Dag 35: zaterdag 31 maart 2012: Het verlangen dat blijft…

Het hoost, ’s nachts al. De verwachting is dat het tegen 11 uur wat minder wordt en daarom blijven we wat op de kamer hangen; even tijd om wat mailtjes te beantwoorden, ook al is er geen internetverbinding. Maar om half 10 houden we het niet meer uit, trekken de regenpakken aan en nemen afscheid met Delftsblauwe klompjes. Wij krijgen 2 bananen mee. De gastvrouw loopt nog even mee naar de dijk, waar we ons – tot grote hilariteit – invoegen in een lange rij flink tegen de regen ingepakte wandelaars met buiknummers. Blijkbaar is er een zaterdagloop. De regen is inmiddels wat minder, maar er staat een harde, stormachtige wind; in de rug, tot onze – korte – vreugde. Zodra we het kleine paadje halverwege het dijklichaam verlaten en onze neuzen boven de dijk uitsteken, hebben we hem tegen. We verlaten de wandelclub en volgen de 2-baans weg naar de supermarkt, waar we wat lunchspullen kopen. We volgen vandaag dezelfde route als vorig jaar en weten dat we alleen een viezig lunchrestaurantje halverwege de tocht tegen zullen komen. Tot onze verrassing houdt het op met regenen. Als we de lange brug over de brede Shimanto-rivier oplopen, krijgen we plotseling weer enkele wandelaars achter ons aan. En er komen er steeds meer. Ik ben bang dat ze zich vergissen en probeer ze terug te sturen, maar er zijn waarschijnlijk 2 trajecten uitgezet. De hele horde komt achter ons aan. De hele lange brug lang worstelen we ons in tegen de stormwind, maar we weten het tempo aan te houden van de wandelclub. Kort na de brug nemen we toch afscheid; we duiken wat nauwe straatjes in, diep verscholen achter de dijk aan deze zijde van de rivier. Daar is de wind een stuk minder. De zon komt tevoorschijn en de bewolking neemt wat af. Een tijdlang loopt de route weer langs de rivier. In het traagstromende water zijn grote, langgerekte bamboe-eilandjes. Enkele vissers met kleine sloepjes drijven midden op de rivier. Langs de dijk rijgen de natte sawa’s zich aaneen, als een mozaïek van reuzenspiegels. Overal ratelen kikkers. Langs de oever en op de berghellingen is steeds meer ontluikend groen te zien. En overal zijn bloemen: narcissen, viooltjes, koolzaad, judaspenning… Ook de paarse azalea zie ik nu bloeien. Door de harde wind regent het af en toe kersenbloesems.

Kort nadat de weg – route 321 – afbuigt van de rivier, komen we bij een koffiehuis. Vorig jaar was er een aardige, vrolijke gastvrouw, maar ze is er even niet. Haar man heeft voor zichzelf en zijn kornuit pannetjeskoffie gezet en verontschuldigt zich dat hij niet weet hoe hij koffie moet zetten met het apparaat. Maar zijn aarzelende poging blijkt uitstekende koffie op te leveren: een lekker sterk bakkie! We bergen alle regenkleding weer op, hoewel de gastheer herhaalde malen waarschuwt dat er nog meer regen zal komen. Het is ons al te warm met die regenpakken. Binnen is het nóg warmer, naar Japanse gewoonte. Het zweet gutst er weer vanaf. ‘Ik heb mijn eigen thermometer bij me’, grapt Mels. ‘Als jij van blauw naar rood loopt, weet ik dat het warm is…’ Buiten blijkt de stormwind toch wel erg koud, maar we lopen er des te harder door. We passeren met route 321 een 1620 meter lange autotunnel met stoep; gelukkig wat beter verlicht dan vorig jaar, slechts eenmaal stappen we korte tijd in het duister. Bij het wegstation na de tunnel negeren we het viezige udon-restaurantje en lunchen, eerst op een winderig bankje, dan in een zithoekje in het toiletgebouw, met chocoladerol en appelflap (Mels) respectievelijk mini-sandwichjes en chocokoekjes (Yna). En elk een ijsje uit de vending machine. Het is te koud om lang te blijven zitten. We gaan snel door.

Enkele kilometers later verruilen we de autoweg voor wat kleinere weggetjes. Een tijdje gaat het over een heel smal dijkje met links een rivier en rechts sawa’s. We worden door de harde wind alle kanten opgeblazen. Ik ben blij dat ik niet meer zo’n grote henro-hoed meedraag; het zijn behoorlijke windvangers en ik heb vandaag weer andere henro’s ermee zien worstelen. Wij hebben al moeite onze staffen niet weg te laten waaien. Af en toe moeten we op het randje balanceren als er een auto wil passeren. Ik vraag me af hoe diep ik weg zal zakken als ik naar beneden val in zo’n natte sawa…

Langzamerhand begint ons het gebrek aan een lange lunchpauze weer op te breken. We kreunen en steunen allebei regelmatig. Dan zien we een koffiehuis. Mels trekt de deur open, maar stapt meteen weer naar buiten. ‘Ik denk niet dat dit het soort tent is waar we naar binnen willen’, zegt hij. ‘De ramen zijn geblindeerd; er is binnen alleen maar een lange gang met allemaal dichte deuren…’ Maar ik ben moe: ‘Als ik er warm kan zitten en er is koffie, dan maakt het mij niet uit’, zeg ik, trek de deur weer wat verder open en geef Mels een zetje in de goede richting. Nog een deur verder staan we tot onze grote verbazing middenin een karaokezaal. Aan beide zijden van de zaal staan tafeltjes en stoelen opgesteld. Op het podium, naast een groot beeldscherm, is een bejaarde man aan het zingen. Er zitten 4 bejaarde vrouwen en een man te wachten tot zij aan de beurt zijn om te zingen. Glimlachend knikken ze ons uitnodigend toe. Een wat jongere vrouw brengt ons koffie en chocolaatjes en zij is het ook die langs de tafeltjes loopt om de scores op te halen en ze in een apparaatje te verwerken. Blijkbaar zijn er punten te verdienen. Af en toe legt ze ons wat uit. Of we misschien mee willen zingen, vraagt de man tegenover ons. Dat zal niet lukken met die Japanse teksten… Lange tijd blijven we luisteren en applaudiseren driftig mee. Het ene zangtalent is beter dan het andere, maar er wordt door iedereen vol overgave gezongen. Vooraan bij het podium zit een vrouw die binnenkort 90 wordt. Ze zingt alsof ze een jong meisje is. Het ontroert ons. Op het beeldscherm zijn – achter de karaoketeksten – korte bijbehorende filmpjes, over jongemannen en vrouwen die heimelijk verliefd zijn, liefdes die fout dreigen te lopen, en soms komt het toch weer goed… Vaak in traditionele setting, eenmaal in een Japanse ‘western’. Smachtende liedjes, over prille liefdes, gezongen door mensen voor wie dat allemaal lang geleden moet zijn. Voor eeuwig voorbij…

We worden door de hele zaal uitgezwaaid als we eindelijk vertrekken en weer de felle wind instappen. Kort daarna komen we aan bij de zee waar we weer verder lopen langs route 321, hier een drukke kustweg zonder stoep. We schieten er van de ene zijde naar de andere om zoveel mogelijk uit de risicozone te blijven. Tot onze verbazing is de wind hier vaak een stuk rustiger. Enkele kilometers later nemen we een kleinere doorsteek die eindigt vlakbij de ryokan die we hebben geboekt. Het blijkt een kleine en zeer aangename minshuku, zo’n 20 meter boven zeeniveau, aan het begin van een fraaie baai met een zeer langgerekt strand. In zee zijn enkele surfers bezig. In het restaurantje zijn wij de enige gasten en we kletsen gezellig met onze gastheer die Engels spreekt. De meeste minshuku-eigenaren zijn behoorlijk op leeftijd, maar dit stel is relatief jong, met een baby van 5 maanden: Ao (blauw). Hij vertelt dat hij onder meer in Tokyo heeft gestudeerd en in de makelaardij heeft gewerkt, maar hij is geboren aan de Shimanto-rivier en wilde dichter bij de natuur zijn. Sinds 11 jaar drijven ze nu deze minshuku met restaurant en runnen daarnaast een internetwinkel in biologisch voedsel, verbouwd door een vriend van hen. Een andere vriend maakt washi (papier). Ze zijn niet afhankelijk van het korte henroseizoen; dankzij het strand en de zee hebben ze ook zomergasten. Voor vanavond zijn ze volgeboekt, anders was er nóg een Hollandse henro geweest, vertelt onze gastheer. Eenmaal op de kamer is er de drukproef van KLEI, dankzij de wifi. Het wordt een latertje…

Geplande afstand: 22,0 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 22,7 km, totale stijging 515 m, totale daling 579 m
Cumulatief afgelegde afstand: 598,3 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.40– ca. 16.40 uur
Looptijd: 5,00 uur
Gemiddelde snelheid: 4,5 km/u (gps is signaal tijdje kwijt geweest, werkelijk waarschijnlijk
rond 5,0 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 0!
Overnachting: minshuku Ohki Marin (1 kamer 6 tatami’s groot met kastenwand, tafeltje, tv, wifi op de kamer, zee- en strandzicht, uitstekend (biologisch) avondeten, goed ontbijt: keuze uit brood-setto of Japans)

 


Dag 34: vrijdag 30 maart 2012: Kilootje eraf, kilootje erbij…

De zonsopgang kan hier sensationeel zijn, maar deze ochtend piept de zon slechts af en toe fraai tussen de zware bewolking door. Toch is het erg warm en drukkend als we om 10 over 8 vertrekken. Het eerste deel van de dag lopen we hetzelfde traject als vorig jaar. Voorlopig langs de drukke route 56, die eerst langs de zee loopt. Zo’n 10 meter onder ons heeft de rotskust allerlei fantastische vormen aangenomen: hier en daar liggen plooiingslagen op hun zijkant, elders heeft de rotsbodem meer de vorm aangenomen van een doorploegde modderpoel; hier en daar steken grote rotsformaties erboven uit. Op rotsen verderweg in het water zitten soms aalscholvers. Als de weg wat van de kust afwijkt, zien we in de diepte natte sawa’s. Toevallig loopt er hetzelfde hondje als 2 jaar geleden; toen waren zijn baasjes samen aan het werk op de sawa en zat hij goeddunkend toe te kijken. Als het drukke autoverkeer even wat stilvalt, horen we pas het haast oorverdovende gekwaak om ons heen. Al om 9 uur komen we bij het barakje waar we inmiddels elk jaar koffiedrinken. Temidden van een enorme rotzooi zitten er altijd zo’n 4 vrouwen (inclusief de waardin) gezellig te kleppen. Op dit vroege uur zit het helemaal vol, zowel met vrouwen als mannen, de meesten met een ontbijtsetje. Er wordt gauw plaatsgemaakt voor ons en de waardin komt meteen met Mels’ visitekaartje. Bij de koffie krijgen we een stukje banaan, een koekje en 2 Japanse mixjes. Afrekenen is er niet bij. Osettai! Wij geven ook een klein cadeautje: cocktailprikkers met Delftsblauw gedecoreerde vlaggetjes. Tot de volgende keer maar weer…

Het eerste lunchrestaurant slaan we over – het is pas half 11 – maar enkele kilometers verder leggen we wel aan bij het michi no eki – het wegstation – omdat we voorlopig verder geen gelegenheid verwachten. Het wegstation ligt vlak achter een langgerekt strand; in zee zijn surfers bezig. We nemen niet alleen een lunchset, maar ook ijs toe, en we zien er ook weer de Montblanc-man. Vanaf het wegstation loopt route 56 het binnenland in, maar wij nemen eerst nog een asfaltpad door een dennenbos vlak achter het strand. De bewolking is steeds meer toegenomen en hier aan zee staat een sterke en koude tegenwind. Het bos gaat langzamerhand over in een enorm sportcomplex. We kiezen er dit jaar voor hierna weer naar route 56 terug te keren. Vorig jaar hebben we wat zuidelijker ervan gelopen via allerlei weggetjes, maar kwamen toen tegen het eind uit op enkele wegen waarlangs het erg riskant lopen was, en daar hebben we geen zin meer in. Maar route 56 laat zich niet makkelijk meer vinden. Pas voorbij het enorme sportcomplex – met groot hotel, atletiekbanen, voetbalvelden, golfterrein en tal van andere voorzieningen – lukt het ons weer allerlei weggetjes in de goede richting te vinden. Een tijdlang lopen we langs een kleine rivier waar vrouwen in het lage water kokkels verzamelen. Daarna bereiken we weer route 56. We hebben nog steeds tegenwind, maar het is niet meer zo koud. We worden ingehaald door een loophenro uit Kobe, die Engels spreekt. Hij heeft onze visitekaartjes gezien bij een ryokan: de mensen van magazine KLEI! Hij vertelt dat hij gisteren met een andere Nederlandse henro heeft opgelopen: Diepen uit Zwaag. We leggen nogmaals aan bij een koffiehuis, halen nog wat chocolaatjes in een supermarkt en komen al vroeg in de buurt van onze eindbestemming. De laatste kilometers gaan weer via kleine weggetjes, fraai gelegen tussen wat lage bergen, zigzaggend door de natte sawa’s; de bermen zijn donkerpaars van de talloze viooltjes. Onze ryokan bevindt zich vlak achter de dijk langs de mooie, brede Shimanto-rivier. We kennen de vrolijke gastvrouw van vorig jaar. Ze heeft een brief voor ons van Kyoko en Hiroshi van Hokkaido, het henro-echtpaar dat wij zowel vorig jaar als dit jaar hebben ontmoet. Ze schrijven dat ze inmiddels het tweede traject hebben afgerond en op weg naar huis zijn. Misschien tot volgend jaar, op Shikoku of langs de Camino?

Het avondeten delen we met een henro die we al in de vorige 2 ryokans tegenkwamen, en met de henro uit Kobe. Voor zover er überhaupt nog goede voornemens over waren wat betreft ijs, chocolade, gebak en drank… laten we ze vandaag wel varen…

Geplande afstand: 21,0 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 23,0 km, totale stijging 445 m, totale daling 426 m
Cumulatief afgelegde afstand: 575,6 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.11– ca. 16.10 uur
Looptijd: 4,37 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 0!
Overnachting: minshuku Tsukishiro (1 kamer 5 tatami’s groot met kastenwand, tafeltje, tv, en 1 kamer met 2 1p-bedden en stofzuiger, uitstekend avondeten, goed ontbijt)

Dag 33: donderdag 29 maart 2012: IJs met krukels

Mels begint de dag met een migraine, maar hij voelt zich desalniettemin een stuk beter dan de afgelopen weken, zowel geestelijk als lichamelijk. Het gesprek gisteravond heeft hem goed gedaan, zegt hij. Bij de afrekening blijkt de ryokan verreweg de duurste te zijn tijdens onze reis, bijna even duur als het duurste hotel dat we op Shikoku aandoen. Maar het is een prima ryokan en de gastheer en -vrouw zijn hartelijk; bij het afscheid krijgen we 2 houtgestookte sakekommetjes (sakasuki) cadeau, blijkbaar hebben ze gehoord dat we in keramiek geïnteresseerd zijn. We gaan – voordat we verder lopen – eerst naar tempel 37 en tot onze verrassing komen we bij de poort de eigenaresse van het gastenverblijf van de tempel tegen. Ze is blij ons te zien, maar ze ziet er even zombie-achtig uit als vorig jaar. Zou er iets aan de hand zijn met haar zoon, die priester was van deze tempel? Vorig jaar ontbrak hij en werd de tempeldienst uitgevoerd door een bejaard echtpaar. Ons Japans is ontoerijkend om hierover een gesprek te beginnen. En haar interesse is al snel weer weg. We nemen afscheid, voeren de rituelen uit en gaan dan op weg voor eenzelfde dagtraject als vorig jaar. Het is een heerlijk warme en zonnige dag. Bijna de hele dag lopen we langs de drukke route 56 – meestal met stoep – die zich eerst door het brede dal voortzet, later heen en weer en op en neer slingert door meer bergachtig gebied. Al na enkele kilometers leggen we aan voor koffie, maar daarna zetten we flink de pas erin. Hier en daar staat de (vroege) rijst al in volle wasdom – het veld weer droog – te wachten tot de oogst, maar de meeste sawa’s zijn net onder water gezet en geploegd om binnenkort de jonge rijstplantjes te kunnen planten die in kassen zijn opgekweekt in trays. Nu Mels zich weer goed voelt, herneemt hij zijn Japanse les aan mij: ik ben begonnen katakana te leren, een van de 3 alfabetten in Japan.

Halverwege de ochtend verlaten we route 56 en komen via kleine weggetjes bij een bergpad dat zich nogal hachelijk beweegt boven enkele tunnels waar route 56 door voortraast. Het paadje wordt elk kaar lastiger, naarmate het steeds meer afslijt en afbrokkelt, maar gelukkig regent het niet deze keer… We lopen net weer langs route 56 als er een auto bovenop de rem staat. We krijgen meteen enkele zakjes snoep toegestopt. Het zijn de man en vrouw die 2 dagen geleden met hun auto stopten en ons toen een zak aardbeien gaven. Ze bezoeken met de auto enkele tempels. Trots tonen ze ons hun stempelboeken. De file achter hun auto groeit wat aan, maar niemand toetert; iedereen wacht heel beleefd. Ik laat ook mijn stempelboekjes zien, wat kleiner van formaat vanwege het lichtgewicht reizen. Dan zwaaien we ze uit; mogelijk zien we elkaar weer op Kōya-san; we houden e-mailcontact.

Al om 20 over 11 zijn we bij een klein restaurantje waar we vorig jaar uitstekend hebben geluncht, maar alle tafels blijken al gereserveerd te zijn, en daarom lopen we een paar kilometer door naar een onsen. Daar blijkt een chiquer restaurant te zijn met ook uitstekend eten. We zien er weer de henro die we 3 dagen geleden voor het eerst tegenkwamen (‘de Montblanc-man’, noemt Mels hem). Ons verhaal begint iets weg te krijgen van een soap, realiseer ik me. Regelmatig komen dezelfde personages terug. Alleen de verhaallijnen zouden nog wat steviger in elkaar mogen passen. Ik weet bijna niets van hun levens af…

Ook tijdens de middag weet Mels het tempo erin te houden, hoewel ik op een gegeven moment achter mij hoor: ‘Weet je wel dat je met 6 km/u een helling van zo’n 7% oploopt? Je gaat nog sneller omhoog dan omlaag…’ En een maand geleden, bij het begin van de pelgrimstocht, dacht ik nog wel dat mijn conditie minder goed was dan vorig jaar. En ik maakte me zo’n zorgen om mijn voeten, want ik had al meteen last van blaren. Maar het gaat gewoonweg goed. En vandaag met Mels ook gelukkig. We rusten nog even kort op een bankje en krijgen daar tot onze verbazing bezoek van een haan. Ik geef hem wat water, wat dankbaar wordt aanvaard; eten heb ik helaas niet bij me. Halverwege de middag nemen we nog een zijweggetje, een kort bergpaadje en een klein, donker tunneltje en komen dan steeds meer richting kust. De kersenbloesem is hier uitbundig uitgebroken. We kopen een softijsje bij een kraam en worden uitgenodigd in de barak ernaast even uit te rusten. Er zitten 4 mannen rond een petroleumkacheltje waarop grote, puntige krukels aan het gaarkoken zijn in hun eigen sop. We krijgen telkens een paar hete krukels toegeschoven, nog terwijl we ons ijsje aan het eten zijn. En de gastvrouw komt met glazen water en pelt een sinaasappel en een buntan voor ons. Heerlijk!

Kort daarna komen we aan de haven en lopen we langs de 2 ryokans waar we eerder hebben geslapen (de eerste was heel slecht; de tweede heel goed, maar dit keer volgeboekt); deze keer moeten we een paar kilometer extra lopen naar onze overnachtingsplaats: een minshuku ingeklemd tussen het spoor en de drukke route 56 langs de zee. Als we naar onze kamer worden gebracht, schuiven er links en rechts deuren open en steken er lachende hoofden naar buiten: de 2 henro’s die we vanmorgen bij het ontbijt zagen, waaronder de vrouw die ook al in de vorige ryokan sliep. We eten met zijn vieren, met zeezicht. Zoals gewoonlijk kletst iedereen met iedereen in het restaurant. En we krijgen weer de vraag: ‘Naze?’ (Waarom? Waarom lopen jullie deze tocht?) Als Mels vertelt over mijn ziekte en de positieve invloed van de pelgrimstocht erop, is er gejuich.

Geplande afstand: 24,0 km, 200 m stijging
Werkelijke afstand: 24,5 km, totale stijging 864 m, max. helling 53%, totale daling 876 m, max. helling 24% (stijging -/- daling klopt niet: gisteren geëindigd op ca. 216 m, vandaag op ca. 20 m)
Cumulatief afgelegde afstand: 552,6 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.33– ca. 16.45 uur
Looptijd: 4,44 uur
Gemiddelde snelheid: 5,2 km/u
Bezochte tempels: tempel 37
Blaren: 0!
Overnachting: minshuku Shirahama (1 kamer 6 tatami’s groot met tafeltje, tv en zeezicht, redelijk avondeten, goed ontbijt: keuze uit brood-setto of Japans)

Dag 32: woensdag 28 maart 2012: De gulle automaat

Of het (nog steeds) door het gemberijsje komt? De hele nacht voelen we ons allebei beroerd en ’s ochtends is het alleen maar erger. Het ontbijt blijkt wel gezamenlijk te zijn en daar zien we weer de henro van eergisteren. Het lukt ons echter niet veel te eten. We vertrekken 20 voor 8 voor een traject van zo’n 24 kilometer. Wat betreft het eerste deel van het traject kunnen we kiezen uit 2 routes. Voorgaande jaren hebben we een route ten zuiden van route 56 genomen, de oudste en ook de meest gebruikte route: eerst lange tijd langzaam stijgend over een smalle weg, dan een steil bergpaadje tot de pas waar ook route 56 overheen gaat. Deze keer nemen we echter de route ten noorden van route 56, die hoger over de bergen loopt, maar ook geleidelijker stijgt en daalt, én nog fraaier schijnt te zijn. We moeten er iets voor teruglopen door het stadje en volgen dan een smalle, slingerende weg naar het noorden en vervolgens naar het westen, tussen sawa’s en af en toe wat bebouwing. De zon schijnt volop en bij de rest hut aan het begin van het bergpaadje gaat het windjack uit. We zijn niet de enigen: een andere henro gaat verder in T-shirt, in zijn ene hand een pelgrimsstaf, in de andere een nordic walking stick. Tot onze verrassing eindigt het pad na een tijdje en moeten we een lange trap af, onder een in aanbouw zijnd viaduct van de nieuwe snelweg door en dan via een nog veel langere trap weer naar boven. Halverwege de trap omhoog pauzeren we even in een rest hut. De fleecejacks gaan uit. We maken een praatje met de nordic walking stick-henro en er komen ook 2 landopmeters voorbij die het henropad opmeten. Ze dragen laarzen met een afzonderlijke grote teen en zolen vol spijkers. Er komen nog meer werkmannen voorbij en even later zien we tot onze verbazing zelfs een heel jongens-voetbalteam aankomen. We dachten nog wel dat er geen mens langs deze route kwam!

Na de trap volgen we lange tijd weer een bergpad. Vaak ligt het vol met puin en takken; blijkbaar in het regenseizoen aangevoerd door een stroompje. Elders moeten we voortdurend over kriskras groeiende boomwortels heen stappen. Af en toe kijk ik verontschuldigend naar boven. Een enkele keer blokkeren boomstammen het smalle, diep uitgesneden pad, soms zelfs hele bomen. Toch is het pad makkelijk begaanbaar, doordat het zo geleidelijk stijgt en daalt. Steeds hoger gaat het, na elk vermeend pasje gaat het weer iets verder omhoog. Er staan overal viooltjes, rose, of vaker nog zachtpaars. Soms zingt er een nachtegaal. Af en toe nemen we een slok water, maar dat maakt de misselijkheid eigenlijk alleen maar erger. Op het hoogste punt (bijna 400 meter) zitten we – samen met een vrouwelijke henro die we vanochtend bij het ontbijt zagen – op een bankje te genieten van het uitzicht over de dalen en bergen met in de verte de oceaan met hier en daar in de nevel drijvende eilandjes en rotsen. Daarna dalen we langzaam zo’n 100 meter af totdat we om 11 uur bij route 56 komen, op het punt waar ook de zuidelijke route erbij komt. We hebben in meer dan 3 uur tijd slechts 7 kilometer afgelegd. Bij het restaurant op de pas leggen we aan. Ik neem een moruningu setto (morning set), Mels beperkt zich tot het brood; niet alleen om het ontbijt goed te maken, maar ook omdat we verder geen lunch verwachten.

Vanaf de pas lopen we lange tijd door een breed dal, eerst via een parallelweggetje – langs sawa’s, huizen met moestuintjes, door een bos waar stammetjes met shiitakes staan, en door rietvelden – en later langs route 56, die hier grotendeels een stoep heeft. Van een tweede parallelweggetje missen we de afslag, dus blijven we langs de drukke autoweg lopen. Daar zien we bij een gebouw een kleine kooi met een wild zwijntje erin. Het dier is eerst wat bang van ons, maar besluit blijkbaar op een gegeven moment ons te vertrouwen en gebaart ons dan met zijn snuit de deur open te doen. Het is een triest gezicht. Het dier is duidelijk wanhopig. Maar het deurtje openen vlak naast een drukke autoweg is ook geen oplossing. We kunnen niets anders doen dan doorlopen, maar het trieste beeld blijft in ons hoofd rondspoken.

We rusten nog enkele malen, eerst bij een rest hut, later buiten bij een supermarkt. Ik neem er een ijsje, Mels een doos met chocolaatjes gevuld met noten. Dat moet hij later bezuren; zijn misselijkheid neemt weer toe. De hele middag sleept hij zich voort. De flesjes groente thee die we van de super krijgen, stoppen we weer elders in een vending machine. In het brede dal staat een sterke koude wind, eerst in de rug, later hebben we hem tegen. Pas tegen het einde van onze tocht is het af en toe verrassend warm in de volle zon, als de wind is gaan liggen. Een vrouw op een fiets komt een praatje maken. Ze is Filippijnse en woont met haar 2 kinderen in de buurt; ze werkt bij JA, een groot Japans bedrijf.

We wilden vandaag graag overnachten in het gastenverblijf van tempel 37, net als voorgaande jaren. Maar dat bleek al vol te zitten, daarom hebben we een overnachtingsplaats in de buurt van de tempel gezocht. Onze ryokan blijkt geen kleintje te zijn en de ontvangst is hartelijk. Een van de gastvrouwen spreekt wat Engels. We krijgen 2 kamers met bankstel en er is zelfs internet op de kamer. De ofuro is groot en schoon. Bij aankomst huilt Mels van moeheid. Voor het avondeten krijgen we een apart zijkamertje in het restaurant toegewezen. Mels en ik praten over zijn problemen: hij is krachteloos tijdens deze tocht, hoe hij ook zijn best doet, en dat maakt hem vatbaar voor allerlei lichamelijke aandoeningen. Maar stoppen wil hij niet. De eigenaar van het etablissement komt nog even een praatje maken. En de Engelssprekende gastvrouw maakt na het eten enkele reserveringen voor ons. Ze doet erg haar best (‘Ze lopen de tocht al voor de derde maal, ze spreken Japans…’ etc.), maar we worden toch nog weer ergens geweigerd zodra ze de niet-Japanse achternaam horen: geen enge buitenlanders…

Geplande afstand: 23,4 km, 400 m stijging
Werkelijke afstand: 21,0 km, hoogste punt 377 m, totale stijging 759 m, totale daling 548 m, eindhoogte 216 m
Cumulatief afgelegde afstand: 528,1 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.40– ca. 15.50 uur
Looptijd: 4,16 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 0!
Overnachting: ryokan Mima (1 kamer 8 tatami’s groot met tokonoma / kastenwand, tafeltje en grondstoeltjes, plus 1 kamer met vloerkleed – 6 tatami’s groot – met ingebouwde kast en bankstel, plus 1 binnenveranda over volle breedte en lengte van de kamers met rotan zithoek en schommelstoel, internet via kabeltje op de kamer, uitstekend avondeten, ontbijt)

Dag 31: dinsdag 27 maart 2012: 10 kleine Japannertjes…

Het bergje waarop bangai 5 staat, steekt vreemd uit temidden van een woonwijk; ernaast staat een rijtje middelhoge flats en er is een kabelbaantje naar boven. Wij nemen de betonnen trap, die meteen tegenover onze ryokan begint en komen al snel bij de hoofdtempel. We klimmen daarna nog even door naar een shinto heiligdommetje met rondom uitzicht over de woonwijk, maar vooral over alle industrie eromheen en ook over het havengbied. Een enorme hal bij een betonfabriek is bijna van hetzelfde formaat als een van de kleinere bergen eromheen.

Als we bij de ryokan onze rugzakken oppikken om onze reis te vervolgen, buigt de toch al buigzame ryokaneigenaresse zo mogelijk nog dieper; voortdurend valt ze voorover op de knieën en drukt ze haar neus tegen de grond. Oh, nederige nederigheid. Wij bedanken haar ook talloze malen – maar wel staand – want we hebben hier uitstekend verbleven. We krijgen elk een plastic zakje met lekkere chocolaatjes en hoestsnoepjes voor onderweg. We nemen zwaaiend afscheid en horen tot onze verrassing boven onze hoofden iemand ‘Good morning!’ zeggen. Het interieur van het huis naast de ryokan wordt gesloopt en een van de werkmannen blijkt een Engelsman: ‘Married, divorced, children, so can’t return…’ vat hij zijn leven in Japan kort samen…

Onder een viaduct zitten tientallen zwaluwnesten die druk worden bevoorraad. Regelmatig is er onderling ruzie die eindigt op het asfalt, maar altijd net op tijd beeïndigd voor er wielen komen aanrijden… Eenmaal op de bergweg, die ons naar de eerste tunnel van de dag leidt, weg uit dit industriedal, stopt al toeterend een auto naast ons. Een man springt eruit en geeft ons een zak heerlijk zoete aardbeien. De jonge(?) vrouw aan het stuur heeft vorig jaar zelf de route gelopen, samen met haar 73-jarige moeder; de man heeft de henro-michi per fiets afgelegd. Als ze hoort dat we na onze pelgrimstocht nog naar Kōya-san zullen gaan, de berg ten zuiden Osaka, waar Kukai ligt begraven, wordt ze helemaal lyrisch. Ze is van plan dit voorjaar ook Kōya-san te bezoeken, misschien kunnen we gezamenlijk?! Uiteraard. We wisselen meteen mailadressen en telefoonnummers uit. We hadden al afgesproken met Hide-san, de henro waarmee we sinds vorig jaar contact hebben, Kōya-san te beklimmen. En via de e-mail heeft ook Asaka Anakawa, die we 6 en 7 maart in een overnachtingsplaats tegenkwamen, zich aangemeld. Dat gaat een gezellig groepje worden!

Na 3 tunnels (wat beter verlicht en met iets meer ruimte naast de witte streep dan die van gisteren) leggen we even na 10 uur aan bij een koffiehuis, vlakbij een grote begraafplaats die in terrassen aan zee ligt; de rijen grafmonumenten staren als looploze afweergeschutskoepels naar de stille oceaan. Op de bar staan 3 aquaria van elk 10x10x10 centimeter, in de eerste een gelukskat, in de tweede een donkerrode vis met zo’n 10 centimeter lengte, in de derde een eenzelfde vis maar dieppaars; de laatste 2 levend. Hoe krijgen ze ze zo gekleurd??? Na 2 koffie besluiten we ook nog maar een moruningu setto (morning set) te nemen, ook al hebben we uitstekend ontbeten en is het wat vroeg voor een lunch. Maar we verwachten dat we tot aan onze eindbestemming niets meer zullen tegenkomen. We hebben voor vandaag slechts zo’n 10 kilometer te lopen – dat heeft te maken met een gebrek aan ryokans om het komende traject beter over de dagen te verdelen – en kunnen daarbij kiezen uit 3 routes: het eerste jaar hebben we een pasje over de bergen genomen, het tweede jaar zijn we via een 1 kilometer lange autotunnel (route 56) in het volgende dal aanbeland en nu willen we via de zeeweg lopen die zo’n 3 kilometer langer is, maar zeer fraai schijnt te zijn. We verwachten daar echter geen restaurants of supermarkten meer.

Pas rond half 12 breken we op. Al kort daarna slaan we af van route 56, maar al meteen bij het begin van de zeeweg worden we tegengehouden door verschillende automobilisten: er is een aardverschuiving geweest en de weg is volledig afgesloten. We vragen het voor de zekerheid na bij de minshuku op de hoek, maar helaas… het is niet anders. De eigenaresse geeft ons een grote buntan mee. We overwegen even om het pasje over de bergen te nemen, maar niet alleen moeten we daarvoor wat terug lopen, ook moesten we 2 jaar geleden uren omlopen op die route, omdat er een grote betonnen dam midden over het henro-paadje was gezet. Geen aanlokkelijk vooruitzicht. Dan maar weer de tunnel. Helaas is ook deze lange tunnel zonder stoep, maar hij is – net als de 3 eerdere tunnels vandaag – beter dan die van gisteren.

We rusten na de tunnel nog tweemaal kort bij een rest hut, de tweede een origineel bouwsel rond een boom, en we maken een praatje met een henro die tegen de de klok inloopt. Waarom tegen de ‘normale’ route in? ‘Omdat het de vijfde keer is. Elke vijfde keer moet je tegen de klok inlopen.’ Uiteraard. Dankzij de tunnel zijn we plotseling nog vroeger dan verwacht bij onze eindbestemming. En door het korte dagtraject voelt Mels zich ook nog opperbest. Om niet al te vroeg bij de ryokan aan te komen, gaan we daarom eerst naar de vismarkt – Taisho Machi Shiba – waarmee dit plaatsje bekend is, maar die blijkt ’s middags grotendeels opgebroken. We nemen een ijsje, maar dat blijkt helaas een gemberijsje te zijn. Pas 4 glazen water later is de hitte in mijn mond weer wat afgenomen, maar we blijven allebei last van onze magen houden. Niet voor herhaling vatbaar. We slenteren nog wat door het dorpje en langs de haven en melden ons dan al om 3 uur bij de ryokan, samen met een andere henro die ook net aankomt. ’s Avonds eten we op de kamer, terwijl ergens (beneden? of bij de buurryokan waar we vorig jaar waren en die nu vol zit?) een feest met toespraken plaatsvindt. Wij proberen al sinds onze aankomst een houding te vinden op ons platte kussentje, totdat het eetgerei wordt afgeruimd en de futons worden opgemaakt. Om half 8 staan we beteuterd aan het voeteneind. De zitkussentjes zijn niet aanlokkelijk en met een kamer vol met beddengoed is de keuze beperkt. We gaan maar weer vroeg op bed… Om 9 uur wordt het feestje officieel afgesloten – ‘Arigato daimashita’ (dankuwel) klinkt luid en duidelijk door de luidspreker – maar het duurt nog even voor iedereen – binnen en buiten – is uitgepraat. Dan wordt het stil.

Geplande afstand: 10,7 km, 300 m stijging (landroute via tunnel)
Werkelijke afstand: 13,8 km (incl. bezoek Taisho Market), totale stijging 331 m, totale
daling 326 m
Cumulatief afgelegde afstand: 507,1 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.22– ca. 15.00 uur (na marktbezoek)
Looptijd: 3,00 uur
Gemiddelde snelheid: 4,6 km/u
Bezochte tempels: bangai 5
Blaren: 0!
Overnachting: Fuku Ya (kamer 6 tatami’s groot met tokonoma / kastenwand, tafeltje, tv, goed avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 30: maandag 26 maart 2012: Leven op te grote voet…

Bij het ontbijt nemen we afscheid van Herbert. Voordat we zelf vertrekken, gaan we nog even met Koji zijn in aanbouw zijnde grotwoningen bekijken. Via het al eerder door hem gebouwde Santorini-gedeelte dat deze ochtend baadt in het zonlicht, komen we, nog wat lager, bij enkele organisch gevormde, half in de bergwand verscholen appartementen. Ook deze hebben een schitterend oceaanzicht. Een groot deel van de werkzaamheden is inmiddels afgerond, maar de fijnafwerking moet nog plaatshebben. Het afscheid van Koji is hartelijk. Wij hebben voor hem wat cadeautjes uit Nederland meegenomen: een stropdas met tulpjesmotief en stroopwafeltjes in een Hollands zakje. Koji zien we mogelijk nog terug tijdens onze tocht: als het enigszins kan, komt hij ons opzoeken in een ryokan onderweg.

We volgen vandaag dezelfde route als 2 jaar geleden, maar we hebben deze keer wat dichterbij een ryokan gevonden waar we kunnen overnachten. Gedurende de ochtend lopen we over het schiereiland, dat één groot natuurgebied is. De vrij stille 2-baans weg golft voordurend heen en weer en op en neer tussen de 100 en 160 meter hoogte. Links in de diepte zien we geregeld de oceaan, waar sliertige uitlopers van het gebergte baai na baai scheiden. Het is de mooiste kust die ik ooit heb gezien. Vlakbij is een grote vissersboot met links en rechts grote netten uitgezet. Aan de rechterkant is er geregeld het estuarium waar pontons op drijven. Soms is het schiereiland zo smal dat we aan beide zijden water zien. Het is zeer fraai weer. Warm zelfs; alleen bij pasjes is er soms een koude wind. De hellingen zijn bedekt met bossen en overal zijn plukjes wit en rose te zien: pruimenbomen die bijna zijn uitgebloeid – de bloesem inmiddels gemengd met het teerbruinrood van het ontluikende blad – en kersenbomen – hoewel hier nog steeds veel van in knop staat. Af en toe is er een boompje met trosjes gele bloemen; in knop lijken ze net op hangende katjes. In de berm staan vaak grote groepen lichtpaarse viooltjes; een enkele keer een tuiltje diepviolette miniviooltjes. Overal zijn nachtegalen te horen. Regelmatig is er de doordringende geur van wilde dieren. ‘Te groot!’, zegt Mels als voor de zoveelste keer een buizerd vlak boven ons komt hangen. We rusten tweemaal kort op een bankje; restaurants zijn hier niet. We zien regelmatig een andere loophenro, een 72-jarige man uit de omgeving van de Fuji-berg. Hij heeft tweemaal de Camino gelopen en driemaal de henri-michi (en in zijn jonge jaren de Matterhorn en de Montblanc beklommen…) ‘Camino en henro-michi, 2 zusters van hetzelfde bloed’, zegt hij.

Rond het middaguur komen we aan bij het begin van het schiereiland. Langzaam dalen we af naar een dal en worden verwelkomd door een legertje kwakende kikkers. We negeren een koffiehuis; ik heb sinds het ontbijt behoorlijk last van maag en darmen. Ook lopen we voorbij het drijvende restaurantje in de oksel van het estuarium. We hebben er 2 jaar geleden een lunch genomen, maar die bleek toen te bestaan uit schelpdieren die levend geroosterd werden op een tafelgrill. Het duurde erg lang voor ze ophielden met klepperen en spuiten. Niet leuk. En bovendien vonden we ze helemaal niet lekker. In plaats daarvan hopen we wat eten te kopen in een supermarktje bij een haventje verderop, maar we lopen het mis. We zijn inmiddels erg moe geworden en willen graag even rusten na zo’n 15 kilometer te hebben afgelegd, maar er is nergens een gelegenheid. Er staat een behoorlijk koude wind, dus even op een richeltje zitten is er ook niet bij. Dan zie ik toch nog een kleine super, maar het blijkt een sakezaakje te zijn. Ik vraag naar aisu kurimu (icecream), maar helaas. De hartelijke eigenaresse begrijpt het probleem en komt aan met 2 groenige, bolronde ijsjes. Mels zegt meteen nee; van groene thee-ijsjes houden we niet. Ik neem het beleefd aan, want het is duidelijk een osettai. We zien wat chocolaatjes liggen en daar heeft Mels wel zin in. We kopen wat en vragen dan of we even op het bankje bij de toonbank mogen zitten. Uiteraard. Terwijl Mels keuvelt met de aardige dame, probeer ik steeds wanhopiger iets van het ijsje te eten. Het is keihard en smaakt nergens naar. Het bijgeleverde houten lepeltje biedt ook geen soelaas. Hoe kan ik het ongemerkt in mijn tas laten verdwijnen, terwijl ze toekijkt??? Pas na 5 minuten kom ik tot de ontdekking dat ik bezig ben de groene, hardplastic verpakking af te likken… Zou ze denken dat ik vreemd gedrag vertoon? Dat ik alle verpakkingen altijd eerst aflik??? Binnenin het groene bolletje zit heerlijk vanilleijs; een prima middel tegen darmklachten! We krijgen ook nog een buntan mee en worden hartelijk uitgezwaaid als we vertrekken.

Na een vervelende, slecht verlichte autotunnel zonder stoep, komen we in een volgend dal. Inmiddels hebben we felle, erg koude tegenwind. Steeds meer komen we er met moeite tegenin. Het gebrek aan een lange rustpauze breekt ons allebei op. Mels is in de loop van de dag steeds meer last gaan krijgen van rug, knieën en voeten en ook ik ben erg aan een wat langere rust toe, ook mijn voeten zijn erg pijnlijk. We rusten – samen met de andere henro – nog weer even kort in een rest hut die aan de windkant is afgeschermd met doorzichtig golfplastic. Dan lopen we geleidelijk een enorm industriegebied in. Van de ochtendidylle komen we in het moderne Mordor. Mels sleept zich voort. Lange tijd lopen we langs een enorme betonfabriek. Het verkeer is erg druk en af en toe druk ik mezelf tegen de vangrail om niet geraakt te worden. Overal in het dal lopen autowegen die in hoogte variëren en her en der elkaar kruisen. Langs een rivier (in beton gevat, zoals bijna overal) staan nog veel meer betonfabrieken en liggen grote schepen aangemeerd. Langs de kade van een kleinere zijrivier liggen kleine vissersbootjes hoog boven het wateroppervlak; de zee is vlakbij en het is blijkbaar eb. Tegen 3 uur lopen we het stadje Susaki binnen en hier zijn wel restaurantjes. We leggen aan voor koffie en krijgen er zelfgebakken koekjes bij en een gelatinepuddinkje met aardbei. We blijven lang zitten; onderwijl pelt de eigenaresse een buntan voor ons. Lekker!

Daarna is het nog slechts enkele kilometers naar onze overnachtingsplaats, een ryokan aan de voet van het bergje waarop bangai 5 zich bevindt. Het is een ryokan waar we voor de eerste keer komen en het blijkt een schot in de roos: via een fraaie binnentuin met (letterlijk!) een boom van een schijfcactus, komen we bij een volgend gebouwtje dat we helemaal voor onszelf ter beschikking blijken te hebben. Het zijn allemaal oude gebouwen – 120 jaar oud – vol fraaie details. Op de kamer, in de tokonoma, staat een fraaie vaas met verse lelies en ontluikende wilgenkatjes. Alles ziet er goed verzorgd uit en ook de ofuro is – voor de verandering – erg schoon. We zijn de enige gasten en terwijl wij in de eigen kamer aan de verwarmde tafel een meer dan uitstekende maaltijd krijgen opgediend, worden in de even fraaie kamer naast ons de futons opgemaakt; de spiegel afgedekt een een mooie doek. De gastvrouw is uiterst hartelijk en blijkt een (nogal schel) lachebekje. Dat onze voeten – zoals gewoonlijk – veel en veel te groot zijn voor de binnensloffen en ook voor de houten buitenslippers, ze moet overal hartelijk om lachen.

Geplande afstand: 23,2 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 24,7 km, totale stijging 594 m, totale daling 654 m
Cumulatief afgelegde afstand: 493,3 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.32– ca. 16.25 uur
Looptijd: 5,20 uur
Gemiddelde snelheid: 4,6 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 0!
Overnachting: Yanagi Ya (2 kamer van elk 6 tatami’s groot met kastenwand en fraaie tokonoma, verwarmd tafeltje met 2 grondstoeltjes, tv, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt)

Dag 29: zondag 25 maart 2012: Kantoor met oceaanzicht

Bij het ontbijt nemen we afscheid van Shane die verder zal trekken, niet alleen lopend, maar ook af en toe met de trein om de verloren tijd in te halen. We geven hem 2 Delftsblauwe klompjes mee voor zijn grootmoeder. Kwart over 10 komt Yoshitake ons halen voor het infuus. We rijden weer dezelfde route terug naar Tosa City, waar het ziekenhuis zich bevindt vlakbij het vorige hotel. Het is mooi, zonnig weer, maar nog steeds erg koud. Vandaag wordt in Kochi de aftrap gegeven voor de sakurafeesten. De rest van Japan volgt daarna in 1–2 weken. Het is de gewoonte om dan in een park, onder bloeiende sakurabomen, gezamenlijk – meestal met collega’s – zittend op een zeiltje ‘wat’ te drinken – de schoenen netjes uitgetrokken en buiten het zeil opgesteld. Maar ik ben bang dat dat dit jaar toch wat erg koud zal worden…

Het nieuwe infuusflesje – dat ik altijd uit Nederland meeneem – levert problemen op, maar met enig improviseren lukt het uiteindelijk toch. Tegenover me liggen enkele mensen op bedden aan infusen; ze zien er duidelijk ziek uit. Ik voel me wat schuldig: ik loop maar vrolijk rond op Shikoku en voel me steeds beter…

Al snel zijn we weer terug in het hotel; Yoshitake vliegt meteen terug naar Tokyo. In de eetzaal van het hotel nemen we een lunch met katsuo tataki, een tonijnsoort; de plakjes iets aangebakken, met schijfjes rauwe knoflook, ui en een wat zure saus. Het is een mooie, zonnige dag en we hebben een mooi uitzicht op de rotsen en de zee onder ons. Na de lunch gaat Mels weer op de futon, ik werk de rest van de dag aan KLEI, onderwijl genietend van het fraaie uizicht. We hebben in Japan zelden internet en als het er is, dan is het vaak zo langzaam dat alle tijd wordt opgeslurpt door het uploaden van het blog, en/of de verbinding moet gedeeld worden met andere mensen (waaronder Mels…) Maar vandaag kan ik gelukkig even doorwerken. Ik zet enkele documenten en mailtjes klaar op de laptop, maar moet uiteindelijk toch nog geruime tijd wachten tot ik het noodzakelijke kabeltje kan gebruiken. Er zijn toch weer meer liefhebbers…

De avondmaaltijd delen we met Herbert Meinen, een 42-jarige Duitser, computerprogrammeur. Hij heeft ook al de Camino gelopen en weet er enthousiast en beeldend over te vertellen: ‘Je slaapt met 100-den mensen op een slaapzaal. Neem oordoppen mee!’ Dan is het zo slecht nog niet op die dunne futonnetjes met papieren muren…

Geplande afstand: 0 km
Werkelijke afstand: nagenoeg 0 km
Overnachting: hotel Kokumin Shukusha Tosa (kamer 6 tatami’s groot, kastenwand / halletje, binnenveranda met tafeltje en 2 fauteuils, tv, fantastisch uitzicht over kust en oceaan, wifi in de lounge, redelijk avondeten, goed ontbijt)

Dag 28: zaterdag 24 maart 2012: Rondje Holland

De zon komt bloedrood op boven de oceaan en verkleurt langzaam naar blikkerend zilver in een vaaggrijze lucht, boven een kwikzilveren wateroppervlak. ’s Ochtends gaan we met Ikegami Koji naar Dolf van Graas en zijn vrouw Fumika Kuninori in het INAX-huis in Sakawa; vorig jaar hebben we ze ook bezocht en daarna per mail contact gehouden. Bij de parkeerplaats naast het hotel ontdekken we een wild zwijntje. Koji heeft het vorig jaar als biggetje uit een rivier gered en het is erg aanhankelijk. Aiko, liefdeskind, heeft hij het genoemd. We rijden aanvankelijk dezelfde route terug naar Tosa City als we gisteren hebben gelopen naar het hotel. Af en toe regent het nog heel lichtjes. Vlakbij de kust vliegt een grote groep buizerds boven enkele drijvende stijgertjes; waarschijnlijk is er vis te vangen. Dolf en Fumika ontvangen ons opnieuw heel hartelijk met koffie en gebakjes. Tussen de middag gaan we gezamenlijk lunchen bij een fraai udon-restaurant. Mels en ik tracteren

Daarna is het een tocht van zo’n anderhalf uur met de mercedes naar de volgende afspraak: Chika en Rogier Uitenboogaart, die washi – Japans papier – maken. We rijden door vele fraaie valleien met beekjes en watervallen, omringd door hoge bergen. Naast de sawa’s in de dalen zijn er veel theeplantages op de lagere berghellingen. Hogerop zijn alleen imposante donkere bossen van voornamelijk Japanse ceder. In een rivier staan aalscholvers en reigers om en om op een rij op een richel. Hier en daar zijn bloeiende kersen. Ik val na een tijdje in slaap en ben blijkbaar niet de enige: af en toe maakt de auto een vreemde schuiver. Na lange tijd komen we steeds hoger in de bergen: Chika en Rogier wonen op zo’n 600 meter hoogte; op de achtergrond is een hoge, massieve, bergrug te zien; op de hogere delen ligt overal nog sneeuw. Het is er behoorlijk koud. Als we bij het huis aanklopppen, zijn Chika en Rogier nog druk verwikkeld in een interview voor een Japans tijdschrift. Dan maken ze tijd voor ons. Rogier leidt ons rond door de werkplaatsen en Chika vertelt over de tijd dat Kochi-prefecture de belangrijkste papierproducent van Japan was. De berghellingen waren toen bedekt met struiken die voor de papiervervaardiging werden gebruikt. Zelf gebruiken ze hout van de papierstruik (Edgeworthia papyrifera): deze kleine struikjes met geelwitte bloemen hebben ze rond hun terrein geplant. Rogier toont de vele mogelijkheden met papier. Hij vervaardigt kamerschermen en schuifdeuren, maar ook ‘tegels’ (behang), allerlei lampen en bijvoorbeeld kalligrafiepapier. Soms wordt katoen gebruikt als basis. Voor een schuifdeur is klei door de papierpulp gemengd, wat een heel mooi affect geeft. We kopen een boekje over de papierbiënnale in Nederland waar Rogier nog veel contacten mee heeft. We praten ook over de vele verwaarloosde huizen en sawa’s die we overal zien. Japan heeft een enorm vergrijzingsprobleem: in 2040 zal 50% van de bevolking uit 65-plussers bestaan. Maar er is ook een andere reden. Rogier vertelt dat kinderen vaak het ouderlijk huis, na het overlijden van de laatste ouder, niet willen verkopen, enerzijds vanwege de emotionele binding, anderzijds omdat huizen na 100 jaar zijn afgeschreven. De op traditionele wijze gebouwde huizen gaan gewoonweg niet langer mee, uitzonderingen daargelaten. Dus brengt een verkoop ook niets op. Rogier heeft voor zijn huis alleen de grondprijs hoeven te betalen, zo’n 1.000 euro…

Een groot deel van de terugweg valt samen met de henroroute die we de komende dagen nog moeten gaan lopen. We herkennen veel plaatsen. Wat we nu in 1–2 uur met de auto afleggen, daar zullen we de komende week minstens 2–3 dagen over doen. Dat voelt wel een beetje frustrerend… Koji dreigt onderweg weer in slaap te vallen achter het stuur; we houden hem aan de praat. Het laatste deel van de rit zien we langs de weg overal bloeiende kersen. Dat wordt een mooie wandeling de komende tijd!

Shane blijkt een nacht te hebben bijgeboekt in het hotel; hij heeft erg veel last van zijn enkel. Het avondeten gebruiken we weer gezamenlijk. Het is voor ons allemaal een verademing weer gewoon te kunnen communiceren; Japanners zijn wel vaak heel aardig, maar met name door het taalprobleem blijft de communicatie toch heel erg beperkt en dat is erg jammer. Wij proberen Shane en passant wat nieuwe Nederlandse woorden aan te leren zoals weigerambtenaar en gedoogkabinet. Ook niet makkelijk..

Geplande afstand: 0 km
Werkelijke afstand: nagenoeg 0 km
Overnachting: hotel Kokumin Shukusha Tosa (kamer 6 tatami’s groot, kastenwand /
halletje, binnenveranda met tafeltje en 2 fauteuils, tv, fantastisch uitzicht over kust en
oceaan, wifi in de lounge, goed avondeten, goed ontbijt)

Dag 27: vrijdag 23 maart 2012: Grijze eenzaamheid

Het plenst zoals voorspeld. In de laagvlakte hangt een dicht wolkendek; slechts hier en daar steken er donkere bergtoppen bovenuit. Tijdens het ontbijt komt de eigenaresse weer met enkele extraatjes: snippers gedroogde vis en speciale sojasaus, lekker door de rijst. Ze zal een zak van het een en een karton van het ander opsturen naar ons laatste hotel in Japan, zodat we het mee kunnen nemen naar Nederland. Wij blijven lekker lang hangen, de nattigheid buiten trekt niet echt en bovendien gaan we eerst koffiedrinken… denken we. Maar dat hebben we verkeerd begrepen: de eigenaresse suggereert dat we eerst nog tempel 35 bezoeken en daarna terugkomen om gezamelijk te gaan koffiedrinken. Dat komt eigenlijk veel beter uit, want voor tempel 35 hoeven we alleen even op en neer. We willen de rugzakken toch achterlaten in het hotel om ze later weer op te pikken voor het verdere dagtraject.

In de stromende regen lopen we door Tosa City en gaan daarna via een smalle weg de berg op waar tempel 35 zich bevindt. Vanwege de regen laten we een korter paadje links liggen. Na het tempelbezoek doen we het koffiehuis aan waar we hebben afgesproken met de eigenaresse van het hotel. Voordat we binnen mogen komen, droogt moeders onze natte regenpakken af met een handdoek. Ze tracteert op koffie met brood en ei. En van het koffiehuis krijgen we nog wat zure sinaasappelpartjes. We hebben de volle aandacht van het hele koffiehuis. Het zit er vol met – vooral wat oudere – vrouwen en enkele mannen. We zien dit soort koffiehuizen wel vaker in Japan: gezellige huiskamerachtige etablissements waar de meeste bezoekers rond de bar zitten, en waar veel gezamenlijk gekletst wordt. Heel anders is het bij de restaurants die meer westers ogen, zoals bij de luxe bakkerij waar we rond het middaguur nog wat broodjes (en een lekkere cappuccino) kopen voor onderweg. Daar zit iedereen netjes aan zijn eigen tafeltje, met zijn eigen gezelschap, meer zoals in westerse landen.

Ondanks onze voornemens vertrekken we pas rond half 1 voor het verdere dagtraject, na eerst nog onze rugzakken te hebben opgehaald in het hotel en wat cadeautjes te hebben achtergelaten voor de eigenaresse. Uur na uur lopen we in de regen. Ik moet voortdurend even wachten omdat Mels anders te ver achterblijft. De tocht is voor hem erg moeilijk dit jaar; er zijn maar weinig dagen dat hij redelijk fit is. De gebeurtenissen met zijn dochter afgelopen jaar hebben hem geestelijk en lichamelijk een flinke knauw gegeven. Hij is voortdurend moe. En zo lopen we samen alleen, elk met zijn eigen gedachten.

Bij een rest hut rusten we kort om de meegenomen broodjes op te eten. In de gestaag vallende regen lijken de bamboebossen wel reuzenboerenkoolstronken; de houtige stengels buigen zwaar door; het gebladerte hangt als natte pruiken naar beneden. We beslissen om niet het pasje te nemen dat we voorgaande jaren hebben gedaan: jammer, want het is een van de mooiste paadjes tijdens onze tocht. Maar met deze regen is het waarschijnlijk nauwelijks begaanbaar. Daarom gaan we nu via een ca. 1 kilometer lange autotunnel (gelukkig met brede stoep en railing). We komen daardoor iets te oostelijk uit, maar kunnen via een kustweg weer op het goede traject komen dat aansluit op een lange (maar gelukkig geen hoge en geen drukke) brug naar het schiereiland waar de volgende tempel staat en waar ons hotel zich bevindt. Als we uit de tunnel komen, is het zo mogelijk nóg harder gaan regenen. Af en toe zien we op het asfalt reuzenregenwormen, wel 30 centimeter lang en blauw-iriserend van kleur. Eenmaal op het schiereiland lopen we langs een vrij stille weg die vlak langs de zee kronkelt. Op de rotsen in zee zitten wat verfomfaaide aalscholvers, diep ineengedoken tegen de regen. Vlakbij lijkt de zee spiegelglad, maar aan de overkant van het water, langs het vasteland, beuken grote golven op de rotsen. We rusten heel kort in een rest hut; tegen de plafondbalken zitten overal lemen nestjes van metselbijtjes.

Al om 3 uur zijn we bij de tempel. Een Japanse henro omhelst ons en geeft ons elk een gelukskat-hangertje; wij geven hem een klompjes-sleutelhanger. De regen neemt inmiddels af. Bovenaan alle trappen, voor de hoofdtempel staat een kers in volle bloei: sakura! In het moeras aan de voet van de berg zitten volop kikkers te kwaken. We ontmoeten bij de tempel een langneus: de 24-jarige Shane uit Australië, student geologie, die regelmatig in Japan verblijft. Toen hij eens een tempel bezocht op Shikoku en er in wit geklede pelgrims met strooien hoeden zag, wist hij meteen dat hij dit ook wilde doen. Hij blijkt hetzelfde hotel als wij te hebben geboekt. Gezamenlijk nemen we het kleine paadje vanaf de tempel, verder de berg op, richting het hotel. En al voor half 5 zijn we er en worden we zeer hartelijk verwelkomd door Ikegami Koji, de hoteleigenaar. We komen hier inmiddels voor de derde keer en dit is het meest fantastische hotel tijdens onze pelgrimstocht, mede door de hoge ligging.

Vanuit de openlucht-ofuro heb ik een sensationeel uitzicht over de oceaan. Op zo’n grijze dag als vandaag gaat de oceaan aan de einder onmerkbaar over in de hemel. Er lijkt geen verschil in dichtheid meer te zijn tussen water en lucht. Het moet een ideale dag zijn voor een nami kanjo, een golfgebed, bedenk ik me… Vlakbij de buitenrand van het bad, waar geen afdak is, valt de regen zachtjes in het badwater. Langzaam gaat het schemeren. In de verte gaan de lichtjes aan op het vasteland.

We krijgen een mailtje en later ook een telefoontje: het is Yoshitake toch nog gelukt mijn infuus rond te krijgen, maar wel pas over 2 dagen. Daarom beslissen we niet 2 maar 3 nachten te blijven in het hotel. En Koji heeft al toeristische uitstapjes bedacht: we gaan weer Nederlanders bezoeken. De avondmaaltijd delen we met Shane. Heel gezellig! Mijn accent doet hem denken aan zijn grootmoeder die in Nederland is geboren.

Geplande afstand: 18,2 km, 200 m stijging
Werkelijke afstand: 20,7 km, totale stijging 571 m, max. helling 17%, totale daling 502 m
Cumulatief afgelegde afstand: 468,6 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.46– ca. 16.20 uur
Looptijd: 4,28 uur
Gemiddelde snelheid: 4,6 km/u
Bezochte tempels: tempel 35 en 36
Blaren: 0!
Overnachting: hotel Kokumin Shukusha Tosa (kamer 6 tatami’s groot, kastenwand / halletje, binnenveranda met tafeltje en 2 fauteuils, tv, fantastisch uitzicht over kust en oceaan, wifi in de lounge, uitstekend avondeten, goed ontbijt)

Dag 26: donderdag 22 maart 2012: Bitte, bitte, kein alkohol!

In de diepte zie ik ’s ochtends tegen 8 uur al behoorlijk wat mensen flaneren over het geplaveide pad langs het strand. De zon schijnt fel naar binnen in de kamer. Ik vraag me af wat warmer (en vochtiger) is: een broeikas of een broedkast? Het wordt een mooie, warme dag. Voor het raam cirkelen vlakbij 2 roofvogels; in de verte varen enkele vissersboten. De zee is spiegelglad. Na een weer uitstekend ontbijt en nog even internetten, vertrekken we om kwart over 9 voor een relatief makkelijk traject, hetzelfde als vorig jaar. Eerst dalen we weer af, via een smalle weg die rond het bergje cirkelt waarop ons hotel zich bevindt. Vlak voor de grote, hoge brug waarover we gisteren zijn aangekomen, nemen we een klein pad, nog verder naar beneden, en zigzaggen dan langs de ene na de andere inham op het schiereiland, door een vissersdorpje en langs heel veel havenindustrie. Mannen zitten te hengelen op de kademuren. We kopen een ijsje bij het enige supermarktje waar we deze ochtend langskomen en kort daarna komen we via een kleine, lage brug op de andere oever van de baai, waar zich meteen tempel 33 bevindt. Na het uitvoeren van de rituelen, zitten we even in het zonnetje op een bankje uit te rusten. Morgen is weer regen voorspeld; nu nog even genieten. Daarna lopen we verder, voornamelijk door agrarisch gebied, met af en toe een gehucht. Net als ik tegen Mels zeg dat we dit jaar niet zoveel buntans hebben gekregen als voorgaande jaren, komt er achter ons een vrouw aanlopen met 2 enorme buntans… We krijgen er een plastic tasje bij.

Tegen het eind van de ochtend gaan we steeds harder lopen. We hebben honger en zijn moe en we verwachten naast tempel 34 een aardig restaurantje waar we al tweemaal eerder hebben geluncht, de enige eetgelegenheid die we tot ver in de namiddag tegen zullen komen. Maar het restaurantje blijkt gesloten en het ziet ernaar uit dat dat definitief is… Bij de ingang van de tempel is een winkeltje met henrobenodigdheden en daar kunnen we gelukkig ook 2 cadetjes met zoetebonenvulling kopen, evenals wat koekjes en chocolade. We krijgen er een sinaasappel bij. Aan de overzijde van de 2-baans weg langs de tempel is een ruimte met wat automaten met frisdrank en etenswaren en ook wat tafels en stoelen. De ruimte erachter blijkt een keramiekatelier te zijn, maar dat ziet er wat ongebruikt uit; buiten staat een oven. We lunchen er met de gekochte versnaperingen en de eerder gekregen tomaten, buntans en sinaasappel. Mels valt weer in slaap. Aan het tafeltje naast ons zitten enkele werkmannen te lunchen, alle 3 druk bezig met spelletjes op hun mobieltjes. Ze negeren ons nadrukkelijk; ook ons ‘sayōnara’ als we weggaan, wordt niet beantwoord. Na het uitvoeren van de rituelen bij tempel 34, blijken de 3 medewerkers in het stempelkantoor ook nauwelijks tijd te kunnen vrijmaken voor ons. Rond lunchtijd loopt een populaire soap over een vrouw op leeftijd die een mode-imperium heeft opgebouwd. Alle aandacht is gericht op de tv aan de muur; stempelen en kalligrafie worden afgeraffeld en daarna worden we er weer meteen ‘uitgesayōnaraad’.

Langzamerhand lopen we Tosa City binnen, een kleine stad die wat van de kust af ligt. We hopen nog ergens koffie te kunnen drinken, vooral om nog even uit te kunnen rusten, maar alles blijkt gesloten. In een winkelcentrum vinden we een kleine McDonald’s. Cappuccino en McFlurry-ijs blijken er niet te zijn; uiteindelijk nemen we elk een piepklein softijsje, samen 6 euro. Wel wat veel geld voor zulke kleine ijsjes, vinden we. Maar even later blijkt dat we ook nog 2 grote bekers zwarte koffie hebben besteld. Het Japans blijft moeilijk…

Kort daarna komen we al bij het hotel waar we dit jaar voor de derde keer hebben gereserveerd. Mels noemt de eigenaresse ervan ‘de Generaal’ (maar wel stiekum achter haar rug…), maar tijdens ons tweede verblijf bleek ze ook een heel andere, heel aardige kant te hebben: we kregen een mooi antiek theepotje uit Bizen cadeau en werden de ochtend van ons vertrek getracteerd op koffie in een koffiehuis. We zien haar weer als we ’s avonds – nadat we in de buurt hebben gegeten – nog even in de ontbijtzaal zitten te internetten. Ze brengt meteen wat te eten: schaaltjes met overheerlijke zoete tomaten, ananas en zoete sinaasappel. Ook een Duitse pelgrim komt erbij zitten: Pekka Scheuermann, 35 jaar. We hebben hem even daarvoor op straat, bij de ingang van het hotel ontmoet. Hij doet de tocht voor de eerste keer, maar het bevalt hem niet: Teveel lopen in stedelijke omgeving, langs wegen en straten. De geur van de zompige sawa’s vindt hij ook verschrikkelijk. En de taal is een groot obstakel. Meer te spreken is hij over de Camino die hij al tweemaal heeft gelopen. Daarom doet hij de pelgrimstocht op Shikoku nu versneld per bus en trein, af en toe lopend, zodat hij later dit jaar weer de Camino kan lopen en later in Amerika het Appalachian-trail. Hij heeft wat eten gekocht in een supermarkt. De eigenaresse laat meteen ook een kommetje misosoep brengen, en een vis – maar die lust hij niet – en sake en later ook zelfgemaakte umeshuu – maar hij drinkt geen alcohol sinds een iets te wild feest in Tokyo… Hij is vooral bezig met internetten op zijn mobieltje. Terwijl de alcohol via een bochtje onze kant op stroomt, wordt Mels zijn Japans plotseling vloeiend. Hij vertaalt moeiteloos tussen Nederlands, Duits en Japans. De eigenaresse geeft de Duitser echter nog niet op: Of hij van Kagawa heeft gehoord? Dat is het toverwoord: Kagawa is de Japanse voetballer die het Duitse voetbal aan het redden is. Mels vertaalt enthousiast over en weer het gesprekje. De eigenaresse komt ook nog met een soort wrongel: het overblijfsel van gefermenteerde rijst bij de bereiding van sake. En we worden opnieuw uitgenodigd om morgen met haar koffie te gaan drinken. Daar kunnen we niet onderuit, hoe we ons ook voorgenomen hadden, haast te maken met ons dagprogramma, omdat we voor 5 uur de laatste tempel moeten zien te halen…

Om 9 uur worden we allemaal uit de ontbijtzaal gezet. Sommige dingen veranderen niet…

Geplande afstand: 17,8 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 18,9 km, totale stijging 444 m, totale daling 496 m
Cumulatief afgelegde afstand: 447,9 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.17– ca. 16.20 uur
Looptijd: 4,05 uur
Gemiddelde snelheid: 4,6 km/u
Bezochte tempels: tempel 33 en 34
Blaren: 0!
Overnachting: hotel Business Inn Tosa in Tosa City (westerse kamer, 2x1p-bed, bureau met stoel, zitje met 2 fauteuils, koelkast, tv, badkamer met bad / douche / wc, hal met wastafel, wifi in de ontbijtzaal, geen avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 25: woensdag 21 maart 2012: Geven en nemen…

Meneer Hagiwara is een vroegopstaander. Al voor dag en dauw, nog voor de hanen beginnen te kraaien, hoor ik geschuifel aan de andere kant van de gemeenschappelijke schuifwand. Blijkbaar is hij zijn rugzak opnieuw aan het inpakken en is hij zich aan het aankleden. Na een tijdje wordt het weer stil, tot er opnieuw geschuifel is. Het maakt niet uit, al de hele nacht kan ik bijna in mijn eigen zweet naar buiten zwemmen, liggend tussen 2 vachtachtige dekens. Ik heb toch niet geslapen, hoewel 4 uur toch wel wat vroeg is… Het geschuifel gaat zo lange tijd door, tot meneer Hagiwara rond half 6 naar de keuken gaat, waar onze beide kamers aan grenzen. Blijkbaar heeft hij zijn staf meegenomen, ik hoor het belletje eraan telkens rinkelen als hij heen en weer loopt. Misschien is hij even aan het vooroefenen voordat hij echt op stap gaat. Af en toe botst hij nadrukkelijk tegen onze schuifdeuren aan, maar wij reageren niet. Tegen kwart voor 6 wordt het stil. Meneer Hagiwara is blijkbaar vertrokken. En voor ons is het tijd om op te staan…

Na het ontbijt is Mels nog even de blog aan het uploaden en ga ik alvast terug naar het appartement om mijn voeten in te tapen. Als hij na een uurtje er nog niet is, loop ik maar terug naar het restaurant. Snel komt hij naar buiten: een fietsvriend van de Franse fietsclub is door een auto aangereden en zwaargewond op de ic beland. Uiteindelijk vertrekken we om kwart over 8. We lopen verder rond Kochi; eenzelfde traject als vorig jaar. Het is – hoewel zonnig – erg koud: sjaal en handschoenen worden weer tevoorschijn gehaald. Al snel zijn we bij tempel 30 en na de rituelen te hebben uitgevoerd (en de kleine sandaaltjes te hebben vastgebonden aan het poortgebouw!), gaan we op weg naar de volgende tempel. Aanvankelijk lopen we vooral langs sawa’s, later meer door stedelijk gebied. Langs een rivier staat een bejaarde vrouw met een fiets ons op te wachten. We krijgen een halve kilo tomaten (Japanse tomaten zijn heerlijk zoet!) en enkele hoestsnoepjes met gembersmaak. Ze wil de pelgrims ondersteunen; ook de viooltjes langs het weggetje zijn door haar geplant als osettai! Een tijd later worden we aangesproken door een andere vrouw. Ze is zeer geïnteresseerd in onze bezigheden. We blijven lang staan praten. Weer later is er een man op een fiets die enthousiast een praatje met ons aanknoopt. We vinden het erg fijn als mensen zo positief reageren op onze tocht.

Na zo’n 5 kilometer leggen we even aan voor koffie. We hebben al snel de volle aandacht van het restaurant. Waar we vandaan komen, of we de hele tocht lopen, in 1 keer… wat, al 3 keer???? Als we weer buiten staan, zegt Mels: ’Volgens mij ben ik opgelicht bij het afrekenen…’ En dát is niet gebruikelijk in Japan… Via wat kleine, smalle weggetjes en straatjes lopen we naar de voet van de berg waarop zich een botanische tuin uitstrekt én de volgende tempel zich bevindt. In een grote rivier zien we weer talloze schildpadden, zonnend op elk stukje wrakhout dat ze kunnen vinden. Een bejaarde man uit het restaurant komt ons achterna op de fiets en wil ons blijkbaar de weg wijzen. Wij lopen echter iets te snel voor hem; regelmatig moet hij weer op zijn fiets springen om ons bij te kunnen houden. Bij het betonnen trappetje – met piepkleine treden – dat de berg op gaat, laten we hem zwaaiend achter. Voorgaande jaren liepen we de berg op onder een hemel van bloesem; maar nu zit alles nog in knop. Enkele weken geleden zei een vrouw tegen ons: ‘De pruimenbloesemtijd loopt ten einde, het sakkurafeest nadert: de kersenbloesems!’ Maar hoewel Shikoku – zeker het zuiden – een subtropisch klimaat kent, is het voorjaar dit jaar erg koud en de natuur zeer laat. Kersenbloesems hebben we nog maar weinig gezien. Naarmate we hoger stijgen, zien we in de diepte een grote vlakte met natte sawa’s, blinkend in de felle zon. Na een korte klim komen we in de botanische tuin. Ook daar is het nog erg kaal. Hier en daar zijn groepen bloeiende narcissen, blauwe druifjes, helleborus en crocussen. En af en toe een azalea. Citroentjes fladderen er tussendoor. In een dal ver weg is een grote kolonie sneeuwreigers aan het broeden, hoog in de bomen die er inmiddels erg kaal bijstaan door alle bijtende stront die naar beneden valt.

Op een bankje eten we een ijsje, met uitzicht op drijvende plantenbakken in een grote vijver, gevuld met bloeiende tulpen en andere voorjaarsbloeiers. Plotseling is het warm, erg warm. Heerlijk! Net als we de botanische tuin willen verlaten, ontdekken we een tropische kas vol met cactussen, orchideeën, tillandsia’s, euphorbia’s… en 2 langneuzen: een echtpaar uit Schotland; hun dochter geeft Engelse les op Shikoku. We blijven even staan kletsen; blij dat we eindelijk weer echt kunnen converseren, want het Japans blijft toch erg moeilijk…

Direct achter de botanische tuin bevindt zich tempel 31, een idyllisch plekje dat nog ligt binnen de invloedssfeer van de tuin: op de plateaus tussen de talrijke trappen staan diverse plantenbakken met voorjaarsbloeiers. Een stenen kantjil koestert zich in de zon. Helemaal bovenaan alle trappen bevinden zich niet alleen de tempels en een stoepa, maar ook een koddig groepje zittende beelden met rode, gebreide mutsen op. Helaas zit ook deze tempel volop in de werkzaamheden. In enkele bomen worden takken gesnoeid en in de grond worden gaten geboord rond een slecht groeiende kamferboom. We rennen tussen de vallende takken door om de hoofdtempel te bereiken en proberen de hartsoetra te reciteren tegen het lawaai van allerlei apparaten in. Gauw weer weg…

We eten – bij gebrek aan alternatieven – udonsoep in een tentje onderaan het tempelcomplex. De rest van de middag heb ik spijt… En Mels zegt – als we weer aan het lopen zijn: ‘Volgens mij ben ik hier óók opgelicht…’ In plaats van extra osettai’s krijgen we op de sterfdag van Kukai blijkbaar andersoortige ‘cadeautjes’… Maar we kunnen er niet echt mee zitten, daarvoor vinden we de mensen van Shikoku over het algemeen véél te aardig. Het zal de grotestadsmentaliteit zijn die we in en rond Kochi wel ervaren: ook medehenro’s zijn hier vaak zo op zichzelf gericht dat ze regelmatig geen tijd hebben om elkaar dag te zeggen…

Via een smal asfaltweggetje bereiken we het volgende dal en lopen dan lange tijd over een weggetje tussen een grote en kleine rivier. Uit het kleine water springen af en toe grote vissen, net als in voorgaande jaren. En met de zon komen natuurlijk ook de slangen tevoorschijn. Als ik een hoek omsla en een bruggetje over wil steken, weet ik net op tijd te stoppen voor een zonnende slang. Wat foto’s rijker lopen we weer door.

Langs een 2-baans weg over een klein huchtje komen we bij een meertje met een rest hut. We rusten er kort en krijgen gezelschap van een bejaarde vrouw. Maar helaas heeft Mels vandaag weer een moeilijke dag, nu vanwege zijn rug en hij heeft niet zo’n zin in praten. We nemen al snel afscheid. Kort daarna bereiken we de voet van de volgende berg waar tempel 32 zich op bevindt. Via een klein paadje zijn we al snel boven. We voeren de rituelen uit en bewonderen het uitzicht: in de verte is onze overnachtingsplaats voor vannacht te zien, bovenop een volgend bergje, aan de andere kant van een groot water. Nadat we zijn afgedaald, volgen we lange tijd route 14, een stoep langs een drukke 2-baans weg, vlak langs de kust, eerst langs sawa’s, later door havenindustriegebied. Om ons een beetje moed in te prenten, eten we nog een ijsje bij een supermarkt – het tweede ijsje vandaag; blijkbaar zijn we weer op een ijsjesdieet aanbeland… – en dan… ja dan komt die vervelende brug weer. De weg wordt wat smaller; de stoep hoger en zo mogelijk nóg smaller… – het is een haast nachtmerrieachtige toevoerweg – en dan gaan we met zijn allen – het razend drukke autoverkeer en wij – de hoogte in en via een langzame bocht komen we in de goede richting naar het schiereiland waarop ons hotel zich bevindt. De brug maakt een sierlijke boog over het brede water; in de diepte – tussen de schitteringen van de inmiddels bijna ondergaande zon – zien we de veerboot die we 2 jaar geleden namen. Maar inmiddels hebben we een hotel ontdekt dat zó goed is dat we er een omweg voor over hebben – én een stressvolle looptocht over een hoge brug… Elke struikeling kan fataal zijn. Elke keer als er een grote vrachtauto aan komt, drukken we ons plat tegen de vangrail, in de hoop dat we niet worden meegesleurd door de ver uitstekende spiegels. Angst geeft vleugels… De opluchting is groot als we van de stoep af kunnen stappen…

Dan is er nogmaals een klim, rond de heuvel waar ons hotel zich op bevindt. Met een fenomenaal uitzicht op de kust waar we het laatste deel van de dag langs hebben gelopen en ook op de oneindige oceaan natuurlijk. En in de diepte het strand waar mensen en honden lopen, piepkleine poppetjes.

Rond half 6 komen we aan bij het hotel bovenop de top. We blijken een westerse kamer te hebben met bedden. Helemaal niet erg voor een keer… En het eten…. het eten is goddelijk!

Geplande afstand: 22,0 km, 150 m stijging
Werkelijke afstand: 22,8 km, totale stijging 556 m, totale daling 510 m
Cumulatief afgelegde afstand: 429,0 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.16– ca. 17.35 uur
Looptijd: 5,02 uur
Gemiddelde snelheid: 4,5 km/u
Bezochte tempels: tempel 30, 31 en 32
Blaren: 0!
Overnachting: hotel Katsurahama (westerse kamer, 2x1p-bed, bureau, koelkast, 2 stoelen, tv, badkamer met bad, douche, wastafel en wc en invalidenoprit, fantastisch uitzicht over kust en oceaan en onder ons een vuurtoren en (ver onder ons) het strand, wifi in de lounge, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt)

Dag 24: dinsdag 20 maart 2012: Ik zag 2 beren…

Bij het ontbijt zijn er toch nog 2 andere gasten bijgekomen: werkmannen in pastelgroene pakken (alle werkmannen in Japan zijn op dezelfde manier gekleed). Uit het haventje vertrekt af en toe een motorsloep, soms een wat grotere vissersboot met grote hengels die – in ongebruikte toestand – naar voren steken. In de verre verte zijn vaag bergen te zien; we zitten momenteel in een gigantische baai aan de zuidkant van het eiland dat de vorm heeft van een roggenei. Het is bewolkt, de zee is aan de einder net iets donkerder dan de grijze wolkenlucht. Als we om 8 uur vertrekken is het behoorlijk fris. We worden hartelijk nagezwaaid door de gastvrouw. We hebben voor vandaag eenzelfde programma gepland als vorig jaar. De komende dagen moeten we om Kochi, de grootste stad aan de zuidkust, heentrekken en onderweg diverse tempels bezoeken.

Een tijdlang volgen we weer het fietspad, tot we – vóór Kochi – naar het noorden afbuigen via allerlei grote en kleine wegen, afwisselend door agrarisch gebied en kleine gehuchtjes. Ik zie steeds meer magnolia’s in bloei staan en af en toe is er ook het felle, uitbundige geel van forsythia’s. Op een bergtop staat een Frans(?!) kasteel. Rond 10 uur vinden we een leuk restaurantje met uitstekende cappuccino en overheerlijk gebak. We krijgen een extra cakepunt erbij als osettai. De gastvrouw is onder de indruk van de tekst op mijn pelgrimstas: 1 weg, 2 mensen. Het gaat uit van het idee dat Kukai in gedachten met je meeloopt tijdens de pelgrimstocht. Voor mij betekent het nog heel veel meer: ik neem in gedachten iederéén mee die me dierbaar is… Het piepkleine restaurantje is ingericht met allerlei ditjes en datjes: bloemetjes, kleedjes, kopjes, kaarsjes… Eigenlijk zijn onze lijven veel te groot voor zo’n restaurantje en al helemaal met bepakking. Als we vertrekken, worden we uitgeleide gedaan door de aardige gastvrouw die onderwijl probeert de schade beperkt te houden…

Kort daarna bereiken we – op een huchtje – tempel 28, onder grote belangstelling van een busgroep. We praten ook kort met de eerste langneus die we dit jaar op Shikoku tegenkomen: een Engelse vrouw die woont in Japan, samen met haar Japanse echtgenoot is ze aan het sightseeing. Als we – na het uitvoeren van de rituelen – nog even zitten bij het stempelkantoor, komt er een echtpaar aanlopen: zij met een kleine pluchen beer met klein pelgrimstasje, hij met een enorme – (Japanse) mensgrote – beer met pelgrimstas. Baikiman heten de beren. Ik ga op de foto met de grootste. We vragen: ‘Naze?’ (Waarom?) En het antwoord is: ‘Hij is 3 jaar geworden, dus mag hij mee.’ We snappen het niet echt. Is dit een soort compensatiegedrag voor ongewenste kinderloosheid? Als we even later de berg weer zijn afgedaald en onze route langs de weg vervolgen, horen we plotseling: ‘Goodbye!’ Uit het raam van een auto hangt een enorme beer te zwaaien.

Rond het middaguur hopen we een restaurant of supermarkt tegen te komen, maar ondanks het feit dat er 2 supermarkten in het routeboekje staan aangegeven, komen we niets tegen. Uiteindelijk rusten we kort bij een klein tempeltje, waar we vorig jaar ook hebben gezeten, en eten we wat mierzoete chips op, het enige eetbare dat we bij ons hebben. Er hadden nog kaakjes in Mels’ rugzak moeten zitten als reservevoedsel, maar die kunnen we niet meer vinden…  Als dank voor het mooie verblijf schrijven we in het gastenboek.

Zo’n 5–6 kilometer voor tempel 29 springt er een jonge vrouw uit wat armzalige gebouwtjes. Het is de verslaggeefster van de NHK weer, die we gisteren ook al zagen. Ze is bij de volgende gratis henro-overnachtingsplaats aanbeland. Mels plaagt haar: ‘Heb je er zelf al ingeslapen?’ ‘Nou, nee…’ Maar ze heeft wel een nieuwe tip: ‘Morgen is het de sterfdag van Kukai. Dan zullen jullie worden bedolven onder de osettai!’ Een leuk vooruitzicht!

Enkele kilometers later zien we een restaurantje. Voorgaande jaren hadden we dat ook gezien, maar konden toen nooit de ingang vinden… Nu wel. We drinken er koffie. Er is ook wel udonsoep, maar mijn darmen raken daar nogal eens van overstuur, aangezien dergelijke restaurantjes meestal niet erg hygiënisch zijn. Koffie kan minder kwaad… We trekken onze schoenen uit om onze voeten even wat vrijheid te geven, ze doen erg veel pijn.

Op het terrein van tempel 29 staan vele, grote treurkersen en 2 jaar geleden waren er hele watervallen van rose bloemen te bewonderen. Maar zowel vorig jaar als deze keer zit alles nog in de knop. Alleen een veldje judaspenning bloeit overvloedig. Bij tempel 29 zien we het echtpaar met de beren terug. Mels en ik poseren met de grootste beer voor een foto. Dan nemen we al zwaaiend afscheid. We lopen al lang en breed weer tussen de sawa’s als we achter ons iemand horen hollen en hijgen. De kleinste beer – vastgehouden door de man – overhandigt ons een visitekaartje. In de verte staan de grootste beer en de vrouw te zwaaien. We nemen nog eens hartelijk afscheid. Henroberen zijn nieuw voor ons; het is nog even wennen, maar wel leuk…

De tocht gaat verder, over kleine paadjes tussen sawa’s door, over smalle weggetjes langs kassen, over vele, lange bruggen… Op enkele natte sawa’s zijn boeren aan het ploegen. Boven een rivier vliegt een vlucht aalscholvers. Ik krijg steeds meer last van mijn voeten en knieën. En van mijn rechterenkel, ondanks de elastische tape die ik er sinds een paar dagen op heb geplakt. Het laatste deel van de tocht is moeizaam en dan komt er ook nog een huchtje… We zijn bijna bovenaan als er een auto stopt; het raam gaat open en ik krijg een paar piepkleine, gehaakte sandaaltjes aangereikt. ‘You need this’, zegt de man. Het zijn sandaaltjes die pelgrims vastbinden aan tempelpoorten in de hoop dat het hen vrijwaart van voetenpijn. Even na 5 uur zijn we dan toch bij onze overnachtingsplaats. Bij het inschrijven in het restaurant even verderop in de straat laat onze gastheer herhaaldelijk ‘yakimono’ vallen: gebakken waren. Mels vermoedt dat we het avondeten elders moeten halen, maar als we bij het appartementencomplex komen waar we zullen slapen, blijkt dat met yakimono keramiek werd bedoeld. Onze gastheer herinnerde zich van vorig jaar dat wij potters zijn. En… we delen deze keer ons appartement met meneer Hagiwara, potter uit… Mashiko! Hij is niet een van de aan de tentoonstelling in Nederland deelnemende keramisten. Daar zit ook een Hagiwara tussen, maar eentje die geboren is in 1974. En degene die hier zit moet minstens 90 zijn… Het blijkt een nogal dwingend baasje te zijn. Mels moet en zal meteen in bad. Mels geeft uiteindelijk toe, maar begint wat opstandig ‘De haren drijven je tegemoet zodra…’ te zingen. Ondertussen komt meneer Hagiwara (in pyjama!) voortdurend even langs, terwijl ik in de keuken op een bank zit te typen. Rochelend… kuchend… boerend… Ik suggereer dat Mels nog een tweede keer even in bad gaat en dan doet alsof ik dat ben, want er zit niet eens een deur voor… Maar daar heeft Mels deze keer geen zin in en als meneer Hagiwara weer langskomt om nu mij te sommeren in bad te gaan, vertelt Mels hem dat ik nu niet in bad ga, maar morgenvroeg een douche neem. Verbouwereerd druipt hij af naar zijn kamer.

Bij het avondeten in het restaurant neemt meneer Hagiwara 2 frisdrankglazen met sake en na de maaltijd is hij duidelijk aangeschoten. Hij is hardhorend en ook nogal moeilijk te verstaan, maar uit de uiterst moeizame conversatie blijkt dat hij geen familie is van de Hagiwara die meedoet aan de expositie. Zijn voornaam is Toshio en hij is 78 jaar oud. Hij gaat vroeg op bed; wij gaan nog even internetten met het kabeltje in de eetzaal. Onze gastheer vraagt of wij al klaar zijn met de ofuro: zou meneer Hagiwara hebben geklaagd over mij? Wij knikken zo overtuigend mogelijk ‘ja’. Een tijdje later komen 2 vrouwen ons bedanken dat ze ons bad hebben mogen gebruiken… Onze gastheer doet even na 8 uur de gordijnen dicht en ook steeds meer lichten uit. We begrijpen de hint en vertrekken naar het appartementencomplex. En zo staan we om 10 over 8 in een steenkoude kamer van minder dan 2,5 x 3 meter en zonder enig meubilair elkaar aan te kijken… Mels gaat maar weer op de futon en valt meteen in slaap; ik zit nog lange tijd – met jas aan en met de rug tegen het beddengoed – te typen… ‘Het blijft kamperen’, zegt Mels voor de zoveelste keer… Aan de andere zijde van de dunne schuifwant klinkt afwisselend luid gesnurk, gebrom, gemompel en soms een schreeuw. Dat wordt een onrustige nacht…

Geplande afstand: 26,0 km, 150 m stijging
Werkelijke afstand: 28,5 km, totale stijging 734 m, totale daling 708 m
Cumulatief afgelegde afstand: 406,2 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.00– ca. 17.05 uur
Looptijd: 5,48 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: tempel 28 en 29
Blaren: 0!
Overnachting: Rainbow Hokusei (kamer 6 tatami’s groot, gedeelde keuken met zitbank, kaptafel, bureautje, kantoorstoel, koelkast, tv en wasmeubel / badkamer / wc, internet via kabeltje in eetzaal, redelijk avondeten, redelijk ontbijt)

 

Dag 23: maandag 19 maart 2012: Mels is er weer!

Bij het ontbijt nemen we voorlopig afscheid van Kyoko en Hiroshi. Ze moeten vandaag eerst nog de berg op naar tempel 27, voordat ze – net als wij – verder westwaarts langs de zuidkust trekken. Het is zonnig en fris als we om 20 over 7 vertrekken voor eenzelfde dagtraject als vorig jaar. Mels voelt zich vandaag een stuk beter en ook het zonnige weer maakt het lopen een stuk makkelijker. Mels pakt meteen zijn Japanse lessen aan mij weer op: regelmatig staan we even stil bij een reclamebord om de Japanse karakers te ontcijferen.

Via het parallelweggetje waar de ryokan aan ligt, komen we weer op route 55. Het is erg druk op de 2-baans weg. We lopen een beetje daas naast al het voorbijrazende verkeer en concentreren ons op de hobbelige stoep of de ongelijk liggende platen die de goot bedekken. Vaak is er een sterke (en koude) tegenwind. Al na 5 kilometer leggen we aan bij een restaurantje waar we vorig jaar ook zijn geweest. Uit het raam zijn talloze vissersbootjes te zien die met grote hengels vlakbij de rotsige kust vissen. De gastvrouw herkent ons en komt met de ene osettai na de andere: een zak chips, een buntan en later nog een doos dure chocolaatjes. Ook een vrouw aan het tafeltje naast ons komt met een vreemdgevormde oranje citrusvrucht. We hebben grote lol met elkaar en vooral de gastvrouw klapt regelmatig dubbel van het lachen. Mels’ Japans is een groot succes. Als we vertrekken moeten we eerst nog even bij de ingang van het restaurant op de foto. Tot weerziens!

Kort daarna kunnen we van route 55 afwijken, door over een vele kilometerslange zeewering te lopen. De zee is bijna spiegelglad vandaag, zo kalm. Er wordt voor en aan de kust druk gewerkt om de zeewerken te verstevigen. Op pontons in zee liggen grote betonnen blokken die door een kraan op hun plaats worden gebracht. Dai vertelde ons in Green House Juen dat de zuidelijke helft van Shikoku de gevaarlijkste kust van heel Japan is wat betreft tsunami’s… Aan landzijde is een boer bezig een natte sawa om te ploegen, de eerste die we zien dit jaar. Nu we de drukte van route 55 kwijt zijn, horen we ook weer de kikkers kwaken. En we zien de eerste vlinders: koolwitjes. Het wordt steeds warmer en ik trek maar eens mijn jas uit. We komen een echtpaar tegen dat aan de wandel is en ons aanspreekt. Hij probeert ons ervan te overtuigen dat de hartsoetra en de shingonsekte een mens niet blij maken: allemaal veel te zwaar. De nichirensekte – een van de andere sektes van het boeddhisme – is een stuk lichter, betoogt hij. ‘Makes you happy.’ Mels zegt: ‘Happiness is in your heart.’ Met handenschudden en zwaaien nemen we na een tijdje afscheid.

Als we bij de haven van Aki – een van de kleinere steden aan de zuidkust – van de zeewering af moeten, lopen we verder door kleine straatjes tot we bang worden dat we ons favoriete sushi-restaurant missen op deze manier. Daarom keren we kort terug naar route 55 en na enkele kilometers zien we tot onze vreugde het uithangbord: SUSHI! Het is pas half 11… Maar een vroege lunch is ook nooit weg – met het schrale ontbijt van vanochtend heb ik alweer honger en Mels eet al wekenlang nauwelijks – en dus leggen we aan. We gaan weer in het kleine zithoekje zitten en bestellen een aardige mix aan sushi. Als alles op is, dommelen we zachtjes weg in het zonnetje achter het glas… De juffrouwen van de sushi hebben het wel door, maar laten ons maar gaan. Later, veel later, worden we met een brede grijns uitgelaten. Tot weerziens!

Korte tijd later vinden we het eerste bordje met ‘fietspad’: een riant asfaltpad dat afwisselend vlak voor of vlak achter de zeewering loopt. We lopen lange tijd ‘aan de achterkant’ van de bebouwing, langs kleine groentetuintjes en later vooral langs opgestapelde rotzooi. Enkele keren moeten we van het fietspad af vanwege werkzaamheden – en zo rusten we nog eenmaal bij een koffierestaurant langs route 55, waar Mels alweer in slaap valt… – maar dankzij enkele aardige vlaggenmansen worden we weer teruggeleid naar het fietspad. Lange tijd loopt het pad voor de betonnen zeewering langs door een fraai dennenbos. Het strand bestaat uit zwarte, heel fijne steenslag. Vissers zijn bezig met wagentjes een enorm net binnen te halen. Buizerds zwermen in grote aantallen hoog in de lucht. Langs het pad is hier en daar een groepje lage schijfcactussen, soms gemengd met klaverzuring met grote witte bloemen.

Enkele kilometers voor onze overnachtingsplaats komen we langs een REST AREA, zoals op bordjes is aangegeven. Het blijken kleine units te zijn voor loophenro’s. Gratis overnachtingsplaatsen. Een oude, tamelijk tandeloze man en een jonge vrouw komen uit een van de units. Zij blijkt een verslaggeefster te zijn, ook al van NHK, de nationale televisie. Ze maakt een reportage over gratis c.q. goedkope overnachtingplaatsen voor henro’s: henro zenkonyado. Maar er zijn geen camera’s en ze heeft ook weinig vragen. We krijgen wel diverse goedkope adresjes getipt. De man biedt ook aan mijn bamboestaf in te ruilen voor een grotere die netjes is gelakt en in een rubber dopje eindigt, maar ja, een mens hecht zich nu eenmaal… en bovendien vind ik de mijne mooier…

Korte tijd later voegt het fietspad zich weer bij route 55 en dan kunnen we – na nog een kilometer – afslaan naar het kustplaatsje waar onze overnachtingsplaats zich bevindt. Al om half 5 arriveren we bij de ryokan. We krijgen de mooiste kamer: de ruimte die voorgaande jaren als eetzaal werd gebruikt en een fantastisch uitzicht heeft op het kleine havenhoofdje met lichtbaken. Er zitten 2 vissers te hengelen. Achter het haventje strekt zich de oneindige oceaan uit. Het uitzicht is hier minder sensationeel dan we later zullen meemaken vanuit hotels die hoog gelegen zijn, maar het is wel het meest intieme uitzicht en het meest rustgevende. We kunnen er eindeloos naar kijken…

Bij aankomst in een ryokan of hotel heeft zich de afgelopen weken over het algemeen eenzelfde tafereel ontvouwd: ik maak zo snel mogelijk een futon op, Mels valt er voor dood op neer en ik begin aan het dagboek te schrijven, slechts onderbroken voor ofuro en avondeten. Maar vanavond komt Mels voor het eerst niet totaal uitgeput aan. Integendeel. Voor het eerst tijdens deze reis is hij er weer helemaal! En nu we relatief vroeg zijn aangekomen, zitten we lang op de speciaal voor ons neergezette lage stoeltjes en genieten van de groene thee met cake, kijkend naar de zee.

Bij het avondeten zijn er slechts 2 andere (ons onbekende) gasten. We verbazen ons erover: de meeste henro’s van de vorige avond hadden hier erg graag willen overnachten, maar hen werd verteld dat de ryokan al vol zat. Daardoor moesten zij langer doorlopen tot een volgende ryokan. Wij werden niet geweigerd en de gastvrouw is duidelijk blij dat wij er weer zijn. Dat is een verademing na de vele moeizame reserveringen die wij de afgelopen jaren hadden!

Geplande afstand: 21,0 (eh nee, misschien toch 23,6) km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 26,5 km, totale stijging 635 m, totale daling 634 m
Cumulatief afgelegde afstand: 377,7 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.22– ca. 16.30 uur
Looptijd: 5,24 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 0!
Overnachting: Sumiyoshi Sou (L-vormige kamer 10 tatami’s groot, uitzicht over haventje met lichtbaken en de héle oceaan(!), tafeltje en 2 lage stoeltjes, uitstekend avondeten, goed ontbijt)

Dag 22: zondag 18 maart 2012: We have rumour

De nacht breng ik grotendeels wakend door; wakker gehouden door de pijn in mijn voeten en de voortdurende zweetaanvallen. Het is nog steeds warm en klam, maar ook zijn de Japanse dekbedden weinig doorluchtig. ’s Ochtends, bij het ontbijt in het restaurant van de onsen, kijk ik naar de gestaag vallende regen. Weer een grijze dag. Onder de lange brug aan de brede riviermonding staat een oranje tentje op een grasheuveltje. Naast ons zit een gezin met een piepjonge baby. Wij mogen even kijken. Als ze weg zijn, huilt Mels. Een mens neemt zichzelf en zijn problemen mee, hoever hij ook reist…

Tegen half 10 vertrekken we voor eenzelfde dagprogramma als vorig jaar: zo’n 5,5 kilometer verder naar het westen langs route 55 (of via parallelweggetjes), naar de ryokan waar we zullen overnachten. Daar zullen we het grootste deel van de bagage achterlaten om dan de berg te beklimmen waarop de volgende tempel staat. We zijn weer stevig ingepakt: de afsluitbare zakjes zijn prima bevallen gisteren, de zweterige regenpakken minder, maar daar hebben we helaas geen alternatief voor. Het is gelukkig niet zo warm klam vandaag, eerder koud klam… Het zweten is er nauwelijks minder om…

Ik houd nogmaals een pleidooi voor meer pauzes; die hebben we dit jaar minder gehouden dan vorig jaar en ik denk dat ik daardoor meer last van mijn voeten heb en ook behoorlijk afgepeigerd ben aan het eind van elke dag (nou, eigenlijk al halverwege…) Het helpt, al minder dan een uur later drinken we koffie in een restaurantje. Daarna is het niet lang meer naar de ryokan. Plotseling is er toch nog wat oponthoud: een lange, lage brug over een brede riviermonding is verdwenen. Ik had wel een bord gezien, maar had niet door dat dat hierover ging. We proberen eerst via een zeewering op de grote en hoger gelegen brug van route 55 te komen, maar dat lukt niet. Dus moeten we een halve kilometer teruglopen om via een zijstraat weer op route 55 uit te komen.

Even na 11 uur arriveren we bij de ryokan; de gastheer geeft ons trots de kamer waar in 2006 de Japanse premier Naoto Kan heeft geslapen – wel, ex-premier inmiddels, gestruikeld over de lekkende kerncentrale. (Ik neem aan dat inmiddels toch wel eens de lakens zijn verschoond?) We laten we de bagage achter en lopen dan de berg op. Het houdt eindelijk op met regenen. Overal stijgen grote dampwolken vanuit de dichtbeboste berghellingen. Af en toe zingt er een nachtegaal en ook de ik-weet-niet-hoe-ik-moet-stoppen vogel is er weer. Op het smalle weggetje is slechts weinig autoverkeer; af en toe wat loophenro’s die afdalen en een enkele keer een fietshenro. De bergpaadjes die hier en daar de haarspeldbochten in de weg afsnijden, laten we voor wat ze zijn, te link met dit natte weer. Mels heeft het moeilijk vandaag, maar naarmate we hoger komen, ben ik degene die telkens even achter blijft om mijn temperatuur weer wat te laten zakken. Af en toe laat ik de regen – die toch weer lichtjes is gaan vallen – over mijn gezicht stromen. Ik vraag me af waarom ik vanmorgen schone, droge kleren heb aangetrokken. De wind is te koud om onderweg te rusten of te eten, maar bij het restaurantje bij de parkeerplaats vlak onder het tempelcomplex nemen we enkele ijsjes (Mels 1, ik 2) en daar kunnen we weer wat opdrogen (binnen en buiten de pakken…) We hebben geen van beiden zin in de onigiri die we van de onsen hebben meegekregen. De kleine vogelkooitjes met rijstvogeltjes, die bij betere weersomstandigheden buiten hangen, staan nu op een rijtje bij de keuken, met kranten beschermd tegen de tocht.

Tempel 27 is een van de fraaist gelegen tempelcomplexen, in verschillende etages langs een berghelling. Een fraaie tuin omgeeft de vele trappen tussen de verschillende tempelgebouwen; een fotogenieke plek die in verschillende reisgidsen is terug te vinden. Helaas is er nu een grote kraan bezig. We zien de overgebleven stronken van 4 à 5 eeuwenoude woudreuzen die zijn omgezaagd. De laatste resten worden net opgeruimd. Jammer, jammer, jammer… Bovendien kunnen we een deel van de rituelen nu niet uitvoeren: handen wassen, de bel luiden en – speciaal bij deze tempel – wat drinken van de genezende bron. Via een smal weggetje zijn toch de hoger gelegen tempelgebouwen te bereiken. We voeren de rituelen uit en zo’n 50–100 meter lager drink ik toch nog wat van hetzelfde genezende water, nu bij een andere bron. We dalen weer verder af naar de laagvlakte aan zee, waar onze ryokan zich bevindt tussen talloze kassen die – zoals overal op Shikoku – niet bestaan uit glas maar uit met doorzichtig plastic omwikkelde metalen karkassen. Als we bijna beneden zijn, klinkt er uit luidsprekers aan hoge palen een liedje. Het is 3 uur. Ik onderbreek er even mijn geneurie over De Postkoets voor. Na het liedje komt er nog een mededeling en dan – tot onze verrassing – De Ochtengymnastiek! Mels zakt meteen fanatiek door de knieën, tot grote hilariteit van een henro-echtpaar dat net omhoog komt lopen.

Bij binnenkomst is er een henro die wat Engels spreekt: ‘Ah, de Hollandse potters die voor de derde keer lopen! You have rumour!’ Op weg naar de ofuro loop ik langs een kamer waar net een echtpaar is aangekomen. Tot (grote!) wederzijdse verrassing blijken dat Kyoko en Hiroshi uit Hokkaido te zijn! We hebben vorig jaar samen gelopen op 11 maart en we namen afscheid vlak voor de aardbeving plaatsvond. We maakten ons ernstig zorgen over hen, maar konden geen contact krijgen. Het blijkt dat zij hetzelfde hadden geprobeerd, tevergeefs. Zij waren vorig jaar hogerop gevlucht in verband met een mogelijke tsunami en hadden ons willen waarschuwen. Pas 3 dagen later was het hen gelukt naar Hokkaido terug te reizen, eerst met een bus naar Tokyo, later met het vliegtuig naar Hokkaido. De regio waar ze wonen, was gelukkig niet getroffen door de aardbeving of de tsunami. Ze waren vorig jaar al van plan de pelgrimstocht in 4 delen te lopen, zoals veel Japanners doen: elk jaar een volgend traject dat samenvalt met een van de 4 provincies van het eiland. En ze hadden gehoopt ons dit jaar terug te zien (wij hen ook!), daarom hadden ze het tweede deel van hun route qua vertrekpunt en datum precies aan laten sluiten op hun schema van vorig jaar. Wij hadden exact hetzelfde gedaan, maar… doordat wij al in februari startten, kregen wij door het schrikkeljaar een extra dag erbij… Ze hadden overal geïnformeerd of er Nederlanders voorbij waren gekomen en toen ze viavia hoorden dat we in hotel White Beach hadden geslapen, hadden ze extra snel gelopen om ons alsnog in te halen!

Bij het avondeten lijkt het wel een reünie: niet alleen Kyoko en Hiroshi zijn er, maar ook een andere man die we vorig jaar in onsen Sakamoto zagen, de avond dat we Kyoko en Hiroshi voor het eerst ontmoetten. En ja, de enorme hoeveelheid sake die avond herinnert iederéén zich nog… Kyoko vertelt dat de man voor de vierde keer de pelgrimstocht loopt en dat zijn kanker bijna helemaal verdwenen is daardoor. Wij kunnen eenzelfde verhaal vertellen… Shikoku byoin!

Geplande afstand: 12,5 km, totale stijging 450 m
Werkelijke afstand: 15,8 km, hoogste punt 441 m, totale stijging 655 m, max. helling 23%,
totale daling 640 m
Cumulatief afgelegde afstand: 351,2 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.24– ca. 16.30 uur
Looptijd: 3,33 uur
Gemiddelde snelheid: 4,4 km/u
Bezochte tempels: tempel 27
Blaren: 0!
Overnachting: Hamayoshi Ya (kamer 10 tatami’s groot, kastenwand, tokonoma, tafeltje, ventilator, prima avondeten, uiterst schraal ontbijt)

Dag 21: zaterdag 17 maart 2012: Zakjesdag

Al voor we om half 6 op moeten, dringt het tot ons door: het giet en giert. Geen aanlokkelijk vooruitzicht. Na de tempeldienst en het ontbijt blijven we dan ook nog lange tijd wat op de kamer hangen. Maar het weer is niet van plan op te klaren; integendeel, de wereld wordt steeds grijzer en kleiner, alsof we middenin de wolken zitten. Mels leest een van de vele boeken die hij op de i-phone heeft gezet: The history of the Japanese people, in 1912 geschreven door Frank Brinkley, een Engelse kapitein, ondersteund door Dairoku Kikuchi, een Japanse baron, 3800 pagina’s (i-phone formaat). Af en toe leest hij eruit voor. Mijn boek zit helaas in de koffer die ik elke 10–12 dagen weer zie en dat schiet niet op: een serie van 4 boeken, elk zo’n 800 pagina’s, minstens 5 verhaallijnen… en ik lees 10–20 bladzijden per 10–12 dagen…

Plotseling, om 10 over 8, zijn we uit de wolken. In de verte zien we (vaag) beboste berghellingen, Muroto en de zee die hier en daar witschuimt. ‘Even nog’, zegt Mels, die hoopt op zon. Maar dan stort de regen zich met hernieuwde kracht naar beneden. Het heeft geen zin nog langer te wachten, we stoppen kwetsbare spullen in afsluitbare plastic zakjes en alles gaat zoveel mogelijk in de rugzakken, hopend dat we deze keer beter voorbereid zijn; de regenponcho’s zitten nog steeds in de koffers. Van de gastvrouw krijgen we weer elk een kompasje aan een sleutelhanger, lijkend op een oogbal op sterk water. En even na 9 uur lopen we naar de naast het gastenverblijf gelegen tempel en voeren daar in de stromende regen de rituelen uit. Daarna dalen we de berg aan de westkant af, eerst via een weggetje, dan via een paadje dat we regelmatig moeten delen met een voorbijkomend stroompje. De rotsige bodem is spekglad door de regen en het is een moeizame afdaling. De binnenkant van de regenpakken is al gauw even nat van het zweet als de buitenkant van de regen. Eenmaal beneden, volgen we weer route 55, deze keer langs de zuidkust, steeds verder naar het westen, dezelfde route als vorig jaar. De temperatuur is relatief hoog, evenals de luchtvochtigheid en het zweet blijft onverminderd gutsen. Links van ons storten zich hoge golven op de rotsen onder ons, rechts van ons is de 2-baans weg waar auto’s en vrachtwagens met een lange sissssssss voorbij jagen, ons af en toe nog natter achterlatend. Op de berghellingen zijn overal struiken met gele en witte zakjes om de beginnende vruchtjes. Hele legers kikkers brullen, raspen en ratelen. Feestje vandaag… Af en toe hoor ik achter mij wat gerochel. Blijkbaar is Mels er ook nog steeds… Met de capuchons op is het moeilijk achterom kijken…

Een paar maal wijken we van route 55 af om enkele dorpen met fraaie oude, witgepleisterde huizen te doorkruisen. Eenmaal komt de regen zo erg met bakken tegelijk naar beneden, dat we even schuilen onder het afdak van een houtfabriek. Maar… om een uur of 11 wordt het – eindelijk! – droog. Tegen 12 uur komen we langs een restaurant waar we aanleggen voor koffie en lunch. We komen er een loophenro-echtpaar tegen dat we 2 dagen geleden zagen in minshuku Tokumasu. We blijven een uurtje hangen en trekken dan verder. Een henro die in tegengestelde richting loopt, biedt ons enkele chocolaatjes aan. Dat smaakt naar meer en in een supermarkt kopen we nog een zakje. Even later is er een jongetje met een vergrootglas met een lampje. Hij inspecteert Mels’ pelgrimsstaf en concludeert dat die echt is. We geven hem een chocolaatje. ‘Good bye!’, roept hij.

En – ohja… – dan is er toch nog weer een huchtje… Het routeboekje zit diep onderin Mels’ rugzak; we hebben het tijdens deze derde tocht nauwelijks ingekeken, omdat we de weg bijna uit ons hoofd kennen. Maar we kunnen kiezen: extra kilometers lopen om een ver uitstekende kaap te ronden of deze dwars over de heuvelrug te nemen. We kiezen voor het laatste. Afwisselend via een weggetje en wat paadjes stijgen we langzaam omhoog, begeleid door apengekrijs links en rechts en af en toe het wat zoeter gevooisde gezang van een nachtegaal. Kleine krabbetjes steken het pad over. Nu worden de zweetsluizen pas echt opengezet. Ik moet af en toe even het zweet uit mijn ogen wissen, anders zie ik niets meer. Op en neer gaat het pad – met mooie vergezichten en vaak heel idyllisch, een tijdlang zelfs omzoomd met bloeiende maartse viooltjes en afgevallen dieprode cameliabloemen – tot we aan de andere kant van de bergrug weer afdalen, deze keer langs een pad dat deels is geplaveid met natuurstenen. We hebben er een hekel aan, want ze zijn spekglad na een regenbui. Maar we komen weer heelhuids beneden en vervolgen dan onze tocht langs route 55. Het begint weer lichtjes te druppelen, maar daar blijft het bij. Uit de omringende bossen en ook uit de zee stijgen dichte dampen op. De wereld is nog steeds grijs. Af en toe staan we stil om naar de imposante golven te kijken die zich witschuimend op de rotsen storten. En ook om even stoom af te blazen…

Tegen 4 uur lopen we Nahari binnen waar ons hotel zich bevindt, wederom een langgerekt stadje ingeklemd tussen bergen en zee. En om half 5 zijn we eindelijk bij het hotel, doodmoe en we beginnen meteen met een biertje op de kamer om even het vocht weer aan te vullen… In het restaurant vinden we hetzelfde echtpaar terug dat we met de lunch zagen. Ze komen uit Nagasaki en als we in mei daar naartoe gaan, willen ze ons graag rondleiden! We bestellen sashimi en krijgen tot onze – aangename! – verrassing sushi, iets wat we nooit krijgen bij de herbergen en hotels waar een vast menu is. ‘Sushi! Dat mis ik nou in Japan!’, roep ik. Mijn verkoudheid is nagenoeg verdwenen, blijkbaar eruit gezweten!

Geplande afstand: 21,0 km, totale stijging 110 m
Werkelijke afstand: 22,9 km, totale stijging 523 m, max. helling 18%, totale daling 637 m,
max. helling 35%
Cumulatief afgelegde afstand: 335,4 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.49– ca. 16.30 uur
Looptijd: 4,29 uur
Gemiddelde snelheid: 5,1 km/u
Bezochte tempels: tempel 26
Blaren: 0!
Overnachting: onsen Ni Ju San Shi (kamer 7,5 tatami’s groot, kastenwand, tokonoma, tafeltje, grondstoeltjes, tv, kluis, hal met badmeubel, wc, uitstekend avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 20: vrijdag 16 maart 2012: De hand van Anthony

Nog terwijl we op de futons liggen, horen we nachtegalen zingen. Ik sta op met hoofdpijn en een verkoudheid – misschien door het tochtige raam boven mijn futon? Mels voelt zich daarentegen een stuk beter door de antibiotica. Oma is al druk bezig met de kamers als we na het ontbijt onze spullen bij elkaar pakken. We geven haar de grote doos lekkernijen – geen idee wat erin zit… Even na 8 uur worden we hartelijk uitgezwaaid door moeder en grootmoeder en we zetten er meteen stevig de pas in. Gisteren dacht ik aan het eind van de dag dat ik niet in staat zou zijn vandaag ook nog maar 1 stap te verzetten, en vandaag gaan we weer fluitend op pad… We hebben hetzelfde dagtraject gepland als vorig jaar: zo’n 14–15 kilometer langs route 55, het laatste traject dat we zullen lopen langs de oostkust, dan een stukje berg op naar tempel 24, aan de andere kant er weer af, 6,5 kilometer langs de zuidkust naar tempel 25 en dan nog 4 kilometer en weer een bergje op naar tempel 26 waar we zullen overnachten. Een zwaar programma… En het is een stuk kouder dan gisteren, de zon priemt slechts zwakjes door de sluierbewolking.

In een gehucht stappen we binnen bij een postkantoor om geld te pinnen. In het kleine halletje probeer ik in de juiste afwisseling mijn lekkende neus te snuiten en de juiste handelingen te verrichten voor het verkrijgen van geld, onder het toeziend oog van enkele bewakingscamera’s. Als we via het postkantoor weer het pand willen verlaten, schieten 2 knipmessende jongedames in uniform naar voren en breedgrijnzend bieden ze ons elk 2 pakjes zakdoekjes aan. En ik dacht nog wel dat er niemand naar die bewakingscamera’s zat te kijken… ‘De hand van Anthony’, zegt Mels, een gevleugelde uitdrukking tussen ons.*

Langs dit laatste traject dat we langs de oostkust zullen lopen, is veel meer bebouwing aanwezig. Veel tuinen etaleren al een zee aan bloeiende struiken en planten: camelia’s, een enkele mimosa en chaenomeles, narcissen, lenteklokjes, groen- en roodbladige klaverzuring, geraniums, vele kleuren viooltjes en af en toe rozen. En er zijn sawa’s, steeds vaker al weer onder water gezet: het ploeg- en plantseizoen voor de rijstteelt begint weer. Overal zijn grote aantallen kikkers aan het kwaken. Kort voor we ons ochtendprogramma hebben afgerond, horen we een tijdlang ijzingwekkend gekrijs uit de bossen achter de bebouwing. Gevechten tussen apenfamilies? Buizerds cirkelen geïnteresseerd boven de bomen.

Om 20 over 11 komen we aan bij de meest zuidelijke kaap aan de oostkust, die ver naar het zuiden uitsteekt. We nemen een vroege en zeer uitgebreide lunch in een restaurant aan de voet van de berg die we op moeten voor een bezoek aan tempel 24. Pas anderhalf uur later hebben we genoeg moed verzameld voor het middagprogramma, want eigenlijk zijn we na 14 kilometer – zonder onderweg ergens te rusten – al erg moe… We lopen langs het enorme witte beeld van Kukai dat hier uitstaart over de oceaan en bezoeken eerst weer de 2 grotten waar Kukai verlichting vond. Grote agave’s escorteren de ingang. Daarna nemen we het bergpaadje en komen al snel voorbij een andere grot, waar in het verleden vrouwen altijd naartoe gingen omdat het ze verboden was hoger de berg op te gaan. Grote lotusplanten omzomen deze grot en een tijdlang ook het paadje. Het is geen moeilijk pad: de treden liggen ver uit elkaar en zijn ook niet zo hoog. Dat maakt het voor ons een stuk makkelijker. Al snel komen we aan bij het fraaie tempelcomplex en na het uitvoeren van de rituelen en het nemen van nog wat foto’s, dalen we de berg aan de andere kant weer af, via een weg vol haarspeldbochten die ver uit de berg steken. We hebben een magnifiek uitzicht over Muroto, een kleine stad die zich aan de zuidkust van Shikoku uitstrekt op de smalle strook laagvlakte tussen de hoge bergen en de oceaan. Als we bijna beneden zijn, vallen de eerste druppels van de voor vanavond voorspelde regen, maar erger wordt het gelukkig niet.

Het doorkruisen van Muroto valt ons elk jaar opnieuw tegen. Na de afdaling is er een lange weg door de laagvlakte voor we Muroto hebben bereikt. Dan zijn er wat kleine straatjes en komen we aan bij een haventje. De volgende tempel die we willen bezoeken ligt aan een dergelijk haventje. Maar na het eerste haventje volgt er nog een eindeloze 2-baans weg, dan weer kleine straatjes en een volgend haventje, wat langer uitgestrekt dan het vorige. Weer volgt er een 2-baans weg, kleine straatjes en dan is er eindelijk het haventje waar we moeten zijn. De tijd gaat dringen – het is inmiddels al kwart voor 4 – en we rusten slechts kort op het bankje bij het stempelkantoor, bestijgen dan de vele trappen naar de hoofdtempel, voeren de rituelen uit en dalen weer snel af. Bij de supermarkt op de hoek nemen we een aisu kurimu (icecream) (goede voornemens???) en eten het al lopend op. Na enkele kilometers bereiken we de westkant van Muroto, komen langs het ziekenhuis waar ik 2 jaar geleden mijn ontstoken blaren heb laten behandelen, en na nog wat weggetjes tussen wat sawa’s door komen we eindelijk aan de voet van de laatste berg die we op moeten. We ploeteren naar boven, ik zweet verschrikkelijk, maar vooral Mels heeft het moeilijk. Het pad is rotsig en erg ongelijkmatig. De vergezichten zijn evenwel schitterend: in de diepte ligt Muroto uitgestrekt tussen bergen en oceaan. De holle weg wordt omgeven door kronkelige bomen, een sprookjesachtige sfeer, versterkt door de vallende schemering. Bij het tempelcomplex zijn er nog vele trappen te bestijgen, maar om even voor half 6 zijn we dan eindelijk bij het gastenverblijf. We kunnen gelijk aanschuiven aan de overvloedig gedekte tafel met loophenro’s. Bier!

Geplande afstand: 26,0 km, toppen: 1e top 100–150 m, 2e top 100–150 m
Werkelijke afstand: 27,2 km, toppen: 1e top 161 m, 2e top 148 m, totale stijging 707 m, max. helling 14%, totale daling 556 m
Cumulatief afgelegde afstand: 312,5 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.05–17.25 uur
Looptijd: 5,29 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u
Bezochte tempels: tempel 24 en 25
Blaren: 0!
Overnachting: gastenverblijf tempel 26 (Kongōchōji) (kamer 10 tatami’s groot, kastenwand, tokonoma, tafeltje, tv, binnenveranda met 2 zachte fauteuiltjes, tafeltje en schitterend uitzicht over baai met Muroto, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt)

*Als Anthony, de Engelse buurman in Montpalach en oud-piloot, jaren geleden eens in Japan is, probeert hij – met een net gekochte, hete hamburger in de hand – treinkaartjes te kopen bij een ticketautomaat. Om zijn handen vrij te hebben, legt hij de hamburger even neer. Maar het kopen van een kaartje is niet zo makkelijk als alles in het Japans is en na nogal wat gestuntel gaat er plotseling een luikje open en verschijnt een hand met 2 kaartjes erin. Verbouwereerd neemt Anthony de kaartjes aan en loopt weg. Dan gaat er een deurtje open en komt een man naar buiten die met veel misbaar de hamburger pakt en hem achterna rent.

Dag 19: donderdag 15 maart 2012: Zwei Flimmerheini’s im Orangenland

Mels begint aan een antibioticakuur die ik heb meegenomen uit Nederland. Misschien dat dát helpt tegen het hoesten. Hij haalt zijn wollen ondergoed en sjaal weer uit de koffer (de koffers worden weer doorgestuurd) en flink ingepakt tegen de kou stappen we om 10 uit de voordeur van het hotel. Het blijkt zonnig en redelijk warm te zijn; de wind is gaan liggen… We volgen vandaag dezelfde route als vorig jaar, verder naar het zuiden, bijna de hele dag langs route 55 die hier grotendeels vlak langs de zee loopt. Regelmatig ontbreken stoep of overdekte goot en moeten we op de witte streep lopen, wat hachelijke momenten oplevert in tunnels en bij scherpe bochten. Het is druk op de weg – veel tankwagens en ook ander vrachtverkeer – en er wordt erg hard gereden.

Een tijdlang loopt de weg door vele boomgaarden die vol hangen met citrusvruchten. In gehuchtjes zijn overal uitstallingen ermee. In een open opslagplaats zitten enkele henro’s op kratjes. Wij worden er ook bij geroepen. Een bejaarde vrouw pelt de ene na de andere buntan, grote citrusvruchten met een gele schil, waarbij je elk partje ook helemaal uit moet kleden om het te kunnen eten. Ze geeft ook 2 verschillende soorten mandarijnachtige vruchten, heerlijk zoet. We blijven eten, terwijl zij maar aan het pellen is en breedlachend met iedereen een praatje houdt. We nemen afscheid met osame fuda’s en een hartelijke zwaai.

Als de weg weer verder loopt langs de zee, zien we een aangereden wasbeer, een van de zeer weinige road kill’s die we al die jaren in Japan hebben gezien. Tegen lunchtijd wijken we van route 55 af en doorkruisen een dorp. In een supermarkt kopen we wat eten en lunchen ermee op het bankje ervoor: Mels met een cakerol gevuld met crème, ik met sashimi, ijs en aardbeien (smaken verschillen…) Van de winkeleigenaar krijgen we nog een osettai: een grote doos met lekkernijen.

De hoge bergruggen eindigen met lange uitlopers in zee, ver weg ligt een rijtje van 4–6 kapen achter elkaar, de laatsten vaag in de heiige verte zichtbaar. We ronden kaap na kaap, terwijl het aantal kapen in de verte vóór ons niet vermindert. Een enkele keer – voor het ronden van een extra lange uitloper – lijkt het even of we de laatste kaap hebben bereikt, maar dan ontvouwt zich een nieuw vergezicht met weer een nieuw rijtje kapen…

Bij het ronden van een kaap is er steeds een koude wind, maar in de inhammen is het windstil en warm, erg warm zelfs. Op een huchtje houden we het niet meer uit – het zweet stroomt me van het gezicht en zelfs de buitenkant van mijn jas is helemaal nat van het zweet – en trekken we een laagje uit. In wat struikgewas liggen karkassen en huiden, mogelijk wilde zwijnen gevild door mensen; de bloederigheid doet vermoeden dat dit vrij recent is gebeurd.

’s Middags is er nauwelijks verkeer en al helemaal geen bebouwing. We lopen – uur na uur – met alleen het geluid van de branding, de pelgrimsstaf, die elke vierde stap op het asfalt neerkomt, en het soms wat naargeestige krijsen van de vele buizerds die in groepen boven ons hoofden zweven. Op rotsen vlak voor de kust zit soms een groepje aalscholvers. Het is een heerlijke dag. Ik moet denken aan het verlangen dat ik als kind al had om te reizen, dat zich soms zelfs uitte in een lichamelijke pijn. Ik reisde al met mijn ouders vanaf dat ik een half jaar oud was, maar altijd was er het verlangen naar meer, naar verder. Vele boeken over ontdekkingsreizigers verslond ik. In de loop der jaren is dat verlangen minder geworden, maar op zo’n dag als deze voel ik het onderweg zijn in de meest ultieme vorm: lopend van herberg naar herberg, dichtbij mezelf, los van alles.

Met Mels gaat het minder goed, hij sukkelt wat achteraan en ik moet regelmatig op hem wachten. ‘Overleven’, noemt hij zelf zo’n dag. In de tweede helft van de middag begin ik ook behoorlijk moe te worden. We doorkruisen nogmaals een dorp en eten een ijsje op een bankje voor een supermarkt. Maar we blijven niet lang: er is inmiddels steeds meer bewolking gekomen en de wind is hard en akelig koud geworden. De laatste kilometers lopen we opnieuw langs route 55, waar we al van verre de herberg ontwaren, een eenzaam gebouw langs de weg, voor de donkerbeboste bergketen erachter. In zee is een van de uitlopers van de bergen in verschillende rotsige delen gebroken. Ze steken als een massief karkas uit het water.

Op het terrein van de herberg wordt gebouwd aan een nieuw pand naast het bestaande. Oma is er weer en ook de (klein)zoon die in de winter lesgeeft in civiele techniek, in de zomer de minshuku runt. De kleine kamer ziet aan 2 zijden uit op de oceaan. Enkele surfers in zwarte duikpakken balanceren op de hoge golven. In de verte is er af en toe een schip. Het avondeten is weer uitzonderlijk. Uiteraard zijn er de zelfbereide blaadjes zeewier: oma (91 jaar!) verzamelt het kantfijne wier op de rotsen en maakt er matjes van die ze droogt en in stukken knipt. We eten ook bijzondere vissen: manbō, die vissen die (bij leven) eruit zien als halfafgeknipte vissen waarvan het staartgedeelte mist, en kinmetai, oftewel goudenoog, oranjegekleurde, bolronde vissen, in gekookte staat hangen hun ogen als witte knikkers aan koordjes buiten de oogkassen…

We liggen al om 8 uur op de futons.
‘Wat een herrie, hoe kan het nu zo druk zijn op de weg; vanmiddag was er zowat geen auto te bekennen. En er is ook een spoorlijn. Hoor je die trein?’
‘Dat is de branding…’
‘O.’
Dan is het stil (op het geluid van de branding na…)
Morgen weer nieuwe kapen ronden…

Geplande afstand: 24,0 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 24,9 km, totale stijging 525 m, totale daling 533 m
Cumulatief afgelegde afstand: 285,3 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 10.00–17.00 uur
Looptijd: 5,04 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 0!
Overnachting: minshuku Tokumasu (kamer 6 tatami’s groot, kastenwand, uitzicht over zee, verwarmd tafeltje, tv, krukje, (webmail via computer en/of wifi???), uitstekend avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 18: woensdag 14 maart 2012: Niets, helemaal niets…

Het uitzicht vanaf onze kamer op de vierde verdieping is geweldig, het hotel staat vlak achter het strand. Rondom de baai zijn lage heuvelruggen, die rij na rij grillig in zee eindigen. De zee kent vele kleuren blauw en spoelt witschuimend op het strand. Achter het strand staat een rij palmen en er is een klein wegstation. De lucht is blauw met hier en daar grote, witte wolken. Er is volop zon. En wij genieten van een vrije dag. Na 12–13 uur wat ‘bijgeslapen’ te hebben (we lagen gisteravond al om 7 uur te slapen…), beginnen we heerlijk uitgerust aan de dag: mailtjes en blog bijwerken, machinewas, 2 handwassen en wat verstelwerk doen, de inhoud van de rugzakken waar nodig aanvullen uit de naar het hotel gestuurde koffers, reserveringen laten maken voor de komende anderhalve week, en – uiteraard – aan KLEI werken. Ik stop – voor de zekerheid – maar een grote voorraad papieren zakdoekjes en 10 strippen paracetamol in de rugzak én een grote glazen fles met echinaforce. Liever door mijn voeten zakken dan verkouden worden… Buiten komen we slechts een klein uurtje, op zoek naar een lunchrestaurant. Bij gebrek aan alternatieven, nemen we sobasoep bij het wegstation vlakbij het hotel. Daarna haasten we ons weer naar de warmte van de hotelkamer, want het blijft erg koud…

Een mailtje van Thomas. Het blijkt dat ik bij verschillende afspraken verkeerde data heb toegestuurd. Overal zitten 3 dagen bij opgeteld. Ook bij de planning van mijn 4-wekelijkse infuus. Dat is erg vervelend. Ik moet alles weer recht zien te breien. En Thomas zullen we niet meer zien. We zitten nu te ver weg van hem en volgend jaar zit hij niet meer in Japan.

Lang zijn we bezig met de afhandeling van de Mashiko-tentoonstelling. Het museum in Nederland wil plotseling een aanzienlijk deel van de opbrengst gebruiken om de transportkosten te dekken. Dát was niet de afspraak: zelfs in hun eigen persbericht staat dat 100% van de opbrengst naar de Mashiko-potters gaat.

Geplande afstand: 0 km
Werkelijke afstand: nagenoeg 0 km
Overnachting: hotel White Beach (westerse kamer, 2×1½p-bed, zithoek, bureau, tv, koelkast, badkamer met bad/douche/wc/wasbak, hal met wasbak, hal met kast, wifi in hal+eetzaal, redelijk avondeten, matig ontbijt)

Dag 17: dinsdag 13 maart 2012: Gedistingeerd slappe koffie

Het rokerige en ook nogal tochtige gebeuren in de tempelzaal heeft ons geen goed gedaan. Vooral Mels ligt de hele nacht te hoesten. We slapen slecht en om 5 uur zijn de eerste gasten al weer op; vrouwelijke henro’s blijken even lawaaierig te zijn als mannelijke. We besluiten de aangekondigde ochtenddienst over te slaan. Om kwart voor 6 wordt er op de deur geklopt: ontbijt over 3 kwartier, maar we kunnen rustig aan doen. Een kleine 10 minuten later is er de Engelssprekende non: 1000 excuses, maar of we toch op willen staan, ontbijt om half 7, we kunnen rustig aan doen… Op weg naar de eetzaal staat de cameraman in de hal op ons te wachten. Interview na het ontbijt. Prima. Uiteindelijk is het de bedoeling dat ze ons filmen terwijl we vertrekken. De hele ploeg staat bij de deur terwijl wij ons in onze schoenen hijsen. Presentatrice Moe Oshikiri komt erbij en knoopt een praatje aan. Zo wordt het toch nog een interview. We vertellen over onze beweegredenen voor deze tocht, dat de eerste tocht zo verschrikkelijk moeilijk was, maar dat de pelgrimstocht ook zo’n goede uitwerking had op mijn gezondheid: Shikoku byoin – het ziekenhuis dat Shikoku heet en dat helend is voor lichaam, geest en ziel. ‘Wat hebben jullie gevonden?’, vraagt ze. Ik antwoord: ‘Mensen, ontmoetingen, dat is de grote gift die we telkens weer tijdens onze looptocht krijgen. En die ons diep ontroert.’ Of we vaker in gastenverblijven van tempels slapen. ‘Ja, dat doen we zoveel mogelijk, niet alleen omdat er vaak een bijzondere sfeer is, maar vooral omdat we dan ook de tempeldienst mee kunnen maken’, zegt Mels. ‘We kunnen misschien niet alle woorden begrijpen, maar we begrijpen wel de intentie’, licht ik toe. ‘Geloof gaat over mysterie, ontzag voor wat er is en wat je maar voor een deel kunt begrijpen’, zegt Mels. ‘Wat er gisteravond gebeurde was dat dat mysterie voelbaar werd gemaakt. Dat maakte diepe indruk.’ We zwaaien uit.

Bij de tempel staat Samae(?) op ons te wachten, de Engelssprekende non. Gelukkig, want we hadden niet weg gewild, zonder van haar afscheid te nemen. We praten nog wat na over het interview. Presentatrice Moe Oshikiri blijkt 32 jaar oud te zijn; we hadden 16 ingeschat… ‘En ze heeft van die grote, ronde ogen’, zegt Mels. ‘Net als in manga’s. Waar hebben ze die gekweekt?!’ ‘Over plastische chirurgie wordt in Japan niet gesproken’, zegt Samae. ‘Dat moet een mysterie blijven.’ We kunnen sowieso moeilijk de leeftijd van Japanners inschatten. Samae blijkt 43, we hadden 30 gedacht… Samae blijkt overigens geen non, ze wil haar hoofd (nog) niet kaal laten scheren, zegt ze. We maken nog wat foto’s, krijgen ten afscheid elk een klein, zelfgemaakt zakje zout. ‘Als je wat zout over je schouder strooit, weer je het kwaad af; iets wat in Japan ook na een begrafenis wordt gedaan zodat slechte geesten op het kerkhof achterblijven’, vertelt ze. Ze hoopt dat we met deze pelgrimstocht vinden wat we zoeken: ‘Het belangrijkste dat een mens kan vinden is zichzelf.’ Ze drukt ons op het hart terug te komen. En dat zullen we heel graag doen!

Even na 8 uur vertrekken we dan eindelijk voor dezelfde route als vorig jaar, verder naar het zuiden, voor een groot deel direct langs de kust. Op een enkel moment in de zon en in de luwte na, is het de hele dag bar koud. Eenmaal volgen we een oude, rond de kaap slingerende weg, voor het overige lopen we voortdurend langs de drukke route 55. We missen voor het derde achtereenvolgende jaar een afslag, zodat we een tweede kronkelweggetje missen, en komen daardoor – net als voorgaande jaren – bij het leuke koffietentje terecht waar een gedistingeerde en zeer vriendelijke dame op leeftijd op even gedistingeerde (en langdurige!) wijze zeer slappe koffie zet, zoals we bijna overal in Japan meemaken: na een heel ingewikkeld procedé met diverse glazen kolfjes wordt eindelijk een slap aftreksel geserveerd. Er is één andere gast: een Japanse vishandelaar die 2–3 jaar in Spanje heeft gewoond en met Mels een gesprek in het Spaans aanknoopt. Onze gastvrouw vindt het erg leuk dat we er weer zijn en ze presenteert de koffie weer in nauwgezet uitgekozen kopjes. Ze weet nog dat we potters zijn en vertelt bij elk kopje de herkomst. We krijgen er een lekkernij bij. ‘Het lijken wel grote, gebruikte groene theezakjes’, zegt Mels. Hij blijkt helaas niet ver van de waarheid af te zitten… Ze smaken naar groene thee, zijn warm en vooral heel erg kleverig, gemaakt van rijstpasta. Ze kleven niet alleen erg aan het schoteltje vast, ze zijn ook niet door te bijten en – het ergste – je krijgt ze nauwelijks doorgeslikt. We zitten half te kokhalzen. Als onze gastvrouw even naar buiten is, stop ik ze gauw in een plastic zakje in mijn tas. Als we verder gaan, worden we hartelijk uitgezwaaid. Volgend jaar weer komen!

Kort daarna zien we bij een zijweggetje een grote groep apen, half in de berm, half op de berghelling ernaast. We blijven een tijdje staan kijken. Als ik in een supermarkt even naar de wc ga, krijgen we 2 flesjes groene icetea mee die we bij de volgende supermarkt netjes in de vending machine stoppen. We lusten ze nou eenmaal niet, maar zijn te beleefd om te weigeren… Om 11 uur zien we een bakker met koffiehuis ernaast en omdat we verder geen restaurants verwachten langs de route, nemen we hier een mikkusu sando (mixed sandwich) en bekonchisutoasuto (beacon cheese toast). We blijven er lang hangen, want we hebben ruim tijd en Mels heeft het niet makkelijk vandaag… Na een uur trekken we verder, om enkele uren later nog eenmaal te rusten in een halfopen opslagruimte waar een hoek is ingericht voor vermoeide henro’s. Mels kan er ook mailtjes ontvangen op zijn i-phone. Een vrouw komt langs om de voorraden die net zijn gebracht, op te bergen en geeft ons 2 drinkjoghurts. Een aardige en gezellige vrouw. En dan zijn we al om 6 uur bij onze overnachtingsplaats, een hotel waar we vorig jaar ook al hebben geslapen en waar we nu 2 nachten zullen blijven. Morgen is er – eindelijk! – een echte rustdag!

Mels valt meteen op bed en in slaap, ik vermaak we weer in bad met velletjes aftrekken. Hele lappen gaan er van mijn voeten. En… blaren zijn er niet meer. Nul!

Geplande afstand: 19,6 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 19,9 km, totale stijging 443 m, totale daling 430 m
Cumulatief afgelegde afstand: 260,4 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.55–16.00 uur
Looptijd: 4,05 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 0!
Overnachting: hotel White Beach (westerse kamer, 2×1½p-bed, zithoek, bureau, tv, koelkast, badkamer met bad/douche/wc/wasbak, hal met wasbak, hal met kast, wifi in hal+eetzaal, redelijk avondeten, matig ontbijt)

 

Dag 16: maandag 12 maart 2012: Henro spotting

Mels ligt een groot deel van de nacht te hoesten, maar in de ochtend gaat het toch iets beter met hem. Toch slaan we de tempeldienst maar over: dat scheelt niet alleen een uur slaap, maar ook een koude en lange klim – alle trappen weer op naar de hoofdtempel – en een lange zit in een vrij koude tempelruimte… En we besluiten ook de ‘toeristische’ kustroute te laten voor wat die is en de route te volgen die we in voorgaande jaren al hebben afgelegd: langs route 55 – voornamelijk op een trottoir; soms op de witte streep of op de overdekte goot; met diverse tunnels – verder naar het zuiden. De kustroute is niet alleen langer, maar loopt ook meer door de wildernis. Mocht Mels toch te ziek worden, dan is er makkelijker hulp te vragen langs route 55. Bovendien verwachten we er meer restaurantjes waar we op kunnen warmen, ook al weten we – uit eerdere ervaring – dat er de eerste 4 uur niets zal zijn…

Het is zonnig en tamelijk koud als we vertrekken om 10 over 8. Naarmate de tocht vordert, wordt het wel steeds warmer, maar rond pasjes en bij tunnels is er een erg koude (tegen)wind. Net als gisteren geeft Mels er de voorkeur aan niet te rusten op winderige bankjes en in dito rest huts. Dus lopen we maar door, pasje na pasje, tunnel na tunnel. Kort na de langste tunnel (690 meter) schiet er een aap over de weg. Op de berghelling zien we hier en daar groepjes apen zitten. Ze zijn niet erg verlegen, zolang we maar niet hun kant uitkijken, want dan schieten ze weg. Niet lang daarna stopt luid toeterend een auto voor ons. Een oudere heer houdt een heel verhaal. We verstaan 3 woorden: Osettai, police, one hour Mugi. Mugi is een plaatsje waar we vandaag doorheen zullen lopen. Mels is gefrustreerd dat hij na al zijn Japanse lesjes evenveel woorden begrijpt als ik. Het is duidelijk dat hij ons een osettai aan wil bieden, maar wat en waar… We knikken ‘one hour Mugi’ en lopen door na veel bedankingen.

Een klein uurtje later, bij het begin van Mugi, zien we de bakker waar we vorig jaar lekkere broodjes hebben gekocht en buiten in 2 kampeerstoelen hebben gezeten. Helaas dicht. Even verderop is er wel een bakker open met een leuk lachebekje achter de kassa; helaas zonder stoelen en koffie en alleen met mierzoete koeken. Jammer, want na 4 uur lopen zijn we errug moe en doen onze voeten ook errug zeer. Maar dan staat die oudere heer daar weer met zijn auto. Nog 10 minuten beduidt hij. Kort daarna zien we het restaurantje waar we vorig jaar koffie hebben gedronken. We kijken elkaar aan: als iemand een uur op je heeft gewacht, kun je hem niet teleurstellen, toch? En misschien biedt hij ons wel een lunch aan… Vreemd, hoe een niet-gedane belofte toch schuldplichtig maakt… We lopen door en ook het volgende restaurant negeren we. En dan zien we – schuin tegenover het politiebureau – de grote henro rest hut, gemaakt van 2 tenten, die we vorig jaar ook al zagen, maar toen verlaten. Er zit al een groepje mensen. We worden verwacht. De oudere heer heet ons welkom: Koffie? Uiteraard! Een andere loophenro stapt net op. Een 4-tal mensen blijft over op de geïmproviseerde banken rond een grote eettafel: een vrijwilligersgroep die henro’s verwent. Vorig jaar zagen we al een heel corveeschema hangen. Een van hen – een bejaarde man van 83 – herkent ons van vorig jaar, ergens van langs de weg. Een oudere, breedlachende vrouw brengt koffie met repen zoetebonenpasta en doet de afwas bij het aanrechtje dat ook in de tent is gezet. De oudere heer – 77 is hij – trekt er blijkbaar telkens op uit met de auto om henro’s binnen te halen. Er zijn sinds de aardbeving maar weinig henro’s, vertelt een andere man die wat Engels spreekt. Als ze horen waar we zullen overnachten – nog maar een klein uurtje lopen – suggereren ze een alternatieve route: een oude pelgrimsroute uit de tijd dat er nog geen tunnels waren, eerst een paadje links van route 55, dan een weggetje rechts ervan, beide over een huchtje. We krijgen een kopie van een zelfgetekend kaartje mee. In een boek schrijven we onze namen, adressen en leeftijden én dat we voor de derde keer lopen. De oudere heer toont hoe jaarlijks van alle lijsten tabelletjes zijn gemaakt. Ik krijg 2 schelpjes, met stof bekleed en samen aan een koordje hangend: 1 schelpje is ongelukkig; 2 identieke schelpjes samen zijn gelukkig, wordt erbij verteld. De moraal is duidelijk. Het afscheid is hartelijk; we krijgen nog een zakje met allerlei koekjes en snoepjes mee en wij laten elk een osame fuda achter.

We voelen wel iets voor die alternatieve route – het is nauwelijks om – maar we hebben ondertussen nog steeds niet geluncht en teruglopen naar de eerdere restaurants vinden we niet beleefd, dus lopen we maar door, maar veel eetgelegenheden verwachten we niet meer te zien, zeker niet langs die alternatieve route. Gelukkig is er bij het begin van die route een supermarkt met zithoekje waar je udonsoep kunt eten. We blijven er lang hangen, want het verblijf in de henro rest hut was niet lang genoeg om even goed uit te rusten. Mels heeft in de loop van de ochtend last van onderrug en schouder gekregen en allebei hebben we erg pijnlijke voeten. Uiteindelijk vertrekken we toch voor het laatste loodje. Eerst een mooi paadje dat enige tijd kronkelt over een heuvelrug, afwisselend omgeven door een wat fijnere bamboesoort, dan met links en rechts kronkelende bomen, vervolgens omzoomd door hoogstengelige varens die hoog uittorenen boven de holle weg. Het is erg fijn even weg te zijn van de drukke autoweg. De afdaling is echter erg lastig, via een sterk uitgesleten paadje. Ons looptempo daalt drastisch. Als we route 55 oversteken voor de tweede omweg, zien we in de verte de ryokan liggen, waar we voorgaande jaren hebben overnacht: een uitstekende ryokan met heerlijk eten en wifi op de kamer. Maar dit jaar hebben we gereserveerd in een bangai-tempel, enkele kilometers verderop. Het weggetje aan de andere kant van route 55 is heel wat makkelijker en al om even voor 4 uur komen we aan bij de bangai. We voeren eerst de rituelen uit en bij het stempelkantoor worden we al opgehaald door een uitstekend Amerikaans-Engelssprekende non. Ze heeft 4 jaar in de USA gewoond met een Amerikaans vriendje. De tijden van avondeten en tempeldienst zijn onduidelijk: eerst 5 uur eten, half 6 de dienst, later 6 uur eten en nog weer later half 7 eten met om half 8 de dienst… ‘Beneden rent een boze priester rond, driftig met zijn armen zwaaiend’, vertelt Mels als hij terugkomt van de ofuro. ‘Volgens mij hebben ze niet alles onder controle. Je zou toch anders verwachten in een tempel…’

Als we de eetzaal binnengaan, begrijpen we alle stress en chaos: een cameraploeg is druk bezig met filmen. Mels en ik zitten aan een lange tafel, samen met een autohenro, en kort daarop wordt er bijgedekt: we krijgen een jonge presentatrice erbij. De lange tafel achter ons wordt ingenomen door een groep vrouwen en een man (busgroep met chauffeur?). Een priester komt even een praatje houden dan wordt gezamenlijk de hartsoetra gereciteerd. Het groepje vrouwen gaat nog lang door met het reciteren van allerlei andere soetra’s. Onderwijl beginnen wij maar te eten. De presentatrice begint vragen te stellen, eerst aan de autohenro, dan aan Mels en mij, eerst in het Japans, later ook in het Engels. De camera’s worden veelvuldig op ons gericht. Het eet niet echt rustig. Af en toe fluistert de cameraman haar een nieuwe vraag in. Mels vraagt haar voor wat voor programma het is: het blijkt een serie van de NHK (Japanse NOS) te zijn over gastenverblijven bij tempels. Ze reizen allerlei eilanden af en vandaag zijn ze op Shikoku aangekomen. In april wordt het uitgezonden. Moe Oshikiri heet ze en ze schijnt een zeer BJ-er te zijn. Of we haar niet kennen? Nee, helaas. Ze is ietwat teleurgesteld… ‘We gaan vooruit’, zegt Mels. ‘Vorig jaar hadden we een groot interviewartikel in de Asahi Shimbun, de grootste krant in Japan, ik denk zelfs ter wereld, en nu gaan we op de nationale televisie komen…’ Als de camera’s weg zijn, is helaas ook haar interesse voor haar tafelgenoten weg.

Na het eten halen we onze windjacks en henrojasjes en gaan naar de hoofdtempel. Vaak zijn gastenverblijf en hoofdtempel via allerlei gangen met elkaar verbonden, zodat je voor de dienst niet naar buiten hoeft. Dat is ook hier het geval, maar anders dan we hadden verwacht. Na enkele gangen in het gastenverblijf – met vele fraaie foto’s van henro’s en ook met veel beelden – komen we bij de ingang van een langzaam rond lopende en langzaam dalende tunnel waarin langs de ene wand stenen beelden staan en langs de andere wand vitrinekasten vol met kleine gouden Myōō-beeldjes, het moeten er minstens 10.000 zijn. Myōō’s worden beschouwd als goddelijke boodschappers en als strijders tegen het kwaad, vooral bij waanvoorstellingen, slechte begeerten en rusteloze geesten. Elk beeldje is gewijd aan een overledene, horen we later. De tunnel draait steeds verder rond en daalt langzaam totdat we bij de ingang van een grote, donkere, 8-kantige ruimte komen. We vermoeden dat de ruimte zich bevindt onder de fraaie, grote 8-kantige tempel bovengronds. Van een priester in goudgeel gewaad krijgen we wat as in een handpalm. Langzaam komen ook de andere gasten binnen, alleen de presentatrice en haar cameraploeg ontbreken. Langs de wanden staan ­– van boven tot beneden – rijen met wat grotere gouden Myōō-beelden. Tegenover de ingang is een altaar met een groot Myōō-beeld. Ervoor gaan 4 goudgeelgeklede priesters zitten rondom een vuurplaats. Ze beginnen met het reciteren van soetra’s. Hun diepe bassen weerklinken indrukwekkend in de ruimte. Een van hen voert allerlei rituelen uit en maakt langzaam een vuur aan. Een dikke rookkolom stijgt naar boven waar een grote afzuigkap hangt. De meeste rook verspreidt zich echter via het plafond en de wanden. Het wordt rokerig. En nog donkerder in de ruimte. Plotseling vlamt het vuur hoog op en weerklinkt een zware trom. De hartsoetra wordt gereciteerd op de maat van de trom, steeds opnieuw. Opzwepend, bezwerend. Daarna volgen nog weer andere soetra’s. Elke keer als de priester zijn handen opheft, vlamt het vuur nog hoger op. Een van de priester komt met een enorme staf ons zegenen: het symbool van de pelgrimsstaf van Kukai (Kobo Daishi) die deze tocht als eerste liep. Als het ritueel voorbij is, volgt een inzegening van de rozenkransen (de mijne ligt op de kamer…) en een uitleg van een van de priesters. We mogen tot slot – al reciterend – eenmaal rondlopen langs het altaar en krijgen bij vertrek een goudgekleurde osame fuda. Een indrukwekkende dienst!

Geplande afstand: 19,3 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 22,5 km, totale stijging 508 m, totale daling 526 m
Cumulatief afgelegde afstand: 240,5 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.12–15.52 uur
Looptijd: 4,46 uur
Gemiddelde snelheid: 4,7 km/u
Bezochte tempels: bangai 4
Blaren: restantjes…
Overnachting: gastenverblijf bangai 4 (Saba Daishi) (kamer 12 tatami’s groot + wat extra, halletje, 2 kastenwanden, 2 deuren, 2 zaklantaarns, tafeltje, kluis, uitstekend avondeten, karig (Mels) c.q. matig (Yna) ontbijt)

Dag 15: zondag 11 maart 2012: Een jaar later

Het is een jaar na de grote aardbeving en tsunami. Op de tv zijn voortdurend reportages over de ramp. Mensen die een jaar geleden zijn geïnterviewd in deplorabele toestand, worden nu weer opgezocht om te kijken hoe het hen nu vergaat. Veel wrakhout is opgeruimd; de overblijvende gebouwen staan veelal nog leeg. In enkele lege ruimtes zien we herdenkingsplekjes ingericht. Overal in het land worden vandaag herdenkingsceremonieën gehouden. Kayoko vertelt dat het aantal boekingen drastisch is afgenomen; Japanners van boven Tokyo en buitenlanders komen er al helemaal niet meer. Ja, dat hadden wij onderweg ook al gemerkt, dat het erg rustig is met henro’s…

Wij besluiten vandaag rustig aan te doen: tot en met de lunch blijven we in de minshuku; daarna gaan we pas de 10 kilometer afleggen die voor vandaag zijn gepland. Toevallig hebben we voor vandaag een kort traject gepland, omdat we Thomas, de Australische leraar in Hiwasa, die we vorig jaar tegenkwamen, dag willen zeggen, en omdat we morgen een wat langere ‘toeristische’ route langs de kust willen lopen. Maar… hoewel Mels zich aanvankelijk wat beter voelt, gaat zijn conditie in de loop van de ochtend achteruit. Kayoko biedt aan ons met de auto te brengen. Mels voelt daar wel voor. Ik stel voor dat ik dan ga lopen in mijn eentje, wetend dat Mels veilig aan zal komen bij de volgende overnachtingsplaats. Maar van dat idee krijgt Mels het op zijn heupen, dan liever lopen… En zo vertrekken we om 10 voor half 2 dan toch nog lopend, nadat Mels eerst nog een hotpack op zijn rug gestopt heeft gekregen en wij nog wat cadeautjes hebben gegeven: het Engelse leerboek voor Miki, een Delftsblauw doosje voor Kayoko. Ze laat zien wat ze voorgaande jaren heeft gekregen van ons: 2×2 Delftsblauwe klompjes. Gelukkig hadden we nu een doosje voor haar meegenomen… ‘Ja mata rainen?’, vragen ze. ‘Volgend jaar weer?’ Mels legt uit dat we volgend jaar de Camino zullen lopen, naar Santiago in Spanje. Blijkbaar is hij inmiddels aan dat idee gewend geraakt. ‘Sarainen?’ oftewel ‘Overvolgend jaar dan?’ Uiteraard!

We nemen dezelfde route als voorgaande jaren: voornamelijk via asfaltwegen, met tussendoor 2x een paadje dat vrij makkelijk begaanbaar is, bijna voortdurend langs de kust. Korte tijd valt er een licht maar gestaag doorzettend buitje. Wind is er nauwelijks en dat is erg aangenaam na al die koude dagen. Af en toe is er wat zon. De grillige, rotsige kust wordt afgewisseld met hier en daar een klein vissershaventje. Voor de kust zijn er talloze rotsen in zee. We zien weer aalscholvers zitten; de rotsen witbescheten van hun stront. Op steile bergwandjes zien we af en toe massaal bloeiende maartse viooltjes. Een enkele keer zijn er buizerds, hoog in de lucht. Gekrijs in de bomen duidt op apen, maar we zien ze niet. Enkele malen komt er een fietshenro voorbij, eenmaal een loophenro. Het is stil, de weg bijna verlaten. Eenmaal stopt een auto en krijgen we 2 repen zoetebonenpasta in de handen gedrukt. Vlak voor Hiwasa zien we in de verte op een strand een ceremonie plaatsvinden die we ook op tv zagen vandaag: Nami kanjo, het golfgebed. In het natte zand worden de namen van de overledenen geschreven. De zee neemt het gebed mee naar de einder, waar zee en hemel elkaar raken. Gedurende de hele wandeling is de herinnering aan een jaar geleden in ons hoofd en hart. Het is een droeve dag.

Even na 4 uur komen we aan bij tempel 23, waar we zullen overnachten in het voormalige gastenverblijf. Nadat we onze rugzakken op de kamer hebben gezet, gaan we nog naar de tempel om de rituelen uit te voeren. Daarna gaat Mels weer even liggen, want hij is doodmoe. Van Thomas hebben we geen reactie gehad op mijn mailtje en we kennen zijn adres of telefoonnummer niet, dus we laten het maar zo. Het avondeten in de eetzaal delen we met een busgroep en 3 loophenro’s, waarvan we er 1 enkele dagen geleden al bij Sakamoto zagen. Hij is vol lof over Mels’ prestatie: voor de derde keer het pelgrimspad aan het lopen! Hij is uiterst verbaasd als hij merkt dat ik ook loop. Denkt hij soms dat ik de man elke dag met de taxi volg??

Om kwart over 8 – we liggen net een kwartier op de futons – wordt er hardnekkig op de deur geklopt. De dame van de receptie. Of we nog van plan zijn van de ofuro gebruik te maken. Maar daar hebben we vandaag geen zin in: we moeten ervoor in de yukata (kimono) buitenom lopen en dat is ons wat te koud. ‘Nee, helaas’, zegt Mels. Ze is verbijsterd. Ik vermoed dat ze morgen al onze lakens zullen desinfecteren…

Geplande afstand: 10 km, totale stijging 150 m
Werkelijke afstand: 10,5 km, totale stijging 378 m, max. helling 10%, totale daling 371 m
Cumulatief afgelegde afstand: 218 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 13.17–16.05 uur
Looptijd: 2,12 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: tempel 23
Blaren: restantjes…
Overnachting: Ikko (voorheen Yakushi Kaikan, gastenverblijf tempel 23) (kamer 10 tatami’s groot + wat extra, halletje, kastenwand, tafeltje, tv, kluisje, wifi in hal bij voordeur, uitstekend avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 14: zaterdag 10 maart 2012: Ziek!

Mels twijfelt of het verstandig is verder te lopen. Zijn hoest is erger geworden en hij voelt zich belabberd. We kijken eerst maar even wat voor weer het is en dat blijkt in ieder geval droog en bewolkt met zonnige perioden te zijn. We besluiten toch te lopen. Als we om half 7 de ontbijtzaal binnengaan, blijkt de groep al te zijn vertrokken. Ze hebben voor ons een osettai achtergelaten: een schaaltje met lekkere tomaten. Net zoals in voorgaande jaren krijgen we een borrelkommetje umeshuu bij het ontbijt. Als we naderhand naar de kamer lopen, zien we tot onze schrik dat iemand onze bergschoenen op speciale verwarmingsapparaten voor schoenen heeft gezet. Ik haal ze er snel vanaf, want niets is zo slecht voor schoenen dan nat bij de verwarming zetten…

We nemen nog een lekkere cappuccino. Mels trekt alle kleren aan die hij in de rugzak heeft, een handdoek als sjaal om zijn nek. Als we om 8 uur de frisse lucht instappen, worden we hartelijk uitgezwaaid. Tassen en schoenen zijn nog steeds nat, maar ze drogen snel in de wind. Het fototoestel werkt gelukkig nog steeds. Onze handen zijn kapot van alle nattigheid en kou en het ons overal aan vastgrijpen gisteren, vooral aan de pelgrimsstaffen. Ook de staffen hebben geleden, ze zijn erg vezelig geworden op die plaatsen waar we ze hebben vastgehouden.

We volgen dezelfde route als vorig jaar, want we willen weer een van onze meest favoriete minshuku’s en ryokans aan doen. Een afstand van 21,5 kilometer, met 1 tempelbezoek, voornamelijk via asfaltwegen. De koude wind hebben we gelukkig in de rug. Enkele keren moeten we een huchtje over, de eerste keer weer via een paadje van betonnen boomstamtreedjes, dat ik langzaam beklim terwijl ik mijn rechterknie zoveel mogelijk probeer te ontzien, maar deze keer is de pas al op 250 meter. Omlaag gaat het via een afwisselend rotsig en lemig paadje dat erg glibberig is door de regen van gisteren. Hier en daar zitten groepjes kikkers te brullen; net grommende hondjes. In het volgende dal lopen we weer via asfaltwegen en al om 10 uur zijn we bij tempel 22, waar veel pruimenbomen in bloei staan. Mels is kapot. We drinken eerst maar eens koffie: in de vending machine met gekoelde flesjes is meestal ook een afdeling hete blikjes. We hebben deze koffie van het begin af aan smerig gevonden, maar toch blijven we proberen… Bij sommige dingen blijf je hopen dat je eraan went…

Nadat we langdurig hebben gerust op de bankjes bij de tempel, voeren we de rituelen uit. Bij het stempelkantoor ontwaar ik een staffenbak met verweesde pelgrimsstaffen. Ik ben al weken op zoek naar een mooie staf van bamboe. Die vind ik mooier dan de wat stijve officiële staffen, waarvan ik er al eentje in huis heb staan. Deze keer zou ik graag zo’n bamboestaf mee willen nemen naar Nederland. Hier staat er een groot aantal en ik kies de allergrootste uit; hij komt bijna tot aan mijn kin. Een ‘echte’ herdersstaf. Ik ben er helemaal weg van en verruil hem voor de aftandse (maar wel officiële) staf die ik in mijn handen gedrukt kreeg bij het begin van de eerste pelgrimshel. Ik voel me wel wat schuldig, want je krijgt toch een band met je staf, ook al heb je hem niet zelf uitgekozen. Toen Mels enkele weken geleden aan een Japanse henro vertelde dat hij een verweesde pelgrimsstaf had meegenomen, zei deze: ‘Een staf kiest jou uit.’ Maar misschien had hij naar Harry Potter-films gekeken… In ieder geval loop ik even later trots met mijn ‘nieuwe’ staf weg. Als hij neerkomt op het asfalt, wordt mijn komst luid en duidelijk aangekondigd..

Op een volgend – heel klein – huchtje pauzeren we kort bij een tempeltje met een 1000-jarige boom; we hebben er ook voorgaande jaren gezeten. Een idyllisch plekje aan een beekje. De wind is echter guur en we eten ditmaal snel onze meegebrachte onigiri op. We rusten onderweg nog enkele keren in een resthut, maar het is telkens te koud en winderig om lang te kunnen blijven zitten. Om 2 uur zien we voor het eerst de oceaan. Onwillekeurig denken we aan vorig jaar. Toen stonden we hier op 11 maart, kort voordat 800 kilometer noordelijker de verschrikkelijk tsunami plaatsvond. We dalen af naar Tainohama Beach, waar we om kwart over 3 bij de minshuku aankomen. Kintaro, de witte samojeed staat voor de deur te wachten. Miki, de dochter des huizes, komt net naar buiten. We knijpen elkaars handen van vreugde en dansen op en neer; kussen durven we nooit met Japanners. Even later is er ook Natsu, de Japanse inu, en de gastvrouw, Kayoko. Een van de 2 ofuro’s is voor ons gereserveerd: ‘BOOM’ staat er met grote letters op. Gastheer Yuzuro is al druk bezig met vullen. Het blijkt een enorm bad te zijn en we brengen er meteen een uurtje in door. Daarna gaat Mels meteen op de futon.

De minshuku ziet eruit alsof deze een lichte opknapbeurt heeft gehad, en dat geldt ook voor het echtpaar en zelfs voor de honden: ze ogen allemaal wat actiever en slanker. De honden komen steeds even langs als we op de bank in de eetkamer zitten. Bij het avondeten zien we een henro terug die we al in de ryokan bij tempel 13 tegenkwamen: Dai Yano. ‘Where have you been all the time?’, vraagt hij quasi(?) verbaasd. Hij blijkt al naar de volgende tempel te zijn gelopen en weer terug, rustig aan doend vanwege een zere enkel, volgens hem. Macho-talk? We hebben afgelopen jaren erg vaak de mannelijke henro’s tegen elkaar op horen bieden: wie meer dan 40 kilometer op een dag loopt, krijgt applaus; als je minder dan 30 kilometer op een dag loopt, heb je een excuus nodig zoals een zere enkel…

Het avondeten is weer overvloedig en heerlijk, maar Mels krijgt bijna geen hap door zijn keel. Hij legt aan Kayoko uit dat hij ziek is en krijgt prompt een thermometer onder zijn arm gedrukt en een zelfgebrouwd kruidendrankje ter inname. Ik krijg er voor de zekerheid ook maar een. Mels verdwijnt weer op de futon. Ik sleep hem naar een kant van de kamer, zodat ik ook mijn eigen futon op kan maken. Ik kan ook wel wat extra slaap gebruiken en inmiddels begint ook mijn keel zeer te doen. Onze gastvrouw komt nog langs met een hete kruik voor de voeten en een icepack voor in de nek. Ze merkt dat ik de futons niet heb opgemaakt zoals het hoort. Op het lichaam – en vaak ook eronder – moet eerst een deken, daarna pas het dekbed. Wij vinden dekens eigenlijk niet zo lekker en slapen liever tussen lakens. Maar de gastvrouw trekt zonder verdere plichtplegingen het dekbed van Mels af. Ik schiet in de lach. Luid giebelend spreiden we een deken over hem uit waarop het dekbed komt. Mels laat het allemaal maar gebeuren. Voor 8 uur liggen we allebei te slapen. Zo’n 4 uur later komt Kayoko met een nieuw icepack en wat zoet drinken. Dat hebben we vaker gemerkt bij minshuku’s: als je in de problemen zit, krijg je aan alle kanten hulp. Hartverwarmend!

Geplande afstand: 21,5 km, totale stijging 300 m
Werkelijke afstand: 22,6 km, totale stijging 699 m, max. helling 22%, totale daling 731 m
Cumulatief afgelegde afstand: 207,5 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.02–15.15 uur
Looptijd: 4,52 uur
Gemiddelde snelheid: 4,6 km/u
Bezochte tempels: tempel 22
Blaren: restantjes…
Overnachting: Green House Juen (kamer 10 tatami’s groot + wat extra, halletje, kastenwand, verwarmd tafeltje, enorme tv, muziekapparaat, lage zitstoeltjes, grondstoeltjes, webmail via computer Miki, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt)

 

Dag 13: vrijdag 9 maart 2012: Nat!

Een grijze dag. De regen komt met pijpenstelen uit de hemel, hoewel voor een hele week mooi weer was voorspeld. Vandaag staat de tweede pelgrimshel op het programma: een bezoek aan 2 tempels, elk op een andere bergtop. Het eerste deel van de tocht – de eerste berg op – kan via meerdere paadjes worden afgelegd; voorgaande jaren hebben we de westelijke route genomen die iets langer en iets minder steil is; dit jaar willen we de andere proberen. We aarzelen, want het is niet handig met die regen een steil paadje te nemen, maar de hartelijke mensen van de onsen verzekeren ons dat het kan. Dus worden we met het busje bij het begin van de oostelijke route afgezet. We krijgen nog een zak met 6 mandarijnen mee. Om half 8 beginnen we aan de eerste klim: een pad dat meer lijkt op een (bijna) droge beekbedding… We zwoegen omhoog, meter na meter. Mels heeft erg veel last van de kou; ik niet in het minst met al dat gezwoeg. Soms kan ik Mels – die altijd wat voor ligt – niet meer zien door voorbijdrijvende wolkenflarden. Pas na 1,5 kilometer lukt het hem de instellingen van de gps weer aan te passen aan ons lage looptempo (van dit traject is daarom de afstand alleen hemelsbreed gemeten, niet alle kronkels die in het pad zitten). We komen tot de conclusie dat we 1 km/uur afleggen, dat is niet hoopgevend voor een gepland dagtraject van 18,5 kilometer. Gelukkig komt Mels bij de eerste tempel tot de conclusie dat die 18,5 kilometer inclusief de rit met het busje (5,5 kilometer) was en niet exclusief. Oef, dat scheelt tenminste iets…

We blijven maar kort bij tempel 20. Ik ben erg moe, maar er staan alleen wat bankjes middenin de koude wind en regen, en de wc’s zijn afgesloten. Via een zeer vermoeiend paadje dalen we af naar het volgende dal, eerst een rotsig paadje dat we delen met een snelstromend watertje, dan eindeloze, werkelijk eindeloze treden naar beneden, gemaakt met betonnen boomstammetjes. Halverwege komen we door een betoverend mooi bamboebos. De wind zoemt door de bomen, eh… grashalmen… Op de treedjes, onder het vaak dichte bladerdek, liggen verraderlijk los liggende stenen en takjes. Ik ga eenmaal onderuit en kom met mijn dijbeen op een uitstekende rots terecht – dat wordt een flinke blauwe plek en grote kans dat ik ook weer last van mijn rug ga krijgen… We ploeteren nog langzamer voort, tot we eindelijk in een klein gehucht aankomen, waar we de rivier over moeten steken, de mooiste rivier die we tegenkomen tijdens onze tocht: helblauw water in een brede kiezelbedding, omzoomd door wuivende bamboebossen. Maar deze keer proberen we zo snel mogelijk de winderige brug over te steken…

Aan de overzijde van de rivier begint meteen de klim naar de volgende top, ditmaal een betonnen weggetje waar ik erg dankbaar voor ben. In de diepte perst een bruisende beek zich door spleten en gaten, soms met kleine watervalletjes. Naarmate we meer stijgen, komen beek en weggetje meer in elkaars buurt. In een rest hut aan het idyllische beekje eten we gehaast onze onigiri op; het is te koud om lang te blijven zitten. Zo’n 1,5 kilometer voor de top moeten we toch weer een klein paadje op, dat ook hier bestaat uit treden van betonnen boomstammetjes. Elke keer als ik met mijn rechterbeen de volgende trede op wil stappen, krijg ik een pijnscheut in mijn rechterknie, dus moet mijn linkerbeen nu al het werk doen, zowel bij het klimmen als dalen. En het tempo zakt nog verder… Het is een moeizame dag. Theoretisch moet deze tweede pelgrimshel wat makkelijker zijn dan de eerste, maar met de regen en de kou, de zere knie, de vermoeidheid die ons allebei parten speelt en vooral een pad dat veel lastiger is, valt het zwaar tegen. We zijn blij als we eindelijk bij het volgende tempelcomplex arriveren. We schuilen even in een afgeschermd hoekje met enkele banken bij het stempelkantoor. Niet lang, Mels heeft duidelijk erg last van de kou. De temperatuur is waarschijnlijk rond het vriespunt; hier en daar liggen nog kleine restjes sneeuw, ondanks de aanhoudende regen. We laten de rugzakken achter, bestijgen nog diverse trappen en zien dan dat de hoofdtempel in de steigers staat en het terrein eromheen afgesloten is. Ervoor is een klein noodtempeltje ingericht van tentdoek. Foto’s en teksten leggen uit wat er aan de hand is: vorig jaar is een tyfoon over het eiland getrokken en op 20 juli waaide een van de fraaie, eeuwenoude Japanse ceders om, bovenop de hoofdtempel. We raffelen de rituelen zo snel mogelijk af en dalen dan maar weer snel de berg af, terwijl de wolkenflarden langs ons gieren. Een bijna even eindeloos betonnen weggetje loopt steil naar beneden, het volgende dal in. Maar dat is altijd nog beter dan betonnen boomstamtreedjes of droge beekbeddinkjes… Onderweg horen we weer kikkers.

Tegen 4 uur arriveren we bij de ryokan. We zijn geruime tijd bezig onze schoenen en regenkleding uit te trekken en alles zo droog mogelijk te maken voor we naar de kamer mogen. Daar zetten we alles op handdoeken en plastic. En dan kunnen we de schade opnemen… Mijn tempeltas en gehele inhoud is doorweekt, inclusief fototoestel, ondanks het plastic dat ik eromheen had bevestigd. Hetzelfde geldt voor Mels’ buiktasje en inhoud. Mijn handtasje, dat onder mijn ‘beslist waterdichte’ windjack hing, is eveneens doorweekt, maar de inhoud – geld en papieren – is droog gebleven. De regenzakken om de rugzakken hebben evenmin alle regen tegengehouden. Wel zijn onze voeten droog gebleven, evenals het grootste deel van onze kleding: alleen manchetten, halzen en de onderkant van mijn broekspijpen zijn nat geworden. Het blijft lastig, we hebben weinig zin de zware en evenmin goed functionerende regenponcho’s weer mee te zeulen. Een echt goede oplossing is er blijkbaar niet…

Met enkele heerlijke cappuccino’s uit de automaat proberen we ons weer wat op te warmen. Mels lukt dat pas in de hete ofuro. Hij blijft wat bleekjes eruit zien en zijn hoestje – een erfenis uit Frankrijk – steekt weer de kop op. Bij het avondeten is er in de eetzaal een grote groep henro’s. Aan het tafeltje naast ons zit een taxi-henro met zijn chauffeur (dat laatste is ons niet helemaal duidelijk…) Al sinds onze binnenkomst horen we voortdurend ‘Oranda’ fluisteren. In de keuken, onder gasten, overal. En ook nu hebben we al gauw de warme belangstelling van de andere gasten, eerst van het tafeltje naast ons, waar de enorm dikke taxi-henro inmiddels – volgens eigen zeggen – zijn 15e sake-flesje achter de kiezen heeft, en dan komen een voor een de leden van de henro-groep onze richting uit. Een van hen begint te filmen terwijl hij een vraag probeert te stellen, eerst in het Japans, dan met wat Engelse woorden. Met wat Japans en Engels, handen en voeten, en uiteraard Mels’ i-phone komen we weer een aardig eindje. Mels’ i-phone is zoals altijd een groot succes bij de Japanners, vooral het vertaalgedeelte geniet ruime belangstelling.

Geplande afstand: 18,5 km, toppen: 1e top 478 m, 2e top 500 m, totale stijging 1000 m, totale daling
Werkelijke afstand: 14,3 km (excl. rit met busje 5,5 km), toppen: 1e top 487 m, 2e top 502 m, totale stijging 1045 m, max. helling 46%, totale daling 969 m, max. helling 40%
Cumulatief afgelegde afstand: 184,9 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.32–15.55 uur
Looptijd: ?
Gemiddelde snelheid: ?
Bezochte tempels: tempel 20 en 21
Blaren: restantjes…
Overnachting: Sakaguchi Ya (kamer 7,5 tatami’s groot, tafeltje, tv, uitstekend avondeten, goed ontbijt incl. standaard-borrel)

Dag 12: donderdag 8 maart 2012: A busman’s holiday

Onze vrije dagen zijn niet meer wat ze geweest zijn… Vandaag gaan we op onze rustdag bangai 3 bezoeken die, net als de onsen, wat af ligt van de normale pelgrimsroute; de loopbagage laten we grotendeels achter in onsen Sakamoto, waar we voor een tweede achtereenvolgende nacht zullen slapen. Een eitje – dachten we – maar de afgelopen weken zijn we al verschillende keren gewaarschuwd voor het moeilijke traject. Gisteren – voor het avondeten – probeerde de gastvrouw – met behulp van een (iets Engelssprekende) onsen-gast en de loophenro/feestvierder die we van vorig jaar kenden – ons uit te leggen hoe de route loopt naar bangai 3. Na het eten probeerde de loophenro/feestvierder het nog een keer. Inmiddels hebben we – naast het routeboekje – 5 getekende kaartjes…

Na het ontbijt om half 7 (vrije dag???), zwaaien we eerst de henro’s uit die met het busje naar de (normale) pelgrimsroute worden gebracht. Asaka drukt ons op het hart haar te bellen als we naar Mount Kōya gaan zodat we samen deze berg kunnen beklimmen, of als we in Osaka, haar woonplaats, overnachten zodat we samen kunnen eten.

Als we om kwart voor 8 willen vertrekken voor ons eigen dagtraject staat Nakajima te wachten. We gaan gezamenlijk naar bangai 3. Ik weet niet of hij uit zichzelf meegaat, aangezien Mels hem vanochtend vroeg hoe laat hij zou vertrekken naar de bangai, misschien schept dat verplichtingen… Volgens ons routeboekje is het slechts 2,6 kilometer naar de bangai, maar het blijkt in werkelijkheid 2x zo lang te zijn. Via kleine paadjes, betonplaatpaadjes en 2x een autoweg bereiken we wel in iets meer dan een uur de tempel, een heel klein,wat onopvallend complex met een magnifiek uitzicht. Het is afwisselend bewolkt met wat zon; de omringende bergen zijn gehuld in een vage nevel. Na het uitvoeren van de rituelen en even uitrusten op een bankje, maken we een extra wandeling: we willen graag een grot bezoeken waar bepaalde rituelen worden uitgevoerd. Hide-san schreef ons dat je er alleen in mag/kan als je door de spleet bij de ingang past en dat kon nog wel eens een probleem zijn voor onze westerse lichamen… We stijgen nog eens 100 meter en komen dan aan bij een kleine tempel. In de rotsen erachter is een trappenstelsel (rotsen afgewisseld met een stalen trap) naar de ingang van de grot. Het blijkt dat je alleen in een groep, onder begeleiding van een gids, erin mag, waarbij je van tevoren moet reserveren. Een tocht van maar liefst 2 uur klauteren en strompelen over glibberige stenen door een nauwe spleet diep in de berg. Voor vandaag zit het al vol; er zijn 40 reserveringen. We mogen wel even bij de ingang kijken en dat blijkt ook nog een hele klim te zijn. Mels voelt er niets voor de grot binnen te gaan en Nakajima nog minder; er nu is geen licht in de grot aan en we hebben alleen een kleine zaklantaarn. Jammer, want ik had mijn eigen angsten wel eens in de ogen willen kijken… We dalen weer af naar de bangai en dan maken we nog een extra wandeling over de weg naar een waterval in de buurt: kanjo no taki (zachte waterval). Onderweg komen we al verschillende mooie watervallen en -valletjes tegen en in een volgend dal staan we onderaan een lange, zachtjes vallende waterval die zich stort over de kliffen ver boven ons. In het regenseizoen zal het nog indrukwekkender zijn, denk ik. Na het nemen van de nodige foto’s lopen we weer langzaam terug de berg op, om iets meer dan een kilometer voor de bangai af te slaan en via alle paadjes en wegen die we op de heenweg namen, weer terug te keren naar de onsen. Bijna beneden, horen we de eerste kikkers van dit jaar.

Kort voor de onsen komen we door een gehucht dat ook helemaal vol staat met hina-poppen. Voor bijna elk huis, elke werkplaats, elke winkel en elke schuur staat een stellage, tafel, plantenbakken, kano of iets anders waarop de poppen zijn uitgestald op een rood kleed. Er is een groepje toeristen aan het fotograferen met zware toestellen en grote lenzen. Plotseling zijn wij het middelpunt van de belangstelling. Op een rijtje staan ze ons te fotograferen, met achter ons de hina-poppen. Of we nog iets naar links kunnen? Iets naar rechts? Iets dichter bij elkaar? In de lens kijken alstublieft? Lachen? Ook nog voor die andere uitstalling? We poseren enthousiast.

Als we weer terug zijn bij de onsen, biedt onze gastvrouw aan ons naar een hina-evenement te brengen en nadat we onze onigiri hebben opgegeten op de kamer, stappen we bij haar in de auto. ‘Jullie moeten wel terug lopen’, zegt ze. Ik ben even bang dat ze ons brengt naar de grote hal bij het wegstation, die we gisteren al hebben bezocht en die zo’n 9 kilometer van de onsen af ligt…. Maar gelukkig stopt ze net aan de andere kant van het dorpje en wijst ons een pad dat naar beneden voert. In het dal is een fraai traditioneel woonhuis, dat als achtergrond dient voor 100-en en 100-en hina-poppen. Zowaar komen wij er weer dezelfde fotogroep tegen. Of we nog een keer willen poseren? Daarna nemen we zelf volop foto’s. Op een bankje drinken we met andere bezoekers groene thee. En Mels schrijft een haiku op een langgerekt papier. Die komt naast het pad te hangen.

Op de terugweg komen we langs een veld waar enkele mensen met een spelletje crocket bezig zijn, iets wat we regelmatig zien hier in Japan. We staan een tijdje te kijken en dan wordt Mels – en later ook ik – uitgenodigd mee te spelen. Het lukt Mels een bal door een poortje te slaan en dankzij hem kan eindelijk de laatste deelnemer nu het veld op. We worden hartelijk uitgezwaaid. Na nog een heleboel hina-poppen-uitstallingen komen we weer bij de onsen.

Uiteindelijk hebben we op deze dag nog meer gelopen dan op diverse loopdagen. De Engelsen hebben een uitdrukking voor een dag als deze: a busman’s holiday – een buschauffeur die tijdens zijn vakantie met een touringcar op reis gaat… De resterende vrije uurtjes brengen we – net als gisteren – door met het werken aan KLEI.

Geplande afstand: 5,2 km, totale stijging 500 m
Werkelijke afstand: 13,9 km (incl. bezoek aan grot en waterval, excl. uitje hina-festival), hoogste punt 654 m, totale stijging 789 m, max. helling 24%, totale daling 789 m
Cumulatief afgelegde afstand: 177,5 km (incl. 6,9 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.45– ca. 13.00 uur
Looptijd: 3,05 uur
Gemiddelde snelheid: 4,5 km/u
Bezochte tempels: bangai 3
Blaren: restantjes…
Overnachting: onsen Sakamoto (kamer 8 tatami’s groot + hal met wasbak en binnenveranda met kast, lage rotan stoeltjes, 2 tafeltjes, tv, kluis, wifi op de kamer, redelijk avondeten, redelijk ontbijt)

 

 

Dag 11: woensdag 7 maart 2012: Hina, hina, hina…

…en om 5 uur ontwaakt het huis alweer: het ontbijt is om 6 uur… Van Yukiko krijgen we een bakje speciale rijst: congratulations rice die ook in de ryokan na tempel 88 wordt geserveerd. De gastvrouw heeft het opgewarmd voor ons. (Gelukkig… koud vinden we het nóg viezer…) En we krijgen onigiri mee. Bij het afrekenen blijken de onigiri en de umeshuu van gisteravond gratis te zijn geweest… Het is een van de goedkoopste en een van de fijnste ryokans die we tijdens onze 3 reizen hebben aangedaan! Voor ons vertrek wegen we nog even de rugzakken; onze gastheer heeft speciaal de weegschaal klaargezet. Mels’ rugzak weegt 8 kilo, die van mij 7 kilo, en mijn 2 tassen op de buik samen 3 kilo. Ondanks al onze pogingen het gewicht van onze tassen te reduceren, is dat in vergelijking met vorig jaar niet echt gelukt. En het valt ons dit jaar eigenlijk zwaarder, vooral als we nog wat extra gewicht meezeulen aan eten en drinken.

Na nog wat foto’s worden we om 10 over 7 uitgezwaaid door het hartelijke echtpaar. Het is bewolkt en er staat een stevige (tegen)wind, maar de temperatuur is net goed genoeg om de jassen in de rugzakken te laten. Na een halve kilometer zijn we al bij tempel 19, voeren er de rituelen uit en vervolgen dan onze looptocht, hetzelfde traject als vorig jaar, zo’n 25 kilometer (volgens onze gastheer 22 kilometer) naar onsen Sakamoto, de uitstekende spa waar we vorig jaar ook al hebben geslapen. De eerste uren volgen we smalle weggetjes, afwisselend door bebouwing of langs (nog lege) rijstvelden, in de verte rijen heuvelruggen met eindeloze, altijd wat warrig ogende bamboebossen. Na 2 uur zien we het shabby koffiehuisje van vorig jaar, we kloppen er opnieuw aan. Het zaaltje ziet er iets beter uit en de gastvrouw (een andere?) idem dito. We krijgen bij de koffie chocolaatjes en bij de 2e kop zelfs een heel ontbijt. Erg aardig, maar bij het afrekenen blijkt dat we hem waarschijnlijk zelf hadden besteld… De communicatie verloopt nog niet helemaal vlekkeloos, maar dat is niet erg, het was evengoed erg lekker…

Na enkele kleine huchtjes komen we in een breder dal langs een 2-baans weg te lopen, afwisselend op de witte streep of de overdekte goot. Een erg drukke weg met veel vrachtwagens. Af en toe moeten we ons snel tegen een muur of in een haag drukken. Er zijn ook opvallend veel touringscars. Vandaag is het hina-dag: op 7 maart geven grootouders hun kleindochter een mooie hina-pop cadeau. En wij komen toevallig vandaag door Katsuura, hét centrum van het jaarlijkse Hina-festival, dat zo’n maand duurt (vanaf de 3e week van februari). Langs de weg staan overal hina-poppen uitgestald, en de weg is ook versierd met (plastic) kersenbloesems. Bij een michi no eki (wegstation) is een grote tentoonstellingshal. Dit jaar nemen we de tijd om even binnen te wippen en zien dan 1000-en en 1000-en hina-poppen uitgestald staan, waarvan sommige heel oud. Daarna lunchen we (alleen ik, want Mels’ maag is wat van streek) in het restaurantje in het wegstation. We zijn allebei wat vermoeid. Mels rekent nog eens het aantal kilometers uit en komt tot de conclusie dat het resterende dagtraject korter is dan gedacht. We zien wel. Onsen Sakamoto pikt – na een telefoontje – ook gasten op met een busje, aangezien het hotel ver van de normale henro-route af ligt. We zijn niet van plan er gebruik van te maken, maar enkele kilometers later stopt er plotseling een busje voor onze neus: onsen Sakamoto! Daar kunnen we geen nee tegen zeggen en zo arriveren we al om 1 uur bij onze overnachtingsplaats. We worden uiterst hartelijk onthaald door de gastvrouw. Vorig jaar zijn foto’s gemaakt en ze heeft een grote foto af laten drukken voor ons. Een van de feestvierders van vorig jaar (de grootste!) is er nu ook weer. ‘Sake ato?’, vraagt hij meteen. (Weer sake straks?) Als ik lig te badderen in het enorme bubbelbad komen de herinneringen aan vorig jaar weer boven: Bij de feestvierders was toen een duidelijk erg zieke loophenro die de volgende dag naar het ziekenhuis zou afreizen; blijkbaar legde hij slechts een deel van de pelgrimstocht af. Zou hij nog leven? En het aardige, Engelssprekende echtpaar Kyoko en Hiroshi van Hokkaido (het noordelijke Japanse eiland) kwamen we hier tegen. De 2 dagen erna hebben we grotendeels met elkaar opgetrokken en op 11 maart liepen we zelfs de hele dag lang samen. Zo’n half uur voor de tsunami plaatsvond, namen we afscheid van elkaar, in het zicht van de oceaan waar we net waren aangekomen. We hebben daarna nooit meer contact met hen kunnen krijgen, hoezeer ik ook geprobeerd heb, want we waren erg ongerust over hen. Ook nu informeren we weer bij de gastvrouw, maar ze kan ons geen informatie geven. Wel horen we tijdens het avondeten dat het met de zieke loophenro van vorig jaar goed gaat.

Tijdens het eten zitten we naast Nakajima, een van de mannen, en Asaka Anakawa, de jonge vrouw (nou ja, ze blijkt 47 te zijn) die we in de vorige overnachtingsplaats leerden kennen. Na de maaltijd komt Nakajima plots weer binnen en stapt op Mels af, overhandigt een vel Japanse postzegels en buigt: ‘Moraemasu.’ (dat betekent zo ongeveer iets als ‘het geven van iets aan iemand die je hoger acht dan jezelf…’) Daarna verdwijnt hij weer snel. Asaka vertelt dat de man groot respect heeft voor Mels.

Geplande afstand: 25,0 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 20,9 km (waarvan 14 km gelopen en 6,9 km met auto), totale stijging 475 m, max. helling 12%, totale daling 309 m
Cumulatief afgelegde afstand: 163,6 km (incl. 6,9 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.10– ca. 13.00 uur
Looptijd: 3,36 uur (excl. 12 min. autorit)
Gemiddelde snelheid: 5,5 km/u (incl. autorit!)
Bezochte tempels: tempel 19
Blaren: restantjes…
Overnachting: onsen Sakamoto (kamer 8 tatami’s groot + hal met wasbak en binnenveranda met kast, lage rotan stoeltjes, 2 tafeltjes, tv, kluis, wifi op de kamer, redelijk avondeten, redelijk ontbijt)

 

Dag 10: dinsdag 6 maart 2012: Omajus

Nog zo lang mogelijk profiterend van de wifi op de kamer, vertrekken we pas om 10 voor 10 voor opnieuw een relatief korte dagtocht: 15 kilometer met 1 tempelbezoek, dezelfde route als vorig jaar. De koffers gaan op transport en ik heb besloten mijn nieuwe schoenen niet om te ruilen voor de oude die in de koffer zitten: we zijn aan elkaar gewend geraakt, maar toch tape ik mijn voeten zekerheidshalve bijna helemaal in elke dag… De jassen laten we in de rugzak; het is al 11 graden. Eerst volgen we een tijdlang een brede weg door de stad, dan willen we binnendoor steken naar route 55, die ons verder naar het zuiden zal voeren. Op dat moment is er een goedlachse vrouw op een scootmobiel, 2 krukken achterop gebonden. Ze wenkt ons om ons de weg te wijzen. Wij vragen prompt of ze misschien de MakuDo kan wijzen, de McDonalds, want we hebben zin in cappuccino. Ze gaat ons voor, met aardige snelheid allerlei bochtjes rondsjezend. Ik houd af en toe mijn hart vast, maar ze schaterlacht elke keer harder. Binnen no time – snellopend achter haar aan – staan we voor de McDonalds en na een brede lach en een zwaai sjeest ze verder.

In de McDonalds ga ik zitten naast een man en vrouw die goed Engels blijken te spreken: broer en zus, hun moeder woont nog in Tokushima; zij woont inmiddels meer in de buurt van Tokyo, maar haar broer is eigenaar van 3 hotels in Tokushima. Volgende keer zijn we bij hem welkom. We blijven lang hangen, het is een relaxte dag…

Route 55 is een erg drukke 4-baans weg. Voetgangers en fietsers moeten de brede stoep ernaast delen, waardoor we steeds achter elkaar moeten lopen. Van het drukke verkeersgedruis worden we een beetje daas. Het wordt ook steeds warmer, drukkend warm zelfs. Het tempo daalt. Als we na 5 kilometer een sushi-kaiten (lopende band-sushi) zien, leggen we aan voor de lunch en gaat ook het fleecejack uit. Het zweet gutst eruit… De kok is uiterst hartelijk, we krijgen misosoep van het huis; 2 serveersters willen met ons op de foto – moeder en dochter, breedgrijnzend. We genieten van de heerlijke sushi, maar ik heb helaas nog steeds last van mijn darmen en nog voor we afrekenen is de maaltijd er al weer uit…

Enkele kilometers later verlaten we eindelijk de drukke weg en komen via wat kleine straatjes en landelijke weggetjes bij tempel 18 die op een heuvel ligt. Vlak voor de tempel komen we enkele loophenro’s tegen. Een van hen spreekt wat Engels en hij nodigt ons uit langs te komen als hij hoort dat we na onze looptocht zijn woonplaats, Nagasaki, zullen bezoeken: ‘Ik zet de beste koffie van heel Nagasaki!’ Bij de tempel rusten we even uit op een bankje en krijgen aanspraak van enkele leden van een busgroep, een vrouw spreekt goed Engels en vertaalt zonodig.

Als we weer de heuvel afdalen, geeft een groot bord aan dat de vroegere henro-route is afgesloten. Jammer, want daarmee missen we een kronkelend paadje door een wonderschoon bamboebos op enkele huchtjes, en moeten we bovendien een eindje omlopen rond diezelfde heuvels, een veel saaier weggetje door stedelijke bebouwing. We verdenken de boer die bij het begin van het pad koeienstallen heeft, ervan zelf het bord te hebben geplaatst om henro’s te misleiden… maar gehoorzaam volgen we de omweg…

Om 4 uur arriveren we al bij de ryokan net voor tempel 19, die ons is aanbevolen door Hide Tabata. Hide-san is de loophenro die we vorig jaar tegenkwamen op een hachelijk stukje berghelling in het zuiden van het eiland, en die ons een kleine 2 maanden later in zijn oude auto langs allerlei keramiekbezienswaardigheden heeft rondgereden in de omgeving van Nagoya, zijn woonplaats. We hebben het afgelopen jaar contact gehouden en bij de voorbereiding van de derde pelgrimstocht heeft hij allerlei tips gegeven. En zo komen we vanavond in een ryokan met een bijzonder gastvrije gastheer en -vrouw. In de hal is een traditionele Japanse vuurplaats; aan 2 zijden ervan kan op kussentjes worden gezeten op het verhoogde gedeelte, aan de andere 2 zijden zijn krukjes geplaatst. We krijgen bij binnenkomst groene thee en een lekkernij, en de gastheer werkt meteen de route van de volgende dag uit, met verschillende kleurstiften op een gekopieerd, zelfgetekend kaartje. De ofuro is schoon en ruim en al om 5 uur begint het avondeten, rond de vuurplaats. Het wordt heel gezellig, huiselijk zelfs. Er zijn al 2 andere (mannelijke) henro’s en wat later komt een vrouwelijke loophenro binnen. De flessen zelfgemaakte umeshuu (pruimenwijn, spreek uit: oemejus) komen op tafel en de maaltijd is overvloedig. De gastvrouw bakt ook nog eens shiitakes op de bakplaat en blijft er gezellig bij zitten. Yukiko Maeda, de 63-jarige vrouwelijke loophenro, is een vrolijkerd, een gezellige babbelaar. Haar verhaal is wat minder vrolijk: ze woonde net binnen de 20-kilometer zone bij de lekkende kerncentrale. Op 14 maart mag ze 4 uur lang in haar huis zijn, zo heeft ze te horen gekregen. Door de tsunami is ze verschillende vrienden verloren; haar familie woont sinds de ramp verspreid. Ze vond het tijd voor een pelgrimstocht. We worden hartelijk uitgenodigd om eens te komen logeren, ze woont nu vlakbij Kamakura, ten zuiden van Tokyo: ‘Dan kunnen jullie samen met mijn man drinken, die houdt er ook zo van…’ Iedereen blijft hangen, ook na het eten. Er komt nog een vrouwelijke loophenro binnen, een jonge vrouw uit Osaka. Met een paar woorden Engels en Japans, wat handen- en voetenwerk en een heleboel umeshuu komen we in dit gezelschap een heel eind. Het is berengezellig. En nog lang nadat we rond 8 uur naar onze kamer zijn vertrokken, horen we de 3 vrouwen (in ongelooflijk rap tempo!) kletsen en gieren van het lachen, want alle ruimten op de bovenverdieping zijn aan de bovenkant open en ook via een schuifraampje kunnen we gewoon bovenop de vuurplaats kijken. We liggen (zoals wel vaker) vroeg op de futon, maar tot het om 11 uur wat rustiger wordt, klinkt het even lawaaierig als op een slaapzaal. De 2 vrouwen kwebbelen gezellig door op hun kamer, de mannen hebben elk de tv aan – elk op een ander kanaal – en later is er het gesnurk, in alle toonaarden. ’s Nachts giert de wind om het huis. Onze kamer bevindt zich in een uitbouw, met aan 2 zijden ramen met uitzicht op rivier en verdere omgeving. Erg mooi, maar ook vol in de wind…

Geplande afstand: 15,4 km, 300 m stijging
Werkelijke afstand: 18,4 km, totale stijging 418 m, totale daling 442 m
Cumulatief afgelegde afstand: 142,7 km
Vertrek-/aankomsttijd: 9.49– 16.00 uur
Looptijd: 3,42 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u
Bezochte tempels: tempel 18
Blaren: restantjes…
Overnachting: ryokan Funa no sato (kamer 7,5 tatami’s groot, 2 tafeltjes, tv, zitstoel, uitstekend avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 9: maandag 5 maart 2012: Dansen op de blaren!

Als we ’s ochtends willen vertrekken, krijgen we van de bejaarde gastvrouw een brocaten osame fuda: zij heeft de tocht meer dan 100x afgelegd met bus of auto. Wij geven bedeesd een witte osame fuda terug: wit betekent dat we de tocht minder dan 10x hebben gedaan…

In de lichte regen voeren we de rituelen uit bij tempel 13, vlakbij de ryokan, en we lopen nog even naar de mooie shinto-tempel aan de overzijde van de weg. Betoverend mooi, we worden er stil van. Dan beginnen we om 10 over 8 aan ons verdere dagprogramma, een makkie vandaag: slechts 15 kilometer te lopen en 5 tempels te bezoeken. We volgen dezelfde route als een jaar geleden, meest door stedelijk gebied, eindigend in Tokushima, om te overnachten in hetzelfde hotel als een week eerder, tegenover het station. Er zijn meer henro’s onderweg vandaag, zowel loophenro’s (opvallend veel vrouwen, individueel of in een groepje!) en enkele fietshenro’s, en ook busgroepen. De tempels liggen op slechts enkele kilometers afstand, waardoor we regelmatig dezelfde busgroep tegenkomen. Bij tempel 15 informeert de priester die de groep aanvoert, waar we vandaan komen en of we lopen. Voor de derde keer zelfs, vertellen wij. Hij is onder de indruk en schudt ons de hand. Prompt volgt de hele busgroep zijn voorbeeld. Zo staan we plotseling tientallen handen te schudden bij de tempelpoort.

Na tempel 16 gaan we voor koffie en gebak naar dezelfde bakker als een jaar geleden. We krijgen een hartelijk onthaal. De andere gasten aan de toog bieden ons een kop koffie aan als osettai en de gastheer doet er nog een kop bij. En een schaaltje heerlijk zoete tomaten. We maken foto’s. En we krijgen nog 2 lekkere koeken. En een broodje, net uit de oven. Een van de andere gasten vindt het leuk Mels wat Japanse les te geven. We leren enkele nieuwe woorden. En ook begrijpen we nu waarom we enkele dagen geleden geen tweede kop koffie kregen, toen we enthousiast knikten op de vraag of we nog zin hadden: verkeerde klemtoon…

Even na tempel 17 stopt er een auto naast ons. Een man opent het raampje en drukt me een warm pakketje in de handen en 2 flesjes drinken. Het voelt een beetje als een warme reuzenhondendrol van wel een kilo. Mels mag hem dragen. Even later leggen we toch even aan bij een McDonalds, om even uit te rusten en wat kleren uit te doen, want de voorspelde regen wil niet echt vallen, maar de voorspelde 16 graden is er wel en we hebben het dan ook erg warm in onze regenkleding. Aan het tafeltje pakken we het warme pakketje uit: dezelfde warme koeken met zoete bonenvulling als gisteren. Die bewaren we voor morgen of overmorgen als er minder of geen restaurants onderweg te verwachten zijn. Nu nemen we een lekker frietje…

Voordat we verder trekken, kopen we in een boekhandel een Engels leerboek, een cadeautje voor de aardige dochter van de ryokaneigenaren waar we over een paar dagen zullen logeren. Al met al zuchten we onder het gewicht van onze rugzakken. Het is al teveel eten en drinken dat we meesjouwen. We zakken zowat door onze ruggen en ik ook nog eens bijna door mijn voeten. Bij een boom lozen we wat water en in slakkengang leggen we de laatste 5 kilometer af naar het hotel. De koffers staan al te wachten op de kamer. Ik duik meteen het bad in en ga uitgebreid velletjes trekken. Voor het eerst in dagen verwijder ik alle pleisters en tape van mijn voeten en van mijn blaren blijkt niet veel meer over. We besteden korte tijd aan het herschikken van de inhoud van koffer en rugzak. Het thermisch ondergoed gaat in de koffer, evenals de meeste stempelboeken. En eten dat we niet lekker vinden, gaat in de prullenbak.

En dan… gaan we uit! Eerst lekker eten in een restaurantje (waar we elk een schortje cadeau krijgen) en dan naar de Awa Odori Kaikan. De Awa Odori is een eeuwenoude dans die elk jaar in augustus wordt opgevoerd in Tokushima. Er zijn zo’n 950 groepen die deze dans uitvoeren en ze oefenen en treden het hele jaar op, onder meer in de grote danshal (kaikan) in Tokushima, slechts een kilometer verwijderd van ons hotel. Wij zijn al vroeg aanwezig voor de avondvoorstelling en gaan vooraan zitten. Onder begeleiding van traditionele muziek krijgen we verschillende fraaie voorstellingen te zien: mannen-, meisjes- en kindergroepen. De leidster geeft af en toe uitleg en praat het geheel aan elkaar. En het publiek mag ook meedoen. Ook ik wordt uitgenodigd en doe enthousiast mee, ook al valt dat niet mee met bergschoenen aan. Als dank krijg ik een hoofddoekje.

Geplande afstand: 15,6 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 17,8 km, totale stijging 441 m, totale daling 446 m (betreft bruggen en viaducten…)
Cumulatief afgelegde afstand: 124,3 km
Vertrek-/aankomsttijd: 7.44– ca. 16.45 uur
Looptijd: 3,43 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: tempel 13 t/m 17
Blaren: restantjes…
Overnachting: Sun Route Hotel, Tokushima (westerse kamer, 2p-bed, bureau, tv, badkamer met bad/douche/wc, wifi op de kamer, uitstekend ontbijt)

Dag 8: zondag 4 maart 2012: Brug te vroeg…

Als we om even na half 9 de ontbijtzaal (die met het mooie uitzicht op het valleitje met park) verlaten, zijn we de laatste gasten. En dat op een zondagochtend en terwijl wij waarschijnlijk de enige (loop)henro’s zijn; de andere gasten zagen er meer uit als spa-genieters… We bestellen onigiri bij de balie, omdat we geen lunchrestaurants verwachten onderweg, en stappen even na 9 uur in de gestaag vallende regen naar buiten voor een tocht van zo’n 21–22 kilometer naar de ryokan naast tempel 13, inclusief een omwegje via bangai 2. Vanaf de onsen volgen we eerst dezelfde route als vorig jaar, over een voortdurend op en neer golvende autoweg, huchtje na huchtje, met af en toe een klein gehuchtje. Maar na zo’n 4 kilometer nemen we een afslag die wat meer naar het noorden loopt, in de richting van bangai 2. Een drukke weg, zeker voor een zondag. Opvallend veel sportwagens komen voorbij. Na een autotunnel (531 meter lang, verlicht, met smalle hoge stoep) komen we bij een brede rivier, die we een tijdlang volgen.

Tegen 12 uur zijn we behoorlijk toe aan ‘koffie met even zitten…’, en eindelijk zien we een restaurantje dat er geopend uitziet. Maar de waardin verwacht een busgroep voor de lunch en wil geen extra gasten. ‘Chotto koohii?’, bedelt Mels. ‘Klein beetje koffie?’ Daar kan ze geen ‘nee’ tegen zeggen en we mogen bij een tafel achterin het zaaltje gaan zitten. We krijgen koffie met een gebakje van een grote aardbei met deeg eromheen. Terwijl er om ons heen druk gewerkt wordt, hebben we de warme belangstelling van het voltallige personeel. Iedereen komt af en toe even een praatje maken. We krijgen groene thee, water en… nog eens koffie. En een bordje met overheerlijke rijst met allerlei groenten. Betalen? Nee, dat is niet de bedoeling. Osettai! Wij geven elk een osame fuda. We worden hartelijk uitgewuifd.

Inmiddels is het even (heel even) opgehouden met regenen en we lopen verder langs de brede rivier: een grote bedding van kiezelstenen doorsneden door een klein, kronkelend stroompje – het (echte) regenseizoen begint pas in juni. In een bocht met wat meer en rustiger water staan tientallen witte reigers en enkele aalscholvers. Uiteindelijk steken we de rivier over en komen dan via een autotunnel (641 meter lang, verlicht, met smalle hoge stoep) bij de voorsteden van Tokushima, waar ook bangai 2 zich bevindt. Bangai 2 is een adembenemend mooi complex langs een klein stuwmeer. We zijn de enige bezoekers. Op een bankje onder een afdakje eten we wat (supermarkt)aardbeien (‘Weet je dat die 5 euro kostten?’, ‘Ja, ik had gehoopt dat je het niet zou zien…’) en koekjes. In de meegebrachte onigiri hebben we geen zin meer… Na het uitvoeren van de rituelen en het stempelen van de boekjes, verlaten we het complex, op weg naar de ryokan naast tempel 13. Maar dan ziet Mels een vreemd bord: een rond verkeersbord met daarop de onmiskenbare contouren van een noborigama, een meerkameroven voor het stoken van keramiek. Even later staan we voor een kleine uitvoering van een dergelijke oven en als we foto’s nemen, gaat er een deur open in het gebouwtje erachter. De pottenbakker komt naar buiten. Een hartelijke, breedlachende man. Wij stellen ons voor: mede-pottenbakkers uit Nederland. Er worden kaartjes uitgewisseld. Zijn naam is Matsuo. En na het bezichtigen van zijn toonkamer (‘Eén kommetje kost meer dan 2000 euro!’, sist Mels), worden we uitgenodigd in het grote atelier waar enkele cursisten aan het werk zijn. Er wordt tijd voor ons gemaakt. We drinken gezamenlijk koffie met grote, warme koeken gevuld met zoete bonenpasta, en uiteraard groene thee. Ik heb de hele dag al last van mijn darmen, maar afslaan is niet beleefd, dus hap ik vrouwmoedig door…

Dan is het half 4, we moeten nodig afscheid nemen. We lopen terug via dezelfde tunnel en volgen dan een klein weggetje, verder langs de brede rivier. Het lijkt steeds kouder te worden en het blijft maar regenen, maar het is niet onaangenaam: het regent niet heel hard en de regenpakken zijn met dat frisse weer niet al te warm. En alles is waterdicht!!! Via een brug bereiken we weer de andere zijde van de rivier. ‘Nu is het nog 500 meter’, zegt Mels, maar even later zien we een paal met 1,8 kilometer naar tempel 13. We waren een brug te vroeg… Inmiddels zijn we aardig moe, maar het lopen gaat nog steeds prima. Rond 5 uur komen we aan bij de ryokan. De gastheer boent onze pelgrimsstaffen schoon en propt daarna onze schoenen vol met kranten. En er is een lift! Ik krijg visioenen van een luxe kamer met bedden en een bad… Maar de kamer is van het kleinste type: 6 tatami’s groot met 2 stapeltjes beddengoed. Maar op de gang is er een zit-wc en dat maakt veel goed na al die veel te kleine hurk-wc’s die ik vandaag heb gezien…

Het avondeten is in een zaaltje met tafels en stoelen. We hebben gezelschap van 2 andere loophenro’s, die allebei Engels spreken. En het eten is overheerlijk. We krijgen van de bejaarde gastvrouw allemaal een klein flesje massage-olie (zelfgemaakt van loquat, een soort citrusvrucht) voor de pijnlijke spieren. Dat kunnen mijn schouders en rug wel gebruiken! Helaas ligt Mels al lang te slapen tegen de tijd dat ik het blog van deze dag heb geschreven…

Geplande afstand: 21,4 km, met enkele huchtjes (200 nee 300 nee 400 m stijging in totaal)
Werkelijke afstand: 24,7 km, totale stijging 550 m, totale daling 658 m
Cumulatief afgelegde afstand: 106,5 km
Vertrek-/aankomsttijd: 9.06– ca. 17.00 uur
Looptijd: 5,31 uur
Gemiddelde snelheid: 4,5 km/u
Bezochte tempels: bangai 2
Blaren: geen idee… (al sinds dag 5 geloof ik de pleisters er niet meer afgehaald…)
Overnachting: ryokan Myozai, naast tempel 13 (kamer 6 tatami’s groot + inloopje, tafeltje, tv, uitstekend avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 7: zaterdag 3 maart 2012: Een relatieve rustdag

Van de lange preek tijdens de ochtenddienst in de koude en kale zaal vangt Mels regelmatig het woord jibun (‘het zelf’) op. Ik herken vooral ano, waarvan ik sinds een jaar doorheb dat het niets anders is dan… ‘eh…’. De priester doet nog wel zo zijn best ons bij de dienst te betrekken, en af en toe lukt dat dankzij 1 van de 2 andere aanwezige henro’s, een Japanner die Engels spreekt en zelfs veelvuldig bij Philips in Eindhoven is geweest.

Na een sober ontbijt op de kamer vertrekken we al vlot voor een kort dagtraject: 8 kilometer (nee, 11, nou misschien toch 12…) naar een spa waar we al 2x eerder zijn verwend. Een rustdag, nou bijna dan… Net als we de deur achter ons willen dichttrekken, ontwaart Mels’ i-phone een wifi-signaal. Toch even de mailtjes binnenhalen. David Moreton mailt dat hij plotseling naar Canada moest afreizen omdat zijn moeder ernstig ziek ligt. Misschien zien we hem later nog tijdens onze tocht. En er zijn meer mailtjes, waarbij enkele waar we niet vrolijk van worden… Het maartnummer van KLEI is niet verzonden afgelopen week: Post.nl heeft plotseling nieuwe tarieven en voorwaarden gesteld… En bericht uit Mexico: het museum aldaar moet afzien van de Mashiko-tentoonstelling. Van het Duitse museum hebben we niets voor de deadline van 1 maart gehoord. En het Nederlandse museum vraagt wie voor de transportkosten retour Japan gaat betalen… We worden er niet vrolijk van…

Nadat we de rituelen bij tempel 12 hebben uitgevoerd, dalen we de berg af, voornamelijk via de smalle betonnen weg, aangezien ik tijdens de voorgaande tochten hier beide keren onderuit ben gegaan op het glibberige bergpaadje. Eenmaal in het dal begin ik tijdig ‘Koohii wa arimasu ka?’ te suggereren. ‘Koffie?’ We leggen aan bij een restaurantje waar ik 2 jaar geleden al had willen koffiedrinken, aan het begin van de hopeloos moeizaam verlopende dag die eindigde in een ‘blaren’bad. We krijgen niet alleen koffie en groene thee, maar ook udon-soep. En zo zitten we al even na half 10 uur aan de (eerste) lunch. Betalen mag niet, osettai! Wij geven elk een osame fuda.

In het warme zonnetje lopen we relaxed verder door het dal. Hoe erg we ook allebei tegen de ‘pelgrimshel’ hadden opgezien, eigenlijk voelen we ons achteraf best wel goed… Zelfs de zwelling in mijn rechterarm is iets minder, ondanks het veelvuldig leunen op de pelgrimsstaf gisteren. In een gehucht vinden we op een bankje een van de henro’s die vanochtend bij de dienst aanwezig waren. Een wat gezette vrouw uit Osaka. Ze wacht op de bus om terug te keren naar huis, teveel last van haar voeten. Kort daarna komen we al aan bij de onsen (spa). We lunchen uitgebreid in het restaurantje in het hotel, met uitzicht op de mooie vallei met parkje, terwijl ondertussen onze kamer in orde wordt gemaakt. De middag en avond brengen we door met het beantwoorden van mailtjes en andere werkzaamheden voor KLEI, die we slechts onderbreken voor de avondmaaltijd in het hotel: een meer dan uitstekend diner waar we al naar uit hadden gekeken. Aan het eind van de dag zijn we even moe als na de ‘pelgrimshel’…

Geplande afstand: 9,0 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 12,8 km, 635 m daling (hoogste-laagste punt), totale stijging 155 m, totale daling 753 m
Cumulatief afgelegde afstand: 81,8 km
Vertrek-/aankomsttijd: 8.43–12.06 uur
Looptijd: 2,32 uur
Gemiddelde snelheid: 5,1 km/u
Bezochte tempels: tempel 12
Blaren: Yna 3 stuks (dezelfde als gisteren)
Overnachting: hotel Shiki no Sato, Kamiyama onsen (kamer 8 tatami’s groot, tokonoma, kastenwand, lage tafel met grondstoelen, tv, koelkast, binnenveranda met tafel en stoelen, hal met wasmeubel, wc, kast, uitstekend(!) avondeten, wifi op de kamer, uitstekend ontbijt)

Dag 6: vrijdag 2 maart 2012: Kermis in de hel – geprolongeerd

’s Nachts slaap ik niet van de pijn in mijn voeten en mijn arm en ’s ochtends zie ik er erg koortsig uit. Ik pleister en tape mijn voeten uitgebreid in, over de blaren zelfs kruislings 2 grote pleisters. Er is weinig huid meer te zien, maar het werkt. Mijn grote schoenen raken op deze manier aardig gevuld en zo schuif ik minder heen en weer met mijn voeten…

Vandaag staat de ‘pelgrimshel’ op het programma: over kleine paadjes 3 bergruggen over, met op de derde bergrug tempel 12. De voorgaande jaren lukte het ons niet een overnachting te boeken in het gastenverblijf van tempel 12, nu hebben we dat wel voor elkaar gekregen via David Moreton, de Canadese auteur van het routeboekje, die ons vorig jaar stond op te wachten toen we de pelgrimstocht ten einde liepen. Hij heeft aangekondigd deze dag met ons mee te lopen, maar… we zien of horen niets van hem. Mels stuurt via de i-phone nog een mailtje; we hebben geen adres of telefoonnummer en kunnen niets anders verzinnen. Uiteindelijk vertrekken we om half 8, we zien wel… Bij het afscheid geven we de hartelijke gastvrouw een klein Delftsblauw doosje en ook de zak knoflook en de 2 blikjes tomatensap: het wordt ons teveel gewicht… Prompt komt ze met 2 dozen heerlijke chocolade aanzetten… We nemen nog foto’s en dan gaan we.

Moesten we vorig jaar door de sneeuw lopen en was het 2 jaar geleden een warme, zonnige dag, nu regent het lichtjes. We lopen eerst naar tempel 11 en voeren daar de rituelen uit. Achterin het complex is de toegang tot de pelgrimshel. Het is een rustige dag, we zien de hele ochtend maar 2 andere pelgrims, waaronder de Koreaan die we de afgelopen dagen al vaker zagen. We worstelen door de blubber en glijden regelmatig uit op de glibberige paadjes. Al gauw houdt het op met regenen en stijgt de temperatuur. Bij de eerste de beste bank gaan sjaals, jas en regenbroek uit. Dat alles onder de warme belangstelling van een Japanner. Hij bewondert mijn figuur en kan moeilijk zijn handen thuishouden (niet dus). We blijven niet lang… Bij het weggaan duwt hij me een verweerde pelgrimsstaf in de handen, want de berg op zonder staf, dat kan niet…

Ik heb erg veel moeite de berg op te komen; mijn knieën klappen af en toe de verkeerde kant op en mijn rug begint op te spelen. Ook de warmte speelt me parten. We klimmen zelfs zo langzaam, dat de gps niet werkt. Daarom stelt Mels hem anders in, alleen kunnen we dan de gemiddelde snelheid niet meer noteren. Toch komen we al om 10 uur aan bij aan bij Chodo-an, bijna aan de top van de eerste bergrug, en dat is even snel als vorig jaar. Op de holle paadjes zien we hier en daar grote aantallen aardsterren, bijzondere, stervormige paddenstoelen, van een iets ander type dan in Europa. Pas boven de 500 meter zien we sneeuw: wat restjes langs het pad. Om 12 uur arriveren we bij Ryusui-an, halverwege het dal tussen de eerste en de tweede bergrug. We eten op een bankje, samen met de Koreaan, de meegebrachte onigiri (rijstballen voor de lunch) op. Er komen nog 3 henro’s voorbij. Een ervan heeft grote witte lappen op zijn knieën. Ik krijg er ook een paar. Het zijn een soort coolpacks: een heel dun vlieslaagje dat op de huid wordt geplakt en kou afgeeft, urenlang. Ik krijg nog wat extra mee. En later geeft hij nog zijn brocaten osame fuda: achterop staat dat hij de tocht al 100x heeft afgelegd, waarvan 3x te voet.
We raken steeds meer achter op schema. Dat komt vooral door de lange pauzes die we dit jaar nemen. Om 2 uur zijn we bij Joren-an, bovenop de tweede bergrug. Een bijzondere plaats met een enorme, wijdvertakte Japanse ceder, een groot beeld van Kukai en wat houten gebouwtjes. Vlak voor we de tweede top bereiken, denderen 2 grote wilde zwijnen met een enorm lawaai de steile berghelling af.
We rusten maar kort bij Joren-an, want we moeten voor 5 uur bij het gastenverblijf op de derde bergtop aankomen. Het pad naar beneden valt niet mee, langzaam bewegen we ons voort over de glibberige stenen. Ik begin nu toch ook mijn blaren weer te voelen. Om half 4 beginnen we pas aan de derde beklimming. We zwoegen voort en zien vlak voor 5 uur de eerste balustraden van het pad dat zich rond het tempelterrein de berg op slingert. Nog wat trappen en dan zijn we om even na 5 uur bij het gastenverblijf. Het is stil in het enorme complex, aan de schoenen in de opbergvakken en de pelgrimsstaffen in het staffenrekje is te zien dat er nog 2 andere gasten zijn. Als ik om 5 voor 6 geroepen wordt voor de ofuro, doet ik maar net of ik echt in bad ga en haast me dan weer terug voor het eten dat om 6 uur naar de kamers gebracht zal worden. De schijnvertoning lukt maar half; ik wordt achterna gezeten door een van de medewerksters die roept dat ik meer tijd had moeten nemen…

Geplande afstand: 13,5 km, toppen: 1e top 626 m, 2e top 745 m, 3e top 705 m, totale stijging 1000 m
Werkelijke afstand: 13,6 km, toppen: 1e top 593 m, 2e top 746 m, 3e top 700 m, totale stijging 1290 m, max. helling 62%, totale daling 614 m
Cumulatief afgelegde afstand: 69,0 km
Vertrek-/aankomsttijd: 7.19–17.05 uur
Looptijd: ?
Gemiddelde snelheid: ?
Bezochte tempels: tempel 11
Blaren: Yna 3 stuks
Overnachting: gastenverblijf tempel 12 (Shōsanji) (kamer 8 tatami’s groot, verwarmd tafeltje, sober vegetarisch avondeten, wifi bij de buitendeur, sober vegetarisch ontbijt)

Dag 5: donderdag 1 maart 2012: Weer weerzien

Vandaag bezoeken we eerst 4 tempels aan de noordkant van het rivierdal en doorkruisen dan het dal naar de bergen aan de zuidkant ervan, waar we morgen doorheen zullen trekken. Het is dezelfde route als voorgaande jaren, maar – tot mijn verrassing – heeft Mels 2 relatief korte dagtrajecten samengetrokken tot 1 dagtraject, in totaal 18,6 kilometer. Dat wordt een lange dag, met morgen een nog zwaardere dag voor de boeg… Helaas missen we op deze manier ook 2 overheerlijke sushi-restaurants…

Het is fris als we vertrekken, maar de zon schijnt flink en al gauw stoppen we sjaal en handschoenen in de rugzak en nog weer later gaat ook Mels’ wollen hemd uit. Evengoed krijgen we het steeds warmer naarmate de dag vordert. De sneeuw op de berghellingen is inmiddels grotendeels verdwenen.
Bij tempel 7 kan Mels een oude, verweerde en dus duidelijk verweesde pelgrimsstaf niet weerstaan. Hij heeft er al snel spijt van, overweegt bij elke volgende tempel hem achter te laten, maar heeft hem aan het eind van de dag nog steeds… Kort na tempel 7 stopt een bestelautootje voor ons: de bestuurder heeft elke zaterdag Engelse les en wil graag even met ons praten. Hij biedt aan ons naar tempel 8 te brengen, maar dat slaan we af. Met grote brokken gepofte rijst lopen we uiteindelijk verder.

We lunchen in hetzelfde udon-restaurantje als vorig jaar, vlak voor tempel 10, het eerste restaurant dat we open vinden langs de route. Even verderop lopen we langs een bedrijfje in kakejiku’s, peperdure rollen ter herinnering aan de tempelbezoeken. De vorige keren werden we hier uitgenodigd onze rugzakken achter te laten, omdat het nog een aardige klim is naar tempel 10 en je op de terugweg hier toch weer langs komt. Dit keer gaat er geen schuifwand open. We zien een (ons onbekende?) jongeman binnen aan het werk. Enkele keren lopen we zo onopvallend toevallig mogelijk langs de schuiframen, dan nemen we zelf maar het initiatief en kloppen aan. Het mag. En als we terugkomen, zijn ook weer de aardige vrouwen aanwezig en krijgen we een kopje thee. We geven een sleutelhanger met Delftsblauwe klompjes en krijgen prompt elk een armbandje met in een glazen oogje verstopt een afbeelding van Kukai.

Er zijn meer aardige mensen waar we naar uitkijken vandaag. Zo’n 2 kilometer na tempel 10 zijn we vorig jaar uiterst vriendelijk ontvangen in een kleine supermarkt: in een hoekje stonden wat krukjes en kratjes rond een klein kacheltje, waar we aan konden schuiven bij een gezellig groepje ongeregeld. Dit jaar is er een ons onbekende jongeman in de winkel aan het werk, maar als we wat ronddralen komen de eigenaresse en haar moeder naar voren. We worden weer in het ‘zithoekje’ uitgenodigd en krijgen koffie, met crème gevulde koekjes, op het kacheltje geroosterde deegkoekjes gevuld met zoete bonenpasta, geroosterde rijstdeeg gedoopt in sojasaus met suiker, en dan komt er nog een vrouw binnen met enorme citrusvruchten. Eén vrucht wordt uitgebreid gepeld en dan bewerkt met een slagersmes. We zien nog weinig vruchtvlees in alle zachte, schuimrubberachtige vulmassa, maar als we uiteindelijk ook enkele partjes krijgen, blijken die mierzuur te zijn. We trekken vieze gezichten en krijgen prompt nog een heerlijke zoete sinaasappel en 2 grote koeken gevuld met crème, om mee te nemen. Eigenlijk hadden we ernaar uitgekeken hier weer de uiterst hartelijke vrouw te ontmoeten die ons vorig jaar – na ons supermarktbezoek – achterop kwam met een piepklein autootje, maar na enig (moeizaam) navragen komen we erachter dat zij niet de eigenaresse was, maar (waarschijnlijk) een (ver weg wonende) klant. Jammer, maar niets aan te doen, we weten haar naam en adres ook niet. Ze had ons nog wel zo op het hart gedrukt over een jaar terug te komen… We geven de (echte) eigenaresse een sleutelhanger met klompjes en vervolgen uiteindelijk onze weg, de buiken nog iets bolronder dan ze al waren…

Zo’n 2 kilometer voor onze overnachtingsplaats is er een restaurant waar we ook even binnen willen wippen. Hier zijn we elk jaar hartelijk ontvangen door de eigenaar, zijn vrouw en het kleine witte hondje dat Sakura heet. Ze kennen ons nog: de togei-mensen (togei=klei). Het is inmiddels al 4 uur geweest, maar ik ben wel toe aan een break, want mijn blaren mogen dan wel als luchtkussentjes onder mijn voeten zitten, ze spelen me aardig parten… Bij de koffie krijgen we chocolade, 4 zoete sinaasappels en 2 blikjes tomatensap. En we worden hartelijk uitgezwaaid. Een lift naar onze ryokan slaan we af en al even na 5 uur komen we aan bij de ons zo bekende en geliefde ryokan. Moeder en zoon komen ons enthousiast tegemoet en in de kamer blijken al extra futons te zijn neergelegd, voor mama-san met haar zere rug (die ze dit jaar helaas moet delen met papa-san…) Het avondeten delen we met 6 andere gasten, waaronder een henro die we 2 dagen geleden al in de minshuku zagen. Het wordt een gezellig samenzijn. Aan het lopen van de pelgrimshel met al mijn blaren denk ik maar even niet…

Geplande afstand: 18,6 km, 200 m stijging
Werkelijke afstand: 23,8 km, 152 m stijging (laagste–hoogste punt), totale stijging 604 m, totale daling 591 m
Cumulatief afgelegde afstand: 55,4 km
Vertrek-/aankomsttijd: 7.42–17.06 uur
Looptijd: 4,52 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: tempel 7 t/m 10
Blaren: Yna 3 stuks (dezelfde als gisteren, maar behoorlijk gegroeid…)
Overnachting: ryokan Yoshino (kamer 6 tatami’s groot, kastenwand, wasmeubel, tafeltje, tv, redelijk avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 4: woensdag 29 februari 2012: Het zogenaamde paallezen

’s Nachts slaap ik nauwelijks van de pijn in mijn arm; dat de buurmannen – aan de andere kant van de papieren schuifdeuren – al om kwart voor 5 op zijn, helpt ook niet… Buiten komt de regen met bakken naar beneden. ’s Ochtends regent het nog steeds lichtjes en als we even na half 8 vertrekken, zijn we goed beschermd in onze nieuwe windjacks en regenbroeken. We lopen door het brede rivierdal verder naar het westen. De bergen die het dal aan de zuidkant afbakenen, zijn van hoog tot laag wit besneeuwd (daar leggen we overmorgen de ‘pelgrimshel’ af!!!) En ook in het dal zelf zien we langs de kant van de weg al gauw wat sneeuw liggen, die blijkbaar ook afgelopen nacht is gevallen. Vandaag bezoeken we een bangai-tempel in de bergen die de noordrand vormen van het rivierdal, om vervolgens grotendeels via dezelfde route weer naar het dal terug te keren en dat verder naar het westen te volgen tot aan tempel 6 (van de officiële lijst) waar we in het gastenverblijf zullen overnachten. Doordat we dit jaar af en toe een (extra) bangai-tempel in de officiële tempelroute hebben gepland, wijken de dagtrajecten in dergelijke gevallen af van de eerdere tochten.

Nog voor we de bergen intrekken, houdt het op met regenen. We kiezen ervoor de smalle, betonnen weg te blijven volgen tot aan de tempelpoort en laten de door de sneeuw in glijbanen veranderde bergpaadjes links (en rechts) liggen. Dat betekent wat extra afstand afleggen. Vlak voor het begin van het tempelcomplex, staat een enorme woudreus, een Japanse ceder (sugi), die doet denken aan de sequoia’s in de VS. De tempelpoort blijkt onderaan een lange, steile, stenen trap te staan, omringd door een bamboebos en bijna bovenaan links en rechts een rij grote Japanse ceders. Een sprookjesachtig gezicht, mede door de sneeuw die hier en daar ligt. Bovenaan de trap is vaag een andere oude poort te zien. We worden bij onze klim vergezeld door 2 Japanse inu’s, mooie, lieve honden die zich graag laten aaien. De bangai-tempels liggen buiten het normale ‘toeristische’ schema en dit fraaie, oude tempelcomplex ademt een verstilde sfeer. Alleen 1 van de andere minshuku-gasten is hier vandaag vóór ons geweest, dat kunnen we zien aan de voetafdrukken in de sneeuw. Als we na het uitvoeren van de rituelen het stempelkantoor bezoeken, krijgen we koffie met een koekje aangeboden (het is pas 11 uur!) Bij het weggaan stopt ze ons een zak hartige koekjes toe en ze zwaait ons lang na. De gladde stenen trap (zonder leuning) omzeilen we door naar beneden ook hier de weg te volgen.

Op zo’n 2/3 van de afdaling lunchen we met wat supermarkt-sushi op een bankje langs de kant van de weg. Mijn hand en onderarm zijn inmiddels nog verder opgezwollen, ondanks mijn toegewijde zorgen: paracetamol, warm houden met handschoenen aan en laten rusten op de tempeltas… En mijn voeten zijn ook in opstand: met het stijgen en dalen schuif ik – (nog) meer dan gisteren – van links naar rechts en van voor naar achteren in mijn riante schoenen. Dat worden blaren… Mels vermaakt zich tijdens de lunch met het aflezen van de teksten op de paal die bij de bank staat. ‘Ik kan de héle tekst lezen!!!’

Eenmaal in het dal, bereiken we via kleine weggetjes de grote weg die langs tempel 6 loopt. We leggen voor koffie aan bij een Chinees (we hadden eigenlijk gehoopt op een cappuccino bij Happy, maar die is blijkbaar overgenomen…) De ontvangst is hartelijk en bij het afscheid krijgen we 2 grote sinaasappels, een zak gepelde (rauwe!) knoflookteentjes en een strip met 5 Yakultjes mee. Na het uitvoeren van de rituelen bij tempel 6 melden we ons al voor 3 uur aan bij het gastenverblijf. We worden hartelijk ontvangen door een monnik en krijgen uitleg over het nieuwe systeem: na de ofuro en het avondeten is er om 7 uur in de nieuwe hoofdtempel een speciale avonddienst, waarbij de overledenen worden geëerd. We ontvangen alle attributen daarvoor: osettai! En de nodige uitleg…

Op de kamer lezen we de gps af. Die verzamelt behoorlijk wat gegevens over de tocht: elke 2 minuten worden hoogte, afstand, snelheid en tijd gemeten en alles wordt aan het eind van de dag in mooie grafiekjes weergegeven. En dát geeft ons een verrassend inzicht: we lopen elke dag meer dan gepland, we stijgen elke dag meer dan gepland en het aantal uren dat we daadwerkelijk lopen is veel kleiner dan gedacht. Mijn vermoedens tijdens de eerdere tochten worden nu bevestigd…

Het avondeten is in een vrij koude eetzaal. We zitten met een Engelssprekende Koreaan aan tafel. Hij heeft o.a. Nederland bezocht. En de tocht naar Santiago gelopen! Nu loopt hij voor het eerst de pelgrimstocht op Shikoku. De meeste andere tafels worden in beslag genomen door een busgroep, in totaal zo’n 30 mensen. Uit de geluidsinstallatie komt klassieke muziek en een priester met een microfoon komt af en toe een (stichtelijk resp. commercieel) praatje houden. We logeerden 2 jaar geleden hier ook en vonden het toen nogal Hans van der Togt-achtig, nu stoort het ons niet meer; inmiddels hebben we zoveel tempels gezien, elk met zijn eigen invulling van het geloof…

Na het eten trekken we gauw wat extra kleren aan en zorgen ervoor dat we als eersten in de tempel zitten, bij een van de kleine gaskacheltjes. De dienst is indrukwekkend. Na het reciteren van enkele soetra’s gaan alle lampen uit en vervolgens ook alle kaarsen. In de donkere ruimte maakt een monnik hier en daar met enkele vuurstenen wat vonken. Dan gaan een voor een de kaarsen weer aan en tot slot alle lampen. In een rij gaan we via een zuilengang naar de achterkant van het altaar en laten daar elk een osame fuda achter met onze naam, wens en datum. Dan gaat het verder naar een andere zaal. Langs de hoge achterwand loopt een helblauw beekje met daarin eilandjes, een voor elk teken van de (oosterse) dierenriem. Op aanwijzingen van de priester komen schaap (Mels) en aap (Yna) voor hetzelfde eilandje te staan. Op het eilandje zetten we elk een boomtakje met daaraan een papiertje met de naam van een overledene die ons dierbaar is, en laten dan elk een bakje met een brandend kaarsje wegdrijven. Mels herdenkt zijn broer Herman die het afgelopen jaar is overleden; ik herdenk Meiny die de vorige tochten in gedachten met me meeliep; zelf kon ze niet meer reizen en kort na onze 2e tocht overleed ze aan een hersentumor. Ik mis haar warme en altijd positieve mails gedurende onze reizen.
Dan zijn we toe aan het volgende ritueel: in een vlammende vuurpot gooien we elk een latje met onze naam en wens. In een volgende zaal zijn er alweer nieuwe rituelen. Na een uitleg over enkele mooie schilderijen – o.a. de stichters van de 5 (Japanse) boeddhistische sekten samen op 1 schilderij, kun je je dát voorstellen met de christelijke leiders? – branden we wat wierook voor de slachtoffers van de aardbeving vorig jaar. Verderop offeren we nog eens wat wierook en lopen dan in een rij 3x rond een groot gouden beeld van Amida (een van de leerlingen van boeddha), onderwijl soetra’s reciterend (Samu Amida Buddha). In een volgende zaal buigen we voor de zittende Kukai (degene die als eerste deze pelgrimstocht ondernam) en wrijven hem over de knieën, misschien dat het helpt… Dan staan we weer op de buitenveranda tussen tempel en gastenverblijf. In het licht van de sterren ontwaren we de donkere contouren van de tempelgebouwen. Een mooie wereld, zo stil…

Geplande afstand: 15,7 km, 400 m stijging
Werkelijke afstand: 18,5 km, 441 m stijging (laagste–hoogste punt), totale stijging 688 m, max. helling 20%, totale daling 665 m
Cumulatief afgelegde afstand: 31,6 km
Vertrek-/aankomsttijd: 7.37– ca. 15.00 uur
Looptijd: 3,51 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: bangai 1, tempel 6
Blaren: Yna 3 stuks… (maar niet op mijn kleine tenen!)
Overnachting: gastenverblijf tempel 6 (Anrakuji) (kamer 10 tatami’s groot, kastenwand, zitvensterbank, tafeltje, tv, open halletje met wastafel, avondeten redelijk/matig, ontbijt redelijk/matig)

Dag 3: dinsdag 28 februari 2012: Alle begin is moeilijk…

Dankzij alle goede voorbereidingen van Mels staat de nieuwe weblog volledig klaar voor gebruik en kunnen meteen al de eerste teksten worden ingeladen. Nog even profiterend van de voorlopig laatste wifi, probeer ik een rondzendmail te versturen met het blogadres. Heel veel tijd (en vooral ergernis) later is dat karweitje voor een groot deel gelukt… Nou weet ik weer, waarom we tijdens de vorige pelgrimstochten altijd zo laat vertrokken en ondanks alle goede voornemens nooit toekwamen aan mediteren (Mels) of Japanse les (Yna)…

Een uur later dan gepland vertrekken we met de trein naar Bando Eki, vanwaar we lopen naar tempel 1. Als we door de hoofdpoort lopen, schieten ons de tranen in de ogen. Ik ben dankbaar hier weer te mogen zijn. En net als voorgaande jaren loop ik niet alleen: in mijn hart draag ik degenen die me dierbaar zijn, vooral degenen die me ontvallen zijn…
Na het uitvoeren van de rituelen bezoeken we het winkeltje in de hoofdtempel, waar we nog wat tempelbenodigdheden kopen: wierook, aansteker, osame fuda’s (de ‘wensbriefjes’ waarop je naam, wens en datum schrijft om ze achter te laten bij de tempels) en ook een stapeltje stempelboeken. Deze reis wil Mels alleen stempels laten zetten bij de bangai, maar ik ga weer voor álle stempels en dat betekent 4 boeken meesjouwen tot de eerstvolgende keer dat ik mijn koffer weer zie en er 3 kan achterlaten… In het winkeltje schrijven we ons ook weer in in het Boek der Voltooiing. Alleen henro’s (pelgrims) die de tocht lopend afleggen, mogen hun naam hierin schrijven. Vanaf begin dit jaar staan er 132 namen in, waarvan 2 buitenlanders (Fransen); de leeftijden variëren tussen 17 en 85 jaar. Maar bij tempel 1 zijn meerdere winkeltjes met een dergelijk boek, bovendien kun je ook bij een andere tempel beginnen als je wilt, dus dit is slechts een deel van het werkelijke aantal.

Na de hartelijke ontvangst in het winkeltje – met een kopje groene thee en als osettai (pelgrimscadeautje) 2 stoffen zakjes – vertrekken we om 10 uur voor onze dagtocht. We hebben maar 11,5 kilometer gepland, met bezoek aan 5 tempels, dus een relaxte dag. Het is tamelijk koud weer, maar de zon schijnt volop. Ik zie camelia’s bloeien en een enkele kersenbloesem. In een tuin vlak voor tempel 2 staan massaal goudsbloemen en kleine margrietjes in bloei. Af en toe horen we een nachtegaal. De weg is vertrouwd, we kijken nauwelijks meer in het routeboekje. Als we kort na tempel 2 – net als tijdens de eerste tocht – door een achteraf straatje lopen, komt dezelfde vrouw naar buiten rennen als 2 jaar geleden; in haar handen een dienblad met blikjes (groene) icetea en zelfgemaakte stoffen zakjes waar we uit mogen kiezen. Dat was 2 jaar geleden onze eerste osettai. Het raakt ons dat ze blijkbaar dag in, dag uit bij het raam zit te wachten op een voorbijkomende henro… Ook bij tempel 3 krijgen we een osettai: een echtpaar dat de tempel bezoekt, is onder de indruk als Mels vertelt dat het onze derde keer is. We krijgen speciale zoete bonenkoekjes uit Kyoto.

Mels krijgt sowieso vandaag volop de gelegenheid zijn Japans te oefenen. Ook tijdens de lunch – in een onverwacht goede, nog niet eerder ontdekte eetgelegenheid– informeert een echtpaar vol belangstelling naar onze wederwaardigheden. ‘Yukkuri! Yukkuri!’, roept hij steeds – ‘Langzaam! Langzaam!’ – maar het enthousiasme valt niet te stoppen… Als ze weggaan, krijgen we 2 zakken Japanse mix.

Al om 4 uur komen we aan bij onze overnachtingsplaats, vlakbij tempel 5. Toch viel de eerste dag niet mee… Ik heb behoorlijk last van mijn voeten (had ik toch de eerste week mijn oude schoenen aan moeten trekken???) en van mijn linkerschouder (in de nieuwe kleine windjacks past bijna niks en daarom heb ik extra gewicht in mijn tempelschoudertas…), en in mijn rechteronderarm is denk ik een spier ontstoken – hand en onderarm zijn opgezwollen en zeer pijnlijk, wat me erg ongerust maakt. Mels is er nog erger aan toe met zijn rug, schouders en zere voeten. Hij is ook niet gewend dat zijn lichaam zo opspeelt. Ondanks al onze inspanningen vooraf, zijn zowel het lopen als de rugzakken zwaarder dan gedacht.
In de piepkleine ofuro (bad) kunnen onze spieren weer wat ontspannen. We mogen er met zijn 2-en in, voor zover dat lukt… Als we – terug op de kamer – de waardin horen roepen dat de 2 mannen uit de buurkamer na ons in bad mogen, barsten we in lachen uit: 2 mannen in dat ¾ persoonsbadje?

Bij gebrek aan stoelen, ligt Mels al om kwart over 6 op de futon; ik volg anderhalf uur later, als de batterij van de laptop leeg is…

Geplande afstand: 11,3 km, geen stijgingen (volgens routeboekje)
Werkelijke afstand: 13,1 km, totale stijging 290 m, totale daling 277 m (volgens gps i-phone; excl. station–tempel 1)
Cumulatief afgelegde afstand: 13,1 km
Vertrek-/aankomsttijd: 10.01– ca. 16.00 uur (vanaf tempel 1)
Looptijd: 2,45 uur
Gemiddelde snelheid: 4,7 km/u
Bezochte tempels: tempel 1 t/m 5
Blaren: 0
Overnachting: Minshuku Morimoto-Ya (kamer 8 tatami’s groot, tokonoma, tv, verwarmd tafeltje, avondeten prima, ontbijt wat karig)