Dag 64: zondag 29 april 2012: Verloren vallei

Ergens in het centrum van de oostelijke helft van Shikoku bevindt zich de Iya vallei. Een idyllische rivier die op enkele plaatsen nog wordt overspannen door hangbruggen gemaakt van dikke wijnranken. Alsof de tijd er heeft stilgestaan. Alex Kerr schreef er een boek over: Lost Japan (1996; ISBN 0864423705), waarin een idyllisch plaatje werd geschetst van een mistige vallei met hier en daar een rietgedekt huis. Al sinds we voor de eerste keer van plan waren naar Shikoku te gaan, was het mijn grote wens deze vallei eens te bezoeken, maar telkens ging dat mis met de planning. Nu hebben we voor vandaag – EEN ECHTE VRIJE DAG! – een uitstapje ernaartoe ingepland; helaas bleek gisteravond dat we alleen een klein stukje kunnen doen met de bus, het meer oostelijke deel zal voor een andere keer zijn…

Ik zit nog half te slapen tijdens het ontbijt, maar om 10 over 8 zitten we in de bus, die ons eerst terugvoert langs de weg die we gisterochtend vanuit het westen langs de Yoshinogawa hebben afgelegd. Dan volgt de bus de rivier waar deze ombuigt naar het zuiden en steeds verder versmalt. Het smaragdgroene water contrasteert sterk met de grijswitte rotsen langs de kale oevers en in de bedding. Vele – soms mooi rood gekleurde – bruggen overspannen de brede vallei. We komen ogen tekort, zoveel moois is er te zien aan natuur en aan menselijke bouwwerken. De afgelopen dagen hebben we steeds vaker trosjes windvanen in de vorm van vissen zien zweven in de lucht; die worden door grootouders gegeven op jongensdag in mei. Normaal hangt er een trosje van 4–5 vissen aan een lange mast, allemaal in verschillende formaten en kleuren, maar we zien ze ook steeds meer opgehangen in lange series aan een kabel, vaak boven een rivier. Vandaag zien we verschillende van deze series hangen, soms meerdere achter elkaar. Zo’n 30 kilometer zuidelijker komen we in Oboke en hier slaan we af om via een tunnel te komen in de Iya vallei. Deze vallei is aanmerkelijk nauwer en met steilere berghellingen omgeven. Een intieme vallei rond een bescheiden rivier. Al gauw bereiken we het gehucht vanwaaruit we een hangbrug zullen bezoeken.

In de folder staat: ‘Iya is home to Japan’s ‘big three’ off-the-beaten-track locations.’ Het gevaar van zo’n kwalificatie is, dat het toeristen aantrekt, en dus wegen, parkeerterreinen en hotels. En dat is precies wat hier gebeurd is. Grote hotelgebouwen met spa’s hebben links en rechts de berghellingen in bezit genomen. In de nabije omgeving van de hangbrug staan vlaggenmansen op elke hoek van de straat en bij elke bocht in de weg het verkeer te regelen, met een roodverlichte staaf in de hand. Vlakbij de hangbrug is half over het idyllische rivierdal een enorm complex gebouwd: een parkeergarage op lange betonnen stelten, de bovenste laag is een wegstation, ingericht met winkeltjes en een goedkoop restaurant. Alles ingericht op massapubliek. Het einde van de idylle.

De hangbrug – de Iya Kazurabashi – hangt op zo’n 10 meter hoogte boven de Iya en wordt omgeven door blauwe wisteria en vele groenbladerige Japanse esdoorns. De brug is met dikke wijnranken opgehangen aan dikke palen en aan enkele grote bomen, waaronder enkele sugi. Voor zo’n € 5 mag je eroverheen lopen, voorzichtig stappend op de houten plankjes waartussen gaten van 20 centimeter gapen. We zijn niet de eersten. Af en toe ontstaat er een opstopping midden op de brug, vooral als er foto’s genomen moeten worden. Het is gelukkig wel eenrichtingsverkeer; terug moet je over een nabijgelegen modernere brug lopen. Echt eng is het allemaal niet; we weten dat de brug tegenwoordig leunt op 2 staalkabels… Als we de overzijde hebben bereikt, zijn er langs de weg eetstalletjes: op gloeiende houtskool staan rijen satéprikkers met aardappeltjes, tofu en konjak (een rubberig, doorzichtig, grijsgrauw blokje met paarse spikkeltjes, gemaakt van de wortelknol van de konjak plant) en ook met kleine, flink gezouten forellen, door de bek in de lengterichting gespiest. Wij gaan eerst naar de 50 meter lange waterval die zich vlakbij in de Iya vallei stort. Daarna dalen we af naar de Iya zelf. Via een stenen trap komen we bij de rivier en moeten we onze weg vervolgen over grote rotsblokken. We aarzelen, want om nou net op je vrije dag een gebroken enkel te halen… Plotseling valt mijn zonnebril in een klein stroompje dat van de waterval afkomstig is. Hij blijft haken in een rotskommetje, maar voor ik erbij kan komen, wipt hij over de rand verder naar beneden, onder een grote rots. Mels probeert met een stok te vissen en ook een Chinees paartje helpt mee, maar hij blijft onvindbaar.

Eigenlijk willen we ook het huis bezoeken waar Alex Kerr heeft gewoond, nu in bezit van een stichting die zich inzet voor verbetering van de leefwereld. Want Alex Kerr schreef zijn boeken over Japan vooral vanuit een afgrijzen over al het mooie dat hier in Japan gruwelijk om zeep wordt geholpen, onder meer met de massaal in beton gevatte bergen, rivieren en zeekusten. Maar er gaat geen bus naartoe en het lijkt ons niet verstandig op onze vrije dag 25 kilometer te gaan lopen, vooral omdat het ook vandaag weer zo warm is en we bovendien morgen een serieuze berg naar tempel 66 moeten beklimmen. Daarom proberen we een lift te krijgen, maar we krijgen de indruk dat niemand onze handbeweging snapt. Eenmaal stopt er een (al volle) auto, ervan uitgaand dat we alleen de weg willen vragen. Een lift krijgen we niet. Daarom lopen we weer terug naar het gehuchtje, steken nogmaals de Iya over (via de gewone brug) en leggen dan aan bij het lelijke wegstation. In het restaurant – type gaarkeuken – worden we na de lunch weggestuurd als we nog wat willen typen. Er moet snel plaatsgemaakt worden voor nieuwe klanten. We gaan nog even zitten op een kunststof/aluminium mini-picknicksetje bij de winkeltjes. Het is de eerste zondag van de Golden Week, dé vakantieweek in Japan, en we zien hordes toeristen voorbijtrekken, zelfs een langneusgezin en een Arabische vrouw compleet met lange jurk en hoofddoek. Als we teruglopen naar de overkant van het dal, zien we een lange rij wachtenden voor de kassa naar de hangbrug staan.

Even na 2 uur nemen we de bus terug naar Awa-Ikeda. Deze keer rijdt de bus door de intieme Iya vallei naar het noorden. Over een weg die nauwelijks breder is dan de bus. De vele tegenliggers maken het niet makkelijk manoeuvreren. Regelmatig moet er iemand achteruit of zich opzij drukken. Onder ons zijn afgronden van zo’n 100 meter steil naar beneden. Dat is pas echt ijzen… Aanvankelijk zijn er nog enkele monstrueuze hotels en ook weer een groot wegstation op betonnen stelten, dan laten we alle lelijkheid achter ons en rijden alleen nog tussen hoge, steile, dichtbeboste hellingen, met in de verre diepte de kleine Iya die soms wat droger soms wat natter zich voortbeweegt over de grijswitte rotsbodem. Het vele loofbos bestaat voor een groot deel uit groenbladerige Japanse esdoorn; die zo mooi rood verkleurt in de herfst. Tussen het lichte groen zijn grote vlekken donkere sugi. En plotseling begrijpen we waarom Alex Kerr verliefd werd op deze vallei. Eenmaal zien we tot onze verbazing Manneken Pis staan op een uitstekende rots, een plek waar blijkbaar in het verleden veel waaghalzen hetzelfde uitprobeerden om de held uit te hangen. Langzaam daalt de weg tot we vele kilometers later bijna naast de rivier rijden. Tegen het einde van de vallei komen we door enkele gehuchten. Een rijtje oude huizen hangt half boven het water. Terug bij de busterminal in Awa-Ikeda bedank ik de chauffeur voor de fantastische tocht. En voor de veilige reis.

Bij het avondeten zijn er enkele langneuzen: Adriaan, een Zuid-Afrikaner die de afgelopen 3 jaar heeft lesgegeven in Okayama, op rondreis met zijn Japanse vriendin Yuko Hayashi, en een man uit New Jersey die samen met zijn Japanse vrouw, hun 8 maanden oude baby, hun vlinderhondje en haar ouders gaan hiken op Mount Tsurugi, vlakbij de oostelijke Iya vallei. Er gaat veel drank rond: sake, witte wijn, sake met citroen, sake met aardbei… En sigaretten ook, handgedraaide. ‘A coffeeshop would be nice…’, verzucht de Amerikaan, want wie kent niet het Hollandse systeem… Het wordt erg gezellig. Adriaan vindt het fantastisch dat hij zomaar Nederlands kan spreken in Japan. We praten ook over de pelgrimstocht. De Amerikaan vraagt of we advies hebben voor iemand als hij die geen tijd heeft. Ik herhaal de woorden van de verlamde Superman-acteur Christopher Reeve enkele jaren geleden voor tv, voordat hij stierf in 2004: ‘Many people talk about ‘one day…’ But one day might never come…’

Geplande afstand: 0 km
Werkelijke afstand: nagenoeg 0 km
Overnachting: ryokan Fukuya (1 kamer 6 tatami’s groot met tokonoma, 1 tafeltje, tv, kluis, halletje, (soms) wifi op kamer, redelijk avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 63: zaterdag 28 april 2012: De poort tot de hemel

Om kwart over 4 worden we wakker van gestommel bij de wc en wastafel op de gang; de eerste henro roert zich. Al snel bruist het hele huis van verwachtingsvolle haastigheid. Wij houden het tot half 6 uit op de futons, maar zijn wel op tijd voor het ontbijt van 6 uur. We krijgen van onze gastheer allemaal een pakketje onigiri mee voor de lunch. Als we om 20 voor 8 vertrekken, zijn we verreweg de laatsten. We worden uitgezwaaid door de dochter en ook op de valreep door de vader die net terugkomt met de auto; zeker een henro weggebracht. Wij zullen vandaag verder trekken naar het oosten, langs route 192, na 8 kilometer onze rugzakken achterlaten bij de volgende overnachtingsplaats en dan 7 kilometer verder lopen naar bangai 15, die van de ‘doorgaande’ henroroute afligt, in de bergen op zo’n 400 meter hoogte, en weer terug naar de ryokan. Een peulenschilletje lijkt het ons… Route 192 loopt door een langgerekt dal en daalt heel lichtjes naar het oosten. Er is 28 graden voorspeld en de hele ochtend hebben we de zon recht in de ogen; ik ben weer flink ingepakt. We zijn allebei behoorlijk moe en stijf; mijn rug en schouder zijn erg pijnlijk. Na een parallelweggetje dat door een gehucht loopt, vinden we aan route 192 een koffiehuis. Zoals bijna elke ochtend na een Japans ontbijt, hebben we honger, en zo zitten we om kwart voor 9 aan ons tweede ontbijt van die dag. Na de pauze ben ik nog stijver… De weg loopt langs een rivier vol grote rotsblokken; de berghellingen bedekt met frisgroen gemengd loofbos met hier en daar donkere strepen sugi. Vaak zijn er lange betonnen richels in de berghelling, soms meerdere boven elkaar, bedekt met felgekleurde bloemen: grote vlakken rose en donkerrood, een enkele keer wit of paars. Op de overdekte goot waarop we lopen, ligt een kleine slang, het kopje omhooggeheven alsof hij elk moment aan kan vallen. Maar hij is dood, al uitgedroogd.

We steken een brede rivier over, de Yoshinogawa, de grote rivier die stroomt van west naar oost en Shikoku bijna doorklieft. In de eerste week van onze pelgrimstocht zijn we hem ook overgestoken, vlakbij de oostkust, waar hij een veelvertakte rivier is met smalle stromen in uitgestrekte grintbedden. Hier is hij vol smaragdgroen water, omgeven door weelderig groen. Vlak na de rivier is er een verkeersknooppunt van grote wegen, onder meer een snelweg. Dan lopen we het stedelijk gebied in van Awa-Ikeda (Miyoshi City) waar onze ryokan zich bevindt, middenin een overdekte winkelstraat. Na het achterlaten van onze rugzakken, vertrekken we om kwart over 11 voor het tweede deel van onze dagtocht. We lopen het stadje aan de oostkant weer uit, verder langs de Yoshinogawa. Een auto stopt naast ons en een man biedt ons een lift aan naar de ropeway die naar de tempel leidt. Hij spreekt wat Engels en hij vertelt dat hij werkt voor een bloemenverzendbedrijf dat o.a. samenwerkt met Fleurop. Vanuit Nederland worden er veel bloemen geïmporteerd via Aalsmeer. We praten een tijdje, maar de lift slaan we beleefd af, want we willen lopen. We steken de Yoshinogawa opnieuw over om aan de noordkant verder te lopen door de vallei. Hier is de rivier in de lengterichting gestreept: slierten algen in een wat donkerder tint groen.

De warmte is verstikkend; regelmatig zoeken we een stukje schaduw op om even bij te komen. ‘Een bankje zou leuk zijn’, zegt Mels als we door een gehucht lopen, maar bankjes zijn spaarzaam in Japan en bankjes in de schaduw al helemaal. ‘Een rest hut is ook niet waarschijnlijk langs deze route, want de bangai valt buiten de normale route.’ Nog geen 10 tellen later lopen we voorbij een open garage. De muren zijn behangen met tuingereedschap. Er is een bankje en op wat stoelen zitten poppen. Op een lage tafel staan potten met varentjes en bloeiende planten. Aan een muur, boven een gootsteen hangen rijen osame fuda’s. Osame fuda’s? Dan moet het een verwenplek voor henro’s zijn! We kijken nog wat aarzelend rond, bang ons op privéterrein te begeven, maar we kunnen niets anders concluderen dan dat deze plek voor henro’s is ingericht. Een godsgeschenk met deze hitte! We zakken op het bankje neer en beginnen aan onze onigiri. Even later komt er een man uit het huis ernaast. Of we zin hebben in een blikje groene thee. Altijd, we leren het inmiddels steeds meer waarderen. En als we onze buntan aan het ontleden zijn, komt hij ook met een koelkastdoos vol partjes mikan. En hij komt er gezellig bijzitten. Hij heeft zelf de tempels per auto bezocht, vertelt hij en hij laat zijn stempelboek vol rode stempels zien. Elke tempel moet hij minstens 12x hebben bezocht. Wij laten onze osame fuda’s achter die meteen worden opgeplakt en als we weggaan krijgen we nog 2 blikjes groene thee en wat koekjes mee.

Na enkele kilometers bereiken we het begin van het bergpad naar de tempel, en langzamerhand komen we onder de beschermende schaduw van de bomen. Ook dan blijft het moeizaam met die hitte; heel, heel vaak moet ik even rusten, staand, leunend op mijn pelgrimsstaf. Hier en daar staan geelwitte irisjes, eenmaal zelfs een heel weitje vol. Bijna aan het eind van het pad schiet er een anderhalf meter lange slang weg tussen de stenen van een muurtje. Vlak daarna komen we bij de tempelpoort. Vlak ervoor staat een fraaie oude wachttoren. We rusten even op een bankje in de schaduw. Boven ons schieten de grote cabines van de kabelbaan voorbij. En dan maken we ons op voor de rest van de tocht, want we zijn er nog niet. De eerste tempelgebouwen bevinden zich zo’n 100 meter hoger. Na de poort zijn er links en rechts grote stenen lantaarns. En dan volgt er een 10 meter brede grintweg, die keizerlijke allures heeft, aan de dalkant omgeven door een lage stenen balustrade. In gedachten zie ik er grote processies voorbijtrekken, omgeven door dikke rijen gelovigen. Af en toe staat er een kolossale sugi of andere boom op of langs het pad. Een enorme wisteria die op een helling over verscheidene bomen is uitgewaaierd, toont zijn blauwe bloemenpracht. Langzaam stijgt het pad, terwijl het een grote bocht naar links maakt. In de oksel van de berg eindigt het pad bij een brede oranje brug met rondgebogen wegdek en overdekt met een grijszwart puntdak. Eromheen staan wat vreemdsoortige sculpturen, half mens, half vogel. Daarna volgen eindeloze trappen, eerst brede treden die langzaam in een boog om de volgende helling trekken, dan – haaks erop – smallere trappen. Na elke trap is er een plateau dat zich links en rechts langs de bergwand uitstrekt. Wat een gigantische afmetingen heeft dit complex! De trappen worden omzoomd door groenbladerige Japanse esdoorns en (nog in knop staande) rhododendrons. Een paar keer schiet een grote, bronskleurige hagedis in een spleet tussen de treden.

Eindelijk komen we bij het tempelterrein. Rechts is een langwerpige overkapping waaronder een lange bank is gemaakt. En daar laten we ons eerst even op zakken. Als de stempelmonnik in het kantoortje ertegenover ons ontwaart, spreekt hij ons aan in wat Engels. We kletsen geruime tijd met hem en hij geeft ons een uitgebreide, Engelstalige folder over het tempelcomplex. We vertellen hem dat we dat erg leuk vinden, want normaal kunnen we nooit iemand iets vragen over gebouwen, beelden of rituelen op een tempelterrein. De monnik vertelt dat deze tempel bekend is om zijn dierensculpturen: niet alleen stenen beelden, ook zijn in het houtsnijwerk rond de tempels heel veel dieren verwerkt. Uit de plattegrond in de folder blijkt dat we voor de eigenlijke tempels nóg wat hoger moeten. Lachend noemt de monnik het totaal aantal treden vanaf de poort naar de hoofdtempel: 778 stuks… (Op de terugweg gaat Mels prompt tellen: 273 treden tussen stempelkantoor en hoofdtempel, 438 treden tussen poortgebouw en stempelkantoor, 47 treden naar de poort zelf, kortom in totaal 758…)

Wij strompelen nog wat verder omhoog. De eerstvolgende trap wordt links en rechts omgeven door een dubbele rij stenen lantaarns en komt uit bij de klokkentoren. ‘Er zit een valluik onder’, zeg ik tegen Mels. We hebben niet het lef te bel te luiden en vervolgen onze weg naar boven. Het houtsnijwerk rond de tempels, bovenaan elke toegangstrap en onder de dakranden, is verbazingwekkend; bij één tempel ontwaren we in een rondgebogen doornenstruik vol bloemen zelfs een duif, allemaal van houtsnijwerk. Na het uitvoeren van de rituelen, maken we ook nog een rondgang over het gigantische terrein, onder meer langs 88 beeldjes die de tempelroute symboliseren.

‘We halen het niet meer op tijd terug…’, zegt Mels. ‘We halen het altijd’, is mijn stellige overtuiging. De stempelmonnik heeft ondertussen een hoofdstuk uit een Engelstalig boek gekopieerd voor ons. Kunnen we nog meer lezen. Het afscheid is hartelijk en dan haasten we ons – het is inmiddels kwart over 4 – weer de trappen af. Een display langs de weg aan de rivier geeft aan dat het 27 graden is, en de zon is al ver verdwenen achter de bergrug. Het blijft warm. We zijn hondsmoe en ik heb zeer, zeer pijnlijke voeten, maar we blijven stevig doorlopen. Precies om 6 uur stormen we de ryokan binnen; het eten blijkt pas om 7 uur te zijn. Tijd voor de ofuro.

Bij het avondeten zijn er 2 Japanse fietsvrouwen, geen henro’s. Een van hen houdt zich bezig met het bevorderen van textiele werkvormen in Laos en in Japan. In tegenstelling tot keramiek staat textiel niet hoog in aanzien in Japan. Ze vertelt dat veel kennis en kunde is verdwenen in allerlei landen. Dat kennen we ook van keramiek. Plastic en aluminium hebben de functie van keramiek overgenomen in Afrikaanse, Aziatische en Zuid-Amerikaanse landen, waardoor het ambacht verdwijnt; veel westerse potters proberen daarom ondersteuning te bieden bij lokale initiatieven.

Geplande afstand: 23,6 km, 400 m stijging
Werkelijke afstand: 28,1 km, hoogste punt 570 m (bangai 15), totale stijging 991 m, totale daling 1063 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1193,4 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.39– ca. 18.00 uur
Looptijd: 5,56 uur
Gemiddelde snelheid: 4,7 km/u
Bezochte tempels: bangai 15
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Fukuya (1 kamer 6 tatami’s groot met tokonoma, 1 tafeltje, tv, kluis, halletje, (soms) wifi op kamer, goed avondeten, redelijk/goed ontbijt)

 

Dag 62: vrijdag 27 april 2012: Vals plat

‘Pan’ blijkt een magisch woord. Gisteren zagen we tijdens het ontbijt een van de vele werkmannen die in het hotel logeren, met een dik plak geroosterd brood rondlopen en dat lijkt ons ook wel wat (een slechter ontbijt dan we tot nu toe hier hebben gehad, kan haast niet…) We vragen om ‘pan’, Japans voor brood, en dat blijkt een magisch woord, want we krijgen ook boter, marmelade en zelfs koffie. En even later joghurt. Een tweede kopje koffie is ook mogelijk. Als een van de hoteldames – de magere… – onze verbazing bemerkt, zegt ze: ‘Dat hoort toch bij brood?’

Met de taxi laten we ons afzetten op 337 meter hoogte bij de trap naar tempel 65, tot waar we gisteren al hebben ‘voorgewandeld’. Vanaf hier lopen we een voor ons nieuw traject, naar bangai 13 en 14 en dan verder naar onze overnachtingsplaats. Om bangai 13 te bereiken moeten we eerst via een paadje een bergrug beklimmen tot 700 meter hoogte en dan aan de andere kant weer afdalen, ofwel via de weg om de hogere delen van de bergrug heenlopen, minstens 5 kilometer om. We hebben voor het paadje gekozen, maar helaas… we kunnen het niet vinden. Er moet direct na de trap naar tempel 65 een paadje zijn. We worden de weg gewezen door 2 vrouwen: eerst via de weg dezelfde richting uit als vorig jaar naar tempel 66, daarna een afslag nemen. Maar na 10 minuten lopen komen we tot de conclusie dat er iets niet klopt. Dat is het voordeel van de gps: zowel het routeboekje als de gps bevatten niet altijd even gedetailleerde kaarten, maar we kunnen wel al snel zien of we de goede richting uitlopen. En dat doen we dus niet. We lopen weer terug en terwijl Mels opnieuw een uitgebreide discussie heeft met de 2 vrouwen – nu met de kaart in de hand die Hide-san ons heeft toegestuurd; een gedetailleerde kaart van het gebied en daarop staat toch echt ook een paadje óver de berg getekend – verken ik ondertussen enkele zijpaadjes, maar allemaal eindigen ze weer bij een trap naar tempel 65. Uiteindelijk gaat Mels terug naar de stempelmonnik, terwijl ik wat hogerop op het tempelterrein nog wat paadjes uitprobeer. De vrolijke stempelmonnik van gisteren laat meteen het stempelkantoor onbeheerd achter om ons het begin van het pad te wijzen. Het blijkt iets te zijn dat ik voor een goot had aangezien…

Hij was er gisteren zonder meer vanuit gegaan dat wij over de weg zouden lopen en is wat verbaasd dat wij voor dit pad kiezen. Maar hij kan het wel waarderen. Op zeer beeldende wijze, met af en toe een Engels woord ertussendoor, legt hij uit dat het een heel oud pad is en dat er maar heel weinig henro’s voor kiezen dit pad te gebruiken. Hij wijst ons op een oude stenen wegwijzer. Een lange vierkante paal waarop een wijzende hand is uitgehouwen. Deze wegwijzers zijn door een pelgrim in de tweede helft van de 17e eeuw neergezet op honderden punten langs de pelgrimsroute, iets waarvoor ik grote bewondering heb. De stempelmonnik maakt duidelijk dat deze wegwijzers de enige zullen zijn. Als we bijna op de top zijn, links aanhouden, en op de top zelf, na een Jizo-beeld duikt het pad aan de andere kant de diepte in, zo schetst hij de route. Hij waarschuwt dat er 10 jaar geleden tijdens een tyfoon een grote aardverschuiving is geweest. Ik aarzel even, maar durf niet te vragen of iemand sindsdien het pad heeft gebruikt… We krijgen nóg een waarschuwing: ‘Many snakes!’, en hij maakt een slangachtige beweging met zijn arm. ‘Mamushi?’, vraagt Mels. Inderdaad, het zijn de gevaarlijke Japanse adders. Inmiddels is er een andere henro aan komen lopen; hij wil zijn boek laten stempelen. Met verbazing ziet hij dat wij dit pad nemen. De stempelmonnik schudt met beide handen onze handen, onderwijl ons ‘heel, heel veel geluk’ toewensend… ‘Het voelt een beetje alsof we het dodenrijk binnengaan’, zegt Mels tegen mij. Ja, die indruk had ik ook al. ‘Weet je zeker dat je dit wilt?’, vraag ik hem. Ja, hij weet het zeker… Nou, dan ga ik ook maar…

Om half 9 vertrekken we opnieuw… Het is duidelijk dat het pad weinig of zelfs helemaal niet wordt gebruikt. Struikelend en strompelend waden we door een dicht dek van afgevallen sugiloof. De staffen zwaaien we voor ons uit om eventuele slangen weg te jagen. Het is warm, 24 graden is er voorspeld. En met alle doeken rond mijn hoofd, heb ik het erg benauwd. Al gauw is er niets anders meer te horen dan wat zingende vogels en mijn hevige gehijg, met soms in de diepte nog wat verkeersgedruis. In de schaduw van de bomen, trek ik af en toe wat doeken weg, want het wordt me met al dat gehijg soms wat licht in het hoofd… Mels vindt een klein geweitje, een 2-ender, en even later ontdekt hij een 2-hoevige pootafdruk. Tot mijn geluk vind ik ook een slangenhuidje, achtergelaten na een vervelling. Ik ontdek tussen de vele varensoorten ook een koningsvaren, in Nederland een zeldzaamheid en ook hier kom ik hem nauwelijks tegen.

Om 10 uur zijn we op de top op 765 meter hoogte. Naast een kleine verzameling beelden zijn er ook 2 bankjes waar we dankbaar gebruik van maken. Maar Mels wil al snel weer verder: nog veel te doen vandaag. Het pad duikt aan de andere kant de diepte in. Door het dichte dek van afgevallen sugiloof zijn de contouren van het pad nauwelijks te onderscheiden. Wat lager wordt het nog moeilijker als het sugiloof is vervangen door leerachtige bladeren die erg glad zijn, erg verraderlijk om over te lopen. Af en toe hebben we een schitterend uitzicht over de omringende bergen en dalen. Zo’n 50 tot 100 meter onder de top zijn er wat huizen en een jonge boomgaard. Als het pad een weggetje kruist, blijkt het vervolgpaadje echter plotseling verdwenen. Zou dit de aardverschuiving zijn waarover de stempelmonnik het had? We volgen korte tijd het weggetje naar beneden tot we weer tekens zien van het henropaadje. Ook wat lager is het paadje op verschillende plaatsen bijna helemaal verdwenen. Vlak voor onze voeten schiet een adder weg. Gisteravond heeft Mels nog in zijn rugzak en koffer zitten zoeken naar het slangensetje, maar niet meer kunnen vinden. Daarom pluk ik onderweg maar een knelband mee die rond een boom zit. Je weet maar nooit… In de wildernis is er plotseling een fraai tempeltje. Langs een stenen trap dalen we af en lopen tussen grote stenen lantaarns door. Ook een tijdje later zijn er in de wildernis wat treedjes die leiden naar een lange waterval die zich over een bergrand stort. Wij buigen onderlangs af en komen bij een haast stilstaand kommetje in hetzelfde beekje, waar wat vissen hun thuis hebben gevonden. Af en toe staat er een enorme boom – sugi of kamfer – langs het pad. Het is dan wel geen makkelijk pad, maar wel betoverend mooi.

Rond 12 uur komen we aan bij bangai 13; we hebben er anderhalf uur langer over gedaan dan de 2 uur die de stempelmonnik had voorspeld, Langzaam dalen we af naar het fraai gelegen tempelcomplex in de diepte, het laatste stuk over lange stenen trappen. Op de omringende hellingen van het kleine valleitje ‘hangen’ verschillende mooie paviljoentjes. Een ervan is omgeven door massa’s kleine geelwitte irissen. Het hoofdgebouw is een imposant, stokoud ogend houten gebouw. De schoenen moeten uit. Op de bovenverdieping ervan zijn de tempels – een ervan in een kleine grot in de bergwand – en het stempelkantoor. We maken een praatje met de aardige stempeldame. Ze vraagt of we geen last hebben gehad van wilde honden, die volgens haar erg gevaarlijk kunnen zijn. Maar die hebben we niet gezien rond het paadje. Ik koop een mooie, lange rozenkrans en krijg er een houten doos bij die ik in mijn rugzak stop. We rusten kort op een bankje in de zon terwijl we onze lunch opeten. Om 1 uur verlaten we het terrein door verder af te dalen in het valleitje, om het hoofdgebouw heen, waarachter we enorme sugibomen ontdekken. Afdalend langs de zijkant van het gebouw, zien we ook dat de toegang ertoe rust op een korte brug met een hoge boog. Eronder is een fraaie waterval die uitmondt in het idyllische beekje dat de kleine weg naar beneden begeleidt. Overal staan geelwitte irisjes te bloeien.

We komen uit op een weg die verder naar het oosten leidt door een dal, met in de diepte een groenblauwe rivier, aan de oevers te zien een ‘stuwmeer-rivier’. De zeer rustige weg kronkelt aanvankelijk heen en weer en op en neer langs de berghellingen tot hij langdurig gaat stijgen, op weg naar een tunnel. Ik zie opnieuw verschillende koningsvarens. Af en toe staan we kort even uit te puffen in de schaduw van wat bomen. Het is erg warm en we hebben allebei last van onze ruggen; de afgelopen nacht heb ik nauwelijks geslapen, voor het eerst door de pijn in mijn voeten en in mijn linkerschouder, en ook dat neemt in de loop van de dag weer toe. En eigenlijk zijn onze lichamen gewoonweg allebei erg moe van al het lopen…

De 1260 meter lange tunnel is de enige toegang tot het andere dal; een alternatief paadje over de bergen is er niet. Gelukkig is er een verhoogde overdekte goot waar we op kunnen lopen. Na de tunnel is er een verrassend uitzicht op de grijze zee waarin talloze eilanden drijven, als in het lege niets. En nog verrassender… op Shikoku Chuou, de kustvlakte met talloze grote fabrieksschoorstenen, die we vanochtend achter ons hebben gelaten. We zijn met een boogje teruggekomen, iets verder naar het oosten. Na de tunnel daalt de weg eindeloos af naar de vlakte, de omringende bergen bedekt met fris voorjaarsgroen. Zowel voor als na de tunnel zien we af en toe een teken van de Camino naar Santiago: de jacobsschelp.

Na een afslag die ons verder naar het oosten zal voeren, komen we uit op de weg waarover we vorig jaar zijn getrokken. We rusten kort in een rest hut, waar een vrouwelijke henro uit de regio Nagoya zich bij ons voegt, ook al zo ingepakt tegen de zon. Ze doet de tocht in delen, vertelt ze; vanavond slaapt ze in dezelfde ryokan als wij, de enige in de wijde omgeving. Nadat de weg verder is afgedaald – wij soms via een afkortend paadje – tussen vele terrassen met natte, in de zon fel blinkende sawa’s vol ratelende kikkers door, komen we om kwart voor 4 (ook weer veel later dan de voorspelde 2 uur…) bij bangai 14, die langs de ‘normale’ henroroute ligt. Een heel klein en zeer fraai complex. Vorig jaar hebben we het ook al bekeken. De toegang tot het tempelterreintje wordt gevormd door dikke rode zuilen. Overal staan grote camelia’s, nu inmiddels ver uitgebloeid, waaraan de tempel zijn naam ontleent: Tsubaki Do, plek met camelia’s. Vorig jaar vielen ons de enorme fallussymbolen op het tempelterreintje op, nu zijn ze allemaal zedig bedekt door slabbetjes. Van de intreurig ogende stempeldame krijgen we een buntan en zoute koekjes. We rusten even uit op een bankje en zien de henro uit Nagoya weer. Daarna verliezen we haar uit het oog. Vanaf bangai 14 is het nog 7 kilometer naar onze overnachtingsplaats, langs route 192, die voortdurend stijgt, opnieuw op weg naar een tunnel. We zijn door de Nagoya-henro voor de tunnel gewaarschuwd, maar het is te warm en inmiddels ook al veel te laat om nog het paadje over de berg heen te nemen. De 972 meter lange tunnel heeft gelukkig toch een verhoogde overdekte goot, wel extra smal en met regelmatig schots en scheef liggende dekplaten, maar toch…

De opkomende avondkilte, de geur van houtgestookte kachels, hier en daar een stil paadje dat onder de donkere sugibomen verdwijnt… het doet ons allebei denken aan Zwiterland. Plotseling doet het landschap heel Europees aan. In een klein gehucht langs de grote weg worden we om 6 uur hartelijk verwelkomd door de bejaarde vader en zijn dochter die de ryokan beheren. We kennen ze van vorig jaar. Het binnenplaatsje zit al vol met henro’s. Na de ofuro kunnen we gelijk aanschuiven in de piepkleine keuken/eetzaal. Met 8 henro’s en de gastheer zit het propvol. We zien er ook weer de henro die er vanmorgen bij kwam staan toen wij de weg werden gewezen door de stempelmonnik. Hij bezoekt ook de bangai-tempels, maar is vandaag over de weg gelopen naar bangai 13, niet over het bergpaadje. Hij geeft ons een rode osame fuda; hij loopt de tocht voor de 13e keer, vertelt hij. We zitten al een half uur te eten als de gastvrouw met de Nagoya-henro binnenkomt. Ze heeft ook de tunnel genomen, vertelt ze, maar ze heeft daarna gebeld naar de ryokan om te worden opgepikt met de auto. Het werd teveel en te laat. ‘Hayai!’, zegt ze tegen ons. ‘Jullie zijn snel!’ Ja, die laatste 7 kilometer op de gestaag stijgende weg hebben we erg snel afgelegd, in zo’n anderhalf uur, terwijl daar ook 2 uur voor voorspeld waren. Op het platte vlak – zelfs het vals platte vlak – zijn we goed. Maar onze voeten doen wel erg zeer… Onze 84-jarige gastheer geeft ook vanavond weer een performance onder het eten. De helft van het gezelschap beklimt morgen de berg waar tempel 66 zich op bevindt, net als wij vorig jaar hebben gedaan; de overige 4 henro’s doen de bangai’s erbij en lopen daarom een andere route. Onze gastheer is gespecialiseerd in tempel 66 en de ‘avontuurlijke en gevaarlijke’ route ernaartoe. Met veel overtuigingskracht toont hij waar het allemaal mis kan gaan. Hij geniet er zichtbaar van. En zijn gasten ook. Het is een heel gezellige avond, zo op de grond voor het aanrecht.

Geplande afstand: 20,7 km, 800 m stijging
Werkelijke afstand: 25,3 km, hoogste punt 765 m, totale stijging 1104 m, totale daling 1189 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1165,3 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.05– ca. 17.55 uur
Looptijd: 5,59 uur
Gemiddelde snelheid: 4,2 km/u
Bezochte tempels: bangai 13 en 14
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: minshuku Okada (1 kamer 6 tatami’s groot met kastenwand, 1 tafeltje, tv, goed avondeten, matig ontbijt)

 

Dag 61: donderdag 26 april 2012: Er zit een beer in mijn koffie

 

Om 9 uur ontmoeten we Yoshitake Tamaoka in het ziekenhuis van Shikoku Chuou, voor mijn 4-wekelijkse infuus. We hadden de afgelopen weken niets van hem gehoord, tot een telefoontje gisteravond om half 10: hij was net aangekomen op het vliegveld van Matsuyama op Shikoku. Nu vertelt hij dat zijn 77-jarige vader een attaque heeft gehad en in kritieke toestand in het ziekenhuis ligt. Ik schrik ervan en voel me erg bezwaard dat hij toch naar Shikoku is afgereisd voor mijn infuus. De afgelopen 3 jaar is een bijzondere band ontstaan tussen ons: gedurende elke reis komt hij tweemaal met het vliegtuig uit Tokyo om mij bij te staan bij het infuus. Een vreemd soort lotsverbondheid. Deze keer vertrekt Yoshitake meteen na het infuus weer naar Tokyo.

De rest van deze ‘vrije dag’ gebruiken we om alvast een stukje te lopen van het programma van morgen: Hide-san mailde ons dat het traject dat we voor morgen hebben gepland, een enorm zware tocht door de bergen is en adviseerde ons al een stuk ervan op onze vrije dag te lopen en dan morgen met een taxi dat deel over te slaan. Een andere oplossing is er niet, want de overnachtingsplaatsen liggen nu eenmaal zo ver uit elkaar. En zo vertrekken we rond kwart voor 11 vanaf het hotel om heen en weer te lopen naar tempel 65 die op zo’n 350 meter hoogte ligt; de bagage zoveel mogelijk op de kamer achterlatend. Eerst kopen we wat brood en cake in een nieuwe supermarkt, gelegen naast het koffiehuis waar we nu al voor het derde achtereenvolgende jaar komen voor heerlijke cappuccino en gebak. ‘Er zit een beer in mijn koffie’, zeg ik tegen Mels. De melk is opgeschuimd in de vorm van een glimlachende berenkop. Ik wist niet dat dat kon… Als we afrekenen, krijgen we van de aardige obers ook nog eens een plastic tasje met broodjes en jam. Dat komt goed uit, want we hebben ook voor morgen nog een lunch nodig.

De hemel is vandaag zwaarbewolkt; er is regen voorspeld en boven de bergen hangen donkere regenwolken. Ik vind het wel prettig: niet alleen is de temperatuur wat gematigder (hoewel het niet minder ‘zweterig’ is), maar ik hoef nu ook niet mijn gezicht te bedekken tegen de zon. Mijn gezicht ziet er inmiddels wat minder ‘gekookt’ uit, maar is nog wel gezwollen en erg bladderig en korstig. Vanaf het koffiehuis lopen we naar de bergketen die parallel loopt aan de zeekust. Via allerlei weggetjes klimmen we langzaam de berghelling op, later via een betonpaadje tussen boomgaarden door en nog weer later over een bergpaadje door de bossen. Af en toe is er de schreeuw van een fazant te horen en een tijdlang roert een uil zich. Langs het pad zijn weer wroetsporen te zien van wilde zwijnen. Her en der staan kleine geelwitte irissen; eenmaal zelfs een heel veldje vol. Tussen de vele soorten varens ontdek ik een koningsvaren. In de diepte is de laagvlakte vaag te zien. Het is zo heiig dat zee en lucht dezelfde grijsblauwe kleur hebben aangenomen en onmerkbaar in elkaar overlopen. Vlak voor we bij de tempel aankomen valt er een kleine bui; we schuilen even onder een boom. Vanaf het koffiehuis hebben we er slechts anderhalf uur over gedaan naar de tempel.

Tempel 65 is een mooi complex met enkele enorme bomen: een oude reuzenkersenboom waarvan de grote, ver uitwaaierende takken worden ondersteund door palen, en een loofboom met een enorme stamomvang, waarvan de bladeren net beginnen uit te botten; eronder staat een heel veldje geelwitte irisjes. De vrolijke stempelmonnik herinnert zich de potters uit Nederland. We blijven lang staan kletsen. Daarna nestelen we ons in de rest hut op het tempelterrein om onze lunch op te eten. Fleece- en windjacks gaan weer aan, want het is plotseling fris. Er valt een zacht regenbuitje. Flinterlichte waterdruppels fluisteren voorbij. Als we de terugweg aanvangen, blijkt het alweer droog.

Voor de afdaling nemen we een asfaltweggetje dat wat oostelijker loopt en eenmaal in het dal gooien we er nog wat extra kilometers tegenaan om de kaiten-sushi van vorig jaar op te zoeken. Ook al leek het van bovenop de berg nog alsof het hele dal verdwenen was in de wolken, eenmaal beneden blijkt de hemel opgeklaard en de temperatuur alweer aardig gestegen. Al om 4 uur zitten we aan de lopende-band-sushi. Nou ja, we staan ook elke morgen om 6 uur of nog eerder op, dus ’s avonds wat vroeg eten kan ook geen kwaad… Als we na de sushi naar het hotel terug lopen, wordt het plotseling weer warm in de late middagzon.

Geplande afstand: 10,8 km, 350 m stijging
Werkelijke afstand: 16,1 km (incl. 4 km extra i.v.m. kaiten-sushi), hoogste punt 346 m, totale stijging 575 m, totale daling 532 m (klopt niet, eind- en beginpunt zijn hetzelfde)
Cumulatief afgelegde afstand: 1140,0 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 10.43– ca. 17.40 uur
Looptijd: 3,28 uur
Gemiddelde snelheid: 4,6 km/u
Bezochte tempels: tempel 65
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: Business Hotel Mild (westerse kamer, 2x1p-bed, bureautje met stoel, tv, mini-badkamer met bad/douche/wc, internet met kabeltje op de kamer, zeer matig ontbijt)

 

Dag 60: woensdag 25 april 2012: Vliegende Hollanders

Opnieuw dik ingepakt tegen de zon, stap ik om 20 voor 9 het hotel uit, uitgezwaaid door het vriendelijke hotel-echtpaar. Het is weer suzushii, warmvochtig, ook al is de hemel behoorlijk bedekt met sluierbewolking waar de zon slechts lichtjes doorheen schijnt. Er is opnieuw 24 graden voorspeld; gisteren is op 27 graden uitgekomen volgens de berichten. Door de hoge luchtvochtigheid is het erg heiig. We trekken verder naar het oosten, langs de erg drukke route 11 ofwel langs parallelweggetjes die door gehuchtjes voeren, in het begin langdurig licht stijgend tot een pasje en ook later meestal langdurig lichtjes stijgend of dalend. Tussen de gehuchtjes door zijn er sawa’s en andere kleine akkerlandjes. Er wordt druk gewerkt op het land. Een boer is bezig rijst te planten met zijn trekker; elders is een boer aan het ploegen. Veel wordt handmatig gedaan: poten, onkruid wieden, met stro bedekken, plastic tunneltjes rond jonge plantjes zetten, etc. etc.

We kijken met verbazing naar een loslopende, veel te dikke Japanse Inu die telkens wat wordt toegeschreeuwd vanuit een langzaam rijdende auto. De vrouw legt uit dat ze haar hond uitlaat… met de auto. De hond sukkelt er wat achteraan; ze heeft er niet veel zin in met die hitte. Rechts van ons zijn op de achtergrond de lagere bergruggen, bedekt met sugi en gemengd loofbos, af en toe met het felle rood van bloeiende azaleaboompjes. Soms zijn de hoge bergen erachter te ontwaren: donkere reuzen in verschillende grijstinten. Als we met een parallelweggetje weer bij route 11 uitkomen, leggen we aan bij een koffiehuis waarvan de zijvleugels – bij wijze van grap – schots en scheef zijn gebouwd. Een hele rits schoolkinderen trekt buiten voorbij, allemaal netjes in blauw schooluniform en met rode rugzakjes. Als ze ons ontdekken, wordt er enthousiast gezwaaid; enkele jongens gooien kushandjes. Ook voor de lunch keren we rond 12 uur terug naar route 11 met het plan in een supermarkt wat brood of cake te kopen, maar vlak ervoor ontdekken we een restaurant. Voorgaande jaren hebben we in 2 verschillende restaurants aangelegd, maar zijn er beide keren ziek van geworden. Dit restaurant ziet er beter uit. Maar pas als we binnen zijn, herkennen we het restaurant van vorig jaar… We nemen toch maar het risico en blijven.

Vlak na het lunchrestaurant komen we bij bangai 12, een klein tempelcomplex; in het kleine parkje ernaast zijn de resten te bewonderen van een eens grote (nou, vooral brede) boom die er stond tot zo’n 100 jaar geleden. Compleet met afdak. In het stempelkantoor hangen foto’s van de boom uit de voorvorige eeuw. We trekken de aandacht van kinderen, op weg naar school. Ritsen blauwe schooluniformen met gele helmpjes. ‘Hello!’, klinkt het telkens opnieuw. Daarna gaat het verder naar het oosten, naar onze overnachtingsplaats in Shikoku Chuou, een kleine havenstad met veel industrie. De bewolking neemt steeds meer toe; er is voor vanavond regen voorspeld. Een pickup stopt naast ons en we krijgen door het geopende raam 2 blikjes koude koffie aangereikt van een man in werkmanskleren.

We moeten ook dit jaar schielijk een super langs route 11 opzoeken omdat de lunch er opnieuw snel weer uit wil. Als we buiten komen, blijkt er een harde en ook frisse tegenwind te zijn opgestoken. Langzamerhand lopen we steeds meer het stedelijke gebied in. We passeren rivier na rivier, allemaal met even gortdroge beddingen, terwijl overal om ons heen water te zien en te horen is in betonnen goten; blijkbaar wordt er overal wat afgetapt van de rivieren. We overwegen onderweg naar het hotel al een restaurant op te zoeken voor het avondeten, omdat we geen diner in het hotel zelf hebben besteld. Daarom zoeken we opnieuw route 11 op, maar de ‘katten-sushi’ waarop we hoopten, blijkt verdwenen. We blijven langs de vermoeiend drukke weg lopen, voortdurend behendig heen en weer bewegend over opwippende dekplaten, langs onverwachte gootjes, opzij springend voor vrachtwagens… Op een parkeerterrein komt een vrouw aanhollen en geeft ons ¥ 1000, omgerekend zo’n € 10.

Links in de wazige verte kunnen we eindelijk heel vaag de zee ontwaren, in kleur nauwelijks verschillend van de grijze lucht. Omdat we behoorlijk moe zijn en last van onze voeten hebben, leggen we om 4 uur even aan bij een Mos Burger voor een café latte. Het begint lichtjes te regenen. Nog geen kilometer later vinden we toch nog een goed restaurant en er zijn zelfs sushi en sashimi. De laatste 3 kilometer naar het hotel leggen we af in een vliegende storm, gelukkig met niet al te heftige regen die ook al snel afneemt. Maar het is een vervelend stuk lopen: in het donker, zonder straatverlichting en stoep langs een erg drukke straat. In de wirwar aan straatjes lopen we eerst iets te ver door, maar het hotel ligt pal naast het transformatorstation van een energiecentrale, echt missen kunnen we het niet. We worden enthousiast ontvangen door het damesploegje van het hotel; ongerust waren ze niet, ze zijn gewend dat we laat zijn…

Geplande afstand: 23,1 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 27,3 km, hoogste punt 158 m, totale stijging 528 m, totale daling 543 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1123,9 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.38– ca. 19.30 uur
Looptijd: 5,33 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: bangai 12
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: Business Hotel Mild (westerse kamer, 2x1p-bed, bureautje met stoel, tv, mini-badkamer met bad/douche/wc, internet met kabeltje op de kamer, zeer matig ontbijt)

Dag 59: dinsdag 24 april 2012: A Joyfull Day

Er is opnieuw 24 graden voorspeld. Ik bind mijn recent verkregen sjaaltje voor mijn neus en mond en hang een kletsnatte handdoek over mijn hoofd. Zonnebril op evenals de paraplu. Geburkadeerd! Leve de val van het kabinet… Mels vindt het een foto waard. En nog een. En nog een…

Vandaag zullen we verder naar het oosten lopen door de laagvlakte en al in het eerste deel van de tocht 3 tempels bezoeken. We beginnen met de vlakbij de ryokan gelegen tempel 62 en lopen dan langs route 11, een loeidrukke 2-baans weg waar slechts zelden een stoep naast is, naar tempel 63 die gelukkig slechts anderhalve kilometer verderop is gelegen. Als we aan komen lopen, vertrekt er net een hele groep henro’s, lopend op een rijtje langs route 11. Een mooi gezicht. Op het tempelcomplex staat weer een fraaie sakura in bloei, evenals verschillende pioenrozen, met enorme bloemen in rose, rood, paars en wit. Via wat parallelweggetjes die door gehuchtjes lopen, vervolgen we onze weg naar tempel 64, zo’n 3,5 kilometer verder gelegen. In tuinen staat hier en daar een enorme blauwe – soms een witte – wisteria te bloeien en ook paarse en witte seringen. Regelmatig zijn er rose, rood, paars of wit bloeiende azaleahagen langs tuinen. Het is erg warm en we hebben er meer last van hier op de open laagvlakte – met ’s ochtends ook voortdurend de zon van voren – dan gisteren tijdens de meer beschaduwde klim en afdaling. Ik heb het ook erg benauwd onder al die doeken. Het zweet loopt voortdurend mijn ogen in en mijn zonnebril is half beslagen. De inspanning van gisteren zit ook nog in onze benen. Slechts af en toe is er even een heel licht verkoelend windje. Als we even na 10 uur het huchtje van tempel 64 zijn opgelopen, gaan we – zekerheidshalve na het stempelen – eerst even op een bankje zitten. Even bijkomen. En even een 2e ontbijtje opeten met de gisteren gekregen broodjes en het restant van het fruit. We hebben de ruime belangstelling van de vele groepen bushenro’s en ook van de autohenro’s die voorbijkomen. Een priester-gids geeft ons 2 snoepjes; een man, die samen met zijn gezin het complex bezoekt, geeft ons met gepaste trots een goudbrocaten osame fuda. Het bewijs dat hij de tocht minstens 100x heeft afgelegd.

Daarna klimmen we nog wat trappen op naar de hoofdtempel om de rituelen uit te voeren. Voor we vertrekken, pak ik mezelf weer goed in tegen de zon. (Mels neemt nog wat foto’s…) Ik had verwacht dat ik zo ingepakt veel minder contact zou hebben met mensen; normaal probeer ik altijd vriendelijk te lachen naar iedereen. Maar Japanners zijn gewend dat veel mensen met mondkapjes lopen en andere henro’s lopen ook vaak met een handdoek rond het gezicht, al dan niet met een hoed nog bovenop het hoofd. Alleen een hond gromt naar mij als ik wil aaien; toch iets te eng…

Na tempel 64 is het nog zo’n 18 kilometer lopen naar onze overnachtingsplaats, nog verder naar het oosten. Lange tijd lopen we weer langs parallelweggetjes, maar voor een Joyfull gaan we weer terug naar route 11: friet en ijs. We blijven er lang hangen; ik ga wat zitten typen. Daarna nemen we weer allerlei kleine weggetjes verder naar het oosten. Rechts van ons is de hoge bergketen, waar we gisteren een stukje van hebben geproefd. Het is heiig en de verste bergen zijn slechts wazig te zien. De lagere bergruggen zijn bedekt met afwisselend sugi en loofbomen, hier en daar met een roodbloeiend azaleaboompje ertussen. Een fraai, indrukwekkend landschap, vooral rond de grote rivieren die we regelmatig moeten oversteken. We rusten kort op een stapeltje stenen langs de weg, in de schaduw van een boom. Zodra we stilhouden, begint het zweet nog harder te stromen… We zitten allebei met de mond open te hijgen. Het voelt minstens 30 graden! We lopen al gauw weer verder. Tegenover een fraai veldje tulpen kopen we maar weer eens een flesje water bij een vending machine. Ik ben af en toe wat duizelig van de warmte en daarom zoeken we nogmaals route 11 op voor een Joyfull. Nóg een ijsje… Pas rond 5 uur lopen we weer verder. Nog 4 kilometer te gaan…

Omdat er geen avondeten is in het hotel waar we zullen slapen en we van voorgaande jaren weten dat in de directe omgeving ervan alleen een restaurant is van het type gaarkeuken, besluiten we onderweg al uit te kijken naar iets eetbaars, restaurant ofwel supermarkt. Een kilometer voor onze overnachtingsplaats vinden we een wegrestaurant met prima nasi en andere Chinees aandoende gerechten. Pas 10 voor 7 komen we aan bij ons hotel. In de vroege avondschemering scheren vleermuizen langs. ‘Chotto shimpai!’, zegt de aardige hoteleigenaar. Hij was al een beetje bezorgd… Ja, daar waren we al bang voor. Elke keer als we ergens na 5 uur arriveren, jagen we de gastheer of -vrouw de stuipen op het lijf. We verontschuldigen ons diep. Eenmaal op de kamer werpen we ons op de wifi. Eindelijk eens snelle wifi! Mels lukt het niet alleen de blog met de foto’s te uploaden, maar eindelijk – na 2 maanden – ook 2 kaarten van Shikoku toe te voegen, waarvan er eentje aangeeft waar we ‘precies’ zijn.

Geplande afstand: 23,1 km, 50 m stijging
Werkelijke afstand: 24,6 km, totale stijging 413 m, totale daling 386 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1096,6 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.26– ca. 18.50 uur
Looptijd: 4,49 uur
Gemiddelde snelheid: 5,1 km/u
Bezochte tempels: tempel 62, 63 en 64
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: Business Hotel Misora (westerse kamer, 2x1p-bed, bureautje met kruk, tv, tv-stoel, badkamer met bad/douche/wc, wifi op de kamer, ontbijt)

Dag 58: maandag 23 april 2012: Leve het kopvod!

Aan de ontbijttafel laat de vrouw naast me zien hoe zich zich vandaag gaat beschermen tegen de zon: handdoeken rond het gezicht met knijpers dichtgehouden, hoed, zonnebril, handschoenen, extra polsmouwtjes. Het lijkt me erg benauwd zo onder die handdoeken. Maar er is 24 graden voorspeld en als we om 10 over 7 de deur uitstappen begint het al aardig op te warmen. Gelukkig zullen we een groot deel van de dag in de bossen lopen. We moeten vandaag vanaf zeeniveau de bergen in om tempel 60 te bezoeken op zo’n 700 meter hoogte en daarna weer afdalen naar dezelfde laagvlakte. Ik krijg van de gastvrouw maar liefst 3 grote citrusvruchten mee; mijn pelgrimstas begint steeds erger aan mijn schouder te trekken. We vertrekken tegelijkertijd met een Japans echtpaar: hij erg timide, zij nogal bazig en betweterig en behept met een harde, schelle stem waarmee ze gisteravond bij het avondeten al elk ander gesprek doodsloeg. ‘We lopen vandaag dezelfde route’, kondigt ze aan. Wij zetten de sokken erin en laten hen al snel ver achter ons.

Eerst moeten we de laagvlakte doorkruisen en onderweg slaan we bij een supermarkt wat eten in voor de lunch. Ik koop er een dunne handdoek die ik om mijn hoofd bind tegen de zon, want de mooie sjaal die ik enkele dagen geleden kreeg, bleek te klein te zijn daarvoor. Leve het kopvod! Ik kan me geen betere manier voorstellen de val van de gedoogconstructie te vieren, waarvan we gisteren via internet hoorden. Ondertussen is het Japanse echtpaar voor komen te liggen. Voor de supermarkt stopt een pickup midden op de weg, een bejaarde man wil ons uitgebreid de weg wijzen. Het duurt even voor we weer door kunnen lopen. Een half uur later roept iemand ‘Oranda!’ Dezelfde man, nu met een fiets, om ons toch nog even de weg te wijzen. Voor het geval dat… Niet lang daarna bereiken we de voet van de bergen. Het is inmiddels 9 uur. We rusten kort in een rest hut om even wat fruit weg te werken.

Een stille, langzaam stijgende bergweg voert ons een langgerekt dal in, langs een fraaie rivier die zijn weg zoekt over grote rotsen. Op de weg ligt een dode slang, aangereden. Tegen de helling staat een vreemd bouwsel in felgeel en -rood. Langs de weg staat een groepje gebouwtjes in dezelfde kleuren; we kijken even binnen in een open loods, nieuwsgierig of het een henro zenkonyado is met gratis koffie, want we weten dat het enige restaurant langs deze route vandaag gesloten is. Maar het blijkt een bedrijfsruimte. Er komt een man aanlopen, veronderstellend dat we geïnteresseerd zijn in de lantaarnachtige windvangers die hij van frisdrankblikjes heeft gemaakt. En of we kaki kennen? Hij geeft ons elk 2 gedroogde vruchten, ze lijken qua smaak en consistentie een beetje op gedroogde vijgen. Leuk! Nu weten we eindelijk wat voor vruchten het zijn waarnaar een van de Mashiko-glazuren is genoemd vanwege de gelijkenis in kleur.

We vervolgen onze weg. Af en toe zijn er apendrollen langs de kant van de weg. In de bergwand zitten regelmatig hele volksstammen kikkertjes te brullen. Tegen 10 uur komen we bij het einde van de weg, waar vandaan een paadje verder de berg op leidt. We rusten er kort in een rest hut, naast een grote tas met dekens, voor de henro die er wil overnachten. Tegenover de rest hut is een bron met geneeskrachtig water. Een echtpaar is druk bezig met het vullen van jerrycans. Even later komt een pickup aanrijden, de laadbak vol met containers. ‘Hoe hoog denk je dat we zitten?, vraagt Mels. Ik denk op zo’n 500 meter; dat denkt Mels ook. Maar de gps geeft 263 meter hoogte aan. Vervelend ding… Het is nog 1,8 kilometer naar de tempel en we moeten blijkbaar nog 450 meter stijgen, dat is gemiddeld 25%…

Het paadje voert langs een idyllisch beekje dat blijkbaar – tijdens het laatste regenseizoen? – behoorlijk heeft huisgehouden. Op vele plaatsen liggen kriskras tientallen boomstammen in de nu vrij droge bedding. Op een bruggetje ligt een enorme steen, er blijkbaar door de woeste stroom neergegooid. Erachter staat een heel veldje hoge bomen met de wortels ernstig blootgespoeld. Af en toe werken we ons moeizaam verder op het paadje, soms klauterend over de rotsen. Ook de regen van de afgelopen dagen heeft het paadje hier en daar erg glibberig gemaakt. De brullende kikkertjes in hun kleine holletjes in de hellingen trekken zich niets van ons aan. Soms kruist ons pad dat van een reuzenregenworm. Enkele keren is er een 1000-poot.

Dan komen we op een punt waar het pad totaal verwoest is door het woeste water; een dun touw leidt ons verder de berg op, weg van het beekje en het oorspronkelijke pad; af en toe moeten we ons optrekken eraan. Pas om kwart over 12 bereiken we de tempel; we hebben 1 uur en 3 kwartier gedaan over het paadje, langer dan vorig jaar door al het geklauter. Rond het poortgebouw staan enorme sugi. Als we het tempelterrein oplopen, klinkt er een snerpende stem vanaf een wat hoger gelegen deel: ‘Why are you so late?’ Ze wil uitgelegd hebben waarom we op de laagvlakte zo snel liepen en nu pas na hen de tempel hebben bereikt. In het stempelkantoor leg ik haar uit dat we geen bergen hebben in Nederland en dat we daarom zo langzaam zijn in de bergen… Ze zet de handen in de zij, gooit haar hoofd achterover en laat een harde, schelle lach houden. Ik kan me net bedwingen mijn vingers niet in mijn oren te steken.

Mels en ik eten onze meegebrachte lunch op in een gebouwtje met tafels en banken, terwijl het Japanse echtpaar nog even naar een uitzichtspunt vlakbij loopt om een blik te werpen de hoogste berg van Shikoku, die (volgens ons routeboekje) vanuit deze tempel in 8 uur lopend is te bereiken. ‘Niets te zien’, vertelt ze even later. ‘Veel te heiig.’ Als Mels haar in het Japans verbetert wat betreft de hoogte van die berg – voor getallen moet je bij Mels zijn… – slaat ze met de handen op de knieën. Ze rolt bijna om van het lachen. Een echte dijenkletser. Verschrikt kijken wat mensen om. Terwijl het stel alvast vertrekt, voeren wij de rituelen uit en genieten we van de fraaie omgeving. De helling achter de tempelgebouwen is helemaal bedekt met rhododendrons, helaas nu nog in de knop. Elders staan enkele bloeiende sakura’s en een mooi in vorm gesnoeide roodbloeiende camelia. In een tuintje naast de hoofdtempel ontdekt Mels enkele grote morieljes. Vorig jaar werden er bij dit tempelcomplex werkzaamheden verricht aan een talud, nu staat een van de tempelgebouwen in de stijgers. Om 1 uur wordt het tijd weer af te dalen. Eerst over een onverhard pad, langs een hele serie oranje poorten met ernaast behoorlijk ontsierende boswerkzaamheden, dan via een smalle weg die fraai kronkelt langs berghellingen en over bergruggen. Langs de weg staan hier en daar paarsbloeiende azaleastruiken, dan weer is de grond bedekt met paarse viooltjes. De bergen rondom zijn bedekt met dichte sugibossen.

Daarna lopen we over een klein paadje dat heel lang op en neer kronkelt op zo’n 400–450 meter hoogte. Het is bezaaid met verse plukjes sugiloof en later ook met afgevallen jong blad van loofbomen; stormschade van gisteren. Dan stort het paadje zich in de diepte en zien we in de wazige verte weer een stukje van de laagvlakte: de kuststrook met havenindustrie. Eindeloos zigzagt het pad steil naar beneden. We krijgen er knikkende knieën van. Het laatste stuk naar het dal voert weer over de weg. De hellingen zijn hier bedekt met gemengd loofbos in vele tinten groen. Ertussen staat hier en daar een roodbloeiende azalea. Langs de weg staan vele, vele groenbladerige Japanse esdoorns.

Pas even na 4 uur bereiken we weer het dal en het is al half 5 geweest als we bij tempel 61 aankomen. Er staat een mooie oude sakura te bloeien, met lichtroze dubbele bloemen. We waren bang dat het stempelkantoor al dicht zou zijn, maar dat valt mee. ‘You look tired’, zegt de stempelmonnik. Ja, dat kan wel kloppen… Van een andere stempelmonnik krijgen we elk 2 broodjes. Na het stempelen berg ik mijn boekje weer op. Plotseling is er een harde klap op mijn rug. En een snerpende lach. Zucht.

Rond kwart over 5 melden we ons bij onze overnachtingsplaats een kleine kilometer verderop. Tijdens de eerste pelgrimstocht hebben we overnacht in het gastenverblijf van tempel 61, het tweede jaar in een ryokan even verderop, maar beide keren beviel het niet zo. De ryokan die we nu hebben uitgezocht – een tip van Morin, de Fransman die we vorig jaar tegenkwamen – ziet er heel wat beter uit. Een gedistingeerde gastvrouw op leeftijd (78 blijkt later…) laat ons binnen in het mooi ingerichte, goedonderhouden huis. We mogen kiezen: een normale Japanse kamer met laag tafeltje en zitkussens of een Japanse kamer met hoge tafel gemaakt van een langwerpige boomschijf met rotan krukken. We gaan voor de tafel. En voor de mooie inrichting eromheen: keramiek in vitrines en in de tokonoma. In de dramatische donkere kleuren waardoor Bizen-keramiek gekend is: ijzerrijke klei, ongeglazuurd en houtgestookt.

Bij het avondeten – dat we delen met 1 andere loophenro – vertelt de gastvrouw dat ze keramist is, hoewel de laatste tijd de minshuku voor gaat. Wij geven onze visitekaartjes. Ze komt er gezellig bij zitten met een wijntje. ‘Weten jullie dat jullie vandaag maar 4 kilometer hebben afgelegd?’, vraagt ze lachend. Ja, dat weten we… dat er maar 4 kilometer zit tussen de vorige en deze ryokan, maar we zijn ondertussen wel even een berg op geweest…

Na het eten loopt ze met ons mee naar een apotheek, want mijn gezicht ziet er zorgwekkend rood en gezwollen uit. Door de donkere straten keren we weer terug, de eerste sterren aan de hemel; een lekker fris avondwindje op het gezicht, de katten in concert, dartele vleermuizen in het licht van een lantaarn, lotion en peperdure zonnebrandcrème rijker.

Geplande afstand: 21,7 km, 700 m stijging
Werkelijke afstand: 25,8 km, hoogste punt (tempel 60) 726 m, totale stijging 1189 m, max. helling 40%, totale daling 1166 m, max. helling 20%
Cumulatief afgelegde afstand: 1072,0 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.09– ca. 17.15 uur
Looptijd: 5,43 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: tempel 60 en 61
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: minshuku Suzu (1 kamer 8 tatami’s groot met kastenwand / tokonoma, 1 tafel met 6 6 rotan krukken, vitrines met keramiek, matig avondeten, matig ontbijt)

Dag 57: zondag 22 april 2012: Zoveel tempels…

We dralen lang aan de ontbijttafel. Zoveel lekkers. En bovendien… buiten regen… Maar uiteindelijk pakken we onszelf en de rugzakken toch maar weer in tegen de nattigheid. Het frame van Mels’ rugzak – een grote kunststof plaat – is ingestort, hebben we dit weekend geconstateerd, maar er is geen reparatiemogelijkheid, dus hij gaat gewoon weer om; hopelijk geeft het geen extra problemen voor zijn rug. Bij de ingang van het hotel staat de ober van gisteravond. Om nog even dag te zeggen. Mels zegt dat hij de pelgrimstocht ook eens zou moeten doen, maar de man schudt nee: last van knieën en allerlei andere dingen. Misschien als hij gepensioneerd is… Maar hij wenst ons een bijzonder goede tocht toe. We zwaaien. Tot onze verbazing is het droog als we het hotel uitlopen.

We hebben voor vandaag geen zwaar programma gepland: zo’n 20 kilometer lopen en 2 bangai-tempels bezoeken, maar die 2 zitten wel in het laatste deel van de dagroute, dus we moeten ze halen voor half 5. Eerst moeten we weer terug het huchtje over om terug te komen op de henroroute. We verlaten bijna meteen de grote weg, om onder het spoor en de snelweg door te komen op de weg die over een volgend huchtje voert en uitkomt in het brede dal dat haaks staat op de noordelijke kust en waar niet alleen de tempels zich bevinden, maar ook onze overnachtingsplaats. Aan de overzijde van het dal staan op een lange rij de dreigende donkere bergen waar we morgen naar toe zullen gaan, vaag achteraan staat de hoogste berg van Shikoku: Ishizuchi-san, 1982 meter hoog. Sneeuw is er dit jaar niet te zien op de toppen; wel hangen er donkere regenwolken boven de bergen. Elke keer als we het dal binnenlopen, lijkt de rest van het dagtraject een peulenschil. Maar we hebben nog minstens 12 kilometer te gaan. De laagvlakte is bezaaid met gehuchten. Allerlei wegen voeren ons verder het dal in en door het dal verder naar het zuiden. In tuinen bloeien witte en blauwe wisteria en soms een jasmijn en er zijn vele hagen met rode of roze bloeiende azalea’s. De velden staan vol met bijna volgroeide rijstplanten. Tegen 11 uur zien we een zwaailicht. Een tentje met takoyaki: weke meelballen met inktvis, overgoten met een pittig sausje. We vragen om koffie. Er is alleen instanto, maar dat vinden we ook prima. En we bestellen gelijk wat ballen, want we verwachten verder geen restaurant meer tegen te komen. We krijgen er zoetebonenpastei en -broodjes bij. We trekken onze regenkleding uit, want het is er eigenlijk te warm voor. Als we afrekenen, hoeven we alleen de helft van de balletjes te betalen, de rest is allemaal osettai. Wij geven osame fuda’s die meteen op worden gehangen. In de supermarkt er vlak na kopen we nog wat cake, bij gebrek aan redelijk brood, en wat Yakult, en vervolgen dan onze weg.

Plotseling steekt er een storm op. We kunnen ons er nauwelijks tegenin worstelen, soms worden we alle kanten uitgewaaid. Overal wippen golfplaten op daken op. Van alles staat te klapperen. Enkele houders met vlaggen vallen omver. Even verderop liggen midden op straat eterniet dakplaten in stukken gebroken. Het is uitkijken. Ik houd mijn ogen toegeknepen om gezandstraalde contactlenzen te voorkomen. Een groepje palmbomen staat in de stormwind hevig te fluisteren met hun grote, droge bladeren. Om 12 uur gaan de sirenes af; overal om ons heen stijgt hondengehuil op. We lopen allebei te hijgen, niet alleen van vermoeidheid door het vechten tegen de wind in, maar ook door de suzushi, het warmvochtige weer. We druipen, onze kleren zijn door en doornat van het zweet. Vooral als de weg ook nog eens gestaag stijgend de bergen inloopt naar bangai 10. Langzaam, heel langzaam neemt de wind weer wat af. Rond half 2 komen we aan bij een mooi oranje, rondgebogen bruggetje over een diepgelegen beekje, links en rechts staan kleine geelwitte irisjes. Het paadje na de brug stijgt nog wat verder tot de tempelpoort, waar op het plaveisel grote reuzenregenwormen krioelen. Een loophenro geeft ons 2 ansichtkaarten met zijn naamkaartje erbij. Na de poort loopt het pad verder omhoog, met af en toe met wat treedjes, geflankeerd door steeds grotere sugibomen. Links, verscholen in de diepte, is een kabbelend beekje te horen. Het pad voert langs een grote rots, het oppervlak doorsneden met barsten waar muntjes in zijn gestopt. Als je ergens terug wilt keren, laat je een muntje achter… Een reuzenregenworm kruipt langzaam uit een barst. Even verder zijn de resten te zien van een reusachtige boom: van de enorme stronk staan alleen de contouren nog. Verder omhoog leunt een stokoude kamferboom tegen een grote sugi die daar blijkbaar geen bezwaar tegen heeft. En overal zijn grote groenbladerige Japanse esdoorns. In het najaar moet het hier een groot, roodgekleurd feest zijn. Het laatste deel naar de tempelgebouwen bestaat uit brede, natuurstenen trappen – in totaal zijn er 300 treden horen we later van de stempeldame – waarvan de treden bedekt zijn met paarse en enkele bleekpaarse, bijna witte viooltjes, en soms een varentje. Het is een sprookjesachtig mooi valleitje.

Als we bijna boven zijn, gaat het weer wat regenen. We bezoeken eerst het stempelkantoor en gaan dan even zitten onder het afdak boven een groot wierookvat om wat te eten. De aardige stempeldame komt een praatje maken en geeft ons 2 ansichten van de tempel. Haar kleine beige poedeltje komt af en toe wat bedelen; haar zoontje probeert ons te betrekken bij het verstoppertje spelen. Bij de tempelgebouwen staan ook weer 2 enorme stronken van gestorven woudreuzen. Boven beide stronken is een afdakje gemaakt en om de stronken heen is een dik gevlochten touw gehangen met witte papieren slingers eraan, iets wat in Japan veelvuldig is te zien bij Shinto-heiligdommen en rond grote bomen. De stempeldame wijst ons op een pijp waar water uitkomt. Water dat onder de reuzenstronken door is gelopen en dus geneeskrachtig is. Een jonge vrouw komt er net wat flessen vullen. Ik drink er ook wat van.

Heen en weer hollend door de regen voeren we de rituelen uit en dalen dan weer voorzichtig af van de vele trappen, uitgezwaaid door de stempeldame. De regen is al bijna weer opgehouden als we terug zijn bij de brug. De weg voert ons verder terug in het dal. We lopen omzichtig om een adder adder (Mamushi, de meest giftige slang van Japan) heen die op de weg ligt te zonnen, uiteraard na het nemen van wat foto’s… In een moestuin is een vrouw aan het werk, ze zwaait enthousiast naar ons. Ik ben druk bezig foto’s te nemen van het mooie uitzicht, als er even later een scooter achter ons stopt: dezelfde vrouw met een zak grote sinaasappels. Voor ons.

Dit jaar zien we dit dal voor het eerst vanaf deze invalshoek, afdalend van bangai 10, en het uitzicht is erg verrassend: links kunnen we de Japanse binnenzee zien met talloze eilanden, achter het brede dal, dat bezaaid is met bebouwing, staan vele rijen uitlopers van de hoge bergen recht voor ons. Voor de donkere, hoge bergen in vele grijstinten staan hier en daar nog lage heuvelruggen vol lichter groen van sugi en bamboe.

Bangai 11 is slechts enkele kilometers verderop en we zijn er al snel. De tempelgebouwen en de bergen erachter worden mooi weerspiegeld in een meer. Ik maak vele foto’s, maar als ik bezig ben met het fotograferen van de poort, zegt Mels langzaam: ‘Dit is niet de goede tempel. De naam klopt niet.’ De echte bangai 11 ligt nog een kilometer verder… Ach, er zijn ook zoveel meer tempels op Shikoku dan de 88 plus 20 die wij bezoeken… De grote tempel een kilometer verderop blijkt echter een Shinto-tempel. Ernaast vinden we eindelijk bangai 11, een vrij onopvallend complex midden tussen de stedelijke bebouwing. Naast de hoofdtempel ligt het karkas van een reuzenboom, een afdak erboven. We gaan even op een bankje zitten om de sinaasappels op te eten, maar die blijken niet lekker, veel te uitgedroogd. We offeren ze bij een schrijntje…

Daarna is het nog geen 2 kilometer naar onze ryokan, over de weg, door de stedelijke bebouwing. We hebben er al tweemaal eerder gelogeerd en worden – voor hun doen – hartelijk verwelkomd. De gastvrouw ziet eruit als een goed-Gereformeerde oude zuurpruim en ook de gastheer komt tamelijk nors over, maar ze hebben een hart van goud. De was kunnen we gratis laten doen. Osettai! En morgen zullen ze weer onze bagage brengen naar de volgende ryokan, zodat wij wat lichter de berg op kunnen lopen naar tempel 60. Ook osettai! Het eten wordt, zoals altijd, zwijgend opgediend, maar onze gastvrouw vertelt en passant wel even trots lachend aan de andere 6 loophenro’s aan tafel – 2 echtparen en 2 mannen alleen – dat wij voor de derde keer lopen én bij hen logeren.

’s Avonds op tv zien we beelden van de zware storm: omgevallen vrachtwagens, kleine boten aan flarden, golven die beuken op de kust, etc. Mels constateert dat mijn gezicht weer rood en opgezet is, net als voorgaande avonden, als een masker. Voorgaande tochten werd ik ook steeds roder en roder, maar nu is het wel helemaal erg…

Geplande afstand: 20,2 km, 200 m stijging
Werkelijke afstand: 20,3 km, hoogste punt (bangai 10) 263 m, totale stijging 641 m, totale daling 630 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1046,2 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.25– ca. 16.25 uur
Looptijd: 4,14 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: bangai 10 en 11
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Sakaeya (1 kamer 6 tatami’s groot met tokonoma, 1 tafeltje, tv, matig avondeten, matig ontbijt)

Dag 56: zaterdag 21 april 2012: Wil de ware henro opstaan?

Om kwart over 8 zitten we allebei klaar voor de herhaling van de tv-uitzending waarvoor we geïnterviewd zijn. Dankzij een mailtje van Dolf, waarin hij zich bijzonder kritisch uitliet over de uitzending, zijn we op het ergste voorbereid: het blijkt een egodocument rond de interviewster, een voormalig fotomodel met weinig intelligentieniveau; ze ‘proeft’ kort van de diverse aspecten aan de pelgrimstocht op Shikoku. Maar het heeft allemaal weinig diepgang. Het doet me denken aan de serie De Wandeling, waarin enkele maanden geleden viermaal een bekende Nederlander werd meegenomen naar Shikoku. Ook dat had weinig met de werkelijkheid te maken… Ik denk dat de Japanse tv hierin weinig verschilt van de Nederlandse: je neemt een bekende Nederlander en laat hem een onderwerp presenteren waar hij of zij niets vanaf weet; succes verzekerd… Vooral Mels ergert zich. Toch zitten er een paar mooie opnamen in het programma zoals van de indrukwekkende tempeldienst in bangai 4. En, oh ja, wij zijn ongeveer 20 seconden in beeld… Wij weten het hele programma van een half uur uit te zitten en missen daardoor bijna het ontbijt in Detroit. En dat zou pas echt zonde zijn geweest, want het is het beste ontbijt dat we ooit hebben gehad.

Terwijl Mels beneden gaat internetten via i-phone en hotel-computer, werp ik me in de hotelkamer op de laptop. In de spiegel boven het bureau kijk ik aan tegen een rood hoofd vol bobbels en schilfers, slechts iets beter dan gisteravond. Voor de lunch gaan we weer naar Detroit. In de hal lopen bruiloftsgasten in en uit; de bruid en bruidegom in traditionele Japanse kledij. De lunch is weer goddelijk. Tijdens het eten praten we over de wijze van reizen tijdens een pelgrimstocht. Iemand noemde ons eens luxe-henro’s en ook Yoshi zei een paar dagen geleden tegen ons ‘You must be rich!’ toen wij vertelden hoeveel tijd we hadden uitgetrokken voor de tocht. Want elke overnachting, elke restaurantmaaltijd kost natuurlijk geld en hoe langer je erover doet hoe duurder de reis wordt… Tim reisde op een heel andere manier, zoveel mogelijk gebruikmakend van gratis overnachtingsplaatsen en maaltijden. Zonder gps en fototoestel. Niet plannend, zonder ook maar 1 overnachtingsplaats te reserveren. Is dat ‘beter’? Zouden wij dat ook eens moeten proberen? Maar ja, dan moet je wel een tent en slaapzak meesjouwen, en ook eten, voor het geval dat… En met onze ruggen en voeten… Wanneer is een pelgrimstocht ‘goed’? Zijn er ‘betere’ of ‘slechtere’ manieren? Is een tocht per fiets, auto of bus ‘minder’? Allemaal oordelen. Allemaal keuzes die je zelf moet maken. We vinden het allebei erg prettig zeker te zijn van een warme overnachtingsplaats, hoe eenvoudig ook. Ik weet uit ervaring dat ik ’s ochtends niet meer overeind kan komen in een klam tentje, de botten pijnlijk en stram. Ook de pelgrimstocht sneller afleggen door meer kilometers per dag te lopen, is geen optie voor mij: dat lukt gewoonweg niet meer. En we vragen ons ook af of het fair is een gratis overnachtingsplaats te vragen, terwijl we het allebei wel kunnen betalen en iemand anders het wellicht harder nodig heeft. Ook ‘service’ vragen bij koffiehuizen en restaurants, zoals sommige henro’s doen als ze gratis koffie of maaltijden willen, vinden we voor onszelf niet kunnen: de middenstand hier kan ook niet van de lucht leven. Het is wat anders als iemand uit zichzelf wat aanbiedt, dat is eigen keuze. ‘Ach, iedereen doet maar wat, maar sommige mensen met meer overtuiging’, zegt Mels en daar ben ik het volledig mee eens…

’s Middags verdwijnt Mels met de laptop naar beneden voor het uploaden van de blog en verder internetten; ik maak dankbaar gebruik van het waslijntje boven het bad, even wat wasjes wegwerken. Ik neem kort een kijkje op het balkon. Het is in de loop van de dag steeds bewolkter geworden, hoewel de voorspelde regen uitblijft, maar het is lekker de balkondeuren de hele tijd open te hebben. In de verte is de zee te zien met wat eilanden. Mooi, verstild. Dichterbij zijn er vele hotelgebouwen en parkeerplaatsen. De bodem van het balkon loopt schuin af, waardoor het voelt alsof het hele balkon er elk moment af kan vallen. Ik blijf niet lang.

Het is heerlijk zo’n vakantiedag in een luxe hotel door te brengen: bedden, stoelen, een eigen badkamer, alles schoon en ruim ook, en natuurlijk heerlijk eten. Maar tegelijkertijd missen we allebei het lopen. En ook de gezellige sfeer in de meeste ryokans en minshuku’s, de betrokkenheid van de gastheer of gastvrouw. Een hotel is zoveel onpersoonlijker. Maar als we tijdens het avondeten een fles Chablis bestellen – door Mels ontdekt tussen alle aanwezige plonkwijnen – en aan de aardige, iets Engels sprekende ober vertellen dat we onze 1000-ste kilometer vieren, raken we met hem in gesprek over de pelgrimstocht. Hij blijkt zeer geïnteresseerd. Plotseling is er echt contact. Leuk.

Tijdens het avondeten praten we over het verloop van de tocht. We voelen ons de laatste weken allebei meer in tune. Vredig. Wat stress op loopdagen met volle programma’s daargelaten. In het ‘normale’ leven hebben we allebei de neiging ons te laten meeslepen door hetgeen zich aandient, altijd druk, druk, druk, maar wel leuk druk… Terwijl we allebei de behoefte hebben meer aandacht te besteden aan spirituele ontwikkeling. Hoe houd je dat gevoel vast? Welke wegen zouden we verder willen bewandelen? ‘Wil je een orgasme beleven of wil je er vooral over lezen?’, heeft Mels eens gevraagd aan zijn toenmalige baas, die her en der ‘proefde’ van allerlei ‘wegen’ door er vooral over te lezen. ‘Lees jij ook niet veel?’, vraag ik prompt. ‘You teach what you have to learn’, is zijn repliek.

Mels verdwijnt ’s avonds weer met de laptop naar beneden. Ik duik met mijn boek het bed in, maar val al gauw in slaap. Het wordt niets meer met dat boek…

Geplande afstand: 0 km
Werkelijke afstand: 0 km
Overnachting: hotel Ajour (ruime westerse kamer, 2x1p-bed, bureau met stoel, tv, koelkast, zitje met bank/tafel/fauteuil, badkamer met bad/douche/wc, balkon met uitzicht op zee en eilanden, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt westers/Japans)

Dag 55: vrijdag 20 april 2012: Ichi go ichi e

De ochtenddienst om 6 uur wordt geleid door de priesterzoon, die met zijn mooie Robby the Robot-stem de ene na de andere soetra reciteert en daarna nog een preek houdt. Sotozo en Tim nemen na de dienst afscheid van ons. ‘Tot in Nederland of Frankrijk’, zegt Sotozo. Hij geeft ons een osame fuda en 2 belletjes/amuletjes met gezichtjes van de 2 hemelse koningen die bijna altijd de tempelpoort links en rechts flankeren: de Kongō rikishi of Niou-zō, door ons al tijdens onze eerste pelgrimstocht ‘boze mannen’ gedoopt, omdat ze altijd zo afschrikwekkend kijken. Ze staan er om het kwaad buiten te sluiten. De rechter altijd met open mond, de linker met gesloten mond, A-gyō en Un-gyō verbeeldend, de eerste en de laatste klank van het Japanse alfabet. De alpha en de omega…

Langs de muren van de eetzaal staan wat tafels met koopwaar zoals amuletjes. Ik vraag Yoshi wat de bedoeling is van wat dunne houten plankjes met Japanse karakters. Het blijken ansichtkaarten te zijn, met teksten als ‘Arigato’ – dankjewel. Mels kiest er eentje uit om naar Finn te sturen en vraagt Yoshi naar de betekenis van de karakters. ‘Kizuna’, zegt hij. ‘Dat betekent menselijke verbondenheid…’ Een vreemd toeval. Dat is precies wat Mels wilde sturen.

We hoeven vandaag maar 8 kilometer te lopen naar onze volgende overnachtingsplaats, een (relatief) luxe hotel waar we ook meteen 1 dag vakantie zullen houden. Daarom zijn we in eerste instantie van plan pas om 12 uur te vertrekken, maar we voelen ons een beetje schuldig zo lang de kamer bezet te houden, omdat rondom ons heen al het personeel zo hard aan het werk is. Daarom vertrekken we uiteindelijk toch niet al te laat, tegen half 10. Ik probeer nog een foto te nemen van het uitzicht, maar er is alleen maar een grijs niets te zien rondom de berg. We worden uitgezwaaid door de vrouw en schoondochter van de priester en de jonge vrouwelijke monnik: ‘Happy you were here.’ Mels toont hen op de valreep nog even de vele mogelijkheden van de i-phone. De jonge monnik noteert de namen van de programmaatjes die Mels gebruikt om Japans te leren. Zij is bezig met Hindi en kan wel zo’n gratis app gebruiken op de computer. De rituelen bij de tempel voeren we uit in de zacht vallende regen. Bij het stempelkantoor praten we nog even met de priesterzoon die mijn boekje stempelt. Hij prijst onze langzame methode om de pelgrimstocht af te leggen. ‘Mijn vader zegt altijd tegen henro’s: ‘Laat je horloge en visitekaartjes thuis. Neem de tijd.’’

Langzaam dalen weer het bergpaadje af in het mooie valleitje. Het beekje stroomt weer. Op en langs het pad zijn er af en toe weer reuzenregenwormen, met wonderlijke iriserende kleurschakeringen als de kruipspieren worden samengetrokken. Al snel houdt het helemaal op met regenen. Op het vervolgpaadje naar een volgend dal is er eenmaal een krabbetje met felrose en -rode schaaldelen. Het fraaie paadje wordt omgeven door paarse azalea’s, maar het afdalen valt door alle nattigheid niet altijd mee en vooral de hoge treden zijn moeizaam te nemen.

Eenmaal weer op de laagvlakte, voeren allerlei weggetjes ons langs akkerland met af en toe een gehuchtje. Af en toe kruisen we een grotere weg. Om half 12 vinden we een lunchrestaurant. Ik ga meteen even wat typen, terwijl Mels in slaap valt, en pas om half 2 lopen we door. Een van de medewerksters van het restaurant rent ons achterna: de andere kant uit is een kortere weg. Bij het stoplicht linksaf. Maar het stoplicht is erg ver weg en de grote weg ernaartoe wel erg druk en daarom slaan we uiteindelijk wat eerder af om via wat kleinere weggetjes weer de pelgrimsroute op te pikken. Een auto stopt: dezelfde medewerkster. We hadden het blijkbaar niet goed begrepen? Jawel…

Vlakbij tempel 59 is een zaakje waar handdoeken machinaal worden geborduurd. De overenthousiaste eigenaar tracteerde ons 2 jaar geleden op ijs en geborduurde handdoekjes met zelfgekozen teksten; vorig jaar was het bedrijfje gesloten. Terwijl we tempel 59 naderen, vraag ik aan Mels wat voor tekst hij er nu op zou laten zetten, als we hetzelfde aanbod zouden krijgen, misschien ‘Ichi go ichi e’ soms, ‘Een speciaal moment’? ‘Inderdaad, dat is precies wat ik zou willen!’, roept hij uit. Bij tempel 59 zijn 2 grote groepen bushenro’s opgesteld in rotten van 5 om onder leiding van hun priester de soetra’s te reciteren. Een man speelt op een bamboefluit een mooi Japans lied ter begeleiding. Een bijzondere sfeer. Af en toe komen mensen op ons af om even te praten; een man geeft ons allebei een hangertje voor aan de tas of jas. Veel mensen lopen langs een grote, granieten vaas waar je met je handen overheen kunt wrijven om van allerlei ziektes te genezen. Ernaast staat een groot granieten standbeeld van Kukai. In zijn uitgestoken hand past precies een mensenhand en als je hem een hand geeft, ontvang je ook genezing. Uiteraard doen wij mee.

Het bedrijfje in geborduurde handdoeken blijkt open te zijn en we lopen er even binnen om te kijken of de foto’s die er 2 jaar geleden van ons en onze handdoekjes gemaakt zijn, aan de muur hangen. Er is een jonge vrouw aan het werk; ze roept meteen haar man erbij. Uit een grote stapel foto’s vist hij de onze. We krijgen ze mee in een envelop en natuurlijk ook elk ijs en… een grote geborduurde handdoek. Welke tekst we erop willen? De man wijst dat ik maar achter de computer moet gaan zitten om de tekst in te typen. ‘Ichi go ichi e?’, vraagt Mels. Ik vraag me af waar hij het vertrouwen vandaan haalt dat ik dit zomaar in Japanse karakters uit kan typen… maar dan kijk ik naar het beeldscherm: het staat er al, zonder dat ik een vinger heb uitgestoken… Onverklaarbaar…

In een klein straatje springt een vrouw van haar fiets om een praatje te maken. Het gesprek komt op de ramp van vorig jaar. Ze vertelt hoe ze had moeten huilen om de beelden van achtergebleven huisdieren. Ja, die televisiebeelden staan ook op mijn netvlies gekerfd. Zoveel verschrikkingen… Sommige dingen zijn té erg… Ook op deze relatief makkelijke dag blijken de geplande kilometers tamelijk rekbaar te zijn. Uiteindelijk moeten we anderhalf maal zoveel kilometers lopen als gepland. En tot slot nog een klein huchtje over, een haast Europees aandoende heuvelrug met fraai gemengd bos. Aan de achterkant ervan is een heel cluster van grote hotels. Bij binnenkomst rennen 3 medewerkers op ons af om te knipmessen en op de gong te slaan, tweemaal, voor elke binnenkomende gast een dreun. Er gaan zelfs 2 knipmessen mee de lift in, maar onze rugzakken laten we niet dragen… De eigenaar buigt diep naar ons als de liftdeuren sluiten; we kunnen niet terugbuigen, de lift is te klein… Het is dan wel een sjiek hotel en het duurste tijdens onze reis op Shikoku, maar helaas kunnen we er niet onze kleren (laten) wassen en wifi is er alleen in hal… Na een heerlijk bad is mijn gezicht weer bedekt met grote donkerrode vlekken en bobbeltjes. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat dit van de zon is – die was er niet veel vandaag – en neem me voor mijn gezicht niet meer te wassen met de hotel- of ryokan-soap.

De naam van het restaurant bij het hotel had me even op het verkeerde been gezet. Ik dacht bij Detroit meteen aan een jazzpianist, steak en misschien wat retromeubels en -posters. Maar de zoldering lijkt meer op die van het namaak-Venetië in Las Vegas: wolkjes in een blauwe hemel; de inrichting van de grote eetzaal is wat nietszeggend en kitscherig, met schilderijen van de Notre Dame (niet helemaal gelijkend…), andere Franse scènes uit de negentiende eeuw en 2 ernstig nadenkende engeltjes die je in het Westen ook veel ziet op ansichtkaarten en posters. Het eten is helemaal Japans en overheerlijk, met leuke verzinsels als een jacobsschelp op geflambeerd zand en kiezelstenen.

Geplande afstand: 8,6 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 12,7 km, hoogste punt (beginpunt) 261 m, totale stijging 241 m, totale daling 432 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1025,9 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.30– ca. 16.20 uur
Looptijd: 2,30 uur
Gemiddelde snelheid: 5,1 km/u
Bezochte tempels: tempel 58, 59
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: hotel Ajour (ruime westerse kamer, 2x1p-bed, bureau met stoel, tv, koelkast, zitje met bank/tafel/fauteuil, badkamer met bad/douche/wc, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt westers/Japans)

Dag 54: donderdag 19 april 2012: Toevallige ontmoetingen

Ik werk een uurtje aan het dagboek om de afgelopen dagen ‘in te halen’, maar om 9 uur wordt het tijd te vertrekken, ook al hebben we een relatief makkelijk dagprogramma voor de boeg: 15 kilometer lopen, 4 tempels bezoeken, alleen aan het eind een bergje op naar de 5e tempel, waar we zullen slapen. Het is bewolkt; er is regen voorspeld, maar voorlopig komt regelmatig de zon tevoorschijn en is het warm. We hebben behoorlijk tegenwind, het lijkt wel of de wind de hele tijd tegen de klok in waait rond dit eiland terwijl wij met de klok meelopen. Of is dit hetzelfde systeem als ’s ochtends op de fiets naar je werk altijd wind tegen, ’s avonds naar huis weer wind tegen?

Tegen 10 uur zijn we al bij het huchtje met de eerste tempel en lopen er Sotozo Tanaka tegen het lijf. ‘Hayai!’, zegt hij tegen ons – ‘Jullie zijn snel!’ – en wijst op de snelle BMW Z4 waarmee hijzelf is gekomen. Nee, hij heeft geen last van zijn voeten, reist gewoon even makkelijk. Terwijl hij ons voorstelt aan zijn vriend Keio, een vroegere collega van Honda, en de eigenaar van de auto, schuift er een stel met een koffer vol rollen, boeken en jasjes voor me bij het stempelkantoor. Wij kletsen ondertussen gezellig bij. Af en toe praat Sotozo wat voor zich uit, via de i-phone in contact met zijn vrouw in Tokyo – het oortje de hele dag in zijn ene oor. Hij reist vandaag verder met zijn vriend, maar misschien zien we elkaar nog? Dat lijkt ons onwaarschijnlijk, tegen een BMW Z4 kunnen wij niet op… De aardige stempelmonnik herkent ons van vorig jaar, maar veel tijd om te praten is er niet, er staan meer henro’s te wachten. We zwaaien als we vertrekken.

Bij het verlaten van het tempelcomplex zien we in een flits een langneus voorbij lopen. Het gaat zo snel dat we allemaal alleen maar ‘Konnichiwa’ zeggen en dan doorlopen. Maar prompt vergeten we linksaf te slaan en als we via wat zijweggetjes toch weer de route oppakken, komen we bij toeval langs een koffiehuis. Dat treft, want we weten uit ervaring dat we anders voorlopig niets waren tegenkomen…  De koffie mogen we niet afrekenen. Osettai van de eigenaar. Allerlei weggetjes voeren ons verder door het agrarisch gebied, af en toe over een klein heuveltje huppelend. Een boer is bezig zijn akkertje te ploegen. Hier en daar staat een veldje al volwassen rijst. Na een kleine klim komen we op een enorm uitgestrekte begraafplaats. Vorig jaar werden we hier overvallen door onweer en door een passerende vrouw uitgenodigd in haar huis en verwend met koffie. Dit jaar houden we het nog steeds droog. Maar als we aan het eind van de begraafplaats de hoek omzeilen, lopen we tegen dezelfde hartelijke vrouw aan, net bezig haar tuindeur af te sluiten om boodschappen te gaan doen. We herkennen elkaar meteen en de deur gaat onmiddellijk weer van het slot. Zittend op kussentjes op het verhoogde deel in de hal krijgen we steeds opnieuw iets lekkers: fris on the rocks met koekjes, gloeiendhete oshibori om de handen schoon te maken, koffie… De klompjes die we vorig jaar gaven, staan op het kastje in de hal. Deze keer geven we cocktailprikkertjes met Delftsblauwe vlaggetjes. We maken foto’s van elkaar, in de hal en in de tuin. ‘Oh, dit moet ik mijn vriend(in?) vertellen die in tempel 58 werkt. Dat jullie hier voor de tweede keer zijn!’, roept ze uit. En ze vraagt of ze ons misschien een lift kan geven, maar dat slaan we af. ‘Kamo mata ne!’, misschien tot ziens…

‘Wat een heerlijke dag!’, zeggen we af en toe tegen elkaar. Geen overvol dagprogramma, geen nog te halen laatste tempel en het lopen gaat ook lekker vandaag, maar nog veel meer dan dat zijn het de leuke ontmoetingen die de dag zo fijn maken. We raken onderweg aan de praat over ‘eenheidsgevoel’, het je een willen voelen met het ‘al’, met de hele schepping. Een diep verlangen in elk mens, dat zo gauw ondergesneeuwd raakt door de dagelijkse waan. We vinden het allebei fijn dat we de tijd nemen voor deze pelgrimstocht. ‘Resu wa ja arimasen’, zegt Mels vaak tegen andere henro’s die 45 kilometer of zelfs meer op een dag doen, als we uit moeten leggen waarom we zo ‘weinig’ afleggen op een dag: ‘Het is geen race…’

Langzamerhand lopen we Imabari binnen, een wat grotere stad waar de volgende tempel zich bevindt. Ook de aardige stempelmonnik van tempel 55 herkent ons. ‘Kamo mata ne!’, zeg ik tegen hem: ‘Misschien tot ziens.’ ‘I will be waiting for you!’, antwoordt hij met een buiging en geeft ons ten afscheid 2 blikjes (koude) koffie mee. Bij de tempelgebouwen zien we de Canadese zen-monnik terug. ‘Hi, friend of Ted’, groeten we hem; hij blijkt zelf Tim te heten en 51 jaar oud te zijn. We blijven opnieuw lang staan praten. Over toevallige ontmoetingen. Tim blijkt ook een dag met Sotozo Tanaka te hebben opgetrokken. In Matsuyama zijn ze samen naar de onsen geweest, Sotozo had ergens een fiets gepakt en even verderop een deur opengetrokken en daar om een tweede fiets gevraagd. En gekregen. Op de terugweg waren ze de weg kwijtgeraakt en ook toen had Sotozo overal deuren opengetrokken om navraag te doen. Sotozo ten voeten uit. Tim vertelt ook over zijn interesse in haiku’s. Matsuyama is de geboorteplaats van de bekende haiku-dichter Santoka (Shiki Masaoka?) en Tim had er het museum over deze dichter bezocht en was bij toeval ook bij zijn geboortehuis terechtgekomen. Maar sommige dingen lijken haast te onwaarschijnlijk voor toeval, zoals onze toevallige ontmoetingen vandaag… We zwaaien bij ons afscheid: tot later. Tim logeert in dezelfde overnachtingsplaats als wij.

Op zoek naar een supermarkt komen we een andere henro tegen: Yoshi, 66 jaar, doet voor de tweede keer de tocht en spreekt wat Engels. Tot later, zwaaien we. Ook hij slaapt in dezelfde overnachtingsplaats als wij. Even later komen we langs 2 knuffelgrage Japanse inu’s in hokken bij een huis. Even knuffelen. En dan vinden we bij toeval een restaurant met heerlijke soep. We krijgen 2 blikjes fris bij het afscheid. Deze keer ga ík gebukt onder de osettai’s. Vlak voor de volgende tempel stopt er een auto voor ons. Een man komt aanrennen met 2 mooie zachtpaarse sjaals. Heb ik zomaar een mooie sjaal om mijn hoofd mee te bedekken tegen de zon!

De stempelmonnik bij tempel 56 kijkt treurig. Voorgaande jaren lagen er altijd 2 kleine, witte hondjes links en rechts van zijn werkblad, nu is er maar eentje. We vragen waar de tweede is, dat blijkt te zijn overleden. Na het stempelen en het uitvoeren van de rituelen, zitten we nog even op een bankje, even de blikjes frisdrank wegwerken. De ene na de andere groep bushenro’s komt aan. Het stempelkantoor staat vol met reisleiders met weekendtassen en er is ook weer een echtpaar met een rugzak vol jasjes, rollen en boeken.

Een tijdlang lopen we met Yoshi op. Hij wijst ons op een begraafplaatsje langs de weg: op een grote steen staat dat hier henro’s liggen die onderweg zijn gestorven. Op vierkante paaltjes staan hun namen; bij henro’s waarvan de naam niet bekend is, staan kleine beeldjes. De eerste regendruppels vallen. Om half 4 arriveren we bij tempel 57. Er zijn wat nieuwe gebouwen bijgekomen, onder meer luxe toiletgebouwtjes, helaas wel ten koste van de bijzondere bamboe die er stond, met stengels alsof ze waren afgebonden met touw; er is er nog eentje over. Ik koop bij de hoofdtempel enkele amuletjes in de vorm van schoentjes, misschien helpen ze tegen zere voeten…

Na tempel 57 is het nog maar enkele kilometers naar onze overnachtingplaats. Het blijft wat regenen, maar niet heftig. Al gauw komen we op een fraai paadje dat langs de oevers van enkele meertjes loopt. Hier en daar staan paarsbloeiende azeleastruiken. Daarna volgen we een paar keer kort de weg die de berg op leidt, afgewisseld met kleinere paadjes. Langs de weg zien we de jonge vrouwelijke monnik van vorig jaar. Ze is samen met de zoon van de priester bezig de bermen te fatsoeneren met een bosmaaier. Zwaar werk. Het weerzien is heel hartelijk. Al gauw zwaaien we ‘tot later’ en lopen door naar de hoofdpoort die leidt naar het bergpaadje dat we nog moeten beklimmen naar de eigenlijke tempelgebouwen en het gastenverblijf. Een pickup rijdt voorbij met zwaaiende armen: de monnik en priesterzoon. Ze stoppen: of we mee willen rijden. Nee, toch niet, want we willen niet graag het mooie valleitje missen dat we nog door moeten. Langzaam beklimmen we het bergpaadje. Het kleine beekje naast het pad is drooggevallen. Overal staan grootbloemige rose- en witbloeiende rhododendrons en ook groenbladige Japanse esdoorns, overschaduwd door grote donkere sugi en matsu, langnaalderige Japanse pijnbomen. Betoverend mooi. De regen neemt steeds meer af naarmate we stijgen, maar eenmaal bovenaan blijkt het spectaculaire uitzicht te zijn verdwenen. Alles zit in de wolken. Voor de deur van het gastenverblijf staat een grote treursakura volop in bloei met hardrose watervallen van bloesem. We worden hartelijk verwelkomd door de vrouw en schoondochter van de priester – hijzelf is voor zaken in Tokyo, vertellen ze.

Het gastenverblijf van tempel 58 is een populaire lokatie, niet alleen vanwege de mooie ligging bovenop een berg met uitzicht over de Japanse binnenzee met vele eilanden. We hoorden kort geleden ook dat de ofuro/onsen een heetwaterbron is. Bij het avondeten is de eetzaal dan ook goed gevuld met loop-, auto- en bushenro’s. We delen de maaltijd met de goedlachse Yoshi (maar zijn naam betekent dan ook ‘geluk’) en een autohenro-echtpaar dat steeds opnieuw varianten van dezelfde vragen stelt aan Yoshi: of wij lopen, waar we vandaan komen, of er er in Nederland ook henro-tochten zijn, etc. Yoshi vertelt dat hij en zijn vrouw de eerste week samen hebben gelopen, maar daarna heeft hij haar naar huis teruggestuurd om de planten water te geven… Mels suggereert dat ze ook allebei om de week naar huis hadden kunnen gaan, maar daar schudt Yoshi ‘nee’ op: dát is niet aan de orde…

Tim en Sotozo blijken zenkonyado, free room, gevraagd te hebben bij de tempel: gratis verblijf zonder maaltijden. Via de priesterzoon laten ze ons weten dat we na het eten even moeten blijven in de zaal: om 7 uur zal er ‘een gesprek’ zijn. Sotozo is jarig geweest en wil dat vieren. Hij laat bier, sake en wat te eten aanrukken. En zo zitten we plotseling in een feestje. Af en toe laat Sotozo ons het beeldschermpje van zijn mobieltje zien, telkens met een nieuwe Nederlandse tekst: het moderne communiceren met een vertaalprogrammaatje. Tim vertelt over de vele henro zenkonyado’s die hij aandoet, de gratis verblijven voor loophenro’s, variërend van schamele, kale garages tot luxe paleisjes waar ook wat te eten wordt gebracht door buren of andere betrokkenen. Buiten komt de regen met bakken uit de hemel, terwijl Sotozo ons de ene na de andere sake inschenkt. Even voor 8 uur komt de priesterzoon: bedtijd. We moeten opbreken…

Geplande afstand: 15,0 km, 350 m stijging
Werkelijke afstand: 18,1 km, hoogste punt (eindpunt) 261 m, totale stijging 513 m, totale daling 297 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1013,2 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.07– ca. 16.50 uur
Looptijd: 3,30 uur
Gemiddelde snelheid: 5,1 km/u
Bezochte tempels: tempel 54, 55, 56, 57
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: gastenverblijf tempel 58 (Senyuji) (1 kamer 12 tatami’s groot met met halletje en kastenwand / tokonoma, 1 tafeltje, uitzicht over laagvlaktes en zee, mager vegetarisch avondeten, mager vegetarisch ontbijt)

Dag 53: woensdag 18 april 2012: De vele wegen naar God

Achter onze kamer is nog een klein halletje met wasbakken, wc en een badkamertje, die we moeten delen met de buurman. Ik sluip er ’s ochtends stiekum naar toe. ’s Nachts heb ik weer liggen drijven in bed en dan is het heerlijk even te douchen… Voor het ontbijt hebben we kunnen aangeven of we brood en koffie willen of Japans. De rijst met vis 3x per dag zijn we soms een beetje zat; brood is een welkome afwisseling. Tot onze verrassing verwelkomt de gastheer ons met zelfgebakken brood dat hij net uit de broodmachine haalt. En er zijn heerlijke zelfgemaakte kruidenboters en jams – onder meer bananen/sinaasappel – en koffie gezet van versgemalen koffiebonen. En tal van andere heerlijkheden. Vol vuur maakt onze gastheer ook nog enkele reserveringen voor ons.

Ik typ nog wat in het dagboek, maar tegen 9 uur moeten we toch echt opbreken, er moet nog gelopen worden… Onze gastheer rent net druk naar buiten, we wachten even tot hij weer terug is en vermaken ons ondertussen met een kletsnatte Myu die blijkbaar al in zee heeft gezwommen. We laten onze osame fuda’s achter en beloven terug te komen. Ik neem nog wat foto’s van gastheer en -hond en dan lopen we langzwaaiend het straatje uit, langs de stille haven, terug naar de grotere weg.

Vandaag ‘ronden’ we de ‘puist’ aan de noordwestkant van Shikoku, ten noorden van Matsuyma. Voorgaande jaren hebben we de ‘puist’ doorsneden, over een pasje van zo’n 100 meter hoog, nu kiezen we ervoor om langs de kustweg te blijven lopen. Het is wel een erg drukke weg en het kost ons zo’n 2 kilometer extra, maar het lijkt ons leuk ook deze kant van de berg eens te zien. We hebben vandaag toch ‘maar’ 18 kilometer te doen, zonder tempelbezoek. Na 4 kilometer komen we langs een michi no eki (wegstation) waar we een gelateria ontdekken. Bij wat picknicktafels genieten we van onze ijsjes. Af en toe komen mensen even een praatje maken. Een bejaard echtpaar uit Matsuyama – man in rolstoel, vrouw erachter duwend – komt uitgebreid kletsen. Erg aardige mensen; ze nemen alle tijd en wij ook. Ze zijn erg geïnteresseerd, maar hebben, tot onze lichte verbazing, blijkbaar nog nooit gehoord van het pelgrimspad. De vrouw zoekt in haar tas en geeft me een foldertje waarop een kleurige tekening van een park prijkt. Een folder van Jehova’s Getuigen. In het Japans. Osettai! Even later komt de vrouw nog eens langs, nu met 2 flesjes warme groene thee.

Na het eerste kaapje is er tegenwind, aanvankelijk wat fris, maar later toch een welkome afkoeling, want de zon schijnt fel door de dunne, verspreide bewolking. Ik verbrand aardig in mijn gezicht en op mijn onderarmen. De zonnebrandcrème helpt blijkbaar onvoldoende; de afgelopen dagen heb ik bij tempelwinkeltjes al rondgekeken naar een doek of hoed voor mijn hoofd, maar helaas niets kunnen vinden dat groot en handig genoeg is. In zee zijn regelmatig fraaie, kleine rotseilandjes te zien en – wat verder weg – grotere eilanden; als we meer aan de noordkant van de ‘puist’ zijn gekomen, zijn er ook vele grote zeeschepen en in de mistige verte Honshu. Vlak langs de kust drijven uitgestrekte velden zeewier. Af en toe komt een formatie zeemeeuwen over. Aalscholvers scheren laag over het wateroppervlak. Een restaurant waar we beide voorgaande jaren hebben geluncht, blijkt gesloten: ‘rustdag’ staat op een bord. Andere restaurants zijn er niet langs deze kustweg, dus blijven we doorlopen, net als wat andere loophenro’s. Maar enkele kilometers verderop is er een supermarkt waar we wat brood en cake kopen. Ernaast is een tempelcomplex met in de schaduw een tafel en bankjes, een verzamelplaats van henro’s. Als het vrij is, duiken wij er ook op neer. Even later komt een ander echtpaar erbij, het stel dat wij onderweg al een paar keer tegenkwamen en dat ook in ryokan Omogo logeerde. Hij rubuust en wat verlegen zwijgzaam, zij half zo groot met piepstem en voortdurend druk kabbelend pratend en giebelend. Na elk woordje komt een verontschuldigende giebel. En na elk woord van ons ook, vaak met licht applaus. Erg vermoeiend… Wij geven een chocolaatje en krijgen prompt een klein keramisch kikkertje (Kaeru). Osettai!

De boom waaronder we zitten, is een bijna uitgebloeide kersenboom. We zijn de laatste dagen van het zuiden naar het noorden van Shikoku gelopen en konden daardoor nog wat extra genieten van de sakura-tijd, maar nu is de bloesemgolf verder getrokken door Japan, Shikoku achterlatend met kersenbomen vol felroodbruine vruchtbeginsels en groenontluikend blad, de grond eronder bezaaid met witte bloemblaadjes. Op de stam van deze oude boom ontdek ik talloze urntjes van metselbijtjes. Op een dak zie ik enkele jonge zwaluwen, bedelend om voedsel; de ouders vliegen af en aan. Het is heerlijk zitten hier. Na een klein uur breken we pas op.

We komen elkaar daarna nog verschillende keren tegen: zij blijven meer langs de grote weg lopen, wij nemen zoveel mogelijk parallelweggetjes. De streek rond Kikuma is bekend vanwege de dakpannenindustrie. We komen langs vele bedrijfjes en steken af en toe onze neus naar binnen. Enorme ovens, stapels dakpannen, -ornamenten en andere keramiek, maar voor een door-de-weekse-dag is er opvallend weinig bedrijvigheid. We zien deze keer niet alleen pannen van rose of rode klei met matzwarte sinterengobe eroverheen, maar ook pannen die door en door anthracietzwart zijn. In een winkel zie ik rollators staan, het Japanse type – een klein stoeltje van een dunmetalen frame met bloemetjes zit- en rugkussentje, 4 wieltjes onder de pootjes, de achterkant hoger als bij een wandelwagen. € 160 per stuk kosten ze. Even later komen we langs een steenhouwerij waar grote familiegraven staan tentoongesteld. Een familiegraf van behoorlijke omvang kost zo’n € 17.000. Lagere prijzen dan in Nederland.

Na de grote olieraffinaderij lopen we een tijdlang langs de grote weg die hier kilometerslang geflankeerd wordt door grote vakken rose, rode en gele tulpen. Dan gaat het weer over kleine weggetjes door wat gehuchtjes. Ik zie de Japanse Inu terug die een jaar geleden zo knuffelgraag was. Toen nog een puppy, nu een jaar ouder, maar nog even aanhankelijk. Het afscheid is moeilijk. In een ander gehucht is het even zoeken naar de juiste weg. Ik loop even een zijweg in om naar ‘tekens’ te zoeken en hoor plotseling een schelle vrouwenstem achter me: ‘What are you doing? You are taking the wrong way!’ Een Japanse vrouw komt haar tuin uitrennen om ons weer de juiste richting uit te krijgen. Op een parallelweggetje over een klein huchtje, schiet er plotseling een slang voor onze voeten weg, het struikgewas in. De dag duurt lang. We zijn allebei steeds moeier; Mels heeft bovendien wat last van duizeligheid, ik van erg pijnlijke voeten. Even rusten, theoretisch moeten we er bijna zijn… Bij het leuke ijstentje dat ook vorig jaar al gesloten was – definitief zo te zien – staan gelukkig nog steeds picknicktafels. We blijven er kort, kijkend naar de grote zeeschepen die even verderop zijn afgemeerd.

Om kwart voor 5 zijn we dan toch eindelijk bij ons hotel, toch weer met 4 kilometer meer dan gepland. We vonden dit hotel 2 jaar geleden nogal shabby en hebben het eigenlijk per ongeluk opnieuw geboekt, maar deze keer valt het ons best wel mee. We zijn inmiddels heel veel erger gewend… Het eten vonden we toen echter uitstekend, nu matig: zowel vorig jaar als dit jaar hebben we de neiging onze overnachtingsplaatsen te selecteren op de kwaliteit van het eten. Díe standaard wordt steeds hoger… Maar gastheer en -vrouw zijn erg aardig. We eten in hun restaurant vlak voor het hotel, samen met 2 andere loophenro’s die we onderweg al eens zijn tegengekomen. De een herkennen we aan het spannende dierenvelletje rond zijn billen. ‘Zit lekker op al die harde stenen’, zegt hij. Onze gastheer vertelt dat hij veel buitenlanders ontvangt: Amerikanen, Australiërs enzovoort. ‘Maar Nederlanders zijn het leukst. Daar kun je mee lachen!’ Onze gastvrouw doet nog enkele reserveringen voor ons. Eenmaal terug op onze kamer is het licht zo slecht en zijn mijn lenzen zo vettig door al het zweten en de moeheid, dat ik meteen het bed inschiet. Geen dagboek vandaag… Het is erg warm op de kamer en door het open raam is de drukke verkeersweg duidelijk te horen. De hele nacht…

Geplande afstand: 18,2 km (excl. 2 km extra via kustweg), geen stijgingen
Werkelijke afstand: 24,2 km, totale stijging 372 m, totale daling 357 m
Cumulatief afgelegde afstand: 995,1 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.10– ca. 16.45 uur
Looptijd: 4,42 uur
Gemiddelde snelheid: 5,2 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: Business Hotel Kurushima (westerse kamer, 2x1p-bed, bureautje met stoel, tv, badkamer met bad/douche/wc, matig avondeten, matig/redelijk ontbijt met keuze brood/Japans)

Dag 52: dinsdag 17 april 2012: Death by osettai

’s Ochtends probeer ik in het internetzaaltje nog wat te mailen en aan het dagboek te werken, maar we krijgen herhaaldelijk aanloop. Een man vertelt trots dat hij christen is. Of wij dat misschien ook zijn? Mels antwoordt dat wij niet in 1 geloof zijn onder te brengen. Hij druipt af. In de hal loop ik een Canadees tegen het lijf: boeddhistisch priester, loopt de tocht voor de tweede keer. ‘With Ted’, zegt hij en wijst naar zijn rugzak. Ah, denk ik, een goede rugzak wordt natuurlijk je beste maatje tijdens zo’n tocht alleen en dan is het logisch dat je hem een naam geeft… Maar hij blijkt niet ‘Ted’ te hebben gezegd, maar ‘tent’. Lachen. We blijven lang kletsen. We vertellen hem dat we de eerste keer verwachtten veel te zullen mediteren in de tempels, maar er wordt hier op Shikoku – in ieder geval in de tempels langs het pelgrimspad – niet gemediteerd, maar alleen de hartsoetra en andere soetra’s gereciteerd. Hij zegt: ‘De tempels hebben tegenwoordig vooral een rituele functie wat betreft begrafenissen en dergelijke. Vergelijk het met kerken, de meeste christenen zien alleen nog een kerk van binnen tijdens huwelijken en begrafenissen en misschien nog met kerst.’ Mels vindt dat de tempels daarmee wat verloren zijn. De Canadees heeft net als wij de ervaring dat Japanners vaak verbaasd zijn dat we de hartsoetra kunnen opzeggen en dat ze zich ook vaak afvragen of we wel begrijpen wat we zeggen. ‘Die vraag zouden wij hen ook kunnen stellen’, zegt hij. Want het grappige is, dat de hartsoetra wel voor een deel vertaald is vanuit het Sanskriet naar het Japans, maar sommige (belangrijke) begrippen erin, zijn fonetisch, dus onvertaald overgenomen. We praten ook over het hart van het Japanse volk: de vriendelijkheid, de zorg, de eerlijkheid. Een heel bijzonder hart… Pas om 10 voor 9 nemen we afscheid. Van de vriend van Ted…

Tot onze verbazing is het buiten al behoorlijk warm. We lopen eerst terug naar tempel 51. Bij deze tempel zouden we makkelijk een hele dag door kunnen brengen, zoveel is er te zien. De afgelopen 2 jaar hebben we al het museum en de beeldentuin bezichtigd, evenals enkele andere gebouwen waaronder de stupa; we zijn door een heel smalle grot dwars door de berg achter de tempel gelopen en vonden aan het andere uiteinde een surrealistische tuin met een gebouwtje vol beelden, al even surrealistisch. Het stokoude houten gebouw waar het stempelkantoor zich bevindt, bevat eveneens fraaie ruimten; met op de buitenveranda 2 gigantische rode lampionnen. Enkele tempelgebouwen bevatten ook fraaie schilderijen. Deze keer is er blijkbaar een festiviteit geweest op het complex. Rond een tempelgebouwtje is een rij afbeeldingen van de 88 tempels geplaatst, met ervoor platte zakjes. Mensen lopen langs de zakjes en wrijven erop. In een van de andere tempelgebouwen zijn de afdrukken van handen in keramiek; op een ervan past precies mijn hand. Enkele grote groepen toeristen bezichtigen het fraaie complex onder leiding van een gids, waaronder een groep jonge langneuzen. Bij het stempelkantoor moeten we weer lang wachten: een jong stel staat er met een doos vol rollen, boeken en ook henro-jasjes (ook jasjes kun je laten stempelen), alles voor de handel. Er staat nog een man met een weekendtas, maar die gaat gelukkig een ommetje maken… Na het uitvoeren van de rituelen, lopen we even rond en verlaten dan het complex via de zij-ingang aan de westelijke kant, langs een overdekt podium met enorme olifanten van papier en hout.

Matsuyama is bekend van wege de Dogo Onsen, het oudste openbaar badhuis in Japan, erg beroemd onder de Japanners. De pelgrimsroute loopt er vlak langs en wij nemen in een restaurantje er schuin tegenover een Italiaans ijsje terwijl we onderwijl van het uitzicht genieten: bezoekers in yukata (kimono) lopen het fraaie oude gebouw van de onsen in en uit. Het rijtje riksha’s naast de ingang van de onsen wordt beheerd door enkele hip gekapte en geklede jongemannen; 2 bejaarde vrouwen willen wel eens een ritje proberen, maar nog voor ze de hoek van de onsen om zijn, stappen ze al weer uit. Niets voor hen.

Voorgaande jaren hebben we vanaf de onsen naar het westen gelopen langs grote drukke wegen door het noorden van Matsuyama. Dit jaar willen we een meer omtrekkende beweging maken rond de stad in de hoop op wat rustiger wegen. Maar we nemen een verkeerde afslag en komen via een klein rondje, door een buurt met talloze grote hotels, weer bijna terug bij de onsen. Een auto stopt en een man biedt ons een lift aan, maar we slaan het beleefd af en kort daarna vinden we de juiste weg, middendoor de hoerenbuurt. Zo ’s ochtends vroeg is het nog erg rustig; later op de dag zullen er mannen in pakken langs de weg staan die klanten proberen te werven. We komen langs een (nog gesloten) kiosk: Information. Door de ramen zijn foto’s van dames te zien. Blijkbaar kun je hulp krijgen bij je hoerentocht…

De route voert ons door het heuvelland rond het noorden van Matsuyama, eerst door buitenwijken, later langs boomgaarden, akkertjes, sawa’s, stuwmeertjes, wat huizen en af en toe een hotel. De rustige weggetjes kronkelen voortdurend heen en weer en ook wat op en neer. Weer terug in de laagvlakte kruisen we een paar keer een grotere weg, maar ook hier lopen we nog voornamelijk door agrarisch gebied. In een riviertje zitten op een zandrichel roodwangschildpadden, van groot tot heel klein. En bij een ander watertje zijn er zelfs nog veel meer, ook in allerlei formaten; een hele rits op de betonnen oeverrand. Een voor een schieten ze het water in als we langslopen. Even voor 12 uur leggen we aan bij een Mos Burger en ontdekken er heerlijke (en hete!) café latte en ook lekkere dikke (en ook hete!) frieten. Tussen mijn schoenen loopt een kakkerlak. Heldhaftig (of misschien halsstarrig?) bestel ik nog een tweede café latte.

Voor tempel 52 moeten we nog een klein bergje op. Een kilometer eerder hebben we maar liefst 6 dikke sinaasappels in de armen gestopt gekregen door een man die net met een kratje van het land afkwam. We hebben ze allemaal in een plastic zak gestopt en Mels sjouwt zich rot de berg op. Eenmaal boven – rond half 2 – vallen we neer op het schaduwrijke zitje bij de toegangspoort, een verzamelplaats van vermoeide henro’s. Iedereen laat er zijn rugzak achter om vervolgens de rituelen uit te gaan voeren. Ook andere bezoekers komen af en toe een praatje maken. Wij delen sinaasappels uit… En ook wat snoepjes. En eten nog wat van de broodjes die we vanochtend kochten bij een super.

Kwart over 3 zijn we bij de laatste tempel van de dag: tempel 53. Er zitten maar liefst 3 vrije stempelaars op een rij in het stempelkantoor. We kunnen meteen door voor de rituelen en rusten daarna nog even kort op een bankje. Nog 11 kilometer te lopen naar de overnachtingsplaats… minstens 2 uur te gaan, langs grotere wegen verder naar het noorden, soms via parallelweggetjes door gehuchten. Het valt niet mee: het is erg warm en vaak is er iets teveel wind voor een pluutje. Onze ruggen en voeten doen zeer… Nog 8 kilometer te gaan… maar als een man van zijn fiets afstapt om een praatje te maken, nemen we alle tijd. Hij spreekt wat Engels, zijn ouders wonen in de buurt. De tempels heeft hij nog nooit bezocht en hij vraagt naar ons geloof. Mels probeert opnieuw uit te leggen dat we niet in een hokje te stoppen zijn. Dat is moeilijk te begrijpen.

Kort daarna voert de grote weg langs een bijna spiegelgladde zee, voordat hij, iets meer het land in, tussen de bebouwing doorloopt. Langs tuinen vol middelgrote en kleine margrieten, wit en rose. Het laatste deel van de tocht is weer uiterst vervelend: een smalle stoep – vaak bestaand uit een overdekte goot met elk jaar steeds onbetrouwbaar wordende dekplaten – die voortdurend op en neer gaat vanwege de vele inritten. Erg vermoeiend. Mijn linkervoet schreeuwt van de pijn in middelteen en onder de bal. Ook Mels kan niet meer. We rusten kort op een bankje bij een bushalte en eten onze laatste broodjes op. Even verderop is er een begrafenis aan de gang; zwartgeklede mensen met trieste gezichten. Voor onze overnachtingsplaats duiken we enkele kleine straatjes in, we komen uit bij de zeewering, met mooi uitzicht op een groter eiland vlak voor de kust en enkele kleinere wat verderop, allemaal even puntig van vorm. De avondzon kleurt de hemel rose. Ik maak snel foto’s terwijl een man ons naar de jeugdherberg wijst.

We worden verwelkomd door huishond Myu, een charmante golden retriever. De gastheer is al even enthousiast van karakter. Als een jonge hond rent hij door het huis, druk bezig met de voorbereidingen van het avondeten, dat – gelukkig voor ons – pas om half 7 is. We kunnen meteen aanschuiven. Biking vandaag, Japans voor lopend buffet. In de piepkleine eetzaal zitten we met zijn 4-en rond een langwerpige tafel, met een verhoogde etage in het midden, waar allerlei heerlijkheden zijn uitgestald. De ruimte is te klein om te kunnen opstaan en rond te lopen, dus is het voortdurend doorgeven. De gastheer zelf rent voortdurend rond, gebruikmakend van de 4 deuren in het zaaltje. Dan rent hij de ene deur uit en komt weer via de volgende binnen, afhankelijk van waar hij moet zijn. Er komt nog een gast bij: een jonge vrouw met mopshond (French poodle) uit Nagoya, op bezoek geweest bij vrienden en nog wat aan het rondreizen op het eiland. Dit blijkt een van de weinige gelegenheden waar je met een hond kunt overnachten. Shin Ichi, de 49-jarige gastheer is ‘getrouwd’ met zijn honden, verklaart hijzelf; geen vrouw nodig. Hij toont fotoboeken van zijn eerdere honden en van de tijd die hij in Australië doorbracht. En hij weet alles van de henroroute, ook al heeft hij hem zelf nooit gelopen. Tot in detail worden alle mogelijke problemen besproken. Het is zo gezellig dat wij vergeten tv te kijken om half 8: hebben wij ons korte moment van tv-bekendheid zelf gemist… Op de kamer drukken we een kakkerlak dood voordat we de futons opmaken, de tweede al vandaag…

Er is wifi op een zoldertje. Mels gaat de foto’s voor het blog uploaden, ik ga naar bed. Dat is het lastige met samen 1 laptop delen… weer geen dagboek vandaag… Mail van Sotozo Tanaka, in het Nederlands(!), waarschijnlijk vertaald met Google Translate: ‘Ik ben een 66-jarige verjaardag vandaag.’ We sturen hem meteen een felicitatie. Hij vraagt ook ‘Wie ben jij weer?’ waarmee hij wil weten hoever we gevorderd zijn met lopen. En hij eindigt met ‘Ben ik blij weerzien. Indien mogelijk.’ Dat hopen wij ook.

Geplande afstand: 24,0 km (plus 2 km extra i.v.m. ingehaald bezoek tempel 51, plus 1 km extra i.v.m. foutieve afslag), 250 m stijging
Werkelijke afstand: 28,7 km, totale stijging 480 m, totale daling 583 m
Cumulatief afgelegde afstand: 970,9 km (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.49– ca. 18.10 uur
Looptijd: 5,43 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u
Bezochte tempels: tempel 51, 52, 53
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: Hōjōsuigun Youth Hostel (1 kamer 6 tatami’s groot met lage, luie stoel, 2 tafeltjes, tv, kastenwand / kleine binnenveranda met massagestoel, wifi op internetzolder, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt Japans/westers met zelfgebakken brood!)

Dag 51: maandag 16 april 2012: Geen dagboek vandaag…

‘Misschien heb ik wat al te optimistisch gepland…’, zegt Mels ’s morgens: 24 kilometer te lopen en 7 tempels te bezoeken. Elk tempelbezoek kost een half uur. ‘Maar de laatste tempel kunnen we ook morgenvroeg doen, die ligt naast onze volgende overnachtingsplaats.’ De tempel ervoor moeten we echter beslist voor half 5 zien te halen, want daarna is waarschijnlijk het stempelkantoor gesloten. Maar eerst drinken we na het ontbijt nog wat koffie in de eetzaal en we geven klompjes aan de gastheer en -vrouw die er erg verguld mee zijn. Ik krijg een klein portemonneetje. De gastheer laat ook nog even het houtsnijwerk zien dat hij maakt. We stoppen de flesjes groene icetea en zakjes met koekjes, die we bij het ontbijt hebben gekregen als osettai, in de rugzakken en nemen om 10 voor 8 afscheid. Het is lekker wandelweer: bewolkt en fris. Via een paadje lopen we terug naar de weg, route 33, die hier langzaam stijgt tot een pasje. We komen langs verschillende bergafgravingen. Eén berg lijkt wel met een motorzaag middendoor afgezaagd te zijn. Ernaast staat een grote betonfabriek. Voortdurend gaat er een sirene af. ‘Ze zijn zeker bezig de berg op te blazen. Straks komen de ontploffingen’, grap ik. Maar Mels houdt niet van dit soort grapjes.

Als de weg over de pas op 702 meter hoogte een volgend dal induikt, pakken wij een klein paadje dat naar het dal afdaalt waar wij naartoe willen. Een glibberpaadje; hier en daar zijn glijsporen te zien waar vandaag al henro’s uit zijn gegleden. Het uitzicht is fenomenaal: in de diepte ligt Matsuyama, de grootste stad op Shikoku met zo’n half miljoen inwoners, gelegen op de laagvlakte langs de noordelijke westkust van het eiland. In de verte zijn vaag eilanden te zien in een mistige zee. We hebben allebei weer hetzelfde gevoel van helderheid. ‘Het doet zeer aan mijn verwerkingsapparaat’, zegt Mels. Mij doet het pijn in mijn hart: zó mooi! Het pad loopt door eindeloze sugibossen; hier en daar staat een net ontluikende groene Japanse esdoorn, soms een bloeiende sakura. Het paadje wordt links en rechts afgegrensd door langgerekte wroetsporen van wilde zwijnen, eenmaal zien we ook een pootafdruk. De wat oudere sporen zien groen van de kiemplantjes die hun kansen grijpen, alsof iemand met opzet het paadje heeft omzoomd met jonge plantjes. Af en toe vallen er wat regendruppels, maar onder de bomen voelen we ze nauwelijks. Aan het eind van het pad is een rest hut aan een idyllisch beekje vol valletjes en omzoomd door bloeiende kersenbomen. We rusten er kort, want Mels is niet van de pauzes vandaag. Teveel te doen. De gps/i-phone, die elke 10 minuten luidkeels vertelt hoeveel kilometer we hebben afgelegd en hoelang we daadwerkelijk hebben gelopen, helpt ook niet echt.

Het bergpaadje komt uit op een smalle asfaltweg die eindeloos verder naar beneden meandert; af en toe snijden we een ver uitschietende kronkel af via een klein paadje. Hier en daar staan wat huizen, de muren vaak bedekt met zwartaangeschroeide planken, een houtconserveringsmethode in deze streek. De vele droge sawa’s wachten op het ploegseizoen. De talrijke beken en beekjes in hun betonnen beddingen hebben witschuimende watervallen over de dammetjes. Op de hellingen zijn witte toefjes sakura te zien; dichterbij is er een sakura vol met maretak, iets wat we de laatste dagen wel vaker zien. Langs de weg, in tuinen en bermen, bloeien niet alleen talloze narcissen, maar ook judaspenning, gele fresia’s, blauwe druifjes en natuurlijk de haast eeuwig bloeiende camelia in rood, rose en wit. Zelfs bij half ingestorte huizen staan nog statige tulpen netjes op een rij. Een hoogbejaarde vrouw komt met een vork (omgebogen als een hak) uit haar huis; in haar rollator liggen al de werkhandschoenen. Even verderop is een andere hoogbejaarde vrouw – 90 graden krom – met een hak bezig op het land; haar rollator achtergelaten op een pad langs het veld. Hoe zal het over 10, 20 jaar zijn op dit eiland? Zal het steeds meer uitgestorven raken?

Om 10 voor 11 komen we aan bij tempel 46, ten zuiden van Matsuyama. ‘Ga eerst naar het stempelkantoor. Er komt een groep aan!’, sist Mels. Maar dat blijkt vals alarm. We krijgen er navelino’s, sinaasappels. Bij een van de tempelgebouwen hangt een touw met een belletje dat leidt naar het hart van Kukai. Na de rituelen lopen we nog even rond in de fraaie, kleine tuin met in het middelpunt een meer dan 1000 jaar oude boom. Vorig jaar hebben we in het gastenverblijf bij deze tempel geslapen, maar dit jaar hebben we voor vanmiddag nog een behoorlijk programma voor de boeg. Door het lage heuvelland rond Matsuyama, langs felgele koolzaadveldjes en ander akkerland, komen we daarna al snel daarna bij tempel 47 die ligt te baden in de warme zon. Een sakura met dubbele bloemen staat nog uitbundig te bloeien; op de stam zie ik kleine urntjes van metselbijtjes. Na de rituelen dolen we ook op dit complex nog wat rond, door de kelder onder de hoofdtempel, met 1000-en kleine beeldjes voor de overledenen, en door 2 kleine tunneltjes die hemel en hel verbeelden. Blijft leuk, die soms verschrikkelijke fantasieën. Plotseling zien we boven de bergen die we vanochtend achter ons hebben gelaten, donkere wolken samentrekken en onze kant uitkomen. De wind steekt op

We vervolgen onze weg op de laagvlakte. Tussen de vele koolzaadveldjes staat hier en daar volgroeide rijst op de velden, wachtend op de oogst. Bangai 9 is een kleine kilometer verder, een klein complex. Het is inmiddels 12 uur. De vrouw in het stempelkantoor is nog lang bezig met een telefoongesprek voor ze ons helpt; wij vermaken ons met de 2 katten en een beo die ‘Konnichiwa’ kan zeggen. De tijd is echter te kort om hem ‘Goedemorgen’ te leren. In het kantoor hangen ook fraaie oude schilderingen van de pelgrimstocht van Kukai. Jammer genoeg mogen we geen foto’s maken. We krijgen wel een henro-stripboekje en een folder. Osettai!

Langzamerhand lopen we de voorsteden van Matsuyama in, door wijken vol met luxe residenties, vooral mooie oude huizen. Door een toegangspoort zie ik een hele binnenplaats vol met metershoge zuilcactussen. Dat is nog eens moeilijk onkruid wieden!

We kopen wat brood bij de eerste super die we tegenkomen en proberen die al lopend op te eten, wat niet mee valt, want het is net gaan regenen. We passeren een kleine rivier, waarvan de bedding geel ziet van het koolzaad, en een heel veld vol waterhyacinten waarin we 1 schildpad ontwaren. Vlak voor de lange brug over een heel brede rivier is een koffiehuis en we leggen er kort aan. De bergen achter ons zijn nu inmiddels helemaal gehuld in donkere regenwolken. Maar als we vertrekken blijkt het op de laagvlakte inmiddels te zijn opgeklaard.

Kort na het koffiehuis komen we bij tempel 48. ‘We gaan het halen!’, zeg ik optimistisch tegen Mels. ‘Nog maar 3 kilometer naar tempel 49 en de tempel erna kunnen we morgenvroeg doen.’ Helaas, ik heb me verrekend… Er staat nóg een tempel te wachten. We komen nu in de drukke straten van Matsuyama. Vaak moeten we op de rijweg lopen, tegen het verkeer in, dat soms geïrriteerd reageert op voetgangers. Het is spitsuur. Bij het stempelkantoor van tempel 49 staat helaas weer een gids met weekendtas. Stempelaarster en gids zijn in een gezellig gesprek gewikkeld en nemen alle tijd. Er vormt zich achter ons een lange rij, tot ver buiten het kantoortje. Eindelijk zijn wij aan de beurt.

We haasten ons weer verder, opnieuw laverend op de drukke rijbaan, tegen het verkeer in. Eenmaal lopen we fout, even later is er een wegopbreking, maar we mogen gelukkig doorlopen. Voor tempel 50 moeten we nog wat klimmen, maar om 20 over 4 kom ik heftig zwetend en hijgend aanhollen bij het stempelkantoor. Na het stempelen zakken we eerst even op een bankje neer. Het is erg warm. Vlak voor ons staat een fraaie sakura die bijna uitgebloeid is. De oude, kronkelige stam is bedekt met mos en lancetvormige mini-varentjes en eroverheen is een tapijt van bloesemblaadjes uitgespreid.

Na de rituelen dalen we weer wat af en lopen verder door de straten van Matsuyama. Om half 6 komen we bij tempel 51, maar we doen geen moeite meer de tempel te bezoeken; de tempels sluiten om 5 uur, vaak zelfs om half 5. Als we in het routeboekje kijken voor de exacte lokatie van onze overnachtingsplaats, komen we tot de ontdekking dat die helemaal niet naast tempel 51 ligt, maar 1 kilometer verderop langs de route. Dat betekent morgen 2 kilometer extra lopen om deze tempel ook nog te bezoeken, bovenop een ook al overvol dagprogramma… En dan blijkt even later dat we voor onze overnachtingsplaats ook nog even een bergje opmoeten, maar een man wijst ons een short cut via een lange wenteltrap en tussen hoge hekken rond parkeerplaatsen komen we in een wijkje met grote hotelgebouwen. Ertussenin staat een relatief klein, knalgeel gebouwtje: de jeugdherberg. Ik heb ooit – heel lang geleden – in een jeugdherberg in Italië en in Egypte geslapen en daar geen goede ervaring opgedaan, maar deze jeugdherberg ziet er prima uit. We krijgen zelfs schone lakens mee en slapen op een privékamer. Helaas is er geen lift en slapen we op de vierde verdieping; ofuro en wc voor mannen zijn op de derde – ‘Ze denken toch niet serieus dat ik ’s nachts telkens naar beneden ga lopen?’, reageert Mels laconiek. Voordat ik de futons opmaak, moet ik wel wat langvleugelige insekten onder het tapijtje van het verwarmde tafeltje dooddrukken. Maar we hebben heel wat slechtere ryokans gehad dan deze, en het grote voordeel van een jeugdherberg? Er is WIFI!

De eetzaal zit vol met henro’s en werkmannen. We delen de tafel met een vrouwelijke loophenro. En aan de tafel naast ons zit een vrolijke en nieuwsgierige vriendinnenwandelclub uit Kyushu. De oudste is 77, de jongste 63. ‘’s Ochtends een berg, ’s middags de henro-route’, is hun credo. Girlpower!

Na het eten stevenen we af op het internetzaaltje. Er is een mail van Sotozo Tanaka uit Tokyo, de henro waarmee 3 dagen geleden opliepen. Alles gaat goed met hem. Ik stuur wat mailtjes naar enkele Japanse contacten die we tijdens onze tocht hebben opgedaan en dan is het al weer 10 uur. Mels gaat nog even door met mailen en blog uploaden; ik ga naar bed. Geen dagboek vandaag…

Geplande afstand: 23,9 km, hoogste punt 702 m (pasje), 150 m stijging
Werkelijke afstand: 26,8 km, pasje 715 m (hoogste punt), totale stijging 556 m, totale daling 1111 m, max. helling 21%
Cumulatief afgelegde afstand: 942,2 km (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.48– ca. 17.40 uur
Looptijd: 5,33 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: tempel 46, 47, bangai 9, tempel 48, 49, 50
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: Matsuyama Youth Hostel (1 kamer ca. 7 tatami’s groot met halletje, verwarmd tafeltje, wifi in internetzaaltje, matig avondeten, aardig ontbijt Japans/cornflakes/brood)

Dag 50: zondag 15 april 2012: Ik zei het toch…

Tempel 45 ligt ver buiten de ‘doorgaande’ henro-route, daarom hebben we voorgaande jaren telkens in 1 dag op en neer gereisd vanuit dezelfde overnachtingsplaats en alleen de hoognodige bagage meegenomen. Het is een zware dagtocht en deze keer met 4 kilometer extra omdat we niet in dezelfde ryokan slapen maar in eentje verder langs de ‘doorgaande’ route. In totaal 22 kilometer, deels over pasjes, en met 2 tempels te bezoeken. Op het laatste moment besluiten we het grootste deel van onze bagage toch achter te laten in de ryokan waar we hebben geslapen; we moeten er dan wel een kilometer extra voor lopen, maar dat hebben we er wel voor over; we hebben allebei wat last van onze rug.

Het is bar koud als we om half 9 vertrekken; bergtoppen steken hier en daar boven het dichte wolkendek uit. Tempel 44 – de eerste tempel die we moeten bezoeken ­– is op minder dan een kilometer afstand van de ryokan. Onderweg komen we over een brug waar vlakbij grote stoffen vissen aan 2 lijnen over de rivier zijn gespannen. Een surrealistisch gezicht. Al snel klimt de weg sterk omhoog door een oud bos met enorme sugi’s. Tempel 44 is een van de mooist gelegen tempels. Het eeuwenoude bos ademt een mystieke sfeer. Hier en daar staan kleine heiligenbeeldjes aan de voet van een reuzenboom, soms een hele verzameling. Mensen hebben er stenen bijgelegd op stapeltjes. Ik leg er ook elk jaar eentje bij.

Op het bankje tegenover het stempelkantoor nemen we een warme cocoa uit de automaat, voordat we verder klimmen naar de tempelgebouwen om de rituelen uit te voeren. Een man komt hard aanrijden op het grintpad dat naar de hoofdpoort leidt en zet zijn auto op het piepkleine parkeerplaatsje, stevent op het stempelkantoor af, holt daarna in hoog tempo de trappen op naar de tempels en is even later alweer terug bij zijn auto. Op naar de volgende tempel… Het is druk vandaag, zondag is blijkbaar dé dag om tempels te bezoeken. De ene na de andere groep arriveert en als wij na het uitvoeren van de rituelen weer zijn afgedaald naar het stempelkantoor, moeten we lang wachten. Het kantoortje is gevuld met buschauffeurs en reisleiders met weekendtassen vol boeken en rollen. ‘Goeie business’, zegt Mels, want elke keer dat je je boek laat stempelen, betaal je 300 ¥, omgerekend € 2,80. Uiteindelijk mag ik van een vrouw met stapels nog wachtende boeken even voor gaan.

Om half 10 vertrekken we naar de volgende tempel. De smalle weg die ver onder het tempelcomplex loopt, is inmiddels volgeparkeerd met auto’s, hoewel verderop een groot parkeerterrein is. We vinden er het paadje dat over de berg achter de tempel leidt. De sugibossen op de helling zijn sterk gedund, waardoor het, vooral in het begin, er wat kaal uitziet. Op het pad zien we weer een reuzenregenworm. De zon is inmiddels op kracht gekomen en we krijgen het aardig warm. Mijn tempo is niet al te hoog, ik voel me niet helemaal lekker. Tot we het pasje op 711 meter hoogte over gaan, horen we in de diepte achter ons een touringcar langdurig toeteren. Blijkbaar last van foutparkeerders.

Met het pasje hebben we een voor voetgangers erg gevaarlijke autotunnel in route 12 vermeden. Ook daarna komen we nauwelijks op deze weg; steeds opnieuw pakken we een parallelweggetje of paadje, eerst door een klein gehucht waar we kort in een rest hut rusten en onze jassen uittrekken, daarna over de bergen, door de bossen. We pakken daarna – net als vorig jaar – een doorsteek van de noordelijke route naar de zuidelijke. We komen op de splitsing een jong echtpaar tegen uit Matsuyama, dat af en toe een uitstapje maakt naar een tempel. Als we eenmaal op de zuidroute zitten – een paadje met diepe afgronden en fraaie vergezichten, het pasje op 750 meter – eten we op enkele bankjes gezamenlijk de meegebrachte onigiri op. Langs het pad zie ik af en toe grote krabsporen op bomen: beren?

De zuidelijke route daalt op spectaculaire wijze af naar tempel 45: een klein, steil paadje tussen reuzensugi’s en andere woudreuzen, in de schaduw van de hoge kale rotsen waar we net overheen hebben gelopen. Langs het pad staan regelmatig kleine heiligenbeeldjes. In een grote rotsholte staat een groot beeld van Fudō Myōō, de god die altijd omgeven is door vuur, en die vecht tegen wanen en ook rusteloze geesten kalmeert; er vlakbij is een door een hek afgesloten spleet waar een ketting in hangt, een klein heiligdom staat ernaast. Wat lager is er een nauwelijks zichtbaar shintoheiligdommetje: een breed mostapijt leidt naar een bemost muurtje met 2 shintohondjes ervoor. Verstilde schoonheid. We voelen ons nietig, bij zoveel ouderdom en zoveel schoonheid.

Bij de tempel vinden we weer het jonge echtpaar terug. We nemen hartelijk afscheid. Na het uitvoeren van de rituelen moeten we weer lang wachten bij het stempelkantoor op een jongen met een weekendtas vol rollen en boeken. Dan dalen we de berg weer af via het officiële pad, terug naar route 12. Bijna bij de weg is het pad omringd door huizen en winkeltjes. We krijgen er weer gemberthee aangeboden. Ik weet het maar net binnen te houden; net daarvoor heb ik wat overgegeven, waarschijnlijk door de inspanning. Bij het winkeltje langs route 12 nemen we nog een ijsje en vatten dan weer de terugweg aan. Mels is inmiddels wat gestresst geraakt, we zijn later dan vorig jaar begonnen aan de terugweg én we hebben 5 kilometer meer af te leggen. ‘We gaan het niet halen’, zegt Mels herhaaldelijk. We besluiten vanwege de tijd de weg aan te houden en de meeste parallelweggetjes en -paadjes nu te negeren. Er stopt een auto naast ons. Of we een lift willen? Ik zeg vriendelijk maar beslist ‘nee’. ‘We gaan het lopend niet meer halen…’, benadrukt Mels nog eens. ‘De heenweg was al 2 kilometer langer dan in het routeboekje stond, dat zal dan ook zo bij de terugweg zijn…’ ‘We zien wel’, antwoord ik. ‘Komen doen we er altijd…’ Mijn tempo is nog steeds wat laag… Het jonge paar komt aanlopen van een paadje aan de andere zijde van de kleine rivier. Ze hebben een kleine uitstap gemaakt. We lopen een tijdlang samen op langs route 12, die hier voert langs mooie rotsformaties vol gaten, tot we langs de onsen komen, waar ze hun auto hebben geparkeerd. Of we niet mee willen rijden met hen? Mels kijkt me vragend aan, voor mijn gevoel steeds dringender, maar we slaan toch uiteindelijk allebei het aanbod af. Wel wisselen we visitekaartjes uit met telefoonnummers: voor het geval dat… Route 12 voert langs minder hoge passen dan het henro-paadje, maar de eerste tijd stijgt de weg toch behoorlijk en we lopen de hele tijd in de volle zon. Het is warm, erg warm; ik zet een pluutje op. Na de pas gaat het weer langzaam naar beneden tot er opnieuw moet worden gestegen naar de laatste tunnel voor Kuma Kōgen.

Om half 5 zijn we bijna bij de vervelende tunnel die we nog door moeten – zonder stoep of overdekte goot, dus levensgevaarlijk – waarna het nog maar een kilometer is naar de ryokan waar onze bagage is, als er een auto stopt aan de overkant van de weg. ‘Geen goed punt voor osettai’s’, denk ik nog, want het is een gevaarlijk punt om te stoppen op de sterk kronkelende bergweg. Tussen het verkeer door rent een man onze kant op. ‘Boom Melsu?’, vraagt hij. ‘Hai!’, antwoorden we allebei. Hij blijkt de eigenaar te zijn van de volgende ryokan. ‘Het is nog 10 kilometer, nog 2 uur lopen’, vertelt hij ons. We vertellen hem dat we ook nog eerst onze bagage op moeten pikken… ‘Meerijden’, stelt hij voor, meer opdracht dan vrijblijvende vraag. Driemaal is scheepsrecht. We knikken allebei ‘ja’. Als we hem vragen hoe hij ons heeft gevonden, geeft hij als antwoord dat hij bang is dat het avondeten van 6 uur in de war loopt… Blijkbaar pikt hij vaker zijn gasten langs de weg op. Dankbaar laten we ons in de auto zakken. Een kwartier en vele kilometers later – door de vervelende tunnel, over de lange, scherp dalende weg naar het stadje, en na het oppikken van de rugzakken, verder door een brede vallei langs een berg die inmiddels grotendeels is afgegraven en met vele houtverwerkingsbedrijven – zijn we plotseling al op onze eindbestemming. Bij de ingang brandt een houtkachel bij een zitje. De gastheer maakt meteen onze staffen schoon en even later brengt hij ons elk een groot glas fris on the rocks. ‘Zie je wel dat je je voor niets ongerust hebt gemaakt?’, zeg ik tegen Mels. ‘Het komt altijd goed, zeker in Japan!’ Hij stikt zowat van het lachen in zijn glas drinken.

Het avondeten delen we met 4 andere henro’s, 2 mannen en 2 vrouwen, en onze gastheer blijkt niet alleen een goede kok, maar ook een vrolijke en gezellige entertainer. Aan de muur hangen 2 rollen vol stempels en kalligrafieën, van de tempels die hij heeft bezocht, inclusief allerlei shintotempels. Dat kan blijkbaar in Japan: tempels van 2 verschillende geloven zetten gewoon broederlijk hun stempels op 1 rol. Hij toont ook een boek: Route 88. Met foto’s van (vooral jonge) henro’s die onderweg zijn gefotografeerd, de lokatie erbij vermeld. Hij staat er zelf ook in, toen 42 jaar oud. (En wij hadden hem nu nog geen 40 geschat…) En als hij merkt dat we potters zijn, laat hij nog wat Tobe-keramiek zien. Er blijkt ook porselein uit dit plaatsje te komen met celadonglazuur, een blauwgroen glazuur dat er zo mooi ‘waterig’ uit kan zien. Een van de belangrijkste gespreksonderwerpen ’s avonds aan henro-tafels is uiteraard de route. Onze gastheer heeft ook vele tips daarover. Maar er ligt ook een brief op ons te wachten: Hide-san heeft aanwijzingen gestuurd over de route na tempel 65, omdat er daar kennelijk aardverschuivingen hebben plaatsgevonden waardoor de pelgrimsroute volledig is afgesloten. Zoveel zorg!

Geplande afstand: 22,2 km (excl. 1 km extra i.v.m. achterlaten bagage in vorige ryokan), hoogste punt 785 m (pasje), 900 m stijging
Werkelijke afstand: 29,0 km (incl. 9 km met auto), 1e pasje 711 m, 2e pasje 750 m (hoogste punt), totale stijging 911 m, totale daling 861 m
Cumulatief afgelegde afstand: 915,4 km (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.30– ca. 16.45 uur
Looptijd: 4,50 uur
Gemiddelde snelheid: 4,1 km/u
Bezochte tempels: tempel 44 en 45
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: minshuku Tōri An (1 kamer ca. 6 tatami’s groot met tafeltje, 1 voorkamer 2 tatami’s groot met kastenwand, halletje, 1 binnenveranda met stoeltjes en tafeltje, goed avondeten, matig ontbijt)

Dag 49: zaterdag 14 april 2012: Wie is wie???

De zuidelijke route, van west naar oost door de bergen, gaat voor een groot deel langs route 380, een meestentijds smalle en zeer rustige bergweg die gestaag en stevig stijgt (7–8% helling), vergezeld door een kleine rivier en omringd door hellingen met eindeloze sugibossen. Enkele delen van de weg kunnen worden afgesneden door een bergpaadje over een pasje te nemen, maar als we om 8 uur vertrekken uit de fraaie, oude ryokan – hartelijk uitgezwaaid door het vriendelijke ryokan-echtpaar – hebben we nog steeds geen beslissing genomen of we de weg blijven aanhouden of niet. Het eerste bergpaadje heeft ons vorig jaar (na een verkeerde afslag) geleid naar een uiterst vriendelijk echtpaar dat ons tracteerde op koffie en taart, maar het paadje bestaat wel voor een groot deel uit zeer steil beton, erg vervelend met nat weer. Ook al regent het nauwelijks meer, het pad zal nog erg glad zijn. Maar soms wordt een beslissing voor je genomen… We zijn zo’n 7 kilometer onderweg langs de fraaie bergweg – omzoomd door sakura in alle mogelijke tinten rose en wit en ook door massaal bloeiend koolzaad – als er een kleine pickup naast mij stopt met een breed grijnzende man en vrouw. Of wij die potters uit Nederland zijn die vorig jaar bij hen hebben koffiegedronken?! Ja, dus! De vrouw knijpt me stralend in de handen. Ze leggen uit dat ze shiitake aan het enten waren (of juist op weg zijn om te gaan enten; dat is ons niet helemaal duidelijk…) Ze zijn erg blij dat ze ons zien en het woord ‘koffie’ valt enkele malen. Wij knikken. ‘Ato de’, zeggen we. ‘Tot straks.’ Als ze wegrijden krijgen we nog een pak chocolade cakejes in de handen gedrukt. ‘Ik weet eigenlijk niet zeker of ze ons hebben uitgenodigd…’, zegt Mels. We zien wel. We eten de heerlijke chocolade cakejes op in de shintotempel die iets verderop staat, zittend op de houten treden en omringd door oude schilderijen onder meer over de Japans-Russische oorlog. Maar we blijven niet lang, het is niet alleen nog steeds aardig koud, we willen het vriendelijke echtpaar ook niet te lang laten wachten met de koffie…

Meteen na de shintotempel begint het bergpaadje en het valt inderdaad niet mee. Dikbemoste delen zijn nog het minst glad en langzaam werken we ons naar boven. Even vergeten we de verkeerde afslag te nemen, maar dan komen we toch uit bij het huis dat zo mooi gelegen is bovenin de vallei, omringd door geelbloeiend koolzaad. Het huis ziet er echter totaal verlaten uit; de pickup is nergens te zien. Ik roep een paar maal en we kijken om ons heen: dit is toch wel het goede huis? We zijn net bezig een cadeautje uit de rugzak te halen om achter te laten als dank voor de hartelijke ontvangst vorig jaar, als er een deur opengaat. Een man komt naar buiten, hebben we hem uit zijn slaap gehaald? Het is niet dezelfde man als in de pickup en hij kijkt ons wat verbaasd aan. We verontschuldigen ons – misschien tóch het verkeerde huis? – maar dan herkent hij ons: de mensen van vorig jaar! En hij haalt er wat stoelen bij, oploskoffie, een pak zoetebonenkoekjes, een bord rijstballen en een bord shiitakes. Hij vertelt dat zijn vrouw shiitakes aan het enten is; hijzelf heeft een pijnlijke rechterschouder en een zere vinger van het enten en is niet in staat om te werken. Hij ziet er duidelijk erg ongelukkig uit. Maar als dit de man is die ons vorig jaar heeft ontvangen, wie zijn dan de man en vrouw in de pickup??? We breken ons allebei het hoofd en komen er niet uit. Was de vrouw in de pickup soms de echtgenote van deze man? Maar wie was dan die andere man?

De man merkt onze interesse in de shiitake-teelt en neemt ons mee naar de schuur waar een moderne, computergestuurde droogkast staat om de shiitakes te drogen. Hij toont ook de tablets waar 900 propjes inzitten met shiitake-mycelia, qua vorm en grootte net vingerhoedjes. Hij vertelt dat hij 70.000 stammetjes per jaar prepareert met in totaal 300.000 mycelia. De geprepareerde stammetjes blijven een half jaar lang op stapels liggen, af en toe (als het niet vanzelf regent) met water besproeid, en zonodig beschermd tegen de wind met een fijngazig windscherm; daarna worden ze schuin neergezet gedurende anderhalf jaar. Er wordt meerdere keren geoogst; na 5 jaar wordt een stammetje afgedankt. Na de koffie nemen we afscheid met een klein cadeautje; rijst en shiitakes laten we beleefd staan, ’t is nog geen 10 uur, nog wat vroeg voor een lunch.

We volgen het zeer steile (en gladde!) betonnen paadje door zijn tuin en komen dan weer op de weg uit die verder voert door eindeloze sugibossen. Bij ons bezoek aan Shigaraki vorig jaar, vertelde Regina ons dat de Japanse overheid in het verleden massaal sugi heeft laten aanplanten op de berghellingen, vanwege de houtproductie. Maar dat blijkt een ernstige fout te zijn: de sugi’s worden bedreigd door een ziekte en op Honshu zagen we al veel bruine plekken in de bossen. Hier op Shikoku lijken de bomen nog niet aangetast te zijn. Het eerste deel van route 380 voerde vanmorgen ook langs veel percelen met jonge aanplant.

Na een – af en toe erg donkere – tunnel van 712 meter daalt de – brede – weg langzaam het volgende dal in. Net als in het vorige dal zijn ook hier weer massaal bloeiende kersenbomen. Het is soms zo mooi, dat het haast pijn doet. Zoveel mooie herinneringen neem ik mee…

Gedurende de ochtend hebben we verschillende bankjes, rest hut’s, bushokjes met banken en zelfs 2 henro yado’s gezien, maar tegen de tijd dat we toe zijn aan een goede pauze en wat lunch, is er niets meer te vinden. Het is te nat en ook veel te koud om zo ergens te gaan zitten, dus lopen we maar door. Vlak bij het begin van het tweede bergpaadje dat over een pasje op 651 meter hoogte voert, kijken we nog even in het routeboekje. Meteen stopt er een auto: een 89-jarige man stapt uit om ons de weg te wijzen. We maken even een praatje en slaan dan het pad in. Een breed, makkelijk begaanbaar grintpad dat langzaam stijgt. Hier en daar staat er een bloeiende papierstruik onder de donkere hoge sugi’s. Mels heeft het moeilijk met zijn rug, maar gaat gestaag door. Vlak voor het pasje gaat het grintpad over in een klein, wat steiler paadje dat door een kleine kloof voert. Ook het paadje dat afdaalt naar het volgende dal, is smal en steil en door de regen wat glibberig. Na enige tijd komt het uit op een weggetje dat langs huizen en natte sawa’s vol ratelende kikkers voert. In een akkertje staat een oud busje, het dak vervangen door golfplaat. Het is in gebruik als schuurtje. Even verderop staat een busje waarvan de zijdeur is vervangen door een houten deur. In gebruik als opslagruimte. Dat zien we veel in Japan: oude busjes die nooit worden afgevoerd naar de sloop, maar in gebruik blijven als opslagplaats – de banden volkomen plat; soms 3 van dat soort auto’s op een rijtje bij een huis.

We hebben weer allebei dezelfde ervaring van helderheid, waarschijnlijk gestimuleerd door het lichte hongergevoel. Na nog een klein bergpaadje over een laag pasje komen we weer op een breed grintpad dat langzaam langs de uitlopers van de bergen afdaalt naar Kuma Kōgen, het plaatsje waar we zullen overnachten. Langs route 33, die door het plaatsje loopt, zijn verschillende houtverwerkingsbedrijven gesitueerd; vrachtwagens, hoog opgetast met boomstammen, rijden af en aan. Maar we zien ook in de verte een knipperlicht. Dat duidt meestal op een restaurant. Het is inmiddels 2 uur en we zijn erg toe aan rust en warmte. Het knipperlicht is wel de verkeerde kant op, we moeten er zo’n halve kilometer voor terug lopen, maar dat hebben we er voor over. Het restaurant zit vol met mensen, maar gelukkig is er nog net plaats. Dan komt de waardin aanlopen en wuift ons – op niet bepaald aardige wijze – eruit: ze gaan zo sluiten… De boodschap is duidelijk. We druipen af. Jammer, want we hebben vorig jaar de ervaring opgedaan dat er in het hele plaatsje verder niets is dan een currytent, waar we de meest smerige (en ook de zoutste) curry ooit hebben gegeten.

Enkele kilometers de andere kant uit langs route 33 passeren we echter een supermarkt. We besluiten onze onigiri voor morgen te bewaren en kopen er ijs en brood en cake en zakken dan dankbaar neer op het bankje ervoor. En dan breekt de zon door. Plotseling is de hemel blauw met alleen nog in de verte voortsnellende wolken. Het is zelfs warm en ik dommel langzaam weg. Er komen enkele kinderen aanlopen. Aan de rand van het parkeerterrein houden ze kort krijgsberaad. Dan komen ze netjes in een rij, in paren van 2, langs ons bankje. En dan klinkt het, steeds opnieuw: ‘Hello!’ (giechel… giechel…) Wij giechelen mee. Pas een half uur later lopen we de resterende 800 meter naar onze overnachtingsplaats. De ryokan is ons aanbevolen door veel henro’s onderweg. En ook in het routeboekje staat de ryokan met een sterretje vermeld. Het ziet er op het eerste gezicht echter niet bijzonder uit, eerder wat verlopen. Na de ofuro brengt Mels een bezoek aan de kapper vlakbij de ryokan; ik werk wat aan het dagboek. Bij het avondeten zien we het echtpaar terug dat we gisteren enkele malen onderweg ontmoetten. De 68-jarige, zeer onderdanige vrouw praat met een enkele octaven hogere stem dan normaal en heeft ook voortdurend de neiging te knikken en te buigen. Hij is van het robuuste zwijgzame type. Veearts geweest, 74 jaar oud, uit Yokohama, 50 jaar getrouwd, last van blaren. Als we met zijn 2-en nog wat natafelen komt de 65-jarige gastvrouw binnen. Ze maakte – al toen wij bij de ryokan aankwamen – op ons de indruk dat ze een attaque heeft gehad, wat langzaam sprekend en ons steeds doordringend aankijkend. Af en toe zegt ze ‘please’ en lacht ze. Nu zegt ze iets dat Mels met de i-phone weet te vertalen in ‘andere kamer’. ‘Okay’, zeggen we en we gaan mee, in de veronderstelling dat we gaan verhuizen met onze spullen. Ze neemt ons echter alleen mee omdat ze ons een andere kamer wil laten zien: 120 jaar oud en van een wonderbaarlijke schoonheid. Met minuscuul ingelegd hout op de vloer van de tokonoma. Het plafond met vierkantjes van verschillende houtsoorten en… van houtzwammen die deels nog uit het plafond steken. Met boven de goudkleurige schuifdeuren open vensters met houtsnijwerk van houtzwammen en hout, zó verschrikkelijk mooi. Ook de vensters van papier en dun lattenwerk zijn kunstwerken: ragfijne latjes vormen samen een ingenieus en kunstzinnig gestileerd landschap of ingewikkelde abstracte patronen. De tokonoma is afgegrensd door gezandstraalde boomstammen: de verticaal geplaatste hashira en de horizontaal boven de tokonoma geplaatste nageshi. De kamer ernaast bevat een mooie kast die ook door een hashira wordt gekaderd. De grote lage tafels zijn gemaakt van dikke plakken van een enorme boomstam. Ze heeft enkele krantenknipsels voor ons neergelegd van 25 jaar geleden toen er een artikel over deze kamers is geschreven. Mels mag een boek lenen: Shikoku Onna Henro Ki, een verslag in 1928 geschreven door een vrouwelijke henro op Shikoku, herdrukt in 1988. We maken foto’s. Alles is zo wonderbaarlijk mooi…

Geplande afstand: 18,0 km, hoogste punt 651 m (pasje), 500 m stijging
Werkelijke afstand: 20,7 km, hoogste punt ca. 651 m (pasje), totale stijging 947 m, totale daling 663 m
Cumulatief afgelegde afstand: 886,4 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.04– ca. 15.15 uur
Looptijd: 4,25 uur
Gemiddelde snelheid: 4,7 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Omogo (1 kamer ca. 7 tatami’s groot met tafeltje en tv, 1 voorkamer 2 tatami’s groot met kastenwand, halletje, 1 binnenveranda met stoeltjes en tafeltje, goed avondeten, goed ontbijt)

Dag 48: vrijdag 13 april 2012: Wandelgezelschap

’s Ochtends moet er nog hard worden gewerkt; om half 6 gaat de wekker. Geen tijd om de handwas nog verder te drogen met een haarföhn, dus die gaat nat aan het lijf en in de rugzak. Mijn leesboek gaat ongelezen de koffer in. De doberman onder ons raam heeft gezelschap gekregen van zijn baasjes: het blijken onze gastvrouw en haar echtgenoot te zijn. Mels is nog lange tijd bezig in de lounge met uploaden en mailen. En voor we vertrekken nemen we nog cappuccino; kan ik ook nog even mailen… In De Telegraaf lezen we dat Noord-Korea zijn raket de lucht in heeft geschoten en ook dat die bijna meteen is ontploft. De afgelopen weken was de raket hot news op de Japanse tv; Japan beschouwde het als een ernstige bedreiging.

Als we om half 10 vertrekken (uitgezwaaid door ryokan-moeder en trattoria-dochter), is het bewolkt; een aangename looptemperatuur. We kopen eerst wat lunch-attributen bij een supermarkt aan de oostkant van Uchiko, waar in een mooi rivierdal route 56 het plaatsje omarmt, evenals wat verderweg en een stuk hoger het viaduct van de snelweg. Wij nemen route 379 die – gestaag lichtjes stijgend en met heel weinig verkeer – naar het oosten loopt. Naast de weg stroomt in de diepte een fraaie rivier, vaak met diepblauw water, omgeven door grote rotsblokken, bamboebossen en vooral hellingen vol sugi. Op een akkertje is een oude vrouw bezig met een grote hak. Op het veldje ernaast een evenoude vrouw met een motorploegje dat ze voor zich uit duwt. Zwaar werk… We horen iemand roepen. Achter ons komt – met enige moeite – een zwaarbepakte henro aanhollen, in de ene hand een pelgrimsstaf, in de andere een nordic walking stick. Sotozo Tanaka blijkt een gezellige – wat Engels sprekende – reisgenoot, 66 jaar oud uit Tokyo, tot zijn pensionering werkzaam bij Honda. Hij heeft door zijn baan veel gereisd en weet ook het een en ander van Nederland, ook al is hij daar nooit geweest: veel fietsen, veel windmolens. En hij is zeer geïnteresseerd in alles wat met auto’s te maken heeft: Zijn er tolwegen in Nederland of elders in Europa? Wat kost benzine in Nederland? Waarom is diesel er goedkoper dan benzine? Welke auto heb jij? Etc. etc. En zelf is hij ook een rijke bron van informatie. Zo wijst hij ons op verschillende henro yado’s, de gratis overnachtingsplaatsen voor henro’s. We hadden ze niet eens opgemerkt.

Bij een vending machine bieden een man en vrouw ons aan wat te drinken kopen, maar we slaan het beleefd af: we hebben elk al een halve liter in de rugzak. We komen langs een modernistisch gebouw gegroepeerd rondom 2 enorme silo’s. ‘Restaurant’, vertelt Sotozo ons. Eenmaal zien we een lemen huis dat in zijn geheel – 2 verdiepingen hoog – is scheefgezakt tegen de berghelling. Af en toe nemen we een parallelweggetje dat door een gehucht loopt, enkele keren ontlopen we er een tunnel mee. In veel gehuchten staan zeer fraaie oude huizen die duidelijk van rijke families zijn geweest. Deze streek kent een rijk verleden. In Naruya neemt Sotozo ons mee naar enkele van dat soort huizen: het is de geboorteplaats van een bekende Japanse schrijver, ōe Kenzaburō. In zijn geboortehuis staat Tobe-keramiek, blauwwit geglazuurd porselein uit het plaatsje Tobe dat hier hemelsbreed 25 kilometer vandaan ligt.

Het is een makkelijke dag, de weg gaat weinig op en neer. Ik loop als een kievit, dat merkt ook Sotozo op: ‘Hayai!’, zegt hij tegen Mels terwijl hij naar mij wijst. ‘Ze loopt wel erg snel!’ Het wordt steeds warmer. ‘Suzushi!’, zeg Sotozo. ‘Het is warmvochtig!’ Plotseling zijn we al 8 kilometer verder, de tijd gaat snel, zo kletsend. Mels kijkt voor de zekerheid even in zijn routeboekje: zijn we niet per ongeluk een tempel vergeten? Nee, gelukkig niet. Sotozo wenkt, een henro hut: een cirkelvormige picknickbank met in het midden een ronde tafel en een rond dak erboven. Het is net wat gaan druppelen en het is kwart voor 12, een mooi moment voor de lunch. Sotozo opent een deur van de barak ernaast: weer een henro yado, een hele luxe zelfs, compleet met schrijntje en grote trom. Achter de yado is een eenvoudig hurktoilet. Bij de picknickplaats is een man bezig wat hout te verbranden in een afgezaagd olievat. Hij brengt ons 3 blikjes alkoholvrij bier. We lunchen met wat brood en cake. Er komen nog wat henro’s langs: een man die vanavond in dezelfde ryokan zal overnachten als wij, en een echtpaar.

We komen deze dag de ene na de andere henro yado tegen en ook de ene na de andere rest hut. Sotozo neemt – 7 kilometer voor onze overnachtingsplaats in Oda – afscheid van ons. Hij blijft in een henro yado slapen; in zijn rugzak heeft hij een slaapzak (en zonodig ook een tent) om overal te kunnen overnachten. Morgenvroeg zal hij langs onze ryokan komen om samen verder te lopen.

Inmiddels zijn we behoorlijk moe geworden; allebei hebben we wat last van rug en voeten. En het is steeds harder gaan regenen. Maar we moeten nog even doorzetten. We komen langs kersenboomgaarden vol witte bloesem en hoger op de hellingen zijn ook perzikboomgaarden, bleke stammen en takken met groen, net ontluikend blad. Op een kaalgekapt berghellinkje staan geelwitte irisjes en piepkleine, dieppaarse, plat tegen de grond aangedrukte viooltjes. In de riverbedding aan de andere zijde van de weg staat op droge plekken massaal geelbloeiend koolzaad. Bij een rest hut zien we het echtpaar terug dat tijdens onze lunch langs liep. Bij hen staat een man met grote foto’s van het evenement dat hier jaarlijks in de tweede helft van april plaatsvindt: van vlotten is een 60 meter lange ‘drijvende brug’ in de rivier gebouwd, net als in vroeger tijden, waarop mannen in traditionele kledij met lange stokken proberen te laveren. En hij toont enthousiast een fotoalbum vol osame fuda’s die meer dan 100 jaar oud zijn, waaronder van een Chinees en een Koreaan. Wij geven hem onze osame fuda’s. ‘Voor over 100 jaar…’, zegt Mels erbij.

Kort daarna komen we bij de splitsing van de noord- en zuidroute die allebei door de bergen leiden waardoor we morgen zullen lopen. Eigenlijk hadden we voor dit jaar de noordroute gepland, maar we hebben uiteindelijk toch dezelfde ryokan gereserveerd als vorig jaar, aan het begin van de zuidroute (en dát komt toevallig goed uit met dit regenachtige weer want die route heeft wat minder hoge pasjes). Via route 380 vervolgen we onze weg. Een auto stopt: we krijgen elk een sinaasappel in de hand gedrukt. Kort daarna zien we – onverwacht – een klein restaurant waar we koffie kunnen drinken. Eindelijk even beschut zitten. Buiten komen schoolkinderen voorbij, een groepje met gele caps en gele paraplu’s, later een groepje met donkerblauwe plu’s. Plotseling zitten we in een ernstig gesprek verwikkeld over leven en dood. Eenmaal weer buiten blijkt het harder te zijn gaan regenen en ook erg koud in onze windjacks, met niets eronder dan hemdjes. Dampslierten stijgen op uit de dalen. Maar al anderhalve kilometer later is er de ryokan. In het binnentuintje zit dezelfde zielige hond als vorig jaar…

Mels komt al snel terug van de ofuro. ‘Alleen koud water in de douche…’ Ik ga niet. We krijgen toch eten. Samen met 2 andere henro’s in een zaaltje. ‘Sotozo Tanaka komt morgen niet’, laat onze gastvrouw weten. Blijkbaar heeft hij gebeld. In het restaurant bij de ryokan is zo te horen een groot gezelschap aanwezig; personeel holt druk heen en weer. Onze maaltijd is wat karig, maar als Mels en ik nog even aan het natafelen zijn met wat sake, komt de gastheer langs. Hij brengt nog een schaal dungesneden varkensvlees. En later nog een toetje: sinaaspartjes, rijstballetjes en pannenkoekpuntjes. Hij vertelt dat er in al die jaren slechts 5x een Nederlander bij hen heeft gelogeerd. ‘Volgens mij tellen wij voor 4…’, zeg ik tegen Mels.

Geplande afstand: 20,1 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 22,3 km, hoogste punt 181 m (=eindpunt), totale stijging 626 m, totale daling 493 m
Cumulatief afgelegde afstand: 865,7 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.34– ca. 16.45 uur
Looptijd: 4,22 uur
Gemiddelde snelheid: 5,1 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Fuji Ya (1 kamer 8 tatami’s groot met fraaie tokonoma en 1 tafeltje en tv, 1 voorkamer 4 tatami’s groot met kastenwand, 1 binnenveranda die als opslagplaats wordt gebruikt, matig avondeten, matig ontbijt)

Dag 47: donderdag 12 april 2012: Vakantiestress

Vakantie, dus uitslapen. Na het liedje van 6 uur dat via de luidsprekers over de stad schalt en de hond van de buren die daar niet tegen kan en meehuilt met de wolven… slapen we nog even door… Na het ontbijt om 8 uur nemen we nóg wat tijd tot we om 10 uur de kamer moeten hebben verlaten. We gaan meteen naar de volgende ryokan, een straat verder. Ik laat er mijn rugzak achter, we nemen nog een cappuccino uit de trattoria ernaast en gaan dan Uchiko in; pas om 3 uur kunnen we op onze kamer. Het is behoorlijk warm en de zon is fel. Slenterweer. We informeren bij het kabukitheater of er toevallig vandaag een voorstelling is, maar helaas… Daarna zwerven we door de straatjes van het oude stadje met mooie koopmanshuizen uit de 18e en 19e eeuw. Vorig jaar hebben we al enkele huizen bezocht die ingericht zijn als museum; nu bezoeken we onder meer de gebouwen op het complex van het was-museum. Was werd gemaakt van de bessen van een rhus (Rhus succedanea) en de productie kende zijn hoogtij in de 18e en 19e eeuw, totdat begin 20e eeuw paraffine en elektriciteit opkwamen. In de streek rond Uchiko en ōzu waren er diverse families die tot grote rijkdom kwamen door de productie van was. De uitgestrekte residentie van een zo’n familie – de Hagiwara’s – is ingericht als was-museum.

We overwegen even wat toeristische uitstapjes verder weg – 2 overdekte, houten bruggen ten noorden van Uchiko en een fotogenieke opeenstapeling van terrasvormige natte sawa’s ten zuidoosten van Uchiko – maar we weten niet precies hoeveel kilometer het is (we hebben een toeristisch plattegrondje gekregen en die zijn niet altijd volledig op schaal ingetekend…) Bovendien zouden we eigenlijk eindelijk eens wat rust moeten nemen: Mels maakt zich erg ongerust over zijn hart en mijn voeten zijn inmiddels roodwit geblokt – de witte delen verweekt door de tape, de donkerrode, geïrriteerde delen waar geen tape was aangebracht – en bovendien heb ik de afgelopen nacht nauwelijks geslapen door de pijn in mijn rug en linkerbeen. Tijd voor een ‘echte’ vakantiedag.

Na de lunch en een ijsje dolen we korte tijd nog wat verder rond en installeren ons daarna even voor half 3 in de lounge van de ryokan. Niemand te zien, wel free spot wifi. Om half 3 mogen we toch op de kamer. Deze keer wel met prima badkamer en wc. En een binnenveranda met stoeltjes en uitzicht op een grote begraafplaats. Als het liedje van 5 uur schalt, klinkt opnieuw het wolvengehuil. De hond blijkt onder ons raam te zitten, een doberman. We wuiven, zij kijkt verveeld terug.

Nu we slechts 1 dag de beschikking hebben over onze koffers en er ook nog wifi beschikbaar is, krijgen we het plotseling erg druk. Was draaien, enkele handwasjes afwerken, nog wat reserveringen laten maken, koffers en rugzakken voor zover nodig ompakken, de blog uploaden (en deze keer ook met foto’s…) Mels verdwijnt al gauw naar de lounge, want alleen daar is er wifi, en hij heeft veel mail te beantwoorden en veel blog te uploaden.

Het avondeten delen we met 2 andere loophenro’s. Een van hen is de ‘Montblanc-man’ die we al enkele keren onderweg tegenkwamen. En passant vertelt hij dat hij ook in Nepal bergen heeft beklommen, één berg 3x, een andere 4x, voor het laatst 3 jaar geleden. De Anapurna (de enige naam die ik ken en dus kan onthouden…) heeft hij 1x beklommen. Het avondeten is een internationale mengelmoes: fusion. Japanse udon, beef onder een deegdekentje uit Hiroshima, Italiaanse pasta en vis, Catalaanse crème brulée. Begeleid door zelfgemaakte umeshu. De dochter (of zoon?) van de ryokan-gastvrouw runt het Italiaanse restaurant ernaast en ze gebruikt er regelmatig gerechten van. Elke dag wat anders. Dat komen we niet vaak tegen in ryokans. Meestal is er maar 1 vast menu dat elke dag opnieuw wordt opgediend. Om 8 uur liggen we al te slapen, met kogelronde buiken; de rest van het af te werken lijstje moet tot morgen wachten…

Geplande afstand: 0 km
Werkelijke afstand: nagenoeg 0 km
Overnachting: ryokan Matsunoya (1 kamer 7,5 tatami’s groot met tokonoma / kastenwand, tv, kluis, tafeltje en 2 grondstoeltjes, 1 halletje, badkamer met wc bad/douche, binnenveranda met 2 rotan stoeltjes en tafeltje, wifi in de lounge, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt)

Dag 46: woensdag 11 april 2012: Waterdief!

Vandaag is er een heel kort traject gepland, 12 kilometer, naar het mooie historische stadje Uchiko, waar we onze ‘vakantiedag’ willen doorbrengen. Vorig jaar hebben we er al het kabuki(poppen)theater bezichtigd en wat oude straatjes doorgelopen, nu willen we er wat langer blijven. We slapen uit en ontbijten pas om 8 uur en daarna blijven we nog lange tijd op de kamer hangen, want af en toe vangen we wat wifi op en buiten regent het pijpenstelen. Het lukt om 2 dagverslagen te uploaden op het blog; foto’s uploaden lukt al een kleine 2 weken niet meer vanwege de vaak te lage snelheid van de verbinding. Maar uiteindelijk moeten we toch eens naar buiten… Het hotel is totaal verlaten als we even na half 11 de regen instappen. Onder Mels’ nieuwe, zonnebloemgele regenzak tekenen zich de contouren af van de 2 dagen geleden gekochte lampions. Onder onze nieuwe pluutjes blijven we voorlopig lekker droog. We pakken weer route 56 op om het uitgestrekte industriegebied aan de noordoostkant van Ōzu te doorkruisen. Als we over een van de lange bruggen over de brede rivier lopen, zien we links op een heuvel het erg mooie kasteel van Ōzu liggen: helderwitte muren met grijze dakpannendaken in een verder grijsmistige wereld. In de diepte onder de brug liggen tientallen kleine, overdekte rondvaartboten, wachtend op het toeristenseizoen.

Het kilometerslange traject door het industriegebied van Ōzu is nooit echt leuk: afwisselend op een smalle stoep, dan weer balancerend op de dekplaten over de goot, langs een erg drukke autoweg, met als enige uitzicht kantoren, autobedrijven en andere industrie; hier en daar een winkel of restaurant. De regen maakt het er niet beter op: de grote plassen op de weg worden metershoog opgeworpen door het voorbijrazende verkeer. ‘We vergeten een tempel!’, gil ik plotseling naar Mels, boven al het verkeersgedruis uit. Hij kijkt me met grote ogen aan. Het routeboekje wordt uit een plastic zakje tevoorschijn gehaald. Inderdaad, we waren bijna bangai 8 vergeten… We zijn er nog net niet voorbij gelopen.

Het is inmiddels half 12 en we hebben 5 kilometer afgelegd, daarom leggen we eerst even aan bij een Joyfull voor (in chronologische volgorde) ijs en friet (Yna) respectievelijk gebak en tofu (Mels). We krijgen een handdoek om ons wat af te drogen. Als we eenmaal zijn geïnstalleerd, zie ik bij de ingang de ene na de andere gast een handdoek uit de hand- of aktetas halen en zich afdrogen. Dat is me in Japan wel vaker opgevallen: bijna iedereen heeft een handdoek bij zich, om zich af te drogen bij regen, om eventueel zweet af te wissen bij warmvochtig weer en voor een onverwacht bezoek aan een onsen. Altijd handig.

Al kort na de Joyfull is in de innige omhelzing van route 56 en een op grote hoogte kruisende snelweg bangai 8 te vinden. Jammer, denk ik, soms kan een mooi gebouw zich op zo’n verschrikkelijk verkeerde plaats bevinden… De regen is inmiddels afgenomen en beperkt zich afwisselend tot een heftig buitje, dan weer tot gestage druilregen. De tempelgebouwen bevinden zich op een rijtje langs route 56, een winderig plekje waar regenvlagen en wind voortdurend proberen greep te krijgen op fototoestel en boekjes. De stempelmonnik geeft ons elk een klein origami-krabbetje, zelfgevouwen. In ons routeboekje staat bij deze tempel dat we ook even onder de brug ernaast moeten kijken. Daar blijkt Kukai te slapen, vereeuwigd in steen. Een ontroerend plekje met schrijntjes en kussens op een klein stukje kade onder de brug. Een tweetal duiven volgt onze aanwezigheid nieuwsgierig. Volgens de overlevering zou Kukai tijdens zijn pelgrimstocht op Shikoku vaak onder bruggen hebben geslapen. Dat is een van de dingen die Mels en ik al voor onze eerste tocht hebben afgesproken: we gaan niet in bushokjes, op treinstations en onder bruggen slapen. Niet alleen omdat je dan ook de hele tijd een goede slaapzak en een matje mee moet slepen, maar ook omdat we denken dat onze lichamen daar echt niet meer tegen kunnen… Maar we houden ons wel aan het goede gebruik de pelgrimsstaf niet neer te laten komen op bruggen en viaducten, want dan zou je Kukai wakker kunnen maken… Het is een van de rituele gewoonten om alert te blijven op je pelgrimstocht. Ook het belletje aan je pelgrimstas, rugzak of jas is bedoeld om je voortdurend eraan te herinneren dat je op pelgrimstocht bent.

Als route 56 zich splitst, nemen een kleinere weg. Ik neem foto’s van enkele mooie oude gebouwtjes; op het terrein bevinden zich ook een grote loods en diverse houtstapels. Een man komt uit de loods, hij blijkt een paar woorden Engels te spreken. Hij had ons vanochtend al langs de weg zien lopen, vertelt hij. Of we zin hebben in thee? Jazeker! Hij maakt een van de schilderachtige gebouwtjes, dat half verscholen is onder een grote bloeiende kersenboom, open. Het blijkt een piepklein en erg mooi oud barretje. Hij vertelt dat hij o-mochi produceert, kleverige balletjes gemaakt van rijstpasta en gevuld met zoetebonenpasta; hij maakt ze op traditionele wijze: in houten vaten (vergelijkbaar met karnvaatjes) met een houten stamper die wordt aangedreven met de voeten. Op de veranda staat een houtskoolbrandertje voor het verwarmen van de balletjes. Of we zin hebben? ‘Zeg alsjeblieft ‘Nee’,’ zeg ik tegen Mels, ‘laatst ben ik er bijna in gestikt; ik krijg ze niet doorgeslikt…’, maar hij zegt ‘Ja’ en belooft alles op te eten of zonodig stiekem weg te werken. Maar even later krijgt hij wat last van zijn hart – het slaat over, iets waar hij het grootste deel van zijn leven al last van heeft – en hij weigert verder te eten of te drinken. Beleefdheidshalve eet en drink ik verder alles op en gelukkig valt het deze keer mee, ik krijg alles weggewerkt zonder te kokhalzen… Het is een aardige man en we hebben er een leuke tijd. Europa heeft hij zelf ook bezocht; zijn dochter geeft les aan de universiteit in Londen. Wij geven hem een osame fuda en een visitekaartje.

Om in Uchiko te komen, moeten we nog een kleine vallei door, over een door de regen zompig geworden pad. Het is een stille vallei met verlaten sawa’s, omringd door bossen. We hebben allebei weer eenzelfde ervaring van helderheid, net als gisteren. In het volgende dal, vlak voor Uchiko, is een park met een grote vijver met bedelende koivissen, zwarte en witte zwanen en eenden. In een boom aan de waterkant zit een groepje witte reigers. Net als ik een foto wil nemen, schiet er een pijnscheut vanuit mijn rug naar mijn linkerbeen. Langzaam bewegend strompel ik van links naar rechts, want plotseling zien we op verschillende berghellinkjes reigerkolonies hoog in de bomen, met zowel witte als blauwe reigers. Af en toe vliegt er eentje over met nestmateriaal in de snavel.

In Uchiko zullen we in 2 verschillende ryokans verblijven, omdat het niet lukte 2 nachten achtereen te reserveren in dezelfde ryokan. De eerste ryokan blijkt een groot complex te zijn. Ook de kamer is riant en tot mijn grote vreugde zijn er ook een badkamer en een zitwc. ‘Je hebt nog niet gekeken’, probeert Mels mijn enthousiasme te temperen. ‘Maakt niet uit, ik ben wel kleine badjes gewend.’ ‘Je hebt nog niet gekeken’, zegt hij nog een keer, nu wat nadrukkelijker. Ik doe de deur open: douche en bad zijn niet te gebruiken, overal liggen van de muur gevallen of afgebikte tegels op de vloer en in het bad… Wat een sof…
Maar het avondeten is uitstekend en bovendien erg gezellig. We delen de maaltijd met 2 Japanse henro’s en een Duitse fietshenro met zijn Japanse reisgenoot. De laatste begint meteen Mels ervan te beschuldigen dat hij de ofuro leeg heeft laten lopen. Als buitenlanders zullen we dat natuurlijk wel niet weten, dat iedereen in hetzelfde water moet baden. Nu kon ‘zijn’ Duitser niet baden. Mels ontkent; nu kijkt de man beschuldigend naar mij. Maar de vrouwen- en mannen-ofuro zijn hier gescheiden en ik ben sowieso niet in het mannengedeelte geweest. Hij lijkt het nauwelijks te willen geloven…
De Duitser – violist bij het Dresdener orkest – vertelt dat hij vaak beroepsmatig in Japan is geweest en jaren geleden van de pelgrimstocht op Shikoku hoorde. Het was zijn grote wens de tocht eens te maken en hij is erg blij dit samen met zijn Japanse ‘vriend/tolk/gids’ te doen. Naar Japanse gewoonte heeft zijn gids wel de totale controle overgenomen: de Duitser wil graag na het eten nog even door Uchiko lopen, maar dat wordt hem door zijn Japanse gids niet toegestaan; morgen moet er weer worden gefietst…
De Japanse henro aan de andere zijde van mij, spreekt aardig Engels, een cursus gedaan na zijn pensionering. Hij is 70, komt uit Osaka en doet de tocht voor de vijfde maal, maar moet vanwege voetproblemen deze keer af en toe de trein nemen. ‘Naze?’, vraagt hij. ‘Waarom doen jullie deze tocht?’ Mels vertelt ons verhaal. En wat de tocht met ons doet, dat je wereld klein wordt tijdens zo’n tocht, los van de ‘normale’ wereld, los van de stress, met simpele keuzes: links of rechts?

Geplande afstand: 12,0 km, 653 m stijging
Werkelijke afstand: 14,9 km, hoogste punt 111 m, totale stijging 375 m, totale daling 336 m
Cumulatief afgelegde afstand: 843,4 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 10.36– ca. 16.45 uur
Looptijd: 3,01 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: bangai 8
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Shin Machi So (1 kamer 10 tatami’s groot met kastenwanden, 2 tafeltjes, tv en 2 grondstoeltjes, 2 halletjes waarvan 1 met wasmeubel, 1 wc, 1 badkamer die niet is te gebruiken…, uitstekend avondeten, goed ontbijt)

Dag 45: dinsdag 10 april 2012: Vissen naar ballen

Even op en neer naar bangai 7 die zich ver buiten de ‘doorgaande’ henroroute bevindt, op 653 meter hoogte: 14 kilometer heen, 14 kilometer terug. Slapen in dezelfde ryokan, dus de meeste bagage blijft in de kamer. Maar… Hide-san mailde ons dat de bangai op 812 meter hoogte staat en ons hotel bevindt zich op 21 meter… Hide-san gebruikt het Japanse routeboekje dat een stuk gedetailleerder is dan het Engelstalige (met onder meer veel meer overnachtingsplaatsen) en veel nauwkeuriger wat betreft afstanden en hoogtelijnen. Dat wordt geen makkelijke dag. Hopelijk blijft de beloofde regen uit… Er zijn 3 routes mogelijk naar de tempel: de meest oostelijke is grotendeels via de weg, de 2 andere zijn via bergpaadjes. Mels vraagt de ryokan-eigenaar naar de gesteldheid van de verschillende routes en hij adviseert de weg te nemen, de andere zijn te moeilijk. ‘Maar hij heeft de routes waarschijnlijk nog nooit zelf gelopen’, dring ik aan bij Mels. ‘Zullen we de middelste route heen doen en via de weg teruglopen? De middelste route heet de Jizo-route en Jizo is de beschermheilige, niet alleen van de gestorven kindertjes, maar ook van de wandelaars. Dus het kan nooit een verkeerde route zijn…’ We nemen de Jizo-route…

Om 10 voor 8 storten we ons in de ochtenddrukte en lopen al gauw het westen van Ōzu uit. De bergen rondom Ōzu zijn gehuld in een rozige smog, maar de temperatuur is aangenaam. Nadat we in een supermarkt wat sushi hebben gekocht voor de lunch, lopen we langs route 234 verder naar het westen door een breed dal. We komen langs een oefengolfveld, in Japan een lang 2-laags gebouw vanwaaruit je je ballen schiet naar een kunstgrasveld of… naar een vijver, omgeven door 10-tallen meters hoge netten. Deze golfcourse bestaat uit een grote vijver. Een man in een roeibootje is bezig met een visnet ballen te vangen, zijn boot ligt al aardig vol met balletjes. We maken foto’s. Achter ons stopt een auto, een man knoopt een praatje aan. Hij blijkt Rogier Uitenboogaart te kennen, de Nederlandse papierkunstenaar op Shikoku die we nog niet zo lang geleden hebben bezocht.

Naarmate route 234 zich meer en meer afsplitst en de bergen inloopt, wordt het steeds stiller. ‘Welke berg zou het zijn?’, vraag ik Mels. ‘De bergen die je ziet, zijn niet hoog genoeg. Hij moet erachter liggen’, is het antwoord. ‘Oh…’ Na 5 kilometer komen we bij het begin van het bergpaadje, dat vooralsnog bestaat uit een betonnen pad. We trekken de fleecejacks uit; het wordt steeds warmer. ‘Zal ik eens kijken hoe hoog we al zitten?’, vraagt Mels. Dat blijkt 262 meter te zijn, niet erg bemoedigend. Langs het pad zie ik kleine blauwe besjes aan een rits; ze zien eruit als donkere glaskraaltjes; nooit eerder gezien. Even verderop in een steil wandje zit een groepje kikkers te brullen in hun holletjes die werken als kleine versterkertjes. Al gauw verandert het pad in een breed grintpad, regelmatig afgewisseld met iets dat meer op een wildpaadje lijkt. Dit moet op zijn zachtst gezegd een weinig gebruikte route zijn, vaak is er helemaal geen pad te onderscheiden. We lopen regelmatig over een richeltje langs de berghelling, 1 voet breed. Af en toe voelen we een voet wegzakken en moeten we ons haasten voordat de richel intstort… ‘Ik leer hier wel omgaan met smalle richeltjes en diepe afgronden’, zegt Mels. Dat denk ik ook, met zijn hoogtevrees had hij dit, denk ik, een paar jaar geleden niet gedurfd…

Overal staan viooltjes, pastelblauw met heel soms een witte ertussen, vooral op hellingen waar is gekapt. We krijgen het warmer en warmer; het zweet gutst eruit, mijn ogen lopen regelmatig vol… Kort rusten we op een richel bij een begraafplaatsje en trekken dan weer verder. Door uitgestrekte sugi-bossen, of soms een bamboe-enclave. Overal zijn sporen te zien van vroegere bebouwing: gestapelde muurtjes, paden die half terugveroverd zijn door de natuur, ingestorte gebouwtjes, verlaten akkertjes, aangeplante boomgroepjes… Het wordt steeds stiller. In de diepte is soms nog een motorzaag te horen, soms heel erg ver weg nog wat verkeersgedruis. Nachtegalen nemen het over, en soms is er de ik-weet-niet-hoe-ik-moet-stopppen-en-wij-weten-niet-hoe-hij-heet-vogel, boven de de bossen vaak het gegok van raven en verder weg wat gekoer van duiven. Langs het pad zie ik een wat verlopen morielje. Vaak schuifelen we door een dikke bladerlaag, beducht op halfsluimerende slangen. Langs de brede, makkelijk te belopen grintpaden liggen soms lange 1 meter hoge stapels stammetjes met shiitake-mycelia. In enkele beschutte kommetjes onder de hoge sugi is enkele keren een hele verzameling gerangschikt: 1 meter lange stammetjes half schuin neergezet in lange rijen, als het soldatenleger van Xi’an, verstild, doods…

Zo’n 4 kilometer voor de tempel komen we op een asfaltweg – de weg die we ook weer naar beneden zullen nemen. Richting tempel duikt de weg eerst nog een dal in. Tja, je kunt ook niet verwachten dat de eerste berg meteen DE BERG is…, denk ik berustend, maar we zijn allebei niet blij dat we dalen; naar de tempel is het nog minstens 300 meter stijgen. Na anderhalve kilometer komen we bij het laatste traject, weer een bergpaadje. Alle 3 henroroutes naar bangai 7 komen hier samen. En het is duidelijk een goed onderhouden en veel gebruikte route. Via een makkelijk pad – we zien zelfs sporen van een motorfiets! – stijgen we gestaag. Af en toe is er midden op het pad een vreemd – groot en ondiep – gat gegraven, gevuld met regenwater en in het midden een boomknotje tot een scherpe punt afgeslepen en glad alsof er steeds weer overheen is geaaid… We hebben er geen verklaring voor. Kort voor de tempel komen we langs een klein heiligdom: een schrijntje met rode vlaggen en gordijnen en tal van beelden met rode slabbetjes en mutsjes. Heel erg mooi. Ik blijf er even zitten op een bankje en we nemen wat foto’s.

Meteen daarna – het is inmiddels half 1 – komen we bij de omheining van het tempelcomplex waar een enorm standbeeld staat van Kukai. We lopen er de henro tegen het lijf die me gisteren liet schrikken met zijn belletje. Hij vertelt dat hij route 234 helemaal heeft afgelegd naar bangai 7 en dát is 26 kilometer…

Een heleboel trappen later komen we aan bij de poort, waar een enorme sugi nog niet zo lang geleden is ingestort: op enkele 10-tallen meters hoogte zijn recente sporen te zien van de afgeknakte stam. Blijkbaar heeft de boom geen schade berokkend aan zijn omgeving, zelfs de oude, volledig begroeide klokkentoren aan de andere zijde van de trap, is ongeschonden. Nog wat trappen verder komen we bij de fraaie hoofdtempel, volgens de gps 821 meter hoog, nog hoger dan Hide-san had voorspeld. Maar de afgelegde afstand is wat korter dan verwacht, slechts 13,1 kilometer. Het uitzicht is nog steeds erg heiig; de omringende bergen staan in verschillende grijstinten achter elkaar. De bewolking is inmiddels toegenomen; de zon schijnt er nog lichtjes doorheen. Het is koud op de top. Na het uitvoeren van de rituelen, aarzelen we tussen sushi op een tochtig bankje en een onverwacht udon-restaurantje in het tempelcomplex. Het wordt soep. Maar ik wil niet te lang blijven. ‘We hebben alle tijd!’, zegt Mels. ‘Er hangt regen in de lucht’, dring ik aan. Om 2 uur vangen we de terugweg aan, het eerste traject via hetzelfde pad als de heenweg. Er is een koude wind opgestoken. Bij het kleine heiligdom hebben we allebei eenzelfde ervaring van helderheid. Een magische plek. Alsof je dwars door de dingen heen kunt zien. Ik had diezelfde ervaring 2 jaar geleden, op een pad tussen tempel 81 en 82. Mels heeft die ervaring ook verschillende malen gehad. ‘Meestal heeft het te maken met meer verbranden dan je eet’, zegt Mels nuchter… Maar het is wel mooi…

Het makkelijke pad van de heenweg is niet zo makkelijk af te dalen… Het pad is bezaaid met sugi-takken die opspringen als je erop stapt. Als je de ander niet laat struikelen op die manier, dan gebeurt het vaak jezelf… En het coniferenloof is ook erg glad. En er zijn erg veel losliggende keien. Halverwege zien we een henro zitten, mooi gekleed in traditionele kledij: witte broek en tuniek en eroverheen een lange, zwarte, tuleachtige hes, gecompleteerd met een zwarte, stoffen schoudertas, een mooie, cognackleurige, rondgebogen bamboehoed en een zwarte staf met een setje ringen bovenaan. We vragen of we hem op de foto mogen zetten. Dat is wederzijds. Hij blijkt 68 te zijn, even oud als Mels. We hadden hem 90 geschat. Wonderlijk mooi!

Daarna loop ik voorop en ren zowat naar beneden. ‘Het gaat vandaag goed met lopen, hè!’, zeggen we nog maar eens tegen elkaar. ‘Dat we dit toch allemaal kunnen!’ Al snel zijn we terug bij de asfaltweg die vanaf hier eerst omhoog, dan steeds verder omlaag loopt, door fraaie bossen. Af en toe is er een akkertje. Percelen loofbos ogen nog winters kaal. Ook nu zien we regelmatig shiitake-boomstammetjes, in lage, langgerekte stapels langs de weg (net geënt met mycelia of juist ‘uitgewerkt’), of in kleine beschutte inzinkingen schuin in het gelid gezet, waar ze pas na 2 jaar te oogsten zijn, is ons gisteren verteld. Het is een fraaie weg, die we helemaal voor ons alleen hebben. We komen geen mens (en geen auto) tegen. Grote groepen geelbloeiend koolzaad omzomen de weg. Behalve sugi zijn er opvallend veel dennenbomen.

Als de asfaltweg weer het dal induikt, zien we in de diepte de weg die we vanochtend volgden door het dal. Het begint af en toe te druppelen, maar de regen zet niet door. Enkele keren snijden we een bocht af via een paadje, maar dat is niet altijd mogelijk: eenmaal is een paadje over een betonnen wand vanwege (duidelijk!) instortingsgevaar afgesloten, een andere keer is het pad overgenomen door een uitgestrekte zandgroeve. Het laatste deel van de weg snijden we zelf af, we nemen wat andere weggetjes die rechtstreekser het dal inlopen, maar lopen vast op een spoorlijn. Enkele vrouwen roepen ons terug: naar Ōzu moeten we iets terug, via een overdekte goot langs de achtertuinen. Ook de rivier is een hindernis: we moeten iets omlopen voor een brug. En dan lopen we aan tegen de heuvel waarop het mooie kasteel van Ōzu staat. Een man helpt ons: we moeten weer wat teruglopen en hij loopt met ons mee tot we voor onze ryokan staan. ‘Hayai!’, zegt hij tegen Mels terwijl hij naar mij wijst. ‘Ze loopt wel erg snel!’ Ja, dat lukt wel vandaag. Even over half 6 zijn we bij de ryokan.

Tijdens het avondeten overwegen we het Lampionnenfestival. Maar het regent inmiddels. En we zijn toch wel erg moe… Misschien morgen… in het volgende stadje. ’s Avonds komt er af en toe wat mail binnen via een onbeveiligd wifi-signaal. Er is een mailtje van de tv director die betrokken was bij ons interview: hij laat ons weten dat het interview uit het programma is geknipt. Helaas… de scène tijdens het avondeten is nog wel te zien, maar ik geloof niet dat we daar iets (zinnigs) hebben gezegd. Helaas…

Geplande afstand: 28,0 km, 653 m stijging
Werkelijke afstand: 26,0 km, hoogste punt 821 m, totale stijging 1095 m, totale daling 1095 m
Cumulatief afgelegde afstand: 828,5 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.51– ca. 17.30 uur
Looptijd: 5,22 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: bangai 7
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Shōraku (1 kamer 8 tatami’s groot met tokonoma / kastenwand, tafeltje, kluisje en tv, lange hal, 2 binnenveranda’s met wasmeubel en hurktoilet resp. kaptafeltje, af en toe een moment onbeveiligde wifi in de kamer, matig avondeten, matig ontbijt)

Dag 44: maandag 9 april 2012: Het schimmelparadijs

Onze gastvrouw gaat ’s ochtends opnieuw met haar neus door het stof, eerst bij het ontbijt – waarbij we ook 2 grote pakken onigiri krijgen en wat muntjes om in de tempel te offeren – en later bij ons afscheid om 10 voor 9. We volgen bijna de hele dag route 56 – of wat parallelweggetjes die door gehuchtjes voeren – verder naar het noorden. Het traject is grotendeels hetzelfde als vorig jaar, maar korter (zowel aan het begin als het eind een stuk eraf). Route 56 is erg druk en de omgeving is vrij saai. Op afstand liggen geregeld lage bergruggen, als losse schapen in een weiland; typisch Japanse bergjes, zo midden op een vlakte steil omhoog reizend. Hoewel het erg koud was bij ons vertrek, wordt het gedurende de dag warmer en warmer. Al gauw lopen we te zweten en gaan er jacks uit. Mels is inmiddels ook begonnen met afbladderen, misschien is het toch de zon…

Mels heeft een terugslag; misschien gisteren iets te enthousiast gelopen? We hebben allebei last van onze ruggen, maar Mels schijnt er het meeste onder te lijden. Zijn rugzak is loodzwaar. Bij een fraaie rest hut laten we wat gewicht achter: 2 grote dozen met onigiri, een doos met sushi, wat broodjes en het (ongebruikte) kinderponchootje. We zetten er data op, in de hoop dat iemand anders het eten gaat gebruiken. Nog geen 50 meter verder, komt er een man uit een huis rennen met 2 grote citrusvruchten. ‘Ik ben blij dat je ruimte hebt gemaakt voor nieuwe dingen…’, zeg ik tegen Mels.

Na de koffie heeft Mels, zoals wel vaker, extra last van zijn knieën. Het tempo blijft uiterst laag. Praten is ook lastig, als we al naast elkaar kunnen lopen, dan kunnen we elkaar nauwelijks horen door het drukke verkeer. ‘Kijk, een chalet.’ ‘Wie is weg?’ ‘Wat?’ ‘Er is iemand weg?’ ‘Wie?’ Hopeloos… maar ja, dat zijn we onderhand wel gewend in Japan, een groot deel van de pelgrimstocht voert langs drukke wegen…

Niet ver voor een autotunnel nemen we een afslag richting pasje. Vorig jaar was onze ervaring met deze meer dan 1 kilometer lange tunnel zonder stoep bijzonder angstaanjagend en we lopen graag de 3 kilometer lange omweg over het pasje dat zo’n 165 meter hoger ligt dan de ingang van de tunnel. Eerst dalen we wat af en via wat weggetjes door een dal bereiken we het bergpaadje dat makkelijk begaanbaar is. Rond 1 uur bereiken we de pas op 474 meter hoogte. Ik hoor steeds een belletje achter me, zeg ik tegen Mels, als we weer afdalen naar het volgende dal. ‘Dat is de belvogel’, grapt hij. Ik kijk om en zie tot mijn schrik een henro – met het gebruikelijke belletjes aan rugzak of tempeltas – die blijkbaar al een tijdje probeert mij te passeren… We krijgen alledrie de slappe lach. Het pad naar beneden is niet altijd even makkelijk: enkele keren bestaat het uit een zeer steil betonnen paadje dat door coniferenloof en kiezelsteentjes erg verraderlijk is; we zijn erg blij dat het niet regent… Lange tijd lopen we over een (afwisselend geasfalteerd en ongeasfalteerd) weggetje dat eindeloos langs de berghellingen cirkelt, nauwelijks dalend. We komen er langs een groepje mensen dat boomstammetjes aan het prepareren is met mycelia van shiitake. De mannen zijn met boormachines in de weer om overal gaten te boren in de 1 meter lange boomstammetjes; de vrouwen stoppen er kleine propjes in met mycelia. Een vrolijk gezelschap dat geen bezwaar heeft tegen foto’s. Even later – en 4 enorme citrusvruchten rijker – lopen we door.

Tot slot volgt er een laatste verraderlijk betonnen paadje. En dan een volgend dal vol kersenbloesem. Bij route 56 vinden we een wegstation met diverse restaurantjes. We kiezen Woody life. Er is geen lunch meer te krijgen om kwart over 2, maar er is taart, ook goed. Een hoogbejaard echtpaar nodigt ons uit aan de bar. De man spreekt wat Engels; zij heeft de pelgrimstocht eens per auto afgelegd. De warme choco met slagroom en taartpunt met ijs en slagroom zijn verrukkelijk. Het bejaarde echtpaar neemt verse jus en een enorme schaal met wafels en ijs en vruchten. De helft ervan wordt onze kant opgeschoven. Mels ontfermt zich over de wafels, ik over het ijs… Oeffff!!! Bij een rest hut kort daarna laten we de meeste van de citrusvruchten achter bij een zwerfhenro die er ligt te slapen, naast zijn fiets met 2 grote kratten met al zijn bezittingen erin

Tot mijn verbazing zet Mels er de pas in. Ook bergop- en afwaarts was hij al snel, maar dat verbaasde me niet: ik ben altijd langzaam op hellingen, hevig zwetend naar boven, bang om te vallen naar beneden… Maar de klim heeft hem goed gedaan, misschien is het de afwisseling? Ook voor mij is een dag langs de autoweg moeizamer dan wat afwisseling met bergjes in het programma.

Zo’n 5–6 kilometer later naderen we Ozu. Naast de nieuwe snelweg staat een enorme kathedraal, in de schaduw ervan een piepklein kapelletje. Dergelijke gebouwen zijn vaak neergezet als trouwlocatie, weten we. De kathedraal oogt in de verte typisch Europees, maar mist bij nader inzien iets… Alle details ontbreken, alleen op de torens zijn lijnen te zien als van echte shingles. Alsof de hele kathedraal van karton is gemaakt. Lopend langs een riviertje komen we bij een grotere rivier waar aan de overzijde een fraai theehuisje halverwege een bebost bergje hangt; 2 jaar geleden hebben we er een bezoek aan gebracht. In Ozu lopen we kriskras door wat oude straatjes, bekend als filmlocatie. We zien bij toeval een lampionnenmaker en stappen binnen. De man spreekt Engels. We zijn allebei geïnteresseerd in lampionnen, maar ze zijn niet goedkoop: handgemaakt met ragfijn bamboe staketsel, papier erover en dan beschilderd. Mels koopt er 2, rood plastic, drinkgelegenheid staat erop.

Even na half 5 komen we aan bij onze overnachtingsplaats. In de oude wijk staat op de hoek van een kruispunt een hotel dat zo uit een film over de negentiende eeuw weggelopen zou kunnen zijn. ‘Een goedmakertje voor gisteren?’, vraag ik. ‘Kan nog tegenvallen. Je moet nooit afgaan op de buitenkant…’, antwoordt Mels. Binnen blijkt het inderdaad om een erg aftandse gelegenheid te gaan met een sjagerijnige eigenaar. Jammer, want we blijven hier 2 nachten. De kamer is ruim, maar het hurktoilet ruikt nogal en er kan niet worden gelucht. Mels trekt een yukata aan en verdwijnt naar de ofuro. Maar meteen komt hij terug: te vies. ‘De muren, het plafond, alles zit onder de schimmel. En het stinkt…’ Schimmel, dat zijn we wel gewend in de Japanse ofuro’s – ook bad, badcover en doucheslang zitten er vaak onder – maar deze keer schijnt het wel heel erg te zijn. De kleren gaan weer aan. Kort vangen we een onbeveiligd wifi-signaal op, maar het is weg voordat ik mail kan binnenhalen.

Het avondeten in de koude eetzaal is zeer matig. En vooral erg weinig. Andere henro’s zijn er niet, wel enkele zwijgzame werkmannen. ‘Misschien is de ryokan-eigenaar niet sjagerijnig, maar lijdt hij onder het leven’, suggereer ik. Ik vind hem er vooral treurig uitzien. Zijn assistent – type zwerver maar wel erg aardig, die zijn visnetten heeft uitgehangen in de eetzaal – komt ons elk nog een extra schaaltje brengen: Mels krijgt hom of kuit, ik wat aangemaakte komkommer. ‘Misschien hebben jullie nog zin het Lampionnenfestival te bezoeken?’, vraagt hij. ‘Bij het kasteel van Ozu is de sakura erg mooi!’ Misschien morgen…

Geplande afstand: 18,7 km, 300 m stijging
Werkelijke afstand: 22,0 km, hoogste punt 474 m, totale stijging 589 m, totale daling 824 m
Cumulatief afgelegde afstand: 802,5 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.49– ca. 16.35 uur
Looptijd: 5,11 uur
Gemiddelde snelheid: 4,2 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Shoraku (1 kamer 8 tatami’s groot met tokonoma / kastenwand, tafeltje, kluisje en tv, lange hal, 2 binnenveranda’s met wasmeubel en hurktoilet resp. kaptafeltje, af en toe een moment onbeveiligde wifi in de kamer, matig avondeten, zeer matig ontbijt)

Dag 43: zondag 8 april 2012: 1000 grote stinkzwammen in volle glorie

’s Nachts schiet me te binnen dat Mels een tempel is vergeten: we moeten vandaag niet 2 maar 3 tempels bezoeken, omdat we niet overnachten in het hotel waar we vorig jaar hebben geslapen – vóór tempel 43 – maar in een ryokan na de tempel. Dat betekent 3 extra kilometers inclusief een bergje op en af naar tempel 43 en vervolgens weer een bergje op en af naar het dorp waar de ryokan zich bevindt. Vorig jaar hebben we deze zeer fraaie ryokan ontdekt: middenin een mooi, oud straatje met traditionele huizen in het plaatsje Uwa. We hebben de eigenaar en onszelf toen beloofd hier zeker te gaan slapen als we weer zouden gaan lopen op Shikoku.
We vertrekken daarom niet al te laat: 21–22 kilometer voor de boeg, inclusief een behoorlijk bergtraject, en vóór 5 uur moeten we de laatste tempel hebben bezocht… Hoewel avondeten en ontbijt niet zijn inbegrepen in deze overnachtingsplaats, kregen we vorig jaar zowel ’s avonds als ’s ochtends toch wat te eten en nu hebben we daar ook op gerekend, maar er komt niets. We eten dan maar de mikans op, die we van Hideko hebben gekregen, en wat koekjes en vertrekken om half 8. Het is bar koud, ondanks de zon. Met onze hoofden diep weggedoken in onze kragen en de handen zoveel mogelijk teruggetrokken in de mouwen volgen we route 57, die langzaam stijgend tussen de bergen naar het noorden loopt. De vele kersenbomen in het dal laten hun witte bloemblaadjes vallen. In een klein stroompje drijven grote oppervlakken als wit schuim. Niet voor niets zijn de sakura het symbool voor vergankelijkheid: ze bloeien slechts 1 week (en dan staat heel Japan op zijn kop, elke avond toont de tv de bloesemgolf die van zuid naar noord over Japan trekt!); de pruimenbloesem houdt het 2 weken uit.
Het loopt lekker. Dat constateren we allebei; sinds ons gesprek 11 dagen geleden gaat het ook met Mels prima. Ik heb al lang niet meer het ‘Als je (***) iets langzamer zou lopen, dan kon ik je tenminste bijhouden…’ gehoord. Natuurlijk zijn er allerlei lichamelijke ongemakken, maar dat kan ook niet anders op zo’n tocht. Tanoshiku arukimasu! We lopen met plezier. Het plezier van een kind, het plezier om te leven!
Na zo’n 5 kilometer komen we bij de pas en dan is er het brede rivierdal waar we de eerste 2 tempels zullen vinden. Maar we maken eerst een kleine omweg naar een wegstation. Er worden net een paar setjes grote stoffen vissen omhoog getakeld; ze worden op jongensdag in mei door de grootouders geschonken aan hun kleinzoon; we zien ze wel vaker hangen, in allerlei formaten, ‘zwemmend’ op de wind. Het restaurant opent pas om 9 uur, we moeten een kwartier wachten en lopen wat over het kleine marktje dat er net wordt opgebouwd. Bij het restaurant kunnen we geen ontbijtset kopen, daarom nemen we koffie, met brood en cakejes van de markt, en gaan lekker op het terras zitten. In de zon, uit de wind is het heerlijk warm. Links en rechts schieten zwaluwen voorbij; onder de overkappingen zijn overal nestjes. De vrouw van het bloemenstalletje komt een praatje maken. We ontdekken een wifi-signaal en blijven prompt meer dan een uur hangen. Mels moet nog even naar de drukproef kijken. Als we vertrekken, krijgen we van het restaurant cakejes mee en van de buurtafel toffees.

Kort daarna komen we bij tempel 41, die ligt op een lage uitloper van de bergen. Na het uitvoeren van de rituelen, steken we de uitloper over en komen dan weer in het brede dal. Geruime tijd volgen we een weg die aan 1 of beide zijden wordt omgeven door grote vakken gele en rode tulpen. In de verte is een nieuwe snelweg te zien, nog erg rustig. Om half 12 arriveren we bij tempel 42 en na de rituelen lunchen we met wat van de markt meegebrachte sushi op een bankje tegenover het stempelkantoor. Een jonge vrouw komt aanlopen, een grote tas vol rollen over de ene schouder, een grote, zware weekendtas over de andere. Stapels stempelboeken worden gestempeld. De rollen worden na het stempelen allemaal in de zon te drogen gelegd; 15 tellen we er op het bankje bij het kantoor. De vrouw is zonder groep; we vermoeden dat de rollen en boeken voor de handel zijn bedoeld. Vorig jaar vertelde iemand ons dat gestempelde boeken en rollen aardig wat geld opbrengen. Snoeven met ongeleverde prestaties… Ook een buschauffeur komt met een grote weekendtas aanzetten, met de stempelboeken van de busgroep die ondertussen de rituelen uitvoert. Als we na de lunch nog wat zitten te dommelen, komt een autohenro-echtpaar voorbij; de vrouw duidelijk zwanger. We zagen ze ook al bij de vorige tempel, 2,6 kilometer verwijderd. Auto- of bushenro’s zijn niet per se sneller dan loophenro’s…

Vanaf de tempel lopen we verder het dal in dat aan het einde wordt geblokkeerd door een hoge, dwarsliggende bergrug. We nemen het pad over de berg; de route door tunnels lijkt sowieso verdwenen door de nieuwe snelweg die hier de bergen doorsteekt. Het pad omhoog lijkt meer op een drooggevallen beekbeddinkje; gelukkig regent het niet. De pelgrimsstaffen – die de afgelopen dagen met de sterke wind meer last dan lust waren – komen weer goed van pas. Bijna missen we het begin van het vervolgpaadje dat nog hoger de berg opgaat, maar via een steil hellinkje kunnen we er alsnog bijkomen. Het vervolg blijkt erg lastig te zijn: met een ketting trekken we ons op langs de helling; 2 andere henro’s laten we achter ons. Mels zet er steeds steviger de pas in. Dan loopt het pad een tijdlang kronkelend langs de hellingen, steeds verder stijgend. Af en toe waait er een nare geur voorbij. Ik kijk om me heen of er grote stinkzwammen staan, maar er is niets te zien. Rond 1 uur bereiken we de pas op 496 meter en als we even uit zitten te rusten in de zon, komt ook een van de andere henro’s aan. Hij geeft ons 2 dekobon, citrusvruchten die dezelfde naam dragen als de Noord-Koreaanse raket die binnenkort de lucht wordt ingeschoten, legt hij uit. We bedanken hem dat hij die helemaal de berg op heeft zitten sjouwen voor ons! Kort daarna komt de andere henro aan en geeft ons een groene en zwarte theesnoepje. We maken foto’s van elkaar bij het bordje van de pas. Daarna volgt er weer een hachelijk paadje naar beneden, ook meer lijkend op een beekbeddinkje; soms is het zelfs helemaal verdwenen en laten we ons glijden van boomwortel naar boomwortel. Bergafwaarts laten de Japanse henro’s ons weer ver achter zich. Ruggen, knieën en enkels protesteren steeds heftiger. De smerige stank wordt bij vlagen steeds erger, alsof er 1000 grote stinkzwammen in volle glorie staan te pronken. Dan herinneren we ons het destructiebedrijf dat in het volgende dal staat. Gelukkig loopt dit pad iets verder weg, het eindigt bij het einde van de meer dan 2 kilometer lange tunnel van de autosnelweg.

In het dal pauzeren we kort bij een rest hut, lekker bij een picknicktafel in de zon. Het is half 3 en het gaat spannend worden of we de laatste tempel nog gaan halen voor 5 uur – die ligt 6 kilometer verderop – en daarom breken we al snel op. Lange tijd lopen we langs route 29 verder naar het noordwesten; het laatste stuk tot aan de tempel is via allerlei kleine weggetjes die dan weer links dan weer rechts van de nieuwe snelweg cirkelen. Nog weer even een hellinkje op en dan zijn we even voor half 5 bij tempel 43, een complex met fraaie gebouwtjes, gelegen in de omarming van een kleine bergrug. De laatste meters voor de tempel lift er een zwarte vlinder met blauwe randjes mee op mijn rugzak. Zekerheidshalve gaan we eerst naar het stempelkantoor en voeren daarna de rituelen uit. Kort daarna komen ook de andere Japanse loophenro’s aan. Wij nemen een pad dat nog iets verder de berg achter de tempel oploopt en na het pasje op 310 meter komen we in het dal waar het plaatsje Uwa ligt. We dalen af in een zee van kersenbloesem. Even later zijn we al in het fraaie, oude straatje waar onze ryokan zich bevindt. De ryokan-eigenaar staat buiten bij de poort die toegang geeft tot de zeer fraaie tuin met oude waterput. Of hij ons op de foto mag zetten? Uiteraard. Hij lijkt wat verbaasd te kijken als we zeggen dat we vannacht in zijn ryokan slapen, maar gaat ons voor door de tuin naar de erachter gelegen ryokan.

‘Er is iets mis. De reservering klopt niet’, zeg ik tegen Mels als het ryokan-echtpaar druk pratend verdwijnt achter een deur. ‘Welnee, ik weet zeker dat het klopt’, zegt Mels geruststellend. Wij doen alvast de rugzak af en trekken onze schoenen uit. Maar als ze even later terugkomen, blijkt er inderdaad geen reservering te zijn. Mels pakt zijn planningsschema erbij: ryokan Matsuchi Ya is geboekt. ‘Maar dit is ryokan Matsu Ya…’, legt de eigenaar uit. We staan er allemaal beteuterd bij, ook het aardige ryokan-echtpaar. Er zit niets anders op dan onze rugzakken weer om te gespen en onze schoenen weer aan te trekken. Elders zit een ryokan met eten op ons te wachten… Teleurgesteld druipen we af. ‘Misschien volgend jaar?’, zegt de ryokan-eigenaar nog. ‘Ach, we gaan gewoon nog een keer’, probeer ik Mels te troosten… We nemen nog wat foto’s van het mooie oude straatje en lopen dan het moderne deel van Uwa in waar we op minder dan een kilometer afstand de ryokan voor de komende nacht vinden. De ontvangst is uiterst hartelijk, de ryokan goed verzorgd en ook het avondeten is prima. We zijn de enige gasten en eten in een mooie kamer. De gastvrouw – die voortdurend de neiging heeft op de knieën te vallen met de neus op de grond en ook het hoogstbeleefde Japans bezigt dat Mels met moeite kan verstaan… – vraagt of we zin hebben om het Lampionnenfestival te bezoeken. In de ryokan hangen posters met het oude straatje, feeëriek verlicht met lampionnen. Een uitje, dat lijkt me wel wat, en ik trek nog wat bladders van mijn gezicht. Maar dit festival blijkt zich in een park af te spelen, buiten het stadje. We gooien er nog wat extra kilometers tegenaan. Door de donkere straten – Mels gewapend met zaklantaarntje en rood flikkerende armband – lopen we naar de heuvel aan de noordkant van het station. Aan de hemel prijken de eerste sterren. Het uitgestrekte park ligt op een heuvel en staat vol met bloeiende kersenbomen. Overal langs de paden zijn lampionnen opgehangen. Hier en daar zitten gezinnetjes op een zeiltje onder een boom te picknicken. Vriendenclubjes en verliefde stelletjes zitten op de stenen trappen. De kersenbloesem licht wit op in het donker. Lichtjes weerspiegelen in de grote vijver. Sprookjesachtig mooi!

Geplande afstand: 21,2 km, 500 m stijging
Werkelijke afstand: 25,4 km (incl. afstand naar volgende ryokan, excl. Lampionnenfestival), hoogste punt 496 m, totale stijging 947 m, totale daling 731 m
Cumulatief afgelegde afstand: 780,5 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.28– ca. 17.15 uur
Looptijd: 5,10 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: tempel 41, 42, 43
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Matsuchi Ya (1 kamer 7,5 tatami’s groot met halletje / kastenwand, tafeltje en tv, goed avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 42: zaterdag 7 april 2012: Blowing in the wind

We ontbijten met Peter, Paul & Mary. Jeugdherinneringen herleven. Daarna maken we nog even snel gebruik van de internetverbinding, nog even de tweede drukproef van KLEI… En er zijn enkele ongeruste e-mailtjes uit Nederland: of alles wel goed gaat; blijkbaar is de lichte tyfoon in Japan nieuws geweest op de Nederlandse televisie. Ook Hide-san was bang dat ons iets was overkomen toen hij na 31 maart de blog niet meer bijgewerkt zag; hij is alle overnachtingsplaatsen gaan afbellen die we de eerste week van april hadden gepland. Uiteindelijk kwam hij erachter dat we met een vriendin waren meegegaan. Het is erg vervelend dat we soms gedurende zo’n lange periode geen internetverbinding kunnen vinden (deze keer zelfs een week lang); vorig jaar met de Samsung konden we veel makkelijker een wifi-signaal opvangen dan nu met de Apple. Hide-san heeft ook uitgezocht wanneer wij op tv komen: 17 april om 19.30 uur op kanaal BS-PREMIUM (BS-3) in het half uur durende programma Kokoro to Karada no mitasareru toki, oftewel When heart and body are satisfied, met het beroemde fotomodel Moe Oshikiri. We gaan zeker kijken, hoewel we waarschijnlijk geen idee hebben wat er gezegd wordt… Alles wordt in het Japans nagesynchroniseerd…

Kouichi toont op de computer foto’s van zijn mooie dochter bij een miss yukata-verkiezing en van zijn muziekband van de highschool, die een paar jaar geleden voor een reünie bijeenkwam in zijn ‘experimenteerhuisje’, een oud huisje langs de rivier waar hij ongestoord muziek kan maken; toevallig kwamen we er gisteren langs, de houten brug – 2 planken breed en de enige toegangsweg – inmiddels grotendeels ingestort. Kouichi maakt nog enkele reserveringen voor ons en tracteert ons op koffie. En dan moeten we echt toch eindelijk eens weg… Bij het afscheid geeft hij Mels een Japans-/Engelstalig boek met soetra’s, iets waar Mels erg in geïnteresseerd is; het extra gewicht in de rugzak neemt hij op de koop toe.

Het is bewolkt en tamelijk koud als we vertrekken. Mels zet voor de zekerheid mijn petje op dat zodanig in de was is gekrompen dat het niet meer op mijn haardos past. Voorgaande jaren zijn we de hele dag route 56 blijven volgen, maar deze keer willen we na enkele kilometers een bergpad nemen in plaats van een 1710 meter lange tunnel. We hebben pas 2 kilometer afgelegd, als Mels voorstelt bij een koffiehuis aan te leggen, wetend dat we meteen erna de bergen in zullen trekken. We worden enthousiast ontvangen; dat we pas 2 kilometer hebben afgelegd, wordt ons meteen vergeven. Een andere gast betaalt de (Hollandse!) koffie en de gastheer komt met fotoboeken van werkzaamheden aan de bergroute waaraan hij in 2007 heeft meegewerkt: een nieuwe slaaphut met wc aan het begin van het pad en een rest hut met een schrijntje en een waterput bij het hoogste punt van de route, en ook talloze verbeteringen aan het pad zelf. Als we vertrekken, geeft hij ons een handvol snoepjes en wuift ons uit. Het begin van het bergpad is net voor de lange tunnel. Het blijkt een makkelijk begaanbaar pad te zijn – hoewel enkele gedeelten moeilijk zullen zijn met regen – en het loopt door fraaie bossen; eenmaal waden we door hoge varenbossen die links en rechts op de hellingen ver boven ons uitsteken. Langs het pad zien we wroetsporen van wilde zwijnen. De temperatuur is aangenaam door de beschutting van de bossen. Al snel dalen we weer af en komen in een mooie vallei met talloze moerasjes, verlaten sawa’s die weer zijn ingenomen door de natuur. De vallei is omringd door berghellingen met gemengd bos dat hier en daar zacht bruinrood ziet van de inmiddels bijna uitgebloeide pruimenbomen. Het doet me denken aan de krentenbomen in de bossen bij Dwingeloo, het landschap van mijn jeugd: de witte bloesem vermengd met het ontluikende teer bruinrode blad. Het is dit weekend Pasen las ik in enkele mailtjes; de tijd van de krentenbloesem.

Eenmaal weer in de buurt van route 56 nemen we een parallelweggetje langs een riviertje, maar keren voor de lunch terug naar de grote weg. We leggen aan bij Joyfull, waar frietjes en ijs zijn te krijgen. Net als bij de koffiepauze, maak ik ook nu gebruik van de gelegenheid om even wat aan het dagboek te werken; ik loop enkele dagen achter… Mels valt in slaap. Pas om half 3 stappen we op. De steeds hardere tegenwind langs route 56 is erg koud. Langzaam lopen we Uwajima in, een wat grotere stad. We verdwijnen in een wirwar aan kleine straatjes. Bij een winkel in vissersbenodigdheden informeren we nog maar eens naar een regenzak voor Mels’ rugzak; pas als we een sportzaak zien, hebben we meer geluk: hier is wel een (goed passende!) regenzak te koop. Tegen half 5 komen we aan bij bangai 6, die op een heuvel in de stad is gelegen. Vanaf het tempelcomplex is er een mooi uitzicht, niet alleen op talloze kersenbloesems, maar ook op het fraaie kasteel van Uwajima op de tegenoverliggende heuvel. Kort na het tempelbezoek leggen we aan bij een restaurant achter een groot warenhuis, omdat er bij onze overnachtingsplaats geen eten is inbegrepen. Rond 6 uur arriveren we bij de zeer aardige, licht spastische jongeman die het gastenverbijf beheert, waar we vorig jaar ook al verbleven. Even later staat zijn vader – zijn ouders wonen naast het gastenverblijf – met een dienblad met eten voor onze neus. Osettai! Er kan nog wel wat bij…

Geplande afstand: 17,1 km, 200 m stijging
Werkelijke afstand: 20,3 km, hoogste punt 231 m, totale stijging 601 m, totale daling 581 m
Cumulatief afgelegde afstand: 755,1 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.27– ca. 18.00 uur
Looptijd: 4,27 uur
Gemiddelde snelheid: 4,6 km/u
Bezochte tempels: bangai 6
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: Henro yado Moyai (2 kamers elk 6 tatami’s groot, elk met 1 rotan stoel, tafeltje en tv, geen avondeten, geen ontbijt)

Dag 41: vrijdag 6 april 2012: Shocking blue penis

Het is moeilijk afscheid nemen. Na een heerlijke nacht op lekkere dikke futons – een groot verschil met de flinterdunne matjes waar we de laatste tijd meestal op moesten slapen – is er een zeer overvloedig ontbijt. En dan nog groene thee met zoetebonengebakjes. Mels vertelt Hideko over mijn ziekte; het is dit jaar voor het eerst dat hij er in Japan vrijelijk over kan praten, maar het emotioneert hem wel, hij schiet vol. Hideko geeft ons een geluks-/blijdschapsbrengende fukuro (uil) van mooi ingelegd houtsnijwerk. Wij geven een klein Delftsblauw potje. Na nog wat foto’s in de tuin, brengen ze ons met de auto terug naar tempel 40 om de pelgrimsroute weer op te kunnen pikken. We omarmen elkaar en wrijven over elkaars rug. Zij dringen aan dat we volgend jaar weer bij hen langskomen en wij bezweren ze ook eens naar Nederland of Frankrijk te komen. Een straatlengte lang worden we uitgezwaaid. We zijn net iets verder dan de hoek om, als er een auto voor ons stopt: Hideko springt eruit, met 2 mikans (een soort sinaasappels) in de hand; we hadden ze laten liggen op de achterbank. Nogmaals afscheid. Dan zetten we de pas erin; het is al 10 voor 9 en we hebben zo’n 25 kilometer voor de boeg, eenzelfde traject als vorig jaar. De zon schijnt, maar de (tegen)wind is weer aangewakkerd en erg koud. We volgen route 56 die hier in het westen van Shikoku afbuigt naar het noorden. Aanvankelijk voert de weg door het binnenland. Op een sawa is een boer bezig met het machinaal planten van rijstplantjes. We passeren weer een schuur met 10-tallen huiden van everzwijnen; vorig jaar hingen ze er ook al, deels gespannen rond houten blokken alsof ze als een soort karikaturen opgezet zijn. Later kronkelt de weg op zo’n 30 meter hoogte langs de bergachtige kust. Het eerste restaurantje aan zee waar we voorbij komen, gaat net open. Tijd voor koffie en plassen; we hebben er inmiddels bijna 2 uur opzitten. In zee steken enkele rotsen uit, als 3 grote haaienvinnen op een rij; erachter is vaag een groter eiland te zien. Op de azuurblauwe zee zijn overal kleine, witte schuimkopjes. Kyushu, het eiland ten zuiden van Honshu, dat we na onze pelgrimstocht nog zullen bezoeken, is vaag in de verte te zien.

Vanwege ons late vertrek ’s ochtends zitten we wat krap in de tijd en daarom kiezen we – net als voorgaande jaren – ervoor route 56 te blijven volgen door diverse tunnels, in plaats van een paadje te nemen dat over de bergen loopt met als hoogste pas zo’n 500 meter. Tegen 1 uur komen we bij een uitgestrekt landschapspark. In een meertje vliegen enkele grijsgekopte aalscholvers op; bij een meertje verderop zitten 10-tallen kleine schildpadden te zonnebaden op de betonnen rand. Wij leggen aan bij de onsen tegenover het park, waar we een uitstekend restaurant weten. Kort na de lunch doorkruisen we via een tunnel een smal, langgerekt schiereiland dat zich ver naar het westen uitrekt.
Een parallelweggetje voert ons door schilderachtige kustplaatsjes vol parelkwekerijen. Langs de langwerpige baai zijn rijen houten huisjes op lange palen half in zee gebouwd. Op het wateroppervlak drijven uitgestrekte pontons met kleine barakjes erop. Metalen rekken zijn in het water uitgezet met oesters ertussen of liggen op de kades te wachten op grote stapels, net als grote bergen boeien. Vorig jaar zagen we overal op het water grote en kleine stukken piepschuim drijven, grote oppervlakken waren wit bedekt; nu lijkt het te zijn opgeruimd.
Dan buigt route 56 weer het binnenland in. De berghellingen zijn bedekt met fraaie gemengde bossen, overal gemêleerd met witte en rose bloesem. Een (laatste) fietstunnel later rusten we kort in een rest hut in een parkje. In de vijver bedelen koivissen; op het betonnen trapje zitten witte eenden toe te kijken. De wind lijkt in en na de laatste tunnel wat minder; het is lekker warm in de paar zonnestralen die we tussen de bergen nog op kunnen vangen. Maar als we verder trekken, neemt de (tegen)wind weer zienderogen toe. Lange tijd lopen we via parallelweggetjes langs rivieren omzoomd door rijen kersenbloesems. In de betonnen rivierbeddingen staan uitgestrekte rietvelden; 2 mannen zijn met bosmaaiers bezig riet te maaien. Het is al 5 uur geweest als we komen bij een schilderachtig gehucht dat zich uitstrekt langs een brede rivier en kort daarna bereiken we onze ryokan.

Vandaag hebben we een mijlpaal bereikt: we zitten op de helft van onze pelgrimstocht – uitgaande van de geplande kilometers. In de spiegel van de ofuro bewonderen we onze hoofden: Mels’s schedeldak is aardig roodverbrand; hij kon de afgelopen dagen vanwege de sterke wind zijn hoedje niet dragen. Ikzelf zie er ook wat vreemd uit: in de ofuro heb ik zeep uit een tube op mijn gezicht gesmeerd, denkend dat het gezichtscème was; de uren daarna zag mijn gezicht er nogal strakgetrokken uit, vandaag was het meer gevoelloos en opgezwollen. De bodysoap van deze ryokan doet er nog een schepje bovenop: de soap brandt rond mijn lippen en even later zwellen ze op alsof er een botoxbehandeling heeft plaatsgevonden. Het ongevraagde facelifteffect is nogal kortstondig: hier en daar begint het wat te bladderen…
‘Beer?’, vraagt Kouichi Sakamoto, de 56-jarige, iets Engelssprekende ryokan-eigenaar, als we binnenkomen in de eetzaal. We zijn – net als vorig jaar – de enige gasten. Hij komt weer gezellig een biertje meedrinken en zet video’s op van Oscar Peterson en Miles Davis: ‘Al die Japanse henro’s die hier komen, houden niet van die muziek. Jullie gelukkig wel. De beste avond van het jaar!’ Kouichi houdt vooral van jaren 60- en 70-muziek, ‘zoals Penis van Shocking Blue’ en hij verontschuldigt zich voor het feit dat Japanners de V niet uit kunnen spreken… Ja, ja… Later vertelt Kouichi over zijn 25-jarige dochter die productontwerpster is in Kyoto en toont 2 van haar ontwerpen: gehaakte slippers compleet met haakpatroon, en een displaytje van een draak gemaakt van stof. Het laatste doet hij cadeau. Sinds de scheiding ziet hij zijn dochter slechts 2x per jaar, tot zijn grote verdriet. In juni komt ze weer, voor 5 dagen. Het verhaal grijpt Mels aan; tranen.

Geplande afstand: 24,7 km, 100 m stijging
Werkelijke afstand: 27,9 km, totale stijging ca. 523 m, totale daling 543 m
Cumulatief afgelegde afstand: 734,8 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.44– ca. 17.30 uur
Looptijd: 5,45 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Yoshino Ya (1 kamer ca. 5 tatami’s groot en 1 kamer 6 tatami’s groot met tafeltje, tv, internet via kabeltje in eetzaal, goed avondeten, goed ontbijt)

Dag 40: donderdag 5 april 2012: Verleidingen langs het pelgrimspad

We hebben om 12 uur afgesproken met Hideko, bij een wegstation aan de andere kant van de rivier waar tempel 40 zich bevindt. En als we om 10 voor 9 vertrekken van de minshuku, maken we meteen aardig tempo, want we willen niet te laat komen, ook al hebben we maar 11 kilometer af te leggen en 1 tempel te bezoeken. Toch besluiten we – in tegenstelling tot voorgaande jaren – niet route 56 weer op te pikken richting westen, maar een parallelweggetje te nemen. Na enkele kilometers zien we echter een provisorisch bord naar rechts. We aarzelen, want die richting wordt niet aangegeven in ons routeboekje en we hebben inmiddels de ervaring dat restaurants wel eens een route willen ‘verleggen’ zodat de loophenro bij hen komt aanleggen, en ook omwonenden die een henro rest hut hebben ingericht of zelf graag bezoek willen hebben, verdenken we er wel eens van routebordjes te verwijderen of te verplaatsen… Toch besluiten we op de verleiding in te gaan in de hoop dat we niet al te ver afdwalen… Na enkele kleine weggetjes blijkt dat we de bergen in gaan. Bergpaadjes brengen ons hoger en hoger; hier en daar ondersteund door enthousiaste bordjes met rest 0.89 ml en mannetje/vrouwtje-wc-aanduiding. Zou er een restaurant komen? ‘Ik hoop dat ze goede koffie hebben’, grom ik tegen Mels, als we de zoveelste helling opgaan. Het is inmiddels aardig warm; de wind is een stuk zwakker dan gisteren. Op een haast Europees aandoende hoogvlakte komen we door een gehucht; 2 vrouwen, die zitten te keuvelen aan de kant van de weg, zwaaien ons toe: ‘Nog 50 meter, dan is het aan de rechterkant!’ Het blijkt geen restaurant, maar een degelijke rest hut met erachter superdeluxe toiletten: een wc-deksel dat omhoog gaat zodra je de deur opendoet, doortrekgeluiden als je het wc-papier aanraakt etc. etc. We nemen warme Van Houten cocoa uit de automaat even verderop, een goed alternatief voor de niet zo lekkere warme (of koude) blikjeskoffie, dat we pas kort geleden hebben ontdekt. In de rest hut staat uitnodigend een heel groepje fraaie bamboe pelgrimsstaffen, maar ik blijf mijn eigen staf trouw. Een aanduiding in de hut geeft aan dat we al op de helft van ons geplande traject zitten. Dat valt ons erg mee, want we waren bang dat we erg naar het noorden waren afgedwaald met deze omleiding. Blijkbaar is deze omleiding korter en niet langer dan de officiële route. ‘Als je haast hebt, maak dan een omweg…’

Als we weer zijn afgedaald naar een breed rivierdal, komen we door een mooi oud dorp. Dan volgen we een pad langs de rivier (met alweer een rest hut met toiletgebouw) en komen we al snel bij tempel 40 aan. Na het uitvoeren van de rituelen, keren we terug naar de rivier, waar aan de andere zijde het wegstation is waar we hebben afgesproken. Net voor 12 uur komen we aanlopen. Al van verre zien we Hideko op en neer springen. Fumi o, haar echtgenoot is er ook. Eerst gaan we lunchen bij het restaurant tegenover het wegstation; de 67-jarige Hideko rent als een jong meisje de trappen op naar de ingang. We worden ontvangen door de eigenaresse die ons trots rondleidt langs haar keramiekverzameling. Na de lunch hebben Hideko en Fumi o een toeristische middag bedacht. We gaan naar een uitzichtspunt op een bergje vlakbij, waar zich ook een museum en een grote mast bevinden. Het museum herbergt een gevechtsvliegtuig dat in 1945 werd neergeschoten boven zee, vlak voor de kust. In 1977 werd het uit het water opgetakeld en geconserveerd. Aan de muur hangen foto’s van de vliegeniers: foto’s van hun jeugd, van hun gezinnetje, jonge mannen met dromen die werden geofferd voor de dromen van andere mannen. Buiten hebben we een mooi uitzicht over de zee met haar talloze inhammen, en het achterland met berghellingen vol met roze en witte bloesemwolken. Fumi o legt uit dat de rijen boeien in de zee viskwekerijen zijn. We lopen nog iets verder omhoog naar de grote mast. ‘Dat wordt klimmen!’, zegt Mels enthousiast. Maar rond de mast blijkt een ringvormige panorama-lift op en neer te gaan. Op stoeltjes laten we het landschap aan ons voorbij trekken. De ringvormige cabine draait voortdurend om de mast, terwijl we omhoog en later weer omlaag gaan. We boffen, het uitzicht is geweldig met dit mooie, zonnige weer. Aan de voet van de mast blijkt een piepkleine dierentuin met kippen, fazanten en kleine aapjes uit het Amazonegebied.

Na wat gerust te hebben in hun huis – met fraaie, gemillimeterde tuin; de hobby van Fumi o, 70 jaar en gepensioneerd leraar – bezoeken Fumi o, Mels en ik een onsen, een Japanse spa: een erg mooi traditioneel gebouw dat fraai gelegen is in de bergen. Een schitterende omgeving! Bij het avondeten heeft Hideko een high schoolboy uitgenodigd: Syogo Miyamoto, 15 jaar oud, met de nobele taak de nodige vertalingen te doen, want Hideko spreekt nagenoeg geen Engels en haar man al helemaal niet. We krijgen nu ook eens uitgelegd wat Japanners met ‘Fight, fight!’ bedoelen, iets wat wel eens tegen ons wordt geroepen. Het blijkt een aanmoeding te zijn, zoiets als ‘Ga ervoor!’, niet een uitdaging tot een gevecht. Na een uitgebreide Japanse fondue (vlees, vis en groenten in kokend water; daarna dopen in een sausje van sojasaus met een soort citroensap en geraspte daikon, een soort reuzenradijs), is er fruit en dan nog koffie met gebakjes. We klappen zowat uit elkaar. Hideko barst spontaan uit in de hartsoetra en Syogo en wij vallen enthousiast in; Fumi o kijkt het wat gelaten aan. Tot slot zingt Hideko – net als een jaar geleden – een lied over Kukai, dat op Kōya-san ten gehore wordt gebracht tijdens een concours. En dan is het kwart over 9: bedtijd.

Geplande afstand: 10,9 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 11,5 km, totale stijging ca. 385 m, totale daling 474 m
Cumulatief afgelegde afstand: 706,9 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.46– ca. 12.00 uur
Looptijd: 2,18 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u
Bezochte tempels: tempel 40
Blaren: 1 (verder gegroeid)
Overnachting: huis Hideko en Fumi o Fujita, meer dan uitstekend avondeten, meer dan uitstekend ontbijt)

Dag 39: woensdag 4 april 2012: Achter gindse kersenbloesem

’s Nachts steunt en kreunt de ryokan onder al het orkaangeweld. Ik slaap nauwelijks. Om 9 uur vertrekken we. Allebei zijn we nog erg moe van de lange tocht van gisteren en het tempo is niet al te hoog. De wind is nog steeds erg sterk en tegen. Maar de temperatuur is lekker. We volgen route 56 naar het westen. Al korte tijd later komen we bij tempel 39 die baadt in de kersenbloesems. Na het uitvoeren van de rituelen volgen we een mooi en makkelijk bergpaadje, onder meer door een bamboebos. Dan vervolgen we onze weg weer via route 56, steeds verder naar het westen. In enkele zeer ondiepe watertjes met waterhyacinten (verlaten natte sawa’s?) zwemmen salamanders en kleine visjes. Na 4 kilometer komen we langs een koffietentje, maar Mels wil liever wachten tot we in Sukumo aankomen, een stadje waar wellicht kans op wifi is. Maar Sukumo bereiken we pas tegen 12 uur en koffietijd is dan al lang voorbij. Na wat omzwervingen vinden we wel een lunchrestaurant, maar wifi is er niet bij.  Bij het weggaan vragen we of er wellicht een kampeer- of outdoorwinkel in de buurt is, want we zullen zo snel mogelijk de regenzak van Mels’ rugzak moeten zien te vervangen. Er komt net een vrouw binnen en zij biedt spontaan aan ons met de auto naar een zaak te brengen. In een warenhuis vinden we een kinderponchootje, dat mogelijk met tape tot een regenzak is om te bouwen, en 2 kleine pluutjes, maar bij de bouwmarkt ernaast vangen we bot. Ik verwacht ook niet dat er gespecialiseerde zaken zijn in dergelijke kleine steden. We besluiten de route weer op te pakken en door te lopen. Korte tijd later laten we de stad weer achter ons.

Het geheugen is een vreemd wezen. In ons beider herinnering was de tocht over de 2 bergjes vorig jaar niet al te moeilijk en van het eerste jaar herinneren we ons allebei de korte rust in het dal tussen beide bergjes in, op wat kratjes bij een fruitteler; we kregen toen voor het eerst buntans aangeboden. Maar de loods met kratjes ernaast blijkt pas in het derde of vierde (we raken de tel kwijt) dalletje te zijn. Zoveel dalletjes, zoveel bergjes??? En die helling met fruitbomen waar we zo schrokken van de harde knallen (gemaakt met butagasflessen) die bedoeld waren als vogelverschrikker, die blijkt op meerdere bergjes voor te komen. Eindeloos duurt de tocht deze keer… Af en toe vraag ik me af of we wel goed zijn gelopen, is dit dezelfde weg als vorig jaar? Maar ik herken de boom met de tientallen over elkaar kronkelende boomwortels die het pad hebben ingenomen. En het bankje vlak voor de pas staat er ook, met ernaast het kleine weitje met 3 – nu in bloei staande – kersenbomen, en ook de pas zelf, met de gevorkte splitsing, waarvan we ons elke keer weer afvragen of we nu links of rechts moeten… Vorig jaar waren de dagtochten in onze beleving (bijna) altijd makkelijker en korter dan tijdens de eerste looptocht; nu, gedurende onze derde pelgrimsreis is dat nogal wisselend: de ene keer valt het mee, maar vaak lijkt het juist langer…

Na de pas is er een makkelijk, langzaam dalend pad naar het volgende dal. Daarna blijven we de weg volgen; we verwachten nu elk moment onze ryokan te kunnen zien. Een paar maal vragen we of we goed zitten: een man in een pick-up zegt: ‘Bij de stoplichten linksaf.’ Stoplichten? Hier? In the middle of nowhere??? Een paar kilometer later klampen we een man aan die in zijn tuin staat te werken; hij heeft een lang verhaal over ‘iedere keer rechtdoor’ en ‘achter gindse kersenbloesem’. Welke kersenbloesem? Overal staan kersenbloesems! Langs wegen en straten staan hele rijen. Berghellingen zien wit, rose en zacht bruinrood van de bloesem. Bijne elke tuin herbergt een grote kersenbloesem. We lopen eindeloos door, tot we in een dorpje komen. Met een stoplicht. Even later zijn we bij de ryokan.

We worden door de hartelijke gastvrouw met groene thee ontvangen in de eetzaal met tafels en stoelen. Ze is gewend buitenlanders te ontvangen, hoewel ze niet altijd makkelijk zijn, vertelt ze: vorig jaar was er een Canadees die geen Japans voedsel lustte. Dat lijkt me heel erg lastig, zowel voor hemzelf als voor de gastvrouw. We zijn de enige gasten. Bij het avondeten converseert Mels (bijna) moeiteloos in het Japans met de gastvrouw. We eten onze buik rond en met zulke enthousiaste eters maakt onze gastvrouw nog een portie licht gebakken vispastei. We vragen of ze iemand voor ons wil opbellen: Hideko Fujita, de zingende henro die we vorig jaar ontmoetten en die vlak in de buurt moet wonen. Als we haar aan de lijn hebben, barst ze zowat uit elkaar van vreugde. Binnen het kwartier staat ze met de auto voor. Ze slaat me de longen zowat uit mijn lijf van plezier. We moeten onze reservering voor de volgende nacht cancellen en bij haar slapen. Morgen pikt ze ons op na ons tempelbezoek. We hebben met opzet een korte dagtocht gepland, slechts 11 kilometer. De ryokan-eigenaresse belt bereidwillig onze reservering af bij de volgende overnachtingsplaats en serveert groene thee. Op de televisie zijn weer beelden te zien van de storm die over het land trekt.

Geplande afstand: 19,3 km, 350 m stijging
Werkelijke afstand: 21,7 km (incl. 1 km met auto), hoogste punt 299 m, totale stijging ca.827 m, max. helling 32%, totale daling 670 m (deels schattingen; gps heeft tijdlang niet gewerkt)
Cumulatief afgelegde afstand: 695,4 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.04– ca. 17.10 uur
Looptijd: ?
Gemiddelde snelheid: ?
Bezochte tempels: tempel 39
Blaren: 1 (verder gegroeid)
Overnachting: minshuku Omori Ya (1 kamer 6 tatami’s groot met fraaie tokonoma/kastenwand, verwarmd tafeltje, tv, goed avondeten, goed ontbijt)

Dag 38: dinsdag 3 april 2012: Koffie?

Onze gastvrouw adviseert route 21 op onze tocht door het binnenland richting tempel 39. Die is wel wat langer dan een andere weg, maar gaat minder over de bergen heen. Alle gasten krijgen van haar een plastic tasje met onigiri, banaan, yakult, koekjes en snoep. Wij zijn er blij mee, want op weg naar de ryokan 3 kilometer voor tempel 39 verwachten we geen restaurants of supermarkten tegen te komen en het is een erg lange tocht: zo’n 30 kilometer. In zee is slechts vaag het donkergrijze silhouet van een kaap te zien. Met de wind valt het nog wel mee, maar al sinds half 5 hoost het. De wereld is weer grijs. Een flits en een klap… om kwart voor 7 begint het te onweren, minder dan 2 kilometer verwijderd, nog voordat we de deur uit zijn… Toch nog maar even wachten… We staren naar de regen buiten. In zee zitten op een rots wat verregende aalscholvers. Een zwaluw is druk bezig een nestje onder het dak van de ryokan te fourageren. ‘Als het onweer blijft aanhouden, bel ik een taxi’, suggereert Mels. ‘Dat hoeft niet… Vorig jaar bracht de ryokan-eigenaresse enkele gasten naar tempel 39. Als wij vragen om te worden gebracht, zal ze dat ook doen…’, antwoord ik. Maar na de derde klap blijft het stil en om half 8 stappen we goed ingepakt tegen de regen naar buiten; de gastvrouw zwaait ons uit, een paar Hollandse klompjes in haar hand. De wind is nog niet sterk, maar komt wel van alle kanten en mijn armzalige parapluutje begeeft het bijna meteen; ook die van Mels raakt wat geknakt. Mijn capuchon heeft de neiging steeds opnieuw via mijn linkeroog af te wateren. Grote hoeveelheden water stromen over de stoep. We zwoegen voort, weer naar het noorden langs route 321, dezelfde kustweg waarlangs we 3 dagen geleden naar het zuiden gingen. Tweemaal is er toch weer een donderslag en kort daarop een lichtflits en schuilen we onder een carport, dan blijft het definitief stil. Maar het lijkt wel of er steeds meer kranen worden opengezet. Bij de karaokebar waar we 3 dagen geleden zo genoten, slaan we weer het binnenland in en via een smal weggetje langs een rivier komen we op route 21 die ons verder naar het westen voert. In de natte sawa’s klinken 1000-en rateltjes, in alle toonaarden. In de stromende regen is een boer aan het ploegen. De weg versmalt steeds meer en klimt heel lichtjes maar gestaag een rivierdal in met rondom steeds hoger wordende, donkerbeboste berghellingen. In de diepte kronkelt een brede rivier, diep groenblauw als de regen niet een donkermat timbre eroverheen zou leggen. Slechts af en toe passeert er een auto. Felrode krabbetjes lopen over het asfalt, soms is er een salamander of een wegspringende kikker; ook zijn er weer de reuzenregenwormen. Na zo’n 10 kilometer komen we voorbij bouwwerkzaamheden: een beekdalletje wordt met een dam afgezet. Wij schuilen even onder het smalle afdakje van de bouwkeet en eten staand snel een banaan en wat koekjes op.

Uur na uur rijgt zich aaneen. Het lopen lijkt een trance; nog een paar zintuigen alert om struikelen te voorkomen en aanstormende auto’s op te merken. Steeds meer kranen worden opengezet. Met emmers tegelijk komt de regen naar beneden. Langs de berghellingen zijn overal stroompjes, vaak met fraaie watervalletjes. Soms heeft een waterloop de weg overgenomen en moeten we door het snelstromende water waden. Vanonder de capuchons zien we vaag een indrukwekkend mooi berglandschap voorbij trekken; de grote rivier steeds in de diepte. Mijn windjack en regenbroek lekken na enige tijd behoorlijk door. Tegen deze felle regen is niets bestand. Af en toe haal ik de grote plastic zak om mijn pelgrimstas los en laat het water dat zich onderin heeft verzameld er even uit lopen; ook de regenzak rond Mels’ rugzak blijkt een waterverzamelaar. Dan, rond een uur of 11, worden plotseling de kranen een voor een dichtgedraaid en korte tijd later is het al droog. De weg daalt langzaam naar de rivier. In het zich verbredende dal kruisen weg en sterk kronkelende rivier elkaar vele malen. Af en toe zijn er wat huizen. Bij een hutje naast de weg staat een man ons te wenken. Het blijkt een rest hut voor henro’s, gemaakt van bamboestammen en blauw zeil, bij de inrit naar zijn huis. Op tafel staat een kratje met koffie, thee, koekjes, chocolaatjes en instantsoep, met ernaast een elektrische waterkoker. Een koelkastje herbergt blikjes; een vers trosje bananen hangt aan een standaardje. Een andere henro is net aan het vertrekken. Wij krijgen door de gastheer koffie aangeboden en nemen heel erg dankbaar plaats. We zijn doodmoe en erg nat en nog niet eens halverwege de tocht. Dit is een heel erg plezierige verrassing. Helaas laat ik na de eerste slok het bekertje koffie uit mijn handen vallen; ik krijg geen nieuwe aangeboden. Jammer, erg, erg jammer… We besluiten onze meegebrachte lunch alvast op te eten, aangezien we niet weten of we nog eens zo’n beschutte plek tegen zullen komen. Maar als we het onderste vak van Mels’ rugzak openen, blijkt al het eten rond te drijven in het water. We proberen nog wat te eten van een rijstbal omwikkeld met zeewier, maar het is echt niet lekker… Ik stel voor verder te lopen naar een supermarkt die volgens het routeboekje 8 kilometer verderop moet zijn.

De zon komt tevoorschijn; langzamerhand verdwijnt de bewolking steeds meer. Maar er steekt ook een sterke tegenwind op waar het moeilijk tegenin worstelen is. Het dal verbreedt zich steeds meer; de hoge bergen vervangen door hier en daar wat kleine bergjes. Natte sawa’s vormen een groot mozaïek, schitterend in de zon. Hier en daar zijn huizen. Rond 1 uur komen we langs een huis met een grote koivijver waarin reuzenrotsen liggen. Overal staan grote en kleine waterradjes, plastic eenden, dwergen. Plotseling horen we een stem boven ons hoofd: ‘Kōhii?’ (koffie?) Een man staat bovenop een van de grote rotsen, een visnetje in zijn hand. Hij nodigt ons uit zijn terrein op te lopen. We bewonderen de koivissen en de vele andere bezienswaardigheden in de tuin. Dan nodigt hij ons uit, niet in het huis erachter, maar naar een klein huisje bovenop een bergje… We laten de rugzakken achter en klimmen man- en vrouwmoedig de lange trap op. Het blijkt een theehuisje te zijn; in een hoek staan de attributen voor een theeceremonie. Aan de tuinzijde is een groot raam waar 4 rotan kuipstoelen bij staan. Er wordt een vers pak koffiebonen geopend voor ons en terwijl het koffieapparaat bezig is, rent hij weer de trap af en komt even later terug met chocoladebroodjes en zoetebonenkoekjes. ‘Biertje, misschien?’ ‘Nou, nee.’ ‘Ach, een klein biertje dan?’ ‘Nee, echt niet. We moeten nog lopen…’ Dan krijgen we bij de koffie glazen met water en ijsblokjes. Hij neemt zelf een grote bel cognac met ijs en water. Miata Toshinori ziet er met zijn ravenzwarte haar uit als een goed geconserveerde vijftiger, maar hij blijkt 65. Hij is werkzaam (geweest?) bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Als hij hoort dat wij potters zijn en over keramiek schrijven, toont hij zijn chawans, theekommen, mooi verpakt in houten doosjes. Een ervan komt zelfs uit Mashiko. Na de tweede kop koffie neemt hij ons mee naar het huis achter de koivijver. Schoenen uit. In het grote huis is een uitgebreide verzameling keramiek en glaswerk; in elke kamer staat wel een kast vol… en is er ook een drankverzameling. Tot zijn verrassing ziet Mels een replica van een Koreaanse wierookbrander waarvan in het komende nummer van KLEI een foto zal staan (en waarvoor hij heel veel moeite heeft moeten doen om die foto te bemachtigen…) De echtgenote komt thuis en we babbelen nog wat. Of we nóg wat tijd hebben? Nou… we moeten nog 4 uur lopen… nog even dan… Er worden foto’s genomen en even daarna zien we onze verwaaide en roodgebrande gezichten uitvergroot op de enorme breedbeeldtelevisie. Daarna volgt een korte serie over de kersenbloesems langs de weg die we nog moeten volgen, gisteren op de foto genomen. Het afscheid is zeer, zeer hartelijk en we moeten zeker nog eens terugkomen.

We genieten van de sakura die overal onderweg te zien zijn in alle mogelijke witte, rose en roserode tinten, met enkele en dubbele bloemen, aan grote en kleine bomen, soms in treurvorm met watervallen van bloemen. Af en toe is er een dichte regen van bloesemblaadjes; het plaveisel is er soms wit van. Zo’n anderhalf uur na de onverwachte lunchpauze lopen we door een gehucht, als er aan de overkant van de straat bij een bushalte een man ons staat te wenken: ‘Kōhii?’ Een 3-persoons, witte skaileren bank neemt het hele bushokje in beslag. We worden uitgenodigd te gaan zitten en krijgen elk een blikje koude koffie, in Japan even gewoon als icetea. Hij neemt er zelf ook een en laat ons onderwijl op zijn mobieltje foto’s zien van zijn plantenkwekerij: onder meer lelies en kerstbomen. Dan zwaait hij en springt in zijn kleine pick-up. Wij blijven nog even zitten… Het is een mooie dag, vol verrassingen. Kort daarna komen we langs de ‘blokhut’ waar we 2 jaar geleden hebben geslapen; de slechste ryokan die we ooit hebben gehad en we lopen er graag wat extra voor om…

Het is erg moeizaam worstelen tegen de steeds meer aanwakkerende stormwind in; af en toe worden we zelfs teruggeworpen. In een tunnel worden we zowat gezandstraald door de sterke tegenwind; ik knijp ogen en mond zoveel mogelijk dicht. Na de tunnel is er een lange brug die op grote hoogte een weidse kronkel in de brede rivier oversteekt. We moeten moeite doen niet over de lage reling te waaien en houden onze staffen krampachtig vast. Plotseling krijgt de wind vat op de regenzak van Mels’ rugzak. Langzaam heen en weer zwaaiend op de wind zien we hem verdwijnen naar de diepte waar hij in de rivier achter een boomstam blijft haken. Erg vervelend, maar niets meer aan te doen… Een volgende tunnel is even moeilijk. De laatste kilometers door de laagvlakte nemen we een parallelweggetje en pas als we binnen de bebouwde kom zijn, hebben we iets minder last van de wind. Wel zijn we ons erg bewust van alle half ingestorte huizen en andere rotzooi die er ligt: erg gevaarlijk met dit weer. In de ryokan worden we verwelkomd door de 2 henro’s die we in vorige ryokans al tegenkwamen. Een van hen is een kleine, tengere vrouw op leeftijd. Blijkbaar weet ze het tempo aardig vol te houden. Bij de verschillende koffiepauzes vandaag kregen we telkens de opmerking dat we ‘yukuri’ – langzaam – lopen, met kortere dagtrajecten dan gemiddeld, maar wij zijn na zo’n lange tocht als vandaag heel erg moe. Op de televisie zijn beelden te zien van de storm die over het land trekt: omgevallen bomen, ingestorte huizen en vooral heel veel paraplu’s die het moeilijk hebben.

Geplande afstand: 29,2 km via kortste route, 31,4 km via route 21, 100 m stijging
Werkelijke afstand: 33,6 km, totale stijging 752 m, totale daling 766 m
Cumulatief afgelegde afstand: 674,7 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.33– ca. 17.20 uur
Looptijd: 6,31 uur
Gemiddelde snelheid: 5,2 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1 (verder gegroeid)
Overnachting: ryokan Tsuru no ya (1 kamer 8 tatami’s groot plus wat extra plus verhoogd deel ca. 3 tatami’s groot, tafeltje, tv, goed avondeten, goed ontbijt)

Dag 37: maandag 2 april 2012: Mona Lisa achter het raam…

Bij het overvloedige ontbijt krijgen we ook een dik pak onigiri. Wij geven klompjes, waar onze gastvrouw heel blij mee is. Happy everyday staat er op haar jurkschort. Nog wat typend aan de kaptafel, kijk ik aan tegen een knalrode neus en wangen en een wat gebrokkelde mond. Factor 30 is niet afdoende… Het goedje dat ik in een supermarkt heb gekocht om mijn strooien haar weer wat te fatsoeneren, lijkt wel te helpen, ook al lijkt het effect een beetje op mislukte hairspray: het kleeft als een gek…

Achter de ryokan dalen we via een weggetje en later een pad de andere kant van het bergje af. Het is wat minder warm dan gisteren, heerlijk om te lopen. We komen al gauw weer op route 27, hier een fraaie, zeer smalle weg die voortdurende rond de berghellingen kronkelt. In de diepte zijn eenzame kiezelstrandjes tussen rotsige uitlopers in zee. Af en toe is er een watervalletje vanaf de berghellingen. Enkele keren wijken we van de weg af, lager gelegen vissersplaatsjes doorkruisend. Uit een donkere fabriekshal horen we stemmen. We steken onze hoofden door een geopend raam: 2 vrouwen zijn bezig met het legen van stapels platte metalen manden vol met gedroogde vissen, onderwijl lachend en kletsend. Of we een foto mogen maken? We krijgen schaterlachend toestemming.

In een volgend plaatsje zien we een koffiehuis. We hebben pas 4 kilometer afgelegd en het is al 11 uur… maar ja, je weet nooit wanneer je nog iets tegenkomt… We krijgen een warm onthaal. De gastvrouw is een hartelijk lachebekje. Aan een tafel zitten 2 bejaarde vrouwen te wachten op een ontbijtset. We krijgen alle aandacht. Na alle gebruikelijke vragen, wordt de aandacht op onze pelgrimsstaffen gericht. Op Mels’ staf staat de volledige hartsoetra. Een van de vrouwen blijft hem maar vasthouden, al wrijvend over de woorden, en ze leest de hele hartsoetra op, ondersteund door Mels. We krijgen bij de koffie een gekookt ei en tempura. ‘Ah, daar is oma’, zeggen de 2 bejaarde vrouwen (waarvan de oudste 86 is) als er een nóg bejaarder vrouw binnenkomt: 90 jaar maar nog koppie-koppie beduiden ze. Als we vertrekken worden we hartelijk uitgezwaaid.

Vanuit het laatste vissersplaatsje klimmen we weer via wat weggetjes, paadjes en trappen naar route 27 en bij toeval komen we uit op het punt waar aan de overzijde van de weg een volgend henropaadje begint. Voorgaande jaren hebben we naar dit pad lopen zoeken, maar niet gevonden. Via dit paadje beklimmen we de volgende berg. Zowel omhoog als later omlaag is het niet makkelijk lopen (we zijn erg blij dat het niet heeft geregend) en het kost erg veel tijd, maar het blijkt een heel fraai pad dat, eenmaal boven, lange tijd voortkronkelt over de bergrug. Een halve meter boven het pad blijven af en toe kleine, spitsneuzige hommeltjes zoemend stilstaan in de lucht, net vliegende miniminispitsmuisjes. Als we weer zijn afgedaald naar route 27 blijken we een heleboel baaien te hebben afgesneden. Een brug en een halve baai later komen we – om kwart voor 1 – aan bij een wegstation waar we een uitstekend restaurant weten. Bij ons vertrek krijgen we elk een zak met koekjes van een bedeesd dienstertje. Om de hoek kopen we bij de supermarkt nog een ijsje. Dan vervolgen we onze weg, deze maal langs een traject dat we nog niet kennen. Via route 321 steken we het binnenland door tot we met een lus weer in zullen haken op de route die we gisteren hebben gelopen. Na een lange tunnel (met riantbrede stoep) komen we weer terug op het punt waar we gisteren verder naar het zuiden liepen langs de oostkust; deze keer lopen we naar het noorden. We laten alle parallelweggetjes en ook het lange strand voor wat ze zijn en blijven langs de autoweg lopen. De bewolking neemt steeds meer toe, maar het blijft warm. In een natte sawa is een boer aan het ploegen, omringd door wachtende reigers. Even verderop, op een andere natte sawa, is een bejaarde vrouw bezig het dijkje eromheen te fatsoeneren met een grote hak. Zwaar werk, zeker op die leeftijd… Kort daarna komen we langs de ryokan waar we de vorige nacht hebben geslapen. In zee dobberen weer 2 surfers op hun plank, op dezelfde plaats waar we ze gisteren achterlieten, maar vandaag zijn er wat meer golven. We leggen nog even aan voor een ijsje en worden hartelijk onthaald door het vriendelijke echtpaar en hun 5 maanden oude dochtertje Ao. Wij hebben echter een ryokan 3 kilometer noordelijker geboekt voor vannacht, omdat we morgen een zeer lang traject krijgen, dus stappen we na een half uurtje weer op, wederom uitbundig uitgezwaaid.

Bij binnenkomst in onze overnachtingsplaats mogen we elk een klein kussentje uitzoeken waar we onze staf op kunnen plaatsen. Osettai! Het avondeten delen we met 3 andere henro’s; 1 van hen loopt de tocht voor de 8-ste maal, deze keer in tegengestelde richting. We komen weer op de foto, voor op het internet. Onze gastvrouw – een lachebekje van nature – neemt haar favoriete plaatsje in, leunend aan een venster tussen gang en eetzaal. Uitbundig vertelt ze over de verkiezingsuitslag in Myanmar. Saichi heeft gewonnen! We feliciteren elkaar. Saichi belichaamt hoop, misschien dat het beter wordt… Mels krijgt de lachers op zijn hand met het oplezen van 67 vervoegingen van 1 werkwoord. We vertellen ook over Nederland, geografische en klimatologische bijzonderheden: plat, onder zeeniveau, warm tot heet in de zomer, koud tot zeer koud in de winter… en geen tsunami’s, vulkanen of tyfoons en slechts zeer kleine aardbevingen… De gastvrouw klaagt dat ze altijd zo’n last heeft van de hitte. Een van de mannen maakt – in het Engels – de opmerking dat ze ook zo dik is… Niet bepaald aardig… Ze heeft hem onmiddellijk door en zegt lachend: ik ben een roze varken…. en een Mona Lisa! ‘Dan moet je iets naar links gaan staan in het venster’, zegt Mels. We krijgen allemaal de slappe lach en rollen weer over de tatami’s van het lachen.

De weersvoorspelling voor morgen: 20 graden, overvloedige regen, onweer en wind met tyfoonkracht tegen…

Geplande afstand: 18,2 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 18,7 km, totale stijging 413 m, totale daling 540 m
Cumulatief afgelegde afstand: 641,1 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.20– ca. 16.30 uur
Looptijd: 3,40 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1…
Overnachting: minshuku Kumomo (1 kamer 8 tatami’s groot (excl. grote hoek boven de trap), verwarmd tafeltje, tv, waslijn, zeezicht, goed avondeten, matig ontbijt)

Dag 36: zondag 1 april 2012: Koffieleuten, chocolademonsters, smulpapen…

Op het zonovergoten strand zie ik de eerste ochtendhenro lopen, nietig klein op de enorme vlakte. Enkele surfers maken zich op de zee in te gaan; 2 zitten er al op hun plank te wachten op een aardige golf, maar daar is weinig kans op vandaag, de zee is erg kalm. Van juni tot augustus komen hier zo’n 30–40 reuzenzeeschildpadden om in het zand hun eieren te leggen. Bij het ontbijt praten we met de gastheer over de moeizame verspreiding van biologisch voedsel. We blijven lang in de ryokan hangen om te profiteren van het internet, nog even de blog uploaden. En daarna hebben we ook nog wel zin in koffie… Om 10 uur vertrekken we eindelijk, voor een iets korter dagtraject dan vorig jaar, maar we herinneren ons dat het toen een hele, hele lange dag was, dus we moeten ons onderhand gaan haasten… We krijgen onigiri mee voor de lunch en geven ten afscheid chocolaatjes in Hollandse tegeltjesverpakking. De gastheer blijkt een chocolademonster, dat komt goed uit.

Vlak na de ryokan dalen we af naar het strand en steken via een lange vlonder een kreek over. De hele baai lang lopen we over het kilometerslange strand. Samen met route 321 passeren we de volgende kreek en nemen dan een parallelweggetje. De volgende keer dat we van route 321 afwijken, komen we langs een vissershaven waar vorig jaar net een lading vis was binnengebracht. Er waren toen 100-en buizerds die een hapje probeerden mee te pikken. Nu zitten en vliegen er nog 10-tallen, wachtend tot er weer een boot aanlegt. Wij nemen na de haven – via een klein strandje vol aangespoeld wrakhout en afval – een wat vervallen pad de berg op, dat wat erg veel wegheeft van een drooggevallen beekbeddinkje. De wrakke planken over een kruisend beekje worden elk jaar slechter; bij elke stap zakken we er een beetje in weg. De afdaling korte tijd later is al even hachelijk, maar deze keer hangt er een dik touw naast. Daarna loopt het pad – aan beide zijden omgeven door dicht struikgewas – door wat akkerland. Dan volgt een sprookjesachtig bamboebos dat vol kwetterende vogeltjes lijkt te zitten. Een etage hoger, vlak boven de bamboelaag, vliegen al gokkend wat raven. Even verderop zit een groep koerende duiven. Bijna in de bewoonde wereld is er een klein gebouwtje, een henro-rustplaats of een eettentje misschien? We stappen naar binnen, maar worden eruit gewuifd door een bejaarde vrouw; we mogen op het randje van de veranda zitten. We besluiten verder te lopen; misschien komt er nog een aantrekkelijker rustplaats.

Kort lopen we nog langs route 321, maar als deze verder landinwaarts buigt, slaan we af naar route 27, een kleinere en vooral rustiger weg, vaak met voetgangersdeel. De tempel die we vandaag zullen bezoeken, ligt ver buiten de ‘doorgaande’ henroroute, op de punt van een zuidelijke kaap – een lange vinger die hangt aan een al naar het zuiden uitstekend deel van het eiland. Veel henro’s lopen daarom langs dezelfde (want kortste) weg heen en terug (al dan niet in 1 dag) en we komen dan ook veel henro’s tegen onderweg. In zee zitten aalscholvers op witbescheten rotsen en soms – op hun ‘eigen’ rotsen – wat  grote meeuwen. Ook boven een volgende vissershaven hangen 10-tallen buizerds te wachten. De weg loopt hoog langs de haven en als we een kloppend geluid horen in de diepte kijken we even over het randje. Op de kade ligt een enorm visnet uitgespreid en 10-tallen mannen zitten er met hamers op te kloppen om zeepokken en andere aangroeisels te verwijderen. We nemen foto’s en worden enthousiast toegezwaaid. Tot onze verrassing zien we in het plaatsje ook een langneus in henrokleren: Arno van Diepen uit Zwaag. En even later is er ook de Japanse henro uit Kobe die regelmatig met de Hollander oploopt. Zij zijn op de terugweg van de tempel. Toevallig is er achter ons een restaurant – wij hadden het niet opgemerkt, ook voorgaande jaren niet… – en we besluiten met zijn 4-en een lunch te nemen. De 42-jarige Arno vertelt dat hij in november de pelgrimstocht op Shikoku op de televisie zag, in de serie De Wandeling en toen besloot dat dit wel een aantrekkelijke manier was om Japan te leren kennen. Hij heeft 3 maanden vrij genomen van zijn baan als IT-er bij de KLM, maar verwacht dat hij veel eerder terug zal zijn. Na iets meer dan 2 weken lopen, is hij al op de helft van de (88-tempels) route, dat betekent gemiddeld zo’n 45 kilometer per dag.

Een tijdlang versmalt route 27 regelmatig tot een smal weggetje op een dijkje; auto’s kunnen er elkaar niet passeren en ook wij komen af en toe wat in de knel. Dit deel heeft iets weg van het weggetje vlak voor tempel 38; dat is even smal, maar gelegen tussen hoge aarden wallen waarvandaan zich kronkelende bomen over de weg buigen. Even hebben we – vorig jaar ook al! – de illusie dat we bijna bij de tempel zijn, maar dan volgt er weer een eindeloze weg langs de kust; heen en weer en op en neer kronkelt route 27 op zo’n 50–80 meter hoogte langs de bergen. Het kost me steeds meer kruim om het hoge tempo vol te houden; de bal van mijn linkervoet is erg pijnlijk – ik kan er nauwelijks op lopen – en bij de rechtervoet lijkt er al een paar dagen een blaar te rijpen onder mijn enkel. Het is erg warm en een groot deel van de dag lopen we ook tegen de zon in, ook dat vermoeit. De kaap waarop de tempel staat, is het warmste deel van Shikoku vanwege de warme golfstroom en hij heet Ashizuri Misaki: kaap van de slepende benen… en dat is een wel erg toepasselijke naam voor loophenro’s!

Zo’n 4 kilometer voor de tempel komen we langs een uitgebreide henro-rustplaats die baadt in de kersenbloesems. We blijven niet, maar het geeft ons weer de illusie dat we er bijna zijn… Om half 4 zijn we dan eindelijk bij tempel 38. Op een richeltje bij het poortgebouw eten we eerst even een ijsje, even rust… We voeren de rituelen uit en bewonderen nog een keer het fraaie tempelcomplex. Het ambitieuze priesterechtpaar, dat we het eerste jaar ontmoetten toen we in het gastenverblijf sliepen, is voortdurend bezig het geheel nóg mooier te maken. Elk jaar dat we er komen, staat er wel iets in de steigers of vlonders. In de vijver zijn vele grote keien en stalagtieten gerangschikt en telkens komt er iets fraais bij; de allermooiste ligt er echter dit jaar in brokstukken bij. En het gastenverblijf ziet er, net als vorig jaar, gesloten uit. Het priesterechtpaar was 2 jaar geleden behoorlijk overspannen; zou dat inmiddels verslechterd zijn?

Vanaf de tempel is het nog 7 kilometer lopen naar onze overnachtingsplaats. Terwijl we het ene grote hotel na het andere passeren – en ook de ene ryokan na de andere – vraag ik me wat vertwijfeld af of we toch niet een beetje gek zijn, omdat we voor één bepaalde ryokan vandaag 7 kilometer langer lopen dan nodig is (en in totaal 4 kilometer extra omlopen), omdat het eten er zo goed is… Ik ga steeds meer strompelen. Tweemaal wijken we van route 27 af en doorkruisen wat gehuchtjes die in de diepte liggen, ver onder de autoweg. We weten het laatste deel van de tocht ietsje in te korten door een klein bergpaadje te nemen en om 20 over 5 zijn we eindelijk bij de ryokan die bovenop een bergje staat, met een mooi uitzicht over de kapen en de oceaan. Het eten is weer verrukkelijk en ook heel mooi opgemaakt: de vis, die grotendeels tot sashimi is gesneden, is met een satéprikker op een grote schaal gearrangeerd alsof hij nog aan het zwemmen is. Gelukkig beweegt hij niet meer. Dát heb ik eens op de televisie gezien en dat vind ik toch wel erg zielig…

Geplande afstand: 22,1 km (of ietsje meer…), 50 m stijging
Werkelijke afstand: 24,1 km, totale stijging 645 m, max. helling 9%, totale daling 534 m
Cumulatief afgelegde afstand: 622,4 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 10.00–17.20 uur
Looptijd: 4,47 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u
Bezochte tempels: tempel 38
Blaren: 1…
Overnachting: minshuku Aomisaki (1 kamer 8 tatami’s groot met kastenwand en halletje, tafeltje met 2 grondstoeltjes, kaptafel met stoeltje, tv, (internet via kabeltje in de eetzaal?), zeezicht, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt)