de schreeuw van een fazant. De weg is al gauw behoorlijk beschaduwd en ook het frisse windje dat om elke bocht waait als we wat hoger zijn gekomen, maakt het lopen een stuk makkelijker en aangenamer dan op voorgaande dagen. Af en toe passeren we een huis, dat er verlaten uitziet. In enkele – met blauw of zwart zeil overspannen – kassen liggen tassen stammetjes geënt met shiitake. Later zijn er alleen nog maar verlaten kassen, overwoekerd door slingerplanten. De omringende, dichtbeboste bergen zijn donkere silhouetten; in de diepte zien we de weg die we eerder hebben afgelegd; de verre vlakte is niet te zien door de nevelige grijsheid. In de berm staat salomonszegel, tussen de Japanse duizendknoop die hier wat kleiner is dan normaal. Een specht roffelt op een verre boom; elders roept een uil. Hommels zoemen over de weg: kleine langwerpige honingkleurige en dikke korte met zwarte strepen. Kort voor we de (eerste) pas naderen, steekt er een behoorlijk koude wind op. Vlak na de pas zien we een zenkonyado (gratis overnachtingsplaats) met een bankje ervoor. We trekken een deur open om even uit de wind te zitten.

Daarna stijgt de weg nog zo’n 100 meter; een tijdlang lopen we over een bergrug met aan beide zijden een diep dal tot we opnieuw bij een pas komen, het hoogste punt van onze dagroute. Er staat een shintotempel en even later – als we iets zijn afgedaald – is er bangai 20, een klein, wat shabby tempelcomplex. De 2 kersenbomen bij de ingang staan volop in bloei, met zoetrose dubbele bloemen, bij het smerige waterbekken is een felpaars bloeiende struik waar talloze hommels rondzoemen, zwarte met honingkleurige kontjes. In perkjes staan tulpen en andere bloemen. Aan de rand van het complex staan vlaggen met enkele wimpeltjes eraan: Tibetaans? Het is pas kwart over 11 als we aankomen; we hebben er 3,5 uur over gedaan, even lang als in het hotel werd voorspeld. De stempeldame roept haar priesterzoon erbij, die wat Engels spreekt, voor het maken van een praatje. De tempelstempel is hier een dubbele: veel henro’s sluiten hier hun pelgrimstocht af en daarom toont het stempel zowel het getal 20 als 88. De zoon geeft ons 2 flesjes groene thee en enkele koeken. Erg welkom, want een vending machine is er niet; en een waterkraan evenmin, vertelt hij. Wij geven onze kaartjes en de vrouw laat het spaarvarken zien dat haar zoon op jonge leeftijd heeft geboetseerd.

We eten op een erg ongemakkelijk bankje bij het stempelkantoor een stukje van onze lunch op. Een paar maal komt de rode, langharige tempelkat even langs om geaaid te worden. Het blijft erg koud, we gaan al snel weer verder. Om kwart over 12 dalen we af aan de oostkant van de berg, ook weer over de weg. Er is hier wel een bergpaadje naar beneden, maar dat is afgesloten, te gevaarlijk geworden. De weg is 4 kilometer langer, maar dat hebben we al ingecalculeerd. Net als gisteren lopen we op een kaart van 1:100.000 en routewijzers zijn er niet of nauwelijks langs deze route; vooral tijdens de afdaling moeten we regelmatig even de kaart op de gps gebruiken, om te controleren of we nog in de goede richting gaan, want er zijn regelmatig splitsingen. Het blijft behoorlijk fris; pas enkele honderden meters lager gaat eindelijk het kippenvel op onze armen wat liggen. Het uitzicht is nog steeds erg beneveld; onze ogen prikken: zit er soms weer zand afkomstig van de Mongoolse vlakte in de lucht, net als vorig jaar? In de berm zie ik een parasitaire plant staan; het bladgroen ontbreekt. Een grijsgevachte aap sluipt stilletjes tegen de helling op. Rond enkele bomen hangen de blauwe bloemen van de wisteria. Soms zijn er grote groepen kleine witgele irissen. Op de weg liggen er af en toe platgereden hagedissen en salamanders; enkele keren een feloranje salamander met zwarte vlekken. De bewolking trekt steeds meer dicht en de zon verdwijnt. De temperatuur blijft een stuk lager dan voorgaande dagen en dat is erg fijn. Toch dreig ik regelmatig in slaap te vallen tijdens het lopen. ‘Ik snap niet hoe een mens in slaap kan vallen tijdens het lopen!’, zegt Mels. Nou ja, ik dreig ook regelmatig tijdens het besturen van een auto in slaap te vallen, waarom dan niet tijdens het lopen?

Langzamerhand komt de vlakte uit de nevels tevoorschijn. Op een betonnen richel bij een fabriekshal eten we het restant van onze lunch op en sukkel ik heel kort in slaap. Daarna krijg ik prompt weer last van buikkrampen. Eenmaal in een volgend dal, volgen we een weg door wat gehuchten, langs een smalle, in het beton gegoten bergwand. Bij een stuwmeer met een grote dam komen we op een grotere weg die ons weer verder naar het noorden zal voeren. Tot onze blijde verrassing zien we er een koffiehuis met flikkerend knipperlicht. We hebben sinds het ontbijt eigenlijk niet goed meer gezeten en onze lunch was wat schraal; we hebben behoorlijk honger en daarom is dit heel welkom. Ik knik vriendelijk naar de vrouwen die bij de ingang op een bankje zitten, maar ze schieten snel naar binnen. Als we naar binnen willen stappen, staan ze met zijn 3-en bij de deur, de armen over elkaar. Wat we willen… Koffie? Nee, dat is er niet. En iets kopen uit de winkel onder het restaurant op de 1e verdieping is er ook niet bij. We worden er op erg onvriendelijke wijze uitgebonjoerd. We begrijpen het niet goed: de parkeerplaats staat vol met auto’s en het knipperlicht geeft aan dat ze open zijn. Angst voor buitenlanders? We druipen af. Vlakbij is een open rest hut met stenen krukjes; iemand heeft er ook een kapotte fauteuil achtergelaten. Maar er staat hier een erg harde, koude wind en we blijven er slechts kort. Het is al 5 over 4 en we hebben nog minstens 8–9 kilometer te gaan.

Vanaf de dam lopen we verder naar het noorden, weer langs een erg drukke 2-baans weg waar geen plaats is voor voetgangers. Opnieuw gaat het soms bijna fout. Een tegemoetkomende zandauto staat bovenop de rem als er tegelijkertijd een vrachtwagen uit de tegenovergestelde richting komt. We drukken ons tegen de vangrail aan, maar hij weet vlak voor ons tot stilstand te komen. De harde wind blijft; we moeten ons er tegenin worstelen. Ook een volgende 2-baans weg, die naar het noordoosten voert, is erg smal. Zo’n 3 kilometer voor onze overnachtingsplaats rinkelt Mels’ i-phone: de ryokan vraagt waar we blijven. Kort daarna nemen we een stil zijweggetje naar het oosten, dat eerst leidt langs uitgestrekte grondwerkzaamheden waar nieuwe sawa’s worden aangelegd, en daarna langzaam stijgend door een kleine, idyllische vallei voert, omzoomd door bossen. Later is er af en toe weer een huis, in het laagste deel enkele sawa’s, langs de weg zijn er soms donkere poeltjes, half verscholen onder het gebladerte. De ryokaneigenaar is de tuin aan het sproeien en zwaait bemoedigend naar ons. Het is een uitgebreid complex waar we overnachten en we moeten eerst nog omlopen naar de ingang. Daar worden we uiterst hartelijk ontvangen door de gastvrouw. We kunnen meteen aanschuiven voor het avondeten. In de eetzaal zijn ook enkele taxihenro’s; ze hebben ons onderweg zien lopen, zeggen ze, en ze applaudiseren voor ons. ‘We hebben het toch gedaan!!!’, zeggen we telkens tegen elkaar. We kunnen het nauwelijks geloven; de laatste kilometers gingen echt op ons tandvlees…

Na het eten duiken we meteen op de futon; te moe om nog te kunnen zitten. Mels gaat er alleen af en toe even uit voor de wasmachine en droger. We wisten niet dat onze voeten zo’n pijn konden doen. Sinds onze 1e pelgrimstocht hebben we niet meer zo’n pijn gehad in heupen, knieën, kuiten, enkels en vooral voeten. Om de beurt jammeren we zachtjes.

Geplande afstand: 32,7 km, 750 m stijging
Werkelijke afstand: 36,8 km, hoogste punt 920 m (vlak voor bangai 20), totale stijging 1206 m, totale daling 1101 m, eindpunt 336 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1472,7 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.40– ca. 18.30 uur
Looptijd: 7,40 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: bangai 20
Blaren: 2 restantjes en 1 kleine
Overnachting: ryokan Takeyashiki (1 kamer 10 tatami’s groot met tokonoma, kastenwand, 1 tafeltje, tv, kluis, 1 hal, 1 binnenveranda met 2 stoeltjes, 1 tafeltje, wastafel, wc, uitzicht op tuin/beek/omringende heuvels, goed/uitstekend avondeten, goed ontbijt)

Dag 74: woensdag 9 mei 2012: Het broeikaseffect

‘s Nachts zijn enkele uilen tegen elkaar aan het opbieden. Het is benauwend warm en we slapen slecht. Om 10 voor 6 kijk ik uit het raam naar de grote kamferboom bij het poortgebouw van de tempel. Op het stille tempelterrein loopt een zwaarbepakte loophenro. Even later komt er een kleine pickup aanrijden met een man in mintgroene werkmanskleren; ’s ochtends voor het werk nog even bidden in de tempel. Al sinds 5 uur, half 6 is er in de verte onweer te horen. Net na het ontbijt barst het boven ons los. De regen komt met bakken naar beneden. De hartelijke gastvrouw biedt koffie aan. We blijven plakken tot tegen 10 uur; we hebben toch een ‘makkelijk’ dagprogramma: 1 tempel te bezoeken en daarna 21–22 kilometer lopen naar onze overnachtingsplaats.

Het regent nog steeds als we het tempelterrein naast de minshuku oplopen om de rituelen uit te voeren, maar bij ons vertrek is het al droog. Bij een supermarkt slaan we wat eten in. Daarna keren we terug naar de route. Aanvankelijk volgen we dezelfde route als voorgaande jaren, naar het zuiden, richting tempel 88. Het is broeierig warm; ik voel het zweet in stromen van mijn rug lopen en ook over mijn wangen en polsen. Onze ogen prikken van het zweet dat er telkens in loopt. Het voelt alsof je voortdurend een broeikas in loopt, bij elke stap opnieuw. Slopend.
Op een parallelweggetje komen we langs een mooi heiligdommetje: een schaduwrijk plekje omringd door rotsen waarop overhangende bomen zich vasthouden met hun lange wortels. In de rotsen zijn vaag een man en een vrouw uitgehouwen. Op een hoge sokkel zit een beeld met een grote hoed. Talloze andere beelden staan her en der verspreid. Een bijzondere plek.

Langzaam stijgt de weg tot we al na anderhalf uur – we hebben dan inmiddels 7 kilometer afgelegd – bij het stuwmeer aankomen waar de Salon zich bevindt, het ontmoetingscentrum voor pelgrims. We worden er hartelijk ontvangen door een groep vrijwilligers. Er zijn zoals altijd groente thee en koekjes. We krijgen ook weer elk een certificaat dat we de tocht hebben afgelegd (nou ja, bijna…) Voorgaande jaren werden deze door een bejaarde man uitgeschreven, maar vandaag is hij naar het ziekenhuis voor zijn wekelijkse afspraak, zo wordt ons verteld. Een vrouw neemt nu de honneurs waar. Ze laat ook het gastenboek zien, waar we onze naam ook elk jaar opnieuw aan toevoegen. Ze vertelt dat ze bang waren dat de buitenlanders weg zouden blijven na de grote aardbeving, maar er komen er daarentegen steeds meer. Er komt een man bij ons zitten die goed Engels spreekt. ‘I am no. 1 walker in Japan’, zegt hij. Hij heeft (in delen) langs de kustlijn van Japan gelopen. En hij doet nu hetzelfde in Europa: vanuit Griekenland, via Macedonië, Kroatië en Italië is hij in Frankrijk aanbeland. Hij woont 7 kilometer van de Salon verwijderd. Elke dag loopt hij ernaartoe en weer terug om te trainen. Een van de vrijwilligers komt ook praten: hij is leraar Engels geweest en heeft dat ingeruild voor het boerenleven. Hij heeft veel gelezen over het christendom en vraagt of wij speciale gebeden (speciale zinnetjes) hebben, bijvoorbeeld voor de zieken. Ik vertel hem over het gedenken van zieken in onze gebeden, over de Dankdag voor het Gewas, over Allerzielen. En over het Onze Vader. Hij vertelt over de osettai (de cadeautjes voor pelgrims) in vroeger tijden. Vaak waren dat rieten sandalen (die gingen maar 1 dag mee) of een kommetje rijst. We blijven er een uur plakken, laten nog onze osame fuda’s achter bij de wand met kaarten van de herkomstgebieden van de loophenro’s (1 kaart van elke Japanse prefectuur en 1 van de rest van de wereld), ik dool nog even door het sfeerrijke museum terwijl Mels op de laptop onze blog laat zien, en dan gaan we naar het wegstation ertegenover voor een lunchset met hamburger.

Om 1 uur vertrekken we voor het 2e deel van ons dagprogramma. We volgen eerst dezelfde stille weg als 2 jaar geleden, de bergen in, tot zo’n 350–400 meter hoogte. Hier en daar zitten groepjes bergkikkers te brullen in hun holletjes. Grote libelles zijn er ook volop, vooral felgele en ook mooie honingkleurige. Rupsen zijn er daarentegen veel minder dan gisteren. Van het uitzicht is niet veel te zien. De zon is er weliswaar steeds meer bij gekomen, maar het blijft heel erg nevelig. We rusten regelmatig even in de spaarzame schaduw van een boom, pas later is de weg meer beschaduwd. Enkele keren moeten we aardverschuivingen passeren. De 1e keer is de helling onder de weg verschoven; in de weg zitten grote barsten. Niet zoveel verder is de helling boven de weg verschoven. Een smalle strook asfalt is al weer vrijgemaakt. Nog weer wat verder is een groot stuk van de smalle weg zelfs afgebroken. Als wij voorzichtig passeren, komen er net 4 auto’s aangereden met werkmannen en toezichthouders die de situatie komen bekijken en opmeten. Even verderop is er weer een stuk van de weg af. Het moet allemaal nog niet zolang geleden gebeurd zijn; we herinneren ons dat er in ieder geval 2 jaar geleden nog niets aan de hand was.

Na het pasje – waar we even na 2 uur zijn – daalt de weg weer heel langzaam. We komen langs een meertje met scholen vissen en schildpadden, en – tot onze grote verbazing – ook met enorme kikkers die met een blafje en met een sierlijke boog het water inschieten als we blijven staan om te kijken. Als we wat verder zijn afgedaald, nemen we een grotere weg naar het zuiden en later naar het westen. Daarmee wijken we van de route af die we 2 jaar geleden namen naar tempel 88, want deze keer willen we eerst bangai 20 nog bezoeken. De laatste tempels zitten eraan te komen… Bij een piepklein supermarktje hopen we ijs te vinden, maar dat is er niet. Wel krijgen we 2 pakjes fris toegestopt, die we meteen opdrinken, zittend op enkele kratjes voor de winkel. (Mels denkt dat het appelsap is, ik denk dat het smaakt naar Fristie.)

Naar het westen toe is het een vervelend traject: langs de vrij drukke 2-baans weg is geen plaats voor voetgangers en er is veel vrachtverkeer, vooral betonwagens en zandauto’s die op en neer rijden naar de verschillende betonfabrieken die we onderweg tegenkomen. Af en toe drukken we ons tegen de vangrail – als die er is tenminste, want anders is er de metersdiepe afgrond naast de kademuur waarop de weg rust. Een paar keer gaat het bijna fout. We houden ons hart vast. Maar we redden het, telkens weer. Even na 5 uur komen we op de splitsing waar onze overnachtingsplaats moet zijn. We hebben er dan 4 uur over gedaan vanaf de Salon, terwijl daar 3 uur werd voorspeld. Mels kijkt verbijsterd rond. In plaats van de verwachte minshuku staat er een groot flatgebouw van 11 verdiepingen hoog. Totaal out of context in de landelijke omgeving met hier en daar wat alleenstaande huizen. Maar als hij de artistieke impressie van de kanji heeft ontcijferd, komt hij tot de conclusie dat dit toch de gereserveerde overnachtingsplaats moet zijn. Het is – zoals we wel vaker in Japan zien – een soort Oostblokhotel met heel veel vergane glorie. Het eten is prima, hoogstens het plastic tafelkleedje wat schimmelig. We gaan vroeg op bed, want vandaag was de opmaat voor het programma van morgen: de allerzwaarste dag van onze hele pelgrimstocht, een klim van 230 naar bijna 1000 meter hoogte waar bangai 20 zich bevindt, de hoogst gelegen tempel op Shikoku. Maar vooral… in totaal 33 kilometer te lopen…

Geplande afstand: 20,0 km, 350 m stijging
Werkelijke afstand: 23,6 km (incl. 1 km extra i.v.m. supermarkt/postkantoor), hoogste punt 418 m (pasje), totale stijging 762 m, totale daling 574 m, eindpunt 231 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1435,9 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.42– ca. 17.05 uur
Looptijd: 4,40 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: tempel 87
Blaren: 1 restant en 1 hele (nog groter gegroeid)
Overnachting: Kabagawa Sō (1 kamer 8 tatami’s groot met 1 tafeltje, tv, kluis, kastenwand, 1 halletje met kast én met een brievenbus in de deur (‘Ik heb nog nooit een hotelkamer gehad met een brievenbus’, zegt Mels), 1 hal met 2 fauteuils, 2 tafeltjes, kluis en kastenwand, 1 hal met wasmeubel, 1 wc, 1 badkamer met bad (geen douche) goed avondeten, goed ontbijt)

Dag 73: dinsdag 8 mei 2012: Knabbelen aan de poorten van de hemel

Om kwart over 8 werken we ons door de drukke ochtendspits van Takamatsu verder naar het oosten. Lange tijd lopen we op de stoep naast route 11, een drukke, 4-baans verkeersader. De vele stoplichten geven veel oponthoud, evenals het fietsverkeer dat de stoep deelt met de voetgangers. Grote horden schoolkinderen fietsen ons tegemoet. Op een wat rustiger stoep liggen 2 dode lapjeskatten; netjes naast een boom gelegd. Bij een brug over een brede rivier staat een grote groep witbloeiende acacia’s, een zware, zoete geur verspreidend; in het water duiken aalscholvers naar vis; 2 bruggen over brede rivieren – en enkele kilometers – later zijn er schildpadjes en een witte zwaan en zwemmen er grote scholen vissen waarvan er sommige boven het wateroppervlak uit springen. Direct erna nemen we een smal weggetje naar het noorden en al snel laten we de grotestadsdrukte achter ons.

We hebben voor vandaag 25–26 kilometer gepland, met bezoek aan 3 tempels, maar de 1e 2 liggen wel elk op een ander bergje en de 3e moeten we per se halen vandaag. Het 1e bergje beklimmen we via een betonnen weggetje, afgewisseld met natuurstenen plaveisel en treedjes. De zon weet de meeste tijd door de sterke nevel heen te prikken; het is warm en broeierig en het zweet gutst ervan af. In 3 kwartier zijn we boven bij tempel 84, waar Kannon centraal staat, de boddhisatva van mededogen. Naast de mooie, oude hoofdtempel staat een modern (maar ook erg fraai) museumgebouw. Eigenlijk had ik graag deze keer de Snow Garden (steentuin) achter het museum willen bezoeken, maar de tijd ontbreekt ons vandaag; misschien een volgende keer… Van de aardige stempelmonnik krijgen we 2 koekjes die we meteen opeten. Om 11 uur dalen we de berg weer af aan de oostkant via een nogal hachelijk paadje, een van de allermoeilijkste tijdens onze tocht. Gelukkig heeft het de afgelopen dagen niet geregend, anders was het gewoonweg niet te doen. Langzaam, heel langzaam dalen we af naar een smal, langgerekt dal dat uitkomt bij een diepe inham van de Japanse Binnenzee; in de diepte is een vissershaven. Aan de overzijde van het dal is een bergrug waar grote happen uit zijn: 2 toppen zijn half afgegraven. Het enorme lawaai van de caterpillars is aan deze zijde van het dal zelfs te horen. ‘We zijn in 37 minuten afgedaald’, zegt Mels, de man van de cijfers, als we in het dal zijn aangekomen, weer terug op zeeniveau. ‘Dat is 8 minuten sneller dan de vorige keer. We wennen aan die moeilijke paadjes.’

Door het dal lopen we via allerlei straatjes en weggetjes naar de berg aan de overzijde. Onderweg kopen we bij een supermarkt wat brood en cake voor de lunch. En ik vind er een nieuwe zonnebril van € 10, het kan er nu vanaf. Op het bankje bij de bushalte ervoor eten we de lunch meteen op. Het bankje kijkt uit op de berg waar we naartoe moeten. Er steken 5 toppen op een rij uit boven de plaats waar de volgende tempel ongeveer moet zijn. Vorig jaar vertelde een man ons dat God woont op die 5 toppen. Nu realiseer ik me dat die toppen tot dezelfde bergrug behoren als waar er zo driftig wordt afgegraven. Er wordt geknaagd aan de poorten van de hemel…
Langs sawa’s, met piepjonge rijstplantjes of waar driftig machinaal wordt geplant, lopen we verder door het dal. Aan de voet van de berg zijn we vorig jaar uiterst hartelijk onthaald door een echtpaar. De schuifdeuren van het huis zijn nu dicht. Mels loopt snel verder, maar ik blijf verlangend naar de deuren kijken die prompt openschieten. Het weerzien is hartelijk. We worden binnen uitgenodigd; schoenen uit. Behalve de gastvrouw zijn er nog 2 andere vrouwen. Ze schieten allemaal de keuken in om ons opnieuw te verwennen: een maki met groente, koffiegelatine met room, thee, rijstkoekjes, schijfjes buntan… En of we zin hebben in echte groene thee? We worden naar de speciale theekamer geleid en krijgen er bancha in mooie chawans, en lekkere koekjes erbij. De gastvrouw laat ons het Delftsblauwe doosje zien dat we vorig jaar gaven. En ook haar plakboek, met onze naamkaartjes én een krantenknipsel van het artikel dat over ons is verschenen in de Asahi Shimbun. Ook dat hebben ze bewaard. Ze vertelt dat er steeds meer buitenlanders langskomen, gisteren nog een Canadees, een Fransman en een Zwitser. Uiteindelijk moeten we ons losscheuren, hoe gezellig het ook is. We moeten weer verder. Deze keer geven we een koelkastmagneet. Delftsblauw uiteraard.

In minder dan een half uur lopen we de smalle bergweg op naar tempel 85. Boven de weg hangen overal spannertjes, maar ook andere rupsen aan lange draden. De metalen reling langs de weg zit vol met rupsen, ik tel minstens 7 verschillende soorten: kleine zwarte, grote felgroene met een punt en vooral bontgekleurde – zwart, wit, felgeel, rood en roodbruin – met lange haren. Ook op de weg krioelt het ervan; vele zijn al doodgereden. Gisteravond hadden we allebei wat last van uitslag – ik op mijn onderarmen, Mels op zijn gezicht, heup en benen – mogelijk hebben deze rupsen daar mee te maken. We proberen ze zoveel mogelijk te ontwijken.
Ook tempel 85 is een van die plaatsen die we allebei als speciaal ervaren, een magische plek. Naast de hoofdtempel zijn er vaag beelden in de bergwand uitgehouwen. Naar de andere tempels is het een eindje lopen, langs klokkentoren, schrijntjes, poeltje en beelden. Voor een van de andere tempels staat een boom met paarswitte, kelkvormige bloemen. Het totale tempelcomplex strekt zich uit over vele niveau’s, maar jammer genoeg ontbreekt het ons nu aan tijd om de berg nog verder op te gaan. We voeren alleen de rituelen uit en vertrekken dan weer. Van de stempelmonnik krijgen we 2 blikjes koffie. Aan de zuidoostkant dalen we de berg weer af via een lange, af en toe sterk dalende weg (21%). Ook hier zijn weer duizenden rupsen, vooral de bontgekleurde. In een van de vele stuwmeertjes zwemmen schildpadden; uit een rozenstruikje onderaan de betonnen oever klinkt een roerdompachtig geluid – een duidelijke misthoorn – maar we kunnen de vogel niet ontdekken.

Anderhalf uur later zijn we bij tempel 86; het is 4 uur, ruim op tijd. Voorgaande jaren vonden we het een wat rommelig geheel, waar her en der wat terreinwerkzaamheden leken te gebeuren. Er is nog niets veranderd, behalve dat een van de bijgebouwen is afgebrand en dat daadwerkelijk wordt herbouwd. De stokoude ginkgo op het terrein ziet er nóg wat minder gezond uit. In het vijvertje erachter kiften enkele reigers. Nu zie ik pas dat er reigernesten zitten in de grote oude kamferbomen achter op het terrein. Door de enorme hoeveelheden stront zijn de bovenste takken al afgestorven. Grote groepen duiven zitten op de hoofdtempel en op het pad. Enkele vleermuizen scheren over. Na de rituelen nemen we de tijd om even te rusten. Daarna hebben we nog 7,3 kilometer te lopen naar onze overnachtingsplaats naast tempel 87. ‘Jullie zijn er niet voor 7 uur’, zegt een andere loophenro tegen ons. Maar dan kent hij nog niet die snelle Hollanders van het platte vlak. Even na 6 uur zijn we er al. Maar de laatste loodjes vallen niet mee. Onze voeten doen nóg meer zeer dan gisteren en we zijn nóg moeier. Engelsen hebben daar een mooi woord voor: weary. De hartelijke ontvangst en het heerlijke avondeten doen wonderen, maar we merken wel dat we de laatste tijd moe, erg moe zijn. En de laatste dagen zijn we ook wat treurig: het einde van de tocht nadert. Elk jaar opnieuw is het alsof de de 1e helft van de tocht heel helder en bewust voorbijtrekt. Van dat deel herinner ik me veel meer details dan van de 2e helft van de tocht – zo ongeveer vanaf het moment dat we langs de westkust naar het noorden trekken – waarbij de dagen als in een waas voorbij lijken te trekken. Alles verwordt tot een blur. Als in een trance. Is dat verlichting? Dat je op een gegeven moment te moe bent om je nog druk te kunnen maken om iets? Maar het is geen vervelende moeheid, geen moeheid die het leven mat maakt. Het is meer dat er gewoonweg geen ruimte meer is voor iets anders dan lopen en alles wat er direct omheen hoort. We constateren allebei dat het ook enorm verslavend is, dat lopen. Niet alleen vanwege de endorfinen die vrijkomen. Het is ook de manier van leven, het ongecompliceerde… het onderweg zijn…

’s Avonds laat is er via de mail bericht uit Mashiko: de zware tyfoon die over die regio is getrokken, heeft ook Mashiko getroffen. Er is opnieuw – soms ernstige – schade aan huizen en ateliers. Het lijkt wel of het weer in de war is: het tyfoonseizoen in Japan is normaal in het najaar.

Geplande afstand: 25,3 km, 100 m stijging
Werkelijke afstand: 29,4 km, hoogste punten 287 m (tempel 84) en 225 m (tempel 85), totale stijging 985 m, totale daling 944 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1412,3 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.15– ca. 18.10 uur
Looptijd: 6,20 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: tempel 84, 85 en 86
Blaren: 1 restant en 1 hele (nog groter gegroeid)
Overnachting: minshuku Nagaoji (1 kamer iets meer dan 6 tatami’s groot met 1 tafeltje, tv, kast, halletje, uitzicht over tempelterrein, wifi op kamer, goed avondeten, goed ontbijt)

Dag 72: maandag 7 mei 2012: Waar is die tempel???

Na een goede nachtrust voel ik me een stuk beter dan de afgelopen dagen. Bij toeval ontdek ik dat mijn rugzak kapot is: een van de banden waarmee de zak aan de heupband zit, is volledig doorgesneden door de metalen strip die onderaan het frame zit. Een constructiefout. De rugzak zit al jaren scheef, maar we weten dat aan het feit dat mijn ene heup 3 centimeter hoger zit dan de andere. Mogelijk heeft het toch (ook) met de rugzak zelf te maken…

We blijven lang hangen aan de ontbijttafel, nog even genieten van het mooie uitzicht. Het is bewolkt en erg nevelig. In de verte hangt een gele smogsluier. De Japanse Binnenzee oogt spiegelglad. In de laagvlakte rijden piepkleine autootjes in file over de wegen. Af en toe spuit er een grote wolk stoom uit een schoorsteen aan de kust. Het mooie van het zitten op een berg is dat je perspectief verandert: al het drukke gedoe in het dal lijkt zo verschrikkelijk nietig. Niets is meer belangrijk. Het leven geeft me alles wat ik nodig heb.

Bij het afrekenen blijkt het hotel een stuk goedkoper dan verwacht, we houden zelfs – na contante betaling – nog zo’n ¥ 10.000 (€ 100) over in de pot. In de lobby spreken verschillende mensen ons aan over de pelgrimstocht. We blijven uitgebreid staan kletsen en het is al 9 uur als we eindelijk vertrekken. Het dagprogramma is middelzwaar: 25–26 kilometer te lopen en 4 tempels te bezoeken, maar Mie belde vanochtend dat ze om 5 uur op het station in Takamatsu op ons zal wachten. Het lijkt ons onwaarschijnlijk dat we dat gaan halen, maar dat heeft Mels haar al wel verteld. Als we er niet zijn, zal ze naar het hotel bellen.

Via de weg dalen we iets verder af naar tempel 81 waar we al een kwartier later aankomen. Uit luidsprekers klinkt zacht traditioneel gezang. Via enkele trappen klimmen we omhoog naar de tempelgebouwen; onderweg zijn er verschillende kleine tempeltjes, waar kleine diersculpturen voor staan. Vorig jaar zijn we met een aap en een schaap op de foto gegaan; onze oosterse dierenriemtekens. Er zijn ook fraaie bomen – zoals een grote kamferboom en een kronkelige den – en donkerrood bloeiende rhododendrons. Bij de hoofdtempel staat een echtpaar de hartsoetra te reciteren, de man met luide(r) stem. Daarna begint iemand anders ook al erg luid te reciteren. Als wij wierook en kaarsje hebben aangestoken, willen wij ook beginnen met de hartsoetra en op dat moment begint iemand op volle kracht te reciteren. We kunnen onszelf niet eens verstaan. Als we klaar zijn, schieten we allebei (stilletjes) in de lach. Zou het besmettelijk zijn, dat harde reciteren? Bij een klein zijtempeltje bovenaan sta ik plotseling in het volle zonlicht. Ik ervaar opnieuw een grote helderheid. Een magische plek. Op weg naar de uitgang zien we weer 3 vrouwen waarmee we in de lobby van het hotel spraken. We gaan met zijn allen op de foto. En ik koop 2 minigelukskatjes, voor thuis.

Tempel 82 bevindt zich zo’n 5 kilometer verderop op hetzelfde plateau als tempel 81. We nemen een klein pad dat eerst verder de berg oploopt en dan lange tijd langs de hellingen kronkelt. Hier en daar zijn er weer felrose bloeiende azaleaboompjes langs het fraaie pad; enkele keren ook een groepje koningsvarens. Af en toe zijn er wroetsporen. Aan het eind stijgt het pad weer tot we op de weg uitkomen. Bij een klein restaurantje met de lyrische naam Gras naast de weg nemen we voor het 3e opeenvolgende jaar een ijsje. Van de uiterst hartelijke gastvrouw mogen we hem binnen opeten en we krijgen er ook een glas water bij. Het laatste stuk naar tempel 82 gaat opnieuw via een klein pad, nu licht dalend. We komen er een loophenro tegen die de tocht in omgekeerde richting doet… op krukken. We kijken hem verbijsterd aan. ‘Dat moet moeilijk zijn’, zeg ik in het Japans tegen hem. ‘Ja’, dat is het zeker’, antwoordt hij. Hij ziet er erg ongelukkig uit. ‘Sterkte’, zegt Mels. We kunnen onze ogen bijna niet geloven. Voor een gezond mens is de tocht al zwaar; met krukken begint het op ernstige zelfkastijding te lijken. Maar wie zijn wij om daarover te oordelen? ‘We kennen zijn verhaal niet’, zegt Mels, terecht. Even later komen we bij de trappen naar tempel 82 aan, de tempel waar het karkas van een 1600 jaar oud geworden boom staat: een monument voor een boom. Op de trap zijn bloedsporen te zien. We denken meteen aan de man met krukken, maar dit moet verser zijn… We zien echter nergens een gewonde.

Na tempel 82 nemen we een pad dat aan de noordoostkant van de berg afdaalt, op weg naar bangai 19. In een klein bamboebosje horen we op 2 plaatsen geluiden als van ‘bamboespechten’, maar we kunnen de bron ervan niet ontdekken. Op het pad liggen lege doppen van kleine walnoten. Regelmatig hangen kleine spannertjes aan lange draden boven het pad. Af en toe zie ik door mijn oogharen weer eentje langs de rand van mijn hoed kruipen. Het laatste deel van de afdaling gaat over smalle weggetjes door gaarden vol zakjesstruiken. In een klein akkertje langs de weg staat een rijtje uienplanten – bossen met holle stengels die het midden houden tussen reuzenbieslook en ui – en op de bolronde bloeiwijzen zitten talloze vlinders: zwarte met lange slippen en roodrose stippen, zwartwit geblokte met een oranje toefje en azuurblauwe omgeven door zwarte biezen. Plotseling ontvouwt zich een fraai, verstild panorama over de Japanse Binnenzee. In de spiegelgladde, blauwgrijs getinte zee drijven donkere, puntige silhouetten van beboste eilanden. De nabije kustvlakte bevat een mix aan huizen en akkerland; verder naar het oosten, half achter een heuvelrug, is Takamatsu te zien, de grootste stad aan de noordkust van Shikoku, met hoge torenflats en havenindustrie.

Eenmaal in de laagvlakte vinden we geen tekens meer van het pelgrimspad, maar we denken dat er weinig fout kan gaan als we steeds naar het noorden of noordoosten aanhouden, ongeveer richting zee. Maar de weg buigt helaas steeds meer naar het noordwesten en uiteindelijk moeten we concluderen dat we helemaal niet goed zitten. Het kost ons minstens een kilometer extra. Als we weer naar het oosten lopen, zien we al snel een udontentje. Het is al half 2 en we snakken naar een lunch, dus leggen we even aan. Binnen hangt een mooie verzameling antieke kinderkimono’s. Helaas niet te koop. Op de tv zien we beelden van een zware tyfoon die in een regio ten noorden van Tokyo is langsgetrokken. Kort na de lunch hebben we weer allebei last van buikkrampen, maar gelukkig niet lang deze keer. Pas kilometers later arriveren we eindelijk bij bangai 19. Het is dan al half 3. In het stempelkantoor staan fraaie oude beelden. Op het stille tempelcomplex staan ook rijen en rijen beeldjes van kindertjes; allemaal met roodgehaakte mutsjes en rode slabbetjes met witte biesjes. Bij de hoofdtempel hangt een grote rozenkrans aan het plafond, ik laat de grote kralen door mijn handen gaan. ‘Het gaat fout. We gaan het niet meer halen’, zegt Mels na het uitvoeren van de rituelen. Het is vanaf bangai 19 meer dan 9 kilometer naar de in het binnenland gelegen tempel 83. Als we die niet halen voor 5 uur (liefst half 5 voor de zekerheid), dan is dat een ramp: de tempel ligt veel te ver van het hotel om er morgenvroeg nog even ‘bij’ te kunnen doen. Mels stelt voor een taxi te nemen. Maar het is pas 3 uur en dan wil ik het er nog niet bij laten hangen. Terwijl we stevig doorlopen, zegt Mels: ‘Ik heb zitten berekenen dat we er theoretisch om 5 voor 5 kunnen zijn.’ ‘Kun je geen betere berekening maken?’ ‘Nou, 4 voor 5 eigenlijk…’ Eerst schieten we nog even een postkantoor binnen: eindelijk weer ruim geld! Dan stappen we stevig door. Aanvankelijk via allerlei kleinere wegen, later lange tijd over een fietspad langs een brede rivier. En dan gaat het weer fout. We lopen een brug te ver. Kost ons weer een halve kilometer extra. Mels vraagt verschillende keren aan enkele schoolkinderen of ze de tempel kennen, maar tempels ‘leven’ blijkbaar niet zo bij kinderen… Gelukkig is er eindelijk een vrouw die ons de goede richting uitwijst. Om 13 voor 5 komen we aanstormen bij het stempelkantoor. We zijn niet de laatsten. Auto- en loophenro’s komen nog voortdurend hijgend aanrennen; opgelucht grijnzend als ze zien dat het stempelkantoor nog open is.

Na het uitvoeren van de rituelen blijven we langdurig op een bankje midden op het tempelcomplex zitten, onder een kersenboom vol wensbriefjes en kleine wensparasolletjes. We nemen een cola uit de vending machine. De stempelmonnik is ondertussen bezig met afsluiten. ‘Het werk zit erop?’, vraagt Mels in het Japans aan hem. Hij grijnst breed. Even later komt hij met 2 blikjes ijskoffie aan. ‘Dit zijn de snelste 10 kilometer die we ooit hebben gelopen’, grijnst Mels. We hebben alleen wel behoorlijk pijn in onze voeten…

Ja, en dan… Dan moeten we nog 7 kilometer lopen naar het hotel… Lange tijd lopen we langs een drukke 2-baans weg – opnieuw naar het noorden, maar nu iets oostelijker – meestal met stoep of overdekte goot; het tempo wat lager dan de voorgaande 10 kilometer. Ik zie een rat wegschieten, een zijgoot in. De zon verdwijnt bloedrood achter een heuvelrug. Langzamerhand lopen we Takamatsu binnen. Het is al donker als we bij het hotel aankomen. Er is geen eten bij inbegrepen, maar we kunnen terecht in het kleine restaurant bij het hotel en eten daar onverwacht goed. Mie belt niet meer…

Geplande afstand: 25,3 km, 100 m stijging
Werkelijke afstand: 30,5 km, hoogste punt (vlak voor tempel 82) 438 m, totale stijging 766 m, totale daling 1074 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1382,9 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.59–19.00 uur
Looptijd: 6,27 uur
Gemiddelde snelheid: 4,7 km/u
Bezochte tempels: tempel 81 en 82, bangai 19, tempel 83
Blaren: 1 restant en 1 hele (groter gegroeid)
Overnachting: hotel No. 1 (westerse kamer, 2x1p-bed, bureau met krukje, fauteuil, koelkast, tv, badkamer met bad/douche/wc, internet met kabeltje op kamer, (goed/uitstekend avondeten,) redelijk ontbijt)

Dag 71: zondag 6 mei 2012: Don’t kill the ladybird

Marugame is naar het oosten toe aaneengegroeid met Sakaide. Al om 8 uur lopen we op de stille zondagochtend door verlaten winkelpassages en langs grotere en kleinere wegen door de lange stadsstrook naar het oosten. Zo vroeg in de ochtend is het al warm, ondanks de dreigende bewolking; zelfs de lichte wind voelt warm aan. Tempel 79 is slechts zo’n 6 kilometer verwijderd van ons vertrekpunt. Onderweg begint het lichtjes te regenen. Vlak voor de tempel worden we ingehaald door een Canadees. Al lopend wisselen we enkele woorden uit. Het is een snelle loper. Als we bij de tempel aankomen – een uitgebreid complex dat zowel een shintotempel als een boeddhistische tempel omvat en ook een enorme kamferboom herbergt – is hij al weer verdwenen.

We rusten even op een bankje bij het stempelkantoor om wat van de koekjes te eten die we gisteren hebben gekregen. Prompt gaat het luikje achter ons open en krijgen we nog wat koekjes van de stempelmonnik. De regen is weer opgehouden en de zon komt tevoorschijn. Het is lekker even te zitten; we hebben allebei last van vermoeide lijven. Het is en blijft toch een lange, erg lange tocht… En dan zien we al weer een langneus: Janice Farley uit New York, 62 jaar, deed op haar 50e al eens de Camino en heeft nu al haar eigendommen verkocht om deze reis te maken. En… ze is keramiste… We blijven lang zitten praten. Vooral over de tocht. Ze vertelt dat sinds in de VS een film uitkwam over de Camino – The Way – veel Amerikanen geïnspireerd zijn geraakt deze tocht te ondernemen. Vooral omdat het zo ‘anders’ is. Zijzelf is vrij onvoorbereid aan de henro michi begonnen: pas tijdens haar reis heeft ze van een vrouwelijke Argentijnse henro geleerd over de typische Japanse gewoonten, Japans spreekt ze niet en het maken van reserveringen – via derden als ryokaneigenaren of medehenro’s – lukt haar vaak niet. Ze heeft daarom eerst wekenlang met de Argentijnse opgetrokken, later met een 88-jarige Japanse henro tot hij ziek werd. Ze huilt veel, vertelt ze. We wisselen gegevens uit: zij heeft – net als wij – het plan na de pelgrimstocht keramiekplaatsen op Kyushu te bezoeken.

Een smal weggetje langs een brede rivier leidt ons verder naar het zuidoosten, langs huizen, met bloemrijke tuintjes en potten, en vooral langs heel veel Love Hotels, de tarieven per uur aangegeven op grote borden. Love Hotels zijn een typisch Japans verschijnsel: paartjes (ook echtparen) gaan er naartoe om wat privacy te hebben die ze in hun eigen huis niet kunnen vinden met die papieren schuifwanden. Langs een grote 4-baans weg moet volgens het routeboekje een supermarkt zijn en we hopen er een goedkope lunch te bemachtigen, maar de supermarkt blijkt verdwenen. We bijven de weg volgen op het trottoir ernaast en moeten voortdurend slalommen om de grote hoeveelheid lieveheersbeestjes, en ook mieren en andere insecten niet dood te trappen. Via een klein weggetje komen we om half 12 bij tempel 80. Elke prefectuur (provincie) op Shikoku heeft een prefectuur-tempel, die door de keizer lang geleden als zodanig zijn ingesteld. Tempel 80 is de prefectuur-tempel van de 4e en laatste prefectuur waar we doorheen trekken op Shikoku. Een middelgroot complex; de drukte valt ons mee. Tot onze verrassing zien we bij de hoofdtempel een Amerikaan. We praten even kort met elkaar en gaan dan de rituelen uitvoeren.

Na het tempelbezoek gaan we op zoek naar een restaurant, in de hoop toch ergens een goedkope lunch te vinden. Vlakbij het poortgebouw naar de tempel is een open hal. Het blijkt een grote verwenplaats voor henro’s, bemensd met 5–6 mannen en vrouwen die groene thee schenken. We schuiven gelijk aan. Aan ons tafeltje zitten enkele jonge mensen die zeer geïnteresseerd zijn. Zij zijn een dagje tempelbezoek aan het doen. Daarna kijken we toch nog even verder naar een eettentje en tegenover het poortgebouw blijkt net een zwaailicht aan te zijn gegaan. In het restaurantje vinden we de Amerikaan terug en schuiven bij hem aan tafel. Hij blijkt Matthew Bennett te heten, 34 jaar, afkomstig uit Chicago. Hij loopt, net als wij, de henro michi voor de 3e keer, met bangai erbij en deze keer in tegengestelde richting. Hij heeft zijn baan en alles achter zich gelaten en hoopt na zijn pelgrimstocht werk te vinden in Japan – er worden genoeg Engelse leraren gevraagd – en hoopt dan ook de tijd te vinden een boek te schrijven dat hij al heel lang van plan is. Hij geeft ons het advies eens in het najaar het pelgrimspad te lopen, zo mooi met de najaarskleuren van de Japanse esdoorn. En hij heeft een andere tip voor ons: Hij heeft wel eens gelift en we vragen hem naar het ‘liftgebaar’ in Japan, maar dat kent hij niet. Hij heeft de gastheer van de ryokan waar hij verbleef, gevraagd wat kartonnen borden te maken met de namen van de eindbestemmingen erop. Plus een bord met (in het Japans) ‘Anywhere’ erop, voor het geval niemand de richting uitging waar hij heen wilde. ‘Werkt altijd’, zegt hij.

Het restaurant blijkt een sociale werkplaats te zijn. Terwijl wij zitten te eten komen er steeds meer mensen binnen om origami te maken. Wij krijgen enkele kikkertjes, uiltjes en vissen aan koordjes. Als je op een kikkertje drukt, springt het weg. Mels maakt foto’s. Het is een van de leukste restaurants waar we ooit geweest zijn tijdens onze tocht en we worden door het voltallige personeel en alle bezoekers uitgezwaaid.

En dan komt om half 2 het klapstuk van de dag: we hoeven alleen nog maar 7 kilometer naar onze overnachtingsplaats te lopen, maar die is wel vlakbij tempel 81 op 400 meter hoogte. Via wat kleine paadjes bereiken we de voet van de berg. Verschillende loophenro’s zijn op de terugweg: ze gaan in 1 dag op en neer naar de 2 tempels op deze berg om dan de volgende dag via de laagvlakte verder te trekken; het voordeel daarvan is dat je geen of weinig bagage hoeft mee te nemen. Wij hebben het echter steeds anders gedaan: aan de ene kant de berg op, aan de andere kant eraf. Een van de henro’s die we tegenkomen, blijkt een Parijzenaar. We praten even kort. Verbazingwekkend hoeveel langneuzen we vandaag tegenkomen. Daarna loopt het pad serieus omhoog de berg op. We vorderen langzaam. Regelmatig moeten we (ik) even rusten, vanwege de warmte. Maar we hebben alle tijd, geen tempel te halen voor half 5. En er zijn volop bankjes, zelfs een rest hut. Af en toe hoor ik mooi vogelgezang; zou dat zo’n gestreept meesje zijn die vorig jaar zonnebloempitten kwam eten? Langzamerhand ontvouwt zich weer een fraai uitzicht. Deze keer over de vlakte met Marugame, de omringende bergen, de zee met talloze eilanden. Het is slechts een beetje heiig.

Het pad komt uit op de weg die langs onze overnachtingsplaats loopt. Enkele kilometers lang kronkelt de weg licht op en neer, dan zakken we zo’n 100 meter weer af tot we om half 5 bij het op zo’n 300 meter hoogte gelegen hotel aankomen. Het uitzicht is oogverblindend – letterlijk en figuurlijk. De zon schittert op het wateroppervlak van de Japanse Binnenzee. Ervoor steekt het havengebied van Marugame nachtzwart af. De omringende bergen staan in grijze toetsen achter elkaar. We hebben 2 jaar geleden in dit hotel overnacht, vorig jaar – toen we via het Nederlandse reisbureau dit hotel wilden reserveren – was de prijs ons veel te hoog, maar deze keer valt het weer mee en hebben we toch gereserveerd. Bij de receptie vragen we voor de zekerheid of ze creditcards accepteren. Jazeker! En zelfs die van ons! Een zucht van verlichting…

We blijken deze keer een wat goedkopere kamer te hebben dan 2 jaar geleden en ook een bijbehorende goedkopere maaltijd. Geen idee waarom we 2 jaar geleden duurder reserveerden, evenmin waarom het deze keer goedkoper is. We vragen meestal de eigenaar van een ryokan of hotel waar we zijn om de komende reservering(en) voor ons te doen; de details ontgaan ons… Maar het uitzicht is er even goed om. Terwijl we genieten van het avondeten in de eetzaal – de beloofde journalist komt niet opdagen – gaat langzaam de zon onder. In het westen is er de Japanse Binnenzee met de grote bruggen die Shikoku via enkele eilanden met Honshu verbinden. Meer naar het zuiden is er de kustvlakte met Marugame, af en toe onderbroken door dichtbeboste heuveltopjes. Langs de kustrand is er de havenindustrie: grote olie-opslagplaatsen, de hijskranen die we al eerder uit de verte zagen, langgerekte havenhoofden. Op de achtergrond en ook nog verder naar het zuiden zijn er alleen bergen, in alle mogelijke grijstinten. In de linker ooghoek zie ik relatief vlakbij een langgerekte berg die vanuit het midden terrasvormig wordt afgegraven. Langzaam kleurt de zon bloedrood, tot hij achter de bewolking aan de einder verdwijnt. Het in de grijzige verte gelegen Honshu verdwijnt in de grijze nevelen. De eerste lichtjes gaan aan, op de vlakte, en ook op de talloze schepen die in de zee zijn gemeerd. De wereld verstilt. We zitten eindeloos te kijken. Er zijn veel mooie vergezichten op Shikoku, maar misschien is deze toch wel de aller-, allermooiste… Het leven is een groot wonder. En niet alleen het leven… Alles wat er is…

Geplande afstand: 20,5 km, 400 m stijging
Werkelijke afstand: 21,0 km, hoogste punt 417 m, totale stijging 727 m, totale daling 440 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1352,4 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.57– ca. 16.30 uur
Looptijd: 4,20 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: tempel 79 en 80
Blaren: 1 restant en 1 hele (bestaande)
Overnachting: Sakaide Kanpo-no-yado (1 kamer 8 tatami’s groot met tokonoma en kastenwand, 1 tafeltje met 4 grondstoeltjes, tv, 2 kluizen, binnenveranda met tafeltje en stoelen, hal met koelkast en wasmeubel, wc, fenomenaal uitzicht over laagvlakte met Marugame, omringende bergen en zee met eilanden, goed avondeten, redelijk/goed ontbijt)

Dag 70: zaterdag 5 mei 2012: Bankrun

Gisteren in de loop van de middag kreeg ik steeds meer last van ‘slapende’ onderbenen en voeten; afgelopen nacht heb ik er nauwelijks door geslapen, want naast het ‘dove’ gevoel is er ook behoorlijke pijn. We hebben geen moeilijk dagprogramma vandaag – zo’n 21 kilometer te lopen en 3 tempels te bezoeken – maar van het begin af aan gaat het erg, erg moeizaam. Het is bovendien erg warm – zelfs de tegenwind is warm – en ik voel me niet helemaal lekker. Om kwart over 8 volgen we eerst de drukke – en ook erg saaie – 2-baans weg terug, waarover we 2 dagen geleden naar Kotohira kwamen. Nu blijven we de weg echter enkele kilometers langer volgen zodat we wat verder naar het noordwesten uitkomen. Al snel lopen we door het stedelijk gebied van Marugame, een van de wat kleinere steden op Shikoku. Onderweg doen we elke bank, postkantoor en supermarkt aan – en dat zijn er heel wat vandaag – in de hoop toch nog wat geld te kunnen pinnen, maar helaas. Het kost ons aardig wat extra tijd, maar die ‘besparen’ we door de vele koffiehuizen en restaurants die we onderweg tegenkomen, te negeren – zelfs de 2 Joyfulls waar we voorbij komen! – vanwege tijdelijke bezuinigingsmaatregelen, want de bodem van onze gezamenlijke pot komt steeds meer in zicht en we hopen dit weekend in ieder geval de overnachtingen te kunnen betalen…

Na 9 kilometer komen we om half 10 bij tempel 76 en rusten er maar liefst anderhalf uur op een bankje in een overdekte ruimte met henrovoorzieningen als gootsteen en wasmachine. Ik val zittend in slaap. En dat doet me goed; daarna heb ik een stuk minder last van mijn benen. Bij de hoofdtempel staat een beeld bedekt met bladgoud en er hangt een enorme rozenkrans waar iedereen – en dus ook wij – aan trekt om de kralen al ratelend naar beneden te vallen vallen. Na het uitvoeren van de rituelen lopen we verder naar het noordwesten waar na 4–5 kilometer tempel 77 is. De meestal kleine weggetjes voeren afwisselend door woonwijken of langs groene of al goudgele, wuivende rijstvelden. Onderweg zien we een enorme kamferboom; op een weggetje ligt een klein schildpadje, het piest een grote straal als we het voorzichtig aanraken. In de verte zien we weer de grote roodwit gestreepte hijskranen die de kustlijn aanduiden. Vlak voor tempel 77 stond voorgaande jaren een man loophenro’s op te wachten om iedereen een klein zelfgemaakt keramiekbeeldje van Kukai te geven. Deze keer staan zijn ouders erbij. Zijn moeder legt uit dat er een wenspapiertje in het beeldje verborgen zit. We bedanken hen met een osame fuda. We zullen hem bij onze verzameling voegen. Thuis wil ik een plekje inrichten met al mijn verworven ‘schatten’. Daar zullen ook zeker zijn beeldjes komen te staan.

Als we om 1 uur aankomen bij tempel 77, beginnen we eerst op een bankje in de schaduw aan onze supermarkt-lunch. Het is druk met busgroepen en weekendtassen bij het stempelkantoor tegenover het bankje. De eigenaar van een winkel net buiten het poortgebouw komt langs en nodigt ons uit voor een glaasje ijskoffie. In het zithoekje in de winkel bewonderen we de vele houtgesneden beelden, en vooral de prijzen: een relatief klein beeldje kost al € 1000. Later bij het stempelen legt de aardige monnik uit waar de stempels en kalligrafieën voor staan: het stempel rechtsboven geeft het nummer van de tempel aan, de kalligrafie rechts noemt de ‘missie’ van de tempel; stempel en kalligrafie in het midden verbeelden de Boeddha of de godheid die in die tempel wordt vereerd, en linksonder staat de naam van de tempel. Van de stempelmonnik krijgen we bovendien een zak met koekjes en snoepjes. Dat komt goed uit! We geven ook een andere henro wat.

Vanaf tempel 77 is het 7–8 kilometer naar het noordoosten voor tempel 78. Onderweg wijken we even van de route af om een Japanse tuin – Nakazu Banshoen – te bezoeken die ons is aanbevolen door Yuko Hayashi. De tuin ligt vlakbij de zee. Als we aan komen lopen, komt er net een bruidspaar naar buiten, het meisje in traditionele kimono. De tuin ziet er van buiten al erg fraai uit, met een lange gebogen rode houten brug over een vijver en talloze bolrhododendrons die voor een deel al in bloei staan. Maar helaas… de entreeprijs is ¥ 1000 p.p., zo’n € 10 en het is niet handig dat momenteel uit te geven. Wat teleurgesteld werpen we nogmaals een blik op het stukje tuin dat we net kunnen zien, en keren dan om. Enkele kilometers later hebben we weer de pelgrimsroute opgepikt. We rusten nogmaals op een beschaduwd bankje in een rest hut en moeten ons dan gaan haasten, want we moeten voor 5 uur nog tempel 78 halen… Terwijl we verder lopen door de stad langs route 33, zien we in de verte op een heuvel het mooie kasteel van Marugame. Zo’n 10 over half 5 lopen we in stevig tempo het (piep)kleine huchtje op; het stempelkantoor is nog open. We voeren de rituelen uit en kuieren nog wat over het terrein, onder meer naar de fraaie bergtuin vol (alweer) bolrhododendrons, Japanse esdoorns en al even kromme naaldbomen gebogen over een grote vijver vol koivissen.

Nog geen kilometer verder is onze overnachtingsplaats. Het hotel oogt nogal shabby aan de buitenkant en ook de hal/lounge doet het ergste vermoeden, maar de gastvrouw is aardig en de kamer valt heel erg mee – is zelfs groot voor Japanse begrippen – en… er is wifi! Er is geen eten inbegrepen en de gastvrouw wijst ons een grote supermarkt even verderop. We vinden er een eethoek en dineren er met een bord soep en een biertje. ’s Avonds is er de luxe van een bureau, 2 stoelen en internet. Ik ben tot middernacht bezig met KLEI. En Mie Ozaki belt. Morgen krijgen we bezoek van Takayama Keichi, een reporter die ons vorig jaar heeft geïnterviewd voor de Asahi Shimbun, de grootste krant in Japan. Mie komt ons later deze reis nog opzoeken. Vandaag is de laatste loopweek ingegaan; we krijgen nog veel te doen…

Geplande afstand: 20,9 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 25,9 km (incl. 1 km extra via Japanse tuin en 1 km extra heen en terug naar de supermarkt), totale stijging 486 m, totale daling 553 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1331,4 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.18– ca. 17.15 uur
Looptijd: 5,0 uur
Gemiddelde snelheid: 5,1 km/u
Bezochte tempels: tempel 76, 77 en 78
Blaren: 1 bestaande (eindelijk kapot!) en 1 nieuwe op kleine teen
Overnachting: Business Hotel Utazu (westerse kamer, 3x1p-bed, bureau met 2 stoelen, grote koelkast, tv, badkamer met bad/douche/wc, wifi op kamer, redelijk ontbijt)

Dag 69: vrijdag 4 mei 2012: Bank Holiday

Een vrije dag… maar we hebben nog bangai 17 in te halen – vanuit het hotel 11 kilometer op en neer naar het zuidoosten – en we willen ook Kotohiragu bezoeken – vanuit het hotel 6 kilometer op en neer naar het westen. Kotohiragu (of Konpira-san) is niet een van de 88 tempels en ook niet een bangai, maar het is een shintotempel die in heel Japan bekend is en daarom toch door veel henro’s wordt bezocht. Maar we beginnen met geld halen. En komen tot de ontdekking dat het postkantoor is gesloten. Dat is niet conform de openingstijden op de deur. Bij de McDonald’s tegenover het hotel halen we een cappuccino en informeren meteen of het misschien een bijzondere dag is. Tijdens de Golden Week zijn alle postkantoren gesloten, krijgen we als antwoord. Maar naast de McDonald’s zijn 2 geldautomaten van banken die wel open zijn. Helaas worden onze bankpasjes daar niet geaccepteerd. Als het ons niet lukt vandaag of morgenvroeg geld te pinnen, zitten we in het weekend met een probleem, want creditcards worden slechts zeer zelden geaccepteerd in ryokans.

We gaan om 11 uur eerst maar eens op weg naar bangai 17. Via verschillende straatjes en weggetjes lopen we naar het zuidoosten. Het is warm, met af en toe een wat frissere wind van opzij. Bij een huis zijn enkele mannen aan het klussen. Een van hen vraagt waar we heen gaan en de ander biedt prompt een lift aan; hij moet toch nog even naar de tempel om te bidden. Maar we weigeren weer beleefd; we willen lopen. Al even na 12 uur komen we aan bij het stuwmeer naast bangai 17. Een groot beeld van Kukai kijkt op een heuveltje uit over het meer, want het was Kukai die dit waterreservoir heeft laten aanleggen. Kukai is niet alleen degene die als eerste deze pelgrimstocht liep en daarbij talloze tempels oprichtte, maar hij stichtte ook de boeddhistische Shingon-sekte, hij gaf leiding aan het uitvoeren van enkele grote waterwerken en ontwikkelde een van de 3 Japanse alfabetten. Hij is dan ook een van de meest bekende historische figuren in Japan.

Bangai 17 is slechts een kleine en ook erg stille tempel – we zijn de enige bezoekers – en al snel zijn we weer op de terugweg. De wind neemt toe en is ook steeds meer tegen; door de toenemende bewolking wordt het ook wat frisser. We hebben al de hele ochtend allebei last van buikkrampen, maar het belet ons niet te lopen… en te eten. Onderweg is een luxe bakkerij die blijkbaar erg populair is: er staat zelfs een vlaggenmans om het parkeren te regelen. Binnen lopen we in een lange rij langs de uitgestalde broodjes, elk met een klein dienblaadje en een grijptang in de hand. Met de broodjes nestelen we ons in het restaurant achter de winkel en nemen nog een cappuccino. Mels kan onverwacht mail ontvangen via zijn i-phone. Een mailtje van zijn jongste dochter: ze gaat scheiden na een jaar huwelijk en met een baby van bijna 9 maanden. Mels is er overstuur van.

Vlak voor Kotohira staat een man ons op te wachten voor zijn tuin, zijn vrouw komt naarstig aanhollen met 2 flesjes groene icetea. Voor ons! Terug in het stadje komen we al snel bij de Saya Bashi, een oude, overdekte houten brug. Tot onze verbazing zien we op de weg die langs de andere oever loopt, een lange file rijden. De file blijkt door een straat vol winkeltjes en wandelaars te trekken. We proberen er het hoofdpostkantoor: er staat op de deur dat de geldautomaat ook op zon- en feestdagen open is. Mels weet zelfs een beambte te vinden, maar helaas… 1000x excuses, maar tijdens de Golden Week is ook dit kantoor gesloten. Mels toont hem de tekst op de deur, maar dat maakt uiteraard niets uit.

Kotohiragu blijkt een zeer populaire tempel te zijn; we hadden er werkelijk geen idee van… Nu begrijpen we waarom het zo verschrikkelijk moeilijk was een hotel te reserveren in dit stadje. Samen met een hele horde mensen bestijgen we de 785 treden naar de tempel. De zon schijnt weer volop; het is warm en dus wordt er flink gepuft. Gezinnen met kleine kinderen, jonge paartjes, groepjes collega’s en ook veel mensen met honden klimmen langzaam omhoog of dalen – iets sneller – af. Grotere honden aan de lijn, kleintjes op de arm of in een mandje; hondjes met sokjes, jasjes en met broekjes. Broekjes??? Hoe moet dat dan??? Luiertjes natuurlijk!

Aanvankelijk loopt de toegangsweg – met af en toe wat treedjes en overdekt met zeilen om wat schaduw te bieden – door een woud van souvenirwinkeltjes met houtsnijwerk, tassen, T-shirts, hoedjes, wuivende gelukskatjes, lekkernijen en vooral ook heel veel wandelstokken. Wat wij inmiddels weten – maar blijkbaar massa’s anderen niet – is dat die stokken wegglijden op gladde treden; ze zijn hier gewoonweg helemaal niet te gebruiken… Al snel zijn het vooral de kinderen die met de rottinkies lopen te pronken en is het uitkijken geblazen ze niet tussen je benen te krijgen. Je kunt je ook op een klein overdekt draagbaartje, dat tussen 2 mannen hangt, naar boven en naar beneden laten dragen, maar we zien slechts 1 vrouw er gebruik van maken.

Verder naar boven is er een breed natuurstenen pad, met links en rechts grote stenen lantaarns, omgeven door bos. Onderweg komen we door het poortgebouw, met 2 samoerai links en rechts van de ingang. Op verschillende niveau’s volgen er andere gebouwen, zoals een museum met kunstwerken; wat hoger is er een stal met een wit en een donkerbruin paard erin. Er wordt druk gefotografeerd. Op een ander niveau staat een fraaie tempel. Mensen staan er netjes in een rij om om de beurt bij de tempel een muntje in de collectebak te gooien en te bidden. Bij de tempel staat een groot, oud waterreservoir. Als het je lukt een muntje te laten drijven op het wateroppervlak, mag je een wens doen. Het trekt massa’s mensen, vooral kinderen uiteraard. Dan komen we eindelijk bij Kotohiragu. Deze shintotempel biedt bescherming aan zeevaarders en in een lange overdekte hal hangen talloze schilderijen en foto’s van schepen. Tegen een wand hangen reddingsboeien en staan ook enkele rijen sakevaatjes, die vaak als offer aan een tempel worden geschonken. In het midden staat een langwerpige 1-persoons boot opgesteld, aangedreven door zonne-energie. Enkele van de fraaie tempelgebouwen zijn door overdekte gangen aan elkaar verbonden. De daken zijn bedekt met een minstens 40 centimeter dikke laag van reepjes sugibast, een traditionele dakbedekking die veel werd gebruikt in Japan. Door een raam zie ik enkele shintopriesters aan het werk. Ervoor staat een grote oude kamferboom omgeven door touwen vol wensbriefjes en ertegenover is een gebouw met achter een lange balie een rij mannen en vrouwen in shintokleding. Rijen bezoekers staan ervoor om wensbriefjes en dergelijke kopen. Je kunt er ook je boek laten stempelen, maar wij blijken de enigen die daarvoor komen. Vanaf dit niveau is er een wijds uitzicht over de laagvlakte waar de grote stad Marugame is gelegen, en over de omringende bergen. We zien ook weer de grote bruggen die Shikoku via enkele eilanden verbinden met Honshu. We maken een praatje met een man uit Tokyo, die Engels spreekt. Hij vertelt ons dat we nog verder omhoog kunnen, nóg eens 785 treden omhoog. Maar wij hebben begrepen dat je met de eerste 785 treden al verlost bent van al je zorgen: 786 is in het Japans (afgekort) nayamu; in het Japans betekent dat ook ‘zich zorgen maken’. Vandaar… We vinden het wel genoeg op onze vrije dag, hoger gaan we niet. Maar voor we weer afdalen zie ik nog een koppeltje plastic honden: 1 grote en 3 kleintjes. We vragen enkele meisjes wat er de bedoeling van is. Ze leggen uit dat je er wensbriefjes kunt kopen met een hangertje van een gelukshondje. Doe ik! (Geldproblemen? Welnee…) Als ze mijn geluksbriefje lezen, juichen ze dat ik extra veel geluk heb gekregen. Ik moet het hangertje en het briefje in mijn portemonnee bewaren.

Langzaam dalen we weer af en dwalen daarna door de straatjes van Kotohira, op zoek naar nog wat banken en supermarktjes met pinautomaten. We proberen het nog een paar keer bij een geldautomaat, maar geld krijgen we niet. We eindigen bij dezelfde kaiten-sushi als gisteren.

Geplande afstand: 11 km (bangai 17 v.v.) en 6 km (Kotohiragu v.v.), 250 m stijging (Kotohiragu)
Werkelijke afstand: 17,5 km, hoogste punt (Kotohiragu) 258 m, totale stijging 394 m, totale daling 390 m (gps heeft een tijdlang niet gewerkt)
Cumulatief afgelegde afstand: 1305,5 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 11.04– ca. 18.00 uur
Looptijd: ?
Gemiddelde snelheid: ?
Bezochte tempels: bangai 17 en shintotempel Kotohiragu
Blaren: 1 (altijd dezelfde)
Overnachting: Park Hotel (westerse kamer, 2p-bed, bureau met stoel, koelkast, tv, piepkleine badkamer met bad/douche/wc, internet staand via kabeltje in hal, redelijk ontbijt Japans/westers)

Dag 68: donderdag 3 mei 2012: Dark room op sokken

De hartelijke en zeer betrokken gastvrouw doet ons het bier van gisteravond cadeau en we krijgen ook nog 2 gele citrusvruchten mee. Wij geven Delftsblauwe klompjes. Lang, heel lang zwaait ze ons na, met een paraplu in de regen. We hebben een overvol dagprogramma voor de boeg: minstens 28–30 kilometer te lopen en 6 tempels te bezoeken, maar we gaan er al half vanuit dat we de laatste tempel (bangai 17) niet zullen halen; die kunnen we morgen, op onze vrije dag, inhalen door er vanuit de volgende overnachtingsplaats heen (en weer terug) te lopen.

Wij gaan eerst weer naar het westen, naar bangai 18 die we gisteren hebben gemist. Het regent stevig en we schieten al gauw wat kleinere straatjes in om de drukke 2-baans weg met meters ver weg opspattende plassen te ontwijken. Als ik diep ademhaal zie ik witte wolkjes uit mijn mond komen. Het is vandaag een stuk frisser dan voorgaande dagen. Bangai 18 blijkt over 2 lokaties verspreid. In de eerste tempel worden we door de flamboyante stempelmonnik met bakkenbaarden tot aan zijn kin uitgenodigd de tempel zelf binnen te gaan. Wel schoenen uit, rugzakken af. Hij blijkt zeer gecharmeerd van onze hartsoetra. We blijven even kletsen; hij zet stempels. Daarna bezoeken we ook nog de stupa bovenop het huchtje bij de tempel. En dan lopen we nog even terug naar de hoofdtempel die tegen een groot, oerlelijk gebouw aan blijkt te hangen. In plaats van de 2 hemelse koningen die bijna altijd de tempelpoort links en rechts flankeren, staan hier 2 sumoworstelaars links en rechts van de poort. Grapje? Of een moderne interpretatie van het Japanse veelgodendom? Ook hier is er een stempelmonnik. Als we een stapeltje osame fuda’s kopen, maken we ook met hem kort een praatje. Hij vertelt dat deze tempel de geboorteplek van Kukai’s vader is; bangai 17 is de geboorteplek van Kukai’s moeder.

Vanaf bangai 18 trekken we weer het binnenland in, naar het zuidoosten, waar 5 kilometer verder tempel 72 is. Plotseling houdt het op met regenen. Vanuit zee breekt de zware bewolking open en verschijnt een blauwe hemel. Opeens is het bloedheet en plakkerig. Uit het asfalt stijgen grote stoomwolken op. Bij een klein treinstation trekken we onze regenkleding uit. De wind steekt op; tegen uiteraard. Onderweg komen we langs een dakpannenfabriek. Omdat we vanuit een andere richting naar tempel 72 lopen, herkennen we de omgeving niet, zelfs niet als we vlakbij de tempel zijn gekomen. Maar om 11 uur staan we toch echt voor het poortgebouw; in een vijvertje zitten schildpadden; een kleintje zit bovenop een grotere te zonnebadderen. De volgende tempel is een halve kilometer verder, iets hoger gelegen. Langs gaarden vol zakjesstruiken komen we daar al 3 kwartier later. Als we de tempel weer verlaten, hebben we een mooi uitzicht over de kustvlakte vol groepjes hijskranen; erachter is de zee met talloze eilanden en de hoge bruggen die Shikoku via enkele eilanden verbinden met Honshu.

Ook naar de volgende tempel is het slechts enkele kilometers door een mix van agrarisch en halfstedelijk gebied: een afwisseling van grote – zowel traditionele als moderne – woonstedes, rijtjeshuizen, woonflats en ertussen door akkerlandjes, regelmatig met wuivende rijstvelden. Het is warm, zo in het open veld. Zoals wel vaker, moet ik uitkijken dat ik niet al lopend in slaap val. Rond tochtige heuveltjes is er een sterke wind die dan weer in de rug, dan weer tegen is. Na tempel 74 zitten we plotseling middenin de havenindustrie en daarna zijn er weer woonwijken tot we – ook slechts een kilometer later; het is dan inmiddels half 2 – bij tempel 75 aankomen. Voor veel henro’s is deze tempel het hoogtepunt van de pelgrimstocht: het is de geboorteplek van Kukai. Het is een enorm complex dat nogal commercieel aandoet, mede dankzij de vele marktkraampjes en winkeltjes op het terrein. En het is er altijd erg druk; zeker tijdens de Golden Week. Er was ons van diverse kanten aangeraden eens te slapen in het gastenverblijf bij deze tempel, maar dat gaat Mels te ver. We willen deze keer echter wel extra tijd uittrekken voor deze tempel. Eerst gaan we naar het restaurantje waar we vorig jaar ook hebben geluncht, in de hoop dat er ook nu weer een wifi-signaal op te vangen zal zijn, maar helaas vangen we met de i-phone en Apple laptop veel minder vaak wifi op en ook nu lukt het niet. Na de lunch bezoeken we het uitgestrekte tempelcomplex. Na het uitvoeren van de rituelen bezoeken we de Kaidan Meguri, een wandeling – op sokken – van 100 meter in totale duisternis door een rondlopende tunnel onder de tempel waar Kukai zou zijn geboren. Een plaats voor reflectie: ‘We wish you a beautiful mind’ staat in de Engelstalige folder. Maar toevallig hebben we wel een horde kinderen achter ons aan. We zijn er al snel doorheen. Daarna bezoeken we de tuin achter de tempel, waar een gebouwtje is met ‘the well of the birth water’ (we weten niet zeker wat ermee wordt bedoeld…) en een museum met de tempelschatten, zoals rollen met soetra’s, een oude tempelbel, een vergulde bronzen staf en een wierookvat.

Maar ons belangrijkste doel is de hoofdtempel die wat verderop op het complex staat. Vorig jaar kreeg Mels in het restaurantje het mailtje waarin stond dat zijn broer Herman was overleden. Juist op deze plaats willen we daarom daar opnieuw bij stilstaan. In de hoofdtempel staan enkele enorme vergulde beelden, omringd door een beeldengang van kleinere stenen beelden – ik denk Lakham. Voorin de tempel kun je grote wierookstaven branden. Mels steekt er een op om Herman te gedenken; ik steek er eentje op voor Meiny. En een andere voor mezelf, want de wierookstaven zijn niet alleen bedoeld om overledenen te gedenken. Als we de tempel verlaten, is er opeens een erg frisse wind; er drijven donkere wolken langs de hemel. Voor de tempel komen de Lachende Boeddha tegen, een henro die we vorig jaar enkele keren ontmoetten tijdens onze tocht. Hij liep vorig jaar de tocht voor de 16e keer; dus nu moet het minstens de 17e keer zijn. Hij ziet er slecht uit. Zijn mond oogt wat tandelozer en zijn flamboyante houding is weg; hij oogt erg mat. We zien ook weer het echtpaar dat we 2 dagen geleden bij tempel 67 spraken, degenen die ons op tv hadden gezien; ze beëindigen de tocht vandaag bij tempel 75. We blijven even kletsen en lopen dan nog wat over het terrein, langs de grote pagode en de 2 enorme kamferbomen die meer dan 1000 jaar oud zouden zijn. Pas 2 uur later vervolgen we onze weg.

Het is inmiddels 4 uur en we moeten nog 7 kilometer lopen naar ons hotel. Ook hier in het stedelijke gebied zijn geen pijlen van het pelgrimspad te vinden en moeten we vaak even het routeboekje en het kompas erbij pakken. We komen langs een uitgestrekte legerplaats, waar enkele Nederlands aandoende gebouwen staan: oude kazernes. We beginnen net een beetje de bebouwing achter ons te laten als een man met een Japanse inu ons aanspreekt: Waar we naartoe op weg zijn. Het Park Hotel? Maar we zijn toch niet serieus van plan dat helemaal te gaan lopen? Nou, toch eigenlijk wel. In ieder geval weten we nu zeker dat we op de goede weg zijn… Korte tijd later, op een kleine 2-baansweg, die loopt langs talloze boomkwekerijen met strak in vorm gesnoeide boompjes, stopt even verderop een busje, dat daarna achteruit rijdt tot het naast ons staat. Een lift nodig? Nee, 1000x dank, maar we willen lopen, ook al doen onze voeten steeds meer pijn en zijn we steeds moeier. Weer enkele kilometers later – we lopen inmiddels op een stoep naast een erg drukke 2-baansweg – stopt er weer een auto. ‘Instappen!’, worden we gedirigeerd. ‘Park Hotel!’, zegt de man en dan zie ik pas dat het de man met de Japanse inu is. Hij heeft de auto gepakt en is gaan rondrijden tot hij ons terugvond. Erg lief. Maar we willen toch echt lopen. Er komt een grote bus aanrijden, ik houd mijn hart vast. De man is erg vasthoudend, maar wij ook. Uiteindelijk rijdt hij lachend verder. We zwaaien lang.

Kort daarna leggen we even aan bij een Joyfull voor – uiteraard – ijs, want we hebben het onderweg weer warm gekregen, de zon schijnt alweer volop. Het is inmiddels half 6… Enkele kilometers later arriveren we bij ons hotel in het stadje Kotohira. Het personeel is wat stijfjes – dat doet blijkbaar extra sjiek aan – maar we moeten deze keer wel zelf onze koffers sjouwen, die naar dit hotel zijn doorgestuurd. In de lift blijf ik met mijn bamboewortel hangen tussen de deuren; hij overleeft het niet… De kamer blijkt de kleinste te zijn van onze hele tocht. Als de een staat, kan de ander er niet meer langs. Het vergt wat organisatievermogen en regelmatig overleg om elkaar niet teveel in de weg te zitten. We besluiten meteen maar te gaan eten, want dat moet je niet te laat doen in Japan. Omdat er bij het hotel geen restaurant is, gaan we naar de 300 meter verder gelegen kaiten-sushi, van een heel wat mindere kwaliteit dan de vorige en 2–3x zo duur, maar ze hebben wel edamame. Buiten blijkt het erg koud te zijn. Ik typ nog wat, zittend op bed; Mels probeert de wifi in de hal uit, maar dat werkt niet. Dan maar op bed…

Geplande afstand: 25,4 km (excl. 1,5 km extra naar bangai 18; incl. 2×5 km van Park Hotel naar bangai 17 en terug), 50 m stijging
Werkelijke afstand: 21,5 km, hoogste punt (eindpunt) 96 m, totale stijging 455 m, totale daling 357 m (gps heeft niet gewerkt tussen bangai 18 en tempel 72)
Cumulatief afgelegde afstand: 1288,0 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.13– ca. 18.15 uur
Looptijd: 5,54 uur (??)
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u (??)
Bezochte tempels: bangai 18, tempel 72, 73, 74 en 75
Blaren: 1 (trouw dezelfde)
Overnachting: Park Hotel (westerse kamer, 2p-bed, bureau met stoel, koelkast, tv, piepkleine badkamer met bad/douche/wc, internet staand via kabeltje in hal, redelijk ontbijt Japans/westers)

Dag 67: woensdag 2 mei 2012: Jezus redt

’s Nachts slaap ik niet vanwege mijn zere voeten; vooral mijn extra lange, linker middelteen zit voortdurend in een kramp. Vanaf een uur of 3 komt de regen met bakken uit de hemel en als we om 5 over half 9 vertrekken, hebben we alle regenkleding aan, want het is ook wat frisser dan de afgelopen dagen. We worden uitgeleide gedaan door de zuinig kijkende dame – met eindeloos geduld, want niet alleen onze schoenen kosten altijd veel tijd, ook moet er bij regen het een en ander in plastic worden gehuld… – en ze kijkt extra afkeurend als ik een van mijn schatten – mijn bamboewortel – aan mijn henrotas hang. ‘Ze zwaait ons niet eens uit’, zegt Mels verontwaardigd als we de straat uitlopen. Ik had me al de moeite bespaard om om te kijken… De regen blijkt gelukkig wat minder erg dan de afgelopen nacht. Aan de overzijde van het kruispunt is een café waar we wifi weten, maar dat is op dit vroege uur nog gesloten. Onder het afdak ervoor haalt Mels via zijn i-phone toch wat mails binnen, al duurt het erg lang.

Dan beginnen we aan ons dagprogramma: zo’n 21–22 kilometer te lopen en 5 tempels te bezoeken, waarvan de laatste 1–2 kilometer voor onze overnachtingsplaats. Een kilometer later zijn we al bij de ‘combitempel’ 68 en 69, 2 tempels die hetzelfde terrein delen. De hoofdtempel van 68 is een betonnen gebouw gecombineerd met een aluminium overkapping. Lelijk en sfeerloos. Ernaast is daarentegen een sfeervolle bergtuin vol bolrhododendrons waarvan de eersten in bloei beginnen te komen. Bij tempel 69 staat een enorme kamferboom met een meters ver uitgestulpte voet die vele malen groter is dan de stamomtrek. De klokkentoren bevat zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde erg mooi houtsnijwerk. We vervolgen onze weg naar het oosten, naar tempel 70, langs de zuidoever van een brede rivier waar hier en daar een groepje witte reigers rondhangt. Vooral langs de rivier is er een felle (uiteraard tegen)wind, de regen waait ons in het gezicht en ik word erg moe van het geworstel tegen de wind in. We hebben bovendien allebei behoorlijke buikkrampen. Maar… dan is er redding. We kunnen schuilen bij Jezus: bij de ingang van een koffiehuis staat een groot wit Jezusbeeld. We nemen er meteen maar een tweede ontbijtje – het is pas even na 10 uur – onder het genot van intreurige fumumuziek. Het duurt even, maar na zo’n 20 minuten dringt bij Mels eindelijk de naam van het koffiehuis door: Ribapuru betekent natuurlijk… Liverpool! Hij vraagt de gastvrouw naar de herkomst van de naam en zij wijst op de voorkant van een Mini Morris die naast het Jezusbeeld tegen de voorgevel is geplaatst: Mini Morris komt uit Liverpool! ‘En Jezus?’, vraagt hij. Daar krijgt hij geen antwoord op. Ik zeg tegen hem: ‘Waarom zetten mensen Boeddhabeelden in hun huis en tuin? Bij veel mensen zijn die toch ook alleen als decoratie bedoeld?’

De smalle weg langs de rivier wordt allengs smaller, eindigend in een fiets- en voetpad met bermen vol met Japanse duizendknoop, zuring en wikke. Op het asfalt ligt een doodgereden schildpadje, even verderop een grote zwarte vlinder met felrose vlekken. Zo’n 4–5 kilometer na de vorige tempels, steken we de rivier over en komen dan meteen bij tempel 70, een mooi complex met een grote pagode en bij het stempelkantoor 2 grote kamferbomen, maar zo in de regen… blijven we toch niet erg lang. Naar tempel 71 is het 11,5 kilometer door de laagvlakte waaruit in de verte af en toe wat bultjes oprijzen. Een afwisseling van agrarisch met halfstedelijk gebied, waar we nauwelijks iets van zien. De wind smijt de regen in onze gezichten en ook zakt mijn capuchon voortdurend half over mijn ogen. Bij een kaiten-sushi eten we ons helemaal ongans. De rekening? € 13. Sushi kost hier bijna niets!

Het laatste stuk van de route naar tempel 71 moeten we hebben verdrongen. ‘Geen stijgingen’, had Mels vanochtend nog voorspeld. Maar op de een of andere manier stijgt de weg steeds hoger. En nog wat… en nog wat… Het begint tot ons allebei door te dringen dat we op deze manier ons dagprogramma niet meer gaan halen: de 4 kilometer verderop gelegen bangai 18 hadden we voor half 5 moeten halen, anders moeten we morgen 1–2 kilometer terug lopen om hem alsnog te bezoeken en dat betekent 3–4 kilometer extra bovenop een dagprogramma van al 25 kilometer… Maar het is al half 4 en eerst komt tempel 71 nog… Pas als we bij de eerste trappen naar tempel 71 komen, herinneren we ons weer wat een ontzagwekkende hoeveelheid trappen dit complex bevatte. Bij een van de tempels is het stempelkantoor, waarvoor we de schoenen uit moeten trekken. Een deel van de tempel is in een grot. Een heel sfeervolle hoek. De hoofdtempel is nog vele trappen verder, langs in de kale, steile bergwand uitgehouwde beelden, sommige half weggeërodeerd door wind en regen. Een magische plek.

Na tempel 71 moeten we via een klein paadje verder naar bangai 18 – ook al zullen we deze tempel niet meer op tijd halen; we moeten er langs voor onze overnachtingsplaats – en we vinden een richtingaanwijzer waarop een tempeltje is aangegeven dat de goede richting uit is. Eigenlijk neemt niemand deze route. Normaal voegen henro’s eerst bangai 17 in de normale pelgrimsroute en dan ergens anders in de route bangai 18. Mels heeft het andersom gepland; theoretisch moet het korter zijn eerst bangai 18 te bezoeken… Het betekent wel dat we geen wegwijzers meer tegen zullen komen.

Zodra we rond 4 uur het tempelterrein verlaten in de richting van bangai 18, stijgt het het paadje tot onze verrassing. We gaan verder de bergen in. En ons is ook meteen duidelijk waarom de route niet wordt gebruikt… Het pad is een beekbeddinkje en door de aanhoudende regen is die ook nog eens niet meer droog. We klotsen voortdurend door het water. Een keer sta ik tot mijn enkels erin. Vaak kost het behoorlijk wat moeite de grote stappen te nemen tegen kleine watervalletjes in. Langzaam werken we ons steeds verder omhoog. Dan komen we op een splitsing. In het beschaduwde bos is het routeboekje nauwelijks nog te lezen – de splitsing staat er sowieso niet in – maar Mels weet zich door de teksten op enkele wegwijzers heen te werken en komt na ampele vergelijking met het boekje tot de conclusie dat we linksaf naar beneden moeten. Als we het paadje nemen het volgende dal in, kan ik door de laaghangende bewolking soms zelfs niet eens Mels meer zien. In de wildernis om ons heen is geschreeuw van apen.

Lange tijd worstelen we ons behoedzaam langs het glibberige paadje naar beneden. Vaak moeten we elkaar vasthouden, om wat extra steun te bieden. Maar na enige tijd is er nauwelijks meer een pad te bespeuren; alleen aan de beeldjes die we af en toe tegenkomen, kunnen we concluderen dat we waarschijnlijk nog goed zitten. Dan kruist het vage paadje een klein beekje. We moeten er doorheen klauteren en waden en het duurt even voordat we aan de andere zijde het vervolg van het paadje tegenkomen. Een paar maal kruisen paadje en beekje elkaar op dezelfde manier, tot het moment dat er helemaal geen vervolgpaadje meer is. Mels klimt over de hoge oever om rond te kijken, maar er is gewoonweg geen pad meer. Er zit niets anders op dan het beekje te blijven volgen; dat zal in ieder geval naar het dal leiden. Stap voor stap bewegen we ons omzichtig over de spekgladde stenen en soms door de diepere delen, wadend door het water, telkens proberend in te schatten waar nu weer het beste een schoen neergezet kan worden. De tijd begint ook steeds meer te dringen; het is niet handig in het donker hier vast te komen zitten.

Pas na 100-den meters zien we weer een vervolgpaadje. Kort daarna zijn er enkele stenen treden die leiden naar een klein tempeltje, maar de laatste treden zijn ingestort. We moeten ons weer naar beneden laten zakken. Toch zijn er nog weer af en toe stenen beeldjes in de wildernis. Nogmaals moeten we door het beekje waden en als ik van opzij een ander beekje hoor naderen met duidelijk een waterval erin, vrees ik het ergste. Maar dan is er plotseling een bruggetje dat aansluit op een breder pad. En lopen we opeens een stuk makkelijker en sneller. In het beekdalletje verschijnt een monstrueuze dam; via een stenen trap komen we erlangs naar beneden. In de verte zien we plotseling de kustvlakte vol havenindustrie. Rijen grote kranen, grote sluizen, de zee en talloze eilanden. Niet lang daarna zijn we bij het begin van het dal. In de schemering lopen we via kleine straatjes en weggetjes naar het noorden, richting kust. Aan bangai 18 denken we niet meer; het is al lang 6 uur geweest.

Op de overdekte goot langs een drukke 2-baans weg buigen we af naar het oosten. Volgens het routeboekje moet onze overnachtingsplaats zich bevinden na een waterplas direct na een splitsing in deze weg. Het laatste stukje weg blijkt weer een huchtje op te leiden. De waterplas is er inderdaad en we zien zelfs een groot bord met de naam van de ryokan erop, half verscholen achter enkele boomkronen. Als we dichterbij komen, blijkt dat op het bord ook is vermeld dat de ryokan zich 50 meter ónder de waterplas bevindt. We lopen weer het huchtje af via een kleinere weg, maar geen ryokan te ontdekken. Opnieuw gaan we even verderop via een ander weggetje weer half het huchtje op, dan weer eraf, dan weer erop… Het begint inmiddels te duisteren… Ik stel voor bij een huis aan te kloppen of te bellen. De bewoner is druk met het eten bezig, maar laat meteen zijn huis achter om met ons mee te lopen. Weer naar beneden, terug naar vlak voor de oorspronkelijke splitsing, dan via een zandpad omhoog om bij de ingang van de ryokan te komen. De gastvrouw staat ons al op te wachten. We zijn de man zeer dankbaar; zelf hadden we op deze manier nog heel lang rond kunnen dolen…

Als we onze natte spullen hebben opgehangen, kunnen we meteen aanschuiven in de eetzaal. Er is één andere henro, een 78-jarige man. Hij vertelt dat hij twaalf keer de tempeltocht met de auto heeft gedaan; nu doet hij andere tochten. Hij bezoekt nu de 200 heiligdommen in Japan waar Kannon wordt vereerd, de boddhisatva van meededogen. Op een kopie van een stafkaart heeft hij met kleurtjes de verschillende lokaties ingetekend. Wij krijgen een cadeautje van hem: tekeningen van Kannon die hijzelf heeft ingekleurd en geplastificeerd.

Geplande afstand: 21,4 km, geen stijgingen (achteraf komen we toch met het routeboekje op 250 m stijging)
Werkelijke afstand: 26,9 km, hoogste punt (top na tempel 71) 281 m, totale stijging 676 m, totale daling 650 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1266,5 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.34– ca. 18.15 uur
Looptijd: 5,20 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u (??)
Bezochte tempels: tempel 68, 69, 70, en 71
Blaren: 1 (onafscheidelijk dezelfde)
Overnachting: minshuku Deguchi Sō (1 kamer 14 tatami’s groot met tokonoma en schrijntje in kast, 1 tafeltje, tv, binnenveranda, redelijk avondeten, redelijk/goed ontbijt)

Dag 66: dinsdag 1 mei 2012: Geen pijl op te trekken

Buiten op het houten terras in de tuin liggen 4 teckels, lekker in de zon die door de dunne bewolking schijnt. ‘Als zeeleeuwen op de drijvende vlonders in San Francisco’, zegt Mels. ‘Vader, moeder en 2 dochters’, vertelt de gastvrouw als we om kwart over 8 uitgebreid worden uitgezwaaid door het vriendelijke ryokan-echtpaar. We geven ze Delftsblauwe klompjes; wij krijgen een handdoekje. We lopen eerst weer een kleine kilometer terug naar de berg waar we gisteren zijn afgedaald, met het plan om via een omweg langs bangai 16 te lopen en dan verder te gaan naar tempel 67. Aangekomen bij het pad onderaan de berg nemen we een afslag die ons naar het westen voert langs de lagere hellingen van de berg. Merktekens van het henropad zijn er niet te zien, maar al snel komen we langs een bord waarop in Japanse karakters ‘oude henroweg’ staat. ‘Kijk, dat kan ik nu dit jaar voor het eerst lezen!’, zegt Mels trots. Probleem is alleen dat het bord niet zegt of het de oude henroweg naar tempel 67 is of naar bangai 16… Ik stel voor het pad toch uit te proberen; Mels aarzelt, maar laat zich overhalen. ‘Mocht het de verkeerde richting uitgaan, dan hebben we dat snel genoeg door.’ Het blijkt een fraai betonnen paadje te zijn dat langs mooie valleitjes loopt. Aanvankelijk loopt het de richting uit die we op het oog hebben, maar naarmate de tijd verstrijkt, neigt het pad onmiskenbaar terug naar het oosten. ‘Volgens het routeboekje komt het pad uiteindelijk uit op een weg en we kunnen altijd nog via die weg weer terugkomen naar het westen’, zegt Mels. Daarom lopen we door en als het pad inderdaad op een weg uitkomt, volgen we die naar het westen, maar voor de zekerheid houden we de enige auto aan die voorbijkomt. De man beduidt ons dat de weg doodloopt op een dam. We keren terug op onze schreden en kijken dan of we een weggetje kunnen nemen dat aan de andere zijde van het stuwmeer loopt. Via een wirwar aan weggetjes en paadjes kunnen we dan mogelijk toch bij bangai 16 komen, maar dan hebben we wel wegwijzers nodig in dit verder niet bewoonde gebied, want de kaart in het routeboekje is bij lange na niet gedetailleerd genoeg. Maar de enige pijl die we vinden, is naar het oosten gericht, weer naar de verkeerde tempel. Er zit maar een ding op en dat is de hele ‘oude henroweg’ weer terug te lopen tot we op de oorspronkelijke weg terug zijn. Het experiment kost ons 3 kilometer extra lopen. Maar het levert me een mooie bamboewortel op die ik op de terugweg vind, even geleed als een bamboestengel, maar dunner en kromgebogen.

Terug op de oorspronkelijke weg, lopen we opnieuw naar het westen. De stille weg loopt gestaag wat omhoog, onderwijl zich windend langs de ene na de andere uitloper. Het is een erg mooie omgeving, die af en toe ontsierd wordt door grote dammen in de kleine beekvalleitjes. Tussen het gemengde loofbos zie ik acacia, bijna in bloei, en natuurlijk zijn er weer toefjes felrose, of soms lichtrose, van de bloeiende azalea’s. Een paar keer zie ik weer koningsvarens. Grote, dikke hommels hangen boven de weg stil in de lucht. ‘Helihommels’, noemt Mels ze al gauw. En overal fladderen vlinders, soms hele grote, zwartwit geblokte met een toefje rood onderaan de binnenkant. Even voor 10 uur komen we langs het dalstation van de ropeway naar tempel 66. In het grote restaurant bij de parkeerplaats nemen we koffie. Ik vind er een mooi stempelboek in de winkel, dat ik alvast voor de volgende tocht koop. Mijn voeten en knieën protesteren heftig als we weer vertrekken: met houten kistje (van de rozenkrans), stempelboek, geweitje en bamboewortel neemt de druk merkbaar toe en dus ook de pijn. Zelfs mijn rugzak heeft er moeite mee: de stelbanden schieten telkens wat losser.

Vanaf de ropeway nemen we een weg naar het noordwesten, opnieuw langzaam dalend naar de kustvlakte. De omringende heuvelruggen zijn bedekt met citrusboomgaarden. In een van de gaarden is een fazantenkoppeltje: de haan feller gekleurd dan in Europa, met een felrode vlek, en ook de hen lijkt opvallender van kleur. Hier en daar is een groot agrarisch complex te zien: kippenboerderijen. Langs de weg zijn er regelmatig betonnen waterbekkens in de grond ingegraven, vol met eendenkroos en kikkers. Als we voorbij lopen, springen er telkens 10-tallen kikkers in het water, soms met een hard kefje. Overal zingen nachtegalen en ook de ik-weet-niet-hoe-ik-moet-stoppen vogels. Het is nog steeds erg heiig. Van de kustvlakte is weinig te zien en zelfs voor tegenovergelegen berghellingen die niet al te ver weg zijn, hangen sluiers van mist door de hoge luchtvochtigheid. Bergruggen doemen vaag op uit een wit moeras om naar de toppen toe steeds donkerder te worden. Door de hoge luchtvochtigheid is het de hele dag warmplakkerig.

Na zo’n 10 kilometer (inclusief de omweg) komen we bij bangai 16, een wat rommelig complex verscholen achter een tuin en een souvenirshop. In de shop halen we onze stempels en we kopen er ook 2 mooie zwart-beige doeken met de hartsoetra erop geschreven. Daarna beklimmen we de trappen naar de tempelgebouwen. Wat onbestemde fumumuziek deint vaag over het terrein. Overal staan kleine struikjes op aangeharkte bultjes aarde: hagi oftewel bush clover, waaraan de tempel zijn naam ontleend. Op een overdekt terrasje achter het shopje eten we de onigiri op die we van de ryokan hebben meegekregen. We krijgen er groene thee bij.

Daarna vervolgen we onze weg naar het noordoosten, naar tempel 67. In de lagere dalen is steeds meer akkerland te vinden; er zijn veel percelen met al volwassen rijst, maar soms ook net aangeplante sawa’s. In de kustvlakte zijn regelmatig stuwmeren en andere grote wateropslagplaatsen. Een paar keer lopen we weer op de bonnefooi, want merktekens zijn er vaak niet te vinden. Bij een modern ogend gebouwtje leggen we aan voor koffie. Binnen blijkt een expositie te zijn, foto’s gemaakt door de eigenaar. Hij toont ons een boek met erg mooie landschapsfoto’s. Om kwart over 2, zo’n 7–8 kilometer na bangai 16 komen we bij tempel 67, gelegen op een klein heuveltopje. Naast de trappen staan 2 enorme bomen. Een ervan is een indrukwekkende stokoude kamferboom, omgeven door een dik touw met touwkwasten en witte slingers. Ik laat er een muntje achter. In het houtsnijwerk van de klokkentoren hebben metselbijtjes aanvullende kunstwerkjes gemaakt. Van de stempelmonnik krijgen we 2 koekjes die we opeten op een bankje tegenover de tempel. Er lopen veel echtparen en henro’s alleen rond op het terrein en het valt ons allebei op hoe treurig – of misschien ontevreden? – veel mensen kijken. Ligt het aan de dag? Of aan de tempel misschien? Net als we ons afvragen hoe we de boel wat vrolijker zouden kunnen maken, spreekt de vrouw van het echtpaar naast ons op de bankjes ons aan. Waar we vandaan komen. En of ze ons misschien op de tv heeft gezien? Ja, dus! Het is meteen lachen. Plotseling verschijnt er een lach op de gezichten.

Na tempel 67 hebben we nog zo’n 8 kilometer af te leggen – opnieuw naar het noordwesten – naar onze overnachtingsplaats vlakbij tempel 68 en 69. Na enkele kilometers komen we tot de ontdekking dat we – net als vorig jaar blijkbaar – aardig zijn omgelopen, terwijl we vanaf de tempel toch de henrotekens hebben gevolgd. Niets aan te doen. De weg voert aanvankelijk nog door agrarisch gebied. Op veel akkertjes wordt handmatig gewerkt; mannen en vrouwen met rieten hoeden met brede randen, de vrouwen met een jasschortje, lange witte mouwtjes en handdschoenen. Later komen we steeds meer door stedelijk gebied, soms langs grotere wegen, vaak ook via kleine weggetjes die overal achterlangs en tussendoor voeren. Het laatste deel van de route is erg vervelend, langs een drukke 2-baans weg waar vaak geen stoep langs is, of alleen een overdekte goot die voortdurend op en neer gaat vanwege de vele inritten. Mels krijgt last van suikertekort, maar gelukkig zien we een supermarkt: ijsjestijd.

Tegen kwart over 5 melden we ons – na enig zoeken – bij de ryokan waar we hebben gereserveerd, in een mooie straat vol witbloeiende bomen in het stadje Kan-onji. Pas na herhaald roepen en bellen, komt er een bijzonder zuinig kijkende dame polshoogte nemen. De staffen mogen niet mee naar binnen, die moeten in het paraplubakje. Ze is duidelijk geen henro’s gewend… De ryokan oogt sjiek – de binnentuin achter de entree is betoverend mooi, vol bemoste rotsen en bodem – maar het kleine kamertje zonder badkamer valt wat tegen, tot ik de papieren schuifdeuren wegtrek om even naar buiten te kunnen kijken. Erachter blijkt nog een binnenveranda, aftands dat wel, maar met wastafeltje en 2 rechte stoelen met tafeltje. En dat is erg fijn… Om 6 uur eten we in het restaurant bij de ryokan. Als we een uur later terugkomen op de kamer blijken de futons al te zijn opgemaakt. De tafel is tegen de schuifdeuren gezet waardoor de binnenveranda is gebarricadeerd. Door de tv wat weg te schuiven, lukt het ons via een klein spleetje toch weer op de veranda te gaan zitten. Maar ja, wat wil een mens: rechte stoelen, pikkedonker, want er is geen licht… Mels ligt al om half 8 op bed, ik niet veel later.

Geplande afstand: 22,0 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 25,5 km (incl. 3 km verkeerd lopen in de ochtend), totale stijging 486 m, totale daling 626 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1239,6 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.20– ca. 17.15 uur
Looptijd: 5,24 uur
Gemiddelde snelheid: 4,7 km/u
Bezochte tempels: bangai 16 en tempel 67
Blaren: 1 (hardnekkig dezelfde)
Overnachting: ryokan Bansui (1 kamer 6 tatami’s groot met kast, 1 tafeltje, tv, halletje met kast, binnenveranda met wastafel, 2 stoelen en 1 tafeltje, uitzicht op kruispunt, goed avondeten, redelijk/goed ontbijt)

Dag 65: maandag 30 april 2012: Blue Monday

Als we om 8 uur de trap afdalen komen Adriaan en Yuko snel aangelopen om wat foto’s te maken. We hebben helaas onze witte henrojasjes niet aan, want het regent, maar het tempert hun enthousiasme niet. Tot verbazing van Yuko zingen Mels en ik nog even Suikerbossie, ‘k sal jou hè, speciaal voor Adriaan. Hij krijg acuut een aanval van homesickness…

De hemel is zwaarbewolkt als we vertrekken; er is voor de komende 4 dagen regen voorspeld, maar voorlopig valt het nog wel mee. Het is warm en plakkerig en daarom laten we regenkleding achterwege. Vandaag zullen we tempel 66 bezoeken, gelegen op zo’n 950 meter hoogte en daarna aan de noordkant weer afdalen naar onze volgende overnachtingsplaats. Vorig jaar hebben we de berg naar tempel 66 benaderd vanuit het zuidwesten, nu doen we dat vanuit het zuidoosten. Eerst moeten we echter weer terugkeren op onze voetstappen, terug langs de Yoshinogawa tot waar deze naar het zuiden afbuigt. Daar zullen we een weg naar het noordwesten nemen.

We kopen eerst nog wat spullen voor de lunch – en ik vind een klein stoffen hoedje. Terwijl we langs de Yoshinogawa lopen, zien we in de diepte een hangbrug over de rivier gespannen, een moderne metalen voetgangersbrug. Mels heeft de smaak van hangbruggen te pakken gekregen en stelt voor de rivier hier al over te steken. Ik aarzel: Lopen we niet om terwijl we al een zwaar dagprogramma hebben? En… als we eerst zoveel moeten afdalen naar de brug, moeten we dat aan de overzijde ook weer omhoog lopen? En… is de brug wel toegankelijk? ‘Waar is je gevoel voor avontuur?’, vraagt hij. En hij heeft natuurlijk gelijk. We dalen af. Het steile betonnen paadje ziet eruit alsof het al jaren niet meer gebruikt is, maar de brug blijkt prima in orde en al deinend bereiken we de overzijde. Via een heel korte klim komen we op een stil weggetje. Een verademing na de drukke weg aan de andere zijde van de rivier.

Daarna komen we al gauw bij het begin van de bergweg die ons zal brengen bij de tempel. Aanvankelijk loopt het stille weggetje door wat buitenwijken van Awa-Ikeda, maar al snel kronkelt de weg rond dichtbeboste berghellingen. Het is een behoorlijke klim, vanuit het dal op zo’n 100 meter hoogte naar de bergtop op zo’n 950 meter hoogte. Ik heb erg veel moeite met de temperatuur en ook heb ik behoorlijk last van mijn knieën. Telkens opnieuw moet ik even uitpuffen, leunend op mijn staf. Een klein windje en de af en toe vallende lichte regen brengen wat verkoeling.

Tot mijn verbazing staan langs de weg een tijdlang grote massa’s koningsvarens. Over de boomkruinen strekt zich hier en daar blauwe wisteria uit, vol grote bloemtrossen. In een kleine, beschaduwde inham brullen kleine bergkikkers in hun holletjes. We zijn ongeveer halverwege de klim als er een piepkleine auto stopt. Een bejaarde dame verontschuldigt zich voor de beperkte omvang van de auto, maar of we een lift willen? We bedanken haar hartelijk, maar nee, we zijn hier om te lopen… Nauwelijks later hoor ik iemand achter mij hollen. Een jogger? Nee, een joggende henro, compleet met wit jasje en sagesa? Maar nee, hij beduidt dat zijn auto iets naar beneden staat, maar hij wilde ons graag 2 zakjes chips geven. Geweldig! Hijgend loopt hij, iets langzamer, weer terug naar zijn auto.

Naarmate we hoger komen, strekt het uitzicht zich uit over de omringende dichtbeboste bergen en dalen: met lichte vlekken, vooral in de dalen en riviervalleitjes, waar de loofbomen zijn te vinden, en donkere vlekken waar de sugi overheersen, die vooral de hogere delen in bezit hebben genomen. Door de dalen drijven hier en daar wolkenflarden. Als we om kwart voor 1 aan de onderste rand van het tempelcomplex zijn gekomen, rusten we kort op een tochtig bankje, omringd door enorme sugi en andere woudreuzen. Het is flink koud op de berg; de jassen gaan weer aan.

Tempel 66 is wel de meest megalomane van alle tempels die we bezoeken. Niet zozeer vanwege de uitgestrektheid van het complex, maar vooral vanwege de enorme hoeveelheid Lakham – vreemde levensgrote stenen beelden van de representanten van Boeddha – die zich in grote groepen op het terrein bevinden. We zien dat er sinds ons laatste bezoek een nieuw gastenverblijf en een nieuwe toegangspoort zijn bijgekomen. In een rokershoekje onder een afdakje eten we onze lunch op en voeren daarna de rituelen uit. In de hoofdtempel houd ik het bundeltje felgekleurde linten vast, dat via het plafond met een touwtje is verbonden met de handen en dan met het hart van Boeddha. Als je de linten vasthoudt, gaat je gebed rechtstreeks naar zijn hart. Bij een van de tempels staat een echtpaar de hartsoetra te reciteren: hij vooraan en met luide stem, zij een meter achter hem en zachtjes meedoend; een beeld dat we toch niet vaak zien in Japan. Om 2 uur dalen we de berg weer af aan de andere kant, langs een groepje ginkgo’s dat rond het karkas van een dode soortgenoot staat. Het legertje Lakham dat we vorig jaar samengegroepeerd zagen op een parkeerplaats in het bos, heeft zich nu verspreid langs het betonnen paadje dat aan de noordkant van de berg naar beneden loopt. En ze hebben een nummer gekregen: het begint rond de 500 en de laatste die we zien voordat we een klein zijpaadje de diepte in nemen, is nummer 135. Een lange rij vreemdsoortige beelden. Vaak hebben ze rare afwijkingen aan het gezicht, als lange, hangende wenkbrauwen, een bobbel op het voorhoofd of een extra grote schedel. Vele hebben ook een mythisch of ander dier bij zich. Sommige zien er heel echt uit, als de levende standbeelden in steden die plotseling bewegen als je ze even van dichtbij wilt bekijken. Het is een vreemde verzameling. En boven op het tempelterrein zijn er nog veel en veel meer. Het moet een vermogen hebben gekost…

Het kleine paadje loopt eerst over een bergkammetje. Plotseling is er links en rechts in de diepte alleen een dichte grijsheid, een leeg niets. Nu begint de regen wat serieuzer neer te vallen. Het maakt de afdaling niet makkelijker. Stapje voor stapje gaat het naar beneden over het vaak glibberige paadje, dat vaak bestaat uit hoge treden gemaakt met boomstammetjes. Naarmate we verder afdalen breekt de bewolking meer open en ontvouwt zich een stukje uitzicht op de kustvlakte; de kust zelf en de zee blijven onzichtbaar. Het wordt ook steeds warmer. Als we zo’n 500 meter zijn gedaald, kronkelt het pad een tijdlang rond de hellingen, omringd door felrose – een enkele keer lichtrose – bloeiende azalea’s. Iets lager zijn op een heuveltop de sporen te zien van een verwoestende brand die jaren geleden moet hebben plaatsgevonden. Overal staan en liggen dode bomen, hun plaats inmiddels weer ingenomen door jonger groen en vooral door heel veel azalea’s; hun lichte groen en felle bloemen steken mooi af tegen de donkerverbrande en door de regen natglanzende boomstammen.

Deze keer overnachten we al kort na het einde van het bergpaadje, omdat we morgen onderlangs de berg een omweg moeten maken naar bangai 16. Een van de loophenro’s die we bij tempel 66 zagen, komt ons al tegemoet in zijn yukata en is blij verrast dat we in dezelfde ryokan slapen. Ook de gastheer staat ons al op te wachten als we even na 4 uur aan komen lopen. We mogen onze natte spullen onder een afdak ophangen. Vanuit onze kamer, naast de ingang van de ryokan, hebben we een mooi uitzicht op de tuin en op de omringende bergen. Meestal zijn de ramen van de ryokankamers van matglas of geblindeerd met schuiframen van papier; des te fijner is het af en toe een mooi uitzicht te kunnen hebben.

Het avondeten delen we met 4 andere loophenro’s; een man is 41, de rest is in de 60. Een vrolijk groepje en ook de gastheer komt er gezellig bij zitten. De gastheer vertelt dat de bamboespruiten zelf gedolven zijn en de hamburger is van een wild zwijn dat hijzelf heeft geschoten. Een van de henro’s vraagt wat ons thuisfront vindt van onze tochten. ‘First time: ‘Crazy!’ Second time: ‘Even more crazy!’ Third time: ‘Top crazy!’’ Iedereen ligt dubbel… Ook de vraag waarom we lopen, komt weer voorbij: ‘Naze?’ Waarom? We vertellen ons verhaal, over de onwaarschijnlijk positieve invloed van de tocht op mijn ziekte: ‘Shikoku byoin.’ Het ziekenhuis dat Shikoku heet… De gastheer zegt: ‘You will win.’ Ik antwoord hem: ‘Maybe, maybe not. I just want to enjoy life. Live it fully.’ En dat doe ik; ik ben innig dankbaar dat ik hier ben, samen met Mels. Elke dag weer. De gastheer vraagt of het ook Shikoku byo is: ‘Shikoku ziek’, verlangen, heimwee naar Shikoku. Dat is het zeker. We vertellen dat we het eerste jaar tegen het einde van de tocht allebei telkens in huilen uitbarstten en dat we zelfs overwogen door te blijven lopen. Ja, Shikoku ziek zijn we ook. De gastheer begint te vertellen over een bushenro die pas in huilen uitbarstte toen hij in de trein zat, op weg naar huis. En dan schiet hij zelf ook vol en loopt naar de keuken. Het raakt hem… Een van de andere gasten vraagt ons of wij de hartsoetra reciteren bij de tempels. Jazeker. Enthousiast geeft hij ons allemaal een hartsoetra geschreven op mooi, dun rijstpapier. Veel henro’s laten bij elke tempel zo’n tekst achter; er is een speciale bak voor. Later, na het eten, praat Mels nog even met de gastheer. Die lucht zijn hart: Het is moeilijk sinds de aardbeving, de gasten blijven weg. Daarom is hij zo blij met onze komst, als buitenlanders, vertelt hij Mels. Ook in onze vorige overnachtingsplaats verbaasde het ons al dat er zo weinig gasten zijn momenteel, terwijl het Golden Week is, en zowel de ryokan waar we nu zitten als de vorige, zijn beide top verblijfplaatsen. Aozora betekent de blauwe hemel, maar hij is momenteel wel wat betrokken…

Geplande afstand: 19,7 km, 750 m stijging
Werkelijke afstand: 20,7 km, hoogste punt 900 m (tempel 66), totale stijging 991 m, max. helling 16%, totale daling 967 m, max. helling 25%
Cumulatief afgelegde afstand: 1214,1 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.05– ca. 16.05 uur
Looptijd: 5,01 uur
Gemiddelde snelheid: 4,1 km/u
Bezochte tempels: tempel 66
Blaren: 1 (nog steeds dezelfde)
Overnachting: minshuku Aozora (1 kamer 6 tatami’s groot, 1 tafeltje, tv, uitzicht op tuin en bergen, goed avondeten, redelijk/goed ontbijt)