Terug…

Thuis kunnen we moeilijk aarden. Zelfs na een week… Dat we terug zullen gaan, is zeker. Maar eerst is er de Camino. Het is al 10 jaar geleden dat ik Mels vroeg mee te gaan op pelgrimstocht naar Santiago. Ook Joop vroeg hem al eens mee op deze tocht, maar dan op de fiets. Het kwam er niet van. Maar de plannen gaan nu wat concreter worden…

Soms moet je eerst op reis gaan, om weer thuis te kunnen komen… 

Dag 89: donderdag 24 mei 2012: Voor het allerlaatst…

Terug naar Nederland. In de zeer vroege ochtend lopen we door de straten van Osaka, op weg naar de trein die ons naar het vliegveld zal brengen. Op een brede richel liggen enkele zwervers te slapen; het is dit jaar voor het eerst dat we zwervers zien in Japan. Net als we ook veel en veel meer zwerfhonden hebben gezien dan voorheen; alleen 2 jaar geleden zijn we een groepje zwerfhonden tegengekomen die net op dat moment liefdevol werden opgepikt door een man en vrouw met een busje. Is het een teken dat het slecht gaat met Japan? Of dat de normen veranderen? Op het platteland van Shikoku zagen we veel hoogbejaarde mannen en vrouwen die kromgebogen aan het werk waren op het land, de rollator langs de weg geparkeerd. Is dat armoede of juist rijkdom? Zoveel hoogbejaarde mensen die nog zo actief kunnen zijn! In de steden regeert daarentegen de jeugd (al dan niet goed ‘geconserveerde’ jeugd) en er heerst een koortsachtige feestvreugde. Er wordt druk geflaneerd, de eeuwig 16-jaar oude meisjes in hotpants of minirok, met heel veel kantjes en roesjes en meestal op torenhoge naaldhakken, de eeuwig 16-jaar oude jongens met Bogart hoedjes en nonchalent ver afzakkende lange broeken. De winkels puilen uit met torenhoog geprijsde artikelen; de vele gokhallen braken een kakofonie aan geluid uit als er een deur opengaat. Een gouden zeepbel? Hoe zal het verder gaan met Japan? Enkele weken geleden lazen we in het nieuws dat de laatste kerncentrale in Japan zal worden gesloten. Een moedig besluit.

Op het perron staat achter een catheder een nette juffrouw in grijs mantelpak met rode biezen, een gondeliershoedje in bijpassende kleuren op het hoofd. Ze ontvangt ons met veel egards en controleert nogmaals onze kaartjes (voor de 3e keer…) ‘Degene die Playmobil heeft bedacht, moet zijn inspiratie hebben opgedaan in Japan’, zei Mels eens onderweg. Elke functie heeft zijn eigen werkkleding. Werkmannen die in lichtmasten hangen hebben werkpakken aan – lichtblauwe, mintgroene of beige, afhankelijk van het bedrijf – met witte helmen; hun opzichters middelgrijs, met witte helmen. De bijbehorende vlaggenmansen zijn in het donkerblauw met witte banden rond het bovenlichaam en een witte helm; in de hand een rood vlaggetje aan een stokje; of, in het donker, met roodflikkerende banden rond het bovenlichaam en een roodflikkerende staaf. (‘The force…’, weet Mels.) Meteropnemers zijn in het lichtgroen; vuilnismannen in lavendelblauw; in de grond wordt gegraven met pastelpaarse pakken aan; postbodes op scooters zijn in het donkerblauw met een witte band en een witte helm. Bij benzinestations wordt elke auto omringd door enkele pompbediendes in middelgrijs met rode biezen. Hotels en winkels hebben hun eigen uniformen. Scholen ook: leerlingen dragen veelal marinepakjes, of zijn in het zwart, de jongens met zwarte broek en hooggesloten jasje met witte boord erbovenuit, de meisjes met witte blouse, zwart jasje, zwart plissérokje, zwarte kniekousjes. De kleinere met gele helmpjes. En als het regent gele parapluutjes; heel soms is er een groepje met blauwe pluutjes. Het playmobil-effect wordt versterkt door de vaak compacte, vrij vierkantige autootjes, de felrose of zachtpaarse graafmachines en de lichtgewicht trekkertjes op de sawa’s. Een overzichtelijke maatschappij. Zouden daarom de henropakjes ook zo geliefd zijn om te dragen? Vooral bushenro’s kunnen zich helemaal optuigen: smetteloos witte broek en jasje (wit ondergoed ook uiteraard), witte sokken en gympen, witte slobkousjes en aanzetmouwtjes die de polsen tegen de zon beschermen, witte doek of handdoek rond het hoofd met erop het bekende rieten punthoedje, aangevuld met een witte pelgrimstas, een kleurige sagesa (gebedssjaal) en een pelgrimsstaf met even kleurig hoesje rond de bovenkant. Loophenro’s zien er over het algemeen wat minder ‘compleet’ en smetteloos uit. De Japanse maatschappij blijft ons mateloos intrigeren…

Op het vliegveld geven we onze koffers én onze staffen af. Vorig jaar hadden we grote problemen onze staffen mee te krijgen in het vliegtuig, ook al stond er in de voorwaarden van de KLM dat elke passagier een wandelstok mee mag nemen. Dit jaar bleek de wandelstok geheel verdwenen te zijn uit die voorwaarden en hebben we maar het zekere voor het onzekere genomen en extra betaald voor onze staffen. En nou maar hopen dat ze het overleven… Mijn bamboe pelgrimsstaf heeft helaas na verschillende grote regenbuien en langdurige zweetpartijen langs de bovenste 20–30 centimer het mooie patina van verwering en aangekoekt vuil verloren door mijn regelmatig heen en weer glijdende hand. En aan de onderkant zit een viezig tapeje tegen de splijtzucht waar bamboe staffen nou eenmaal aan lijden. Maar we zijn zeer gehecht geraakt aan onze staffen…

Dan stijgen we op vanaf het kunstmatige eilandje in zee, vlak voor de kust van Osaka. Nog even zien we vaag wat scheepjes in het water, dan zijn er alleen nog maar wolken. Shikoku is niet te zien.

Naar huis… Zoveel herinneringen die ik meeneem…

Dag 88: woensdag 23 mei 2012: Voor het laatst…

Na een ontbijtje bij Starbucks met reuzencappuccino’s, een wrap (Mels) en een broodje ham/kaas (Yna) bezoeken we het Museum voor Oosterse Keramiek. Het is even zoeken, want de aanduiding op het kaartje in ons toeristisch boekje klopt niet, maar na enig vragen lukt het er te komen. Het museum bevat een van de mooiste collecties oosterse keramiek ter wereld, waaronder 1000 Chinese en Koreaanse stukken. Er is een tijdelijke tentoonstelling gaande over het Duitse Meissen dat 300 jaar geleden het Chinese en Japanse porselein wist na te maken. Een deel van de vaste collectie is daarom niet te zien. Er is – helaas voor ons – slechts 1 zaal met Japanse keramiek. Zowel de tijdelijke als de vaste tentoonstelling zijn fraai ingericht en er zijn Engelse teksten, zowel in een folder als in de zalen. Zeer de moeite waard! We lunchen tussendoor in het museumrestaurant, uiteraard op Royal Copenhagen en Meissen porselein.

Later die middag bezoeken we het Japans Volkskunstmuseum en dat blijkt helaas een aanfluiting te zijn. Volgens onze toeristische gids moet dit ook een van de mooiste collecties van Japan zijn, met bamboe, meubels, speelgoed en keramiek. Maar nadat we € 5 p.p. hebben betaald, zijn er alleen 2 kleine zaaltjes met enkele batikjes en heel veel keramiek dat allemaal nogal op elkaar lijkt en waar ook geen Engelse teksten bij zijn. Geen idee wie het heeft gemaakt of wanneer. Ook het Engelstalige A4-tje geeft geen informatie daarover. Een klein winkeltje herbergt wat speelgoed en weer heel veel oninteressant keramiek. We ontdekken wat aardige houten gebruiksvoorwerpen – enkele raamopeners en een meetlat – maar de juffrouw komt meteen aangesneld: niet te koop! We vertrekken maar gauw.

Shopping time! We doorkruisen onder andere het bekende Dotonbori vlakbij ons hotel. Het straatje herbergt vele winkels en restaurants die met grote gevelsculpturen klanten proberen te werven – een bewegende krab, een hangende koe, een reuzenkogelvis en vooral heel veel draken – en ook een fraai theater, waar eerder vandaag om half 11 al hordes mensen voor in de rij stonden, verschillende in traditionele kimono. Een politieman staat geduldig alle verkeerd geparkeerde fietsen op een rijtje te zetten. Dat is nog eens aardig! In een zijstraat bezoeken we het grote en dure warenhuis Daimaru. Op de 12e verdieping van het 2e gebouw is een tentoonstelling gaande van keramiek, glas en schilderijen, in het kader van een naderende veiling. Een kakiemon-achtig vaasje is getaxeerd op € 40.000, een vaas van Shōji Hamada voor € 10.000. Om maar even een indicatie te geven… Ik vind in het warenhuis ook nog een mooi inktblok. Dat wilde ik erg graag hebben, maar ja… het blok dat ik mooi vind, kost € 600…

We lunchen bij een sushi-restaurant. Voorlopig de laatste keer… We voelen ons allebei wat treurig nu ons verblijf hier zijn einde nadert. Na het avondeten dolen we nog wat straatjes door die in het naderende duister al mooi zijn verlicht. In het hotel pakken we de koffers in en proberen we voor de zoveelste maal e-mailtjes binnen te halen; dát lukt pas na een paar uur.

Overnachting: Cross Hotel, Osaka (westerse kamer, 2×1½p-bed, bureau met stoel, tv, 2 kluizen, koelkast, kast, badkamer met wc/wastafel en ofurokamer, wifi op de kamer, geen ontbijt besteld)

Dag 87: dinsdag 22 mei 2012: Naar de hel

’s Ochtends vroeg zie ik door het badkamerraam door het rijtje donkere boomsilhouetten naast het huis zonovergoten velden. Het weer is omgeslagen. Al voor het ontbijt is Kohaku bezig de kakibladeren die hij vannacht in huis in grote rieten schalen had geborgen, weer buiten uit te spreiden op netten. Als de bladeren eenmaal zijn gedroogd, worden ze gekneusd en voor het zetten van thee gebruikt. Ik dool rond door de tuin en struin door het atelier waar hij instrumenten maakt. Na een gezellig en uitgebreid ontbijt met zijn allen rond de keukentafel, maken we ons op om een bijzondere tempel in de buurt te bezoeken. Onderwijl neemt Kohaku ons mee naar het stukje bos achter de tuin. Tot onze verrassing vinden we er een heus hunebed; 1500 jaar oud, is door een deskundige vastgesteld, vertelt Kohaku. Er zijn nog opgravingen gaande naar een (houten) kasteel dat iets verder in het bos zou hebben gestaan. Aan de rand van het bos staan enkele graven uit de Kamakuraperiode, verzameld door de vorige eigenaar van het huis. Een shintopriester heeft een ritueel uitgevoerd om te voorkomen dat er geesten mee zouden komen…

Met de auto volgepakt met 6 mensen en 3 reisbagages, arriveren we bij de tempel. ‘Kumano Magaibutsu is een shinbutsu kongo,’ vertelt Kohaku, ‘een combinatie van een shinto- (shin) en een boeddhistische (butsu) tempel, zoals je heel veel ziet in Japan.’ Vanaf een kleine tempel, met stenen beelden van de 12 Japanse dierenriemtekens, is er een lange trap naar 2 enorme boeddhabeelden die in de rotsen zijn uitgehouwen; ze zouden uit de 8e eeuw stammen. We (eigenlijk Kure en Kohaku) raken met een echtpaar uit Seto aan de praat en plotseling hebben we een uitnodiging om te komen logeren als we daar nog eens keramiek gaan bekijken. We klimmen nog even verder over een ‘natuurlijke’ trap tot we bij de tempel hogerop de berg komen. ‘Mo sukoshi’, zegt iedereen die we tegenkomen als we ons langzaam naar boven werken. ‘Nog een klein stukje…’ Ja, dát kennen we… Later hebben Mels en ik allebei last van onze knieën en voeten, alsof we nauwelijks gewend zijn te lopen…

Bij een tentje aan de parkeerplaats eten we ijsjes en drinken we wat fris, want het is aardig warm en zweterig weer. Dan scheuren we weer verder. Tot grote hilariteit van de hele meute dichtopeengepakte meerijders, rijdt Kure regelmatig door rood. Kure en Kohaku brengen ons naar het station in Beppu, waar Ken een trein pakt verder naar het zuiden en wij alvast een reservering maken voor onze terugreis naar Osaka aan het eind van de middag. We lunchen bij een kaiten sushi en dan brengen Kure en Kohaku ons naar de bovenste van de 8 of 9 ‘hellen’ die er in het noorden van Beppu te vinden zijn: kokende warmwaterbronnen (Jigoku). Nadat we afscheid hebben genomen, kopen we een ‘8-ritten’-kaart en lopen ze 1 voor 1 af. De 1e hel blijkt een groot park met onder meer een azuurblauw meertje vol stoom en eentje met kokend roestbruin water. Er is ook een tropische kas – verwarmd door de bron uiteraard – met relatief kleine Victoria regina’s. De 2e hel heeft grijze, zachtbubbelende modderbaden en ook de andere ‘hellen’ herbergen allemaal kokende poelen. Allemaal hebben ze stalletjes met eieren die in het water zijn gekookt. Het ziet er allemaal wat erg ‘aangelegd’ uit en verschillende oorden herbergen ook een onooglijk dierentuintje: de een heeft een serie aquaria waarin nauwelijks iets te onderscheiden valt, de ander een krokodillenfarm en een derde een willekeurige verzameling: een hok met een zeer eenzame olifant in de volle zon op het kale beton, enkele apen die zich doodvervelen, roze flamingo’s en zwarte zwanen rond een betonnen vijvertje, een nijlpaard dat nauwelijks in zijn bad past, 2 lama’s, wat pauwen. Hartverscheurend. Na de 6e hel hebben we genoeg gehad en nemen de bus terug naar het station. In de diepte ligt Beppu en erachter strekt zich een spiegelgladde, zilvergrijze zee uit die ongemerkt over gaat in de hemel. Middenin drijft een lange streep havenindustrie van de tegenoverliggende oever die verder niet zichtbaar is: een fata morgana. Op het station vinden we een heerlijke cappuccino en wat broodjes voor onderweg. En dan is het tijd om op de trein te stappen. In minder dan 4 uur zijn we in Osaka.

Maar welke uitgang moesten we ook al weer nemen? Waar was het hotel ook al weer? Oh ja, in de buurt van de Starbucks… Na enig ronddolen spreken we een jong stelletje aan. Hij zoekt op zijn mobieltje de dichtstbijzijnde Starbucks en ze lopen zelfs het hele eind mee met ons. ’t Is helaas niet de goede Starbucks, maar dat zeggen we niet. Na een reuzencappuccino – Osaka is cappuccino heaven! – dolen we nog wat verder rond en komen uiteindelijk toch weer goed terecht. Bij het hotel zijn voor ons 2 pakketjes afgeleverd: de ene met 2 mooie kaarten van Asaka en de andere met bonitoschaafsel (bonito=tonijn) en een drinkpak, gestuurd door de eigenaresse van Business Hotel Tosa, zoals ze ons beloofd had toen we in haar hotel op Shikoku logeerden. Ik stel Mels voor nog een drankje te nemen in de bar van het hotel, maar hij heeft een beter idee: de umeshu uit het pak lijkt hem wel lekker. Maar hij trekt een vies gezicht als hij een slok neemt. Het blijkt sojasaus. De vending machine in het hotel geeft alleen koude sake en bier. Mels haalt een blikje sake op, maar we lusten het geen van beiden. Bedtijd.

Overnachting: Cross Hotel, Osaka (westerse kamer, 2×1½p-bed, bureau met stoel, tv, 2 kluizen, koelkast, kast, badkamer met wc/wastafel en ofurokamer, wifi op de kamer, geen ontbijt besteld)

Dag 86: maandag 21 mei 2012: Klein geluk

De eclips die om half 8 volledig zou zijn, gaat de mist in. Er is teveel bewolking. Af en toe valt er lichte regen. Omdat er in het hotel vanwege vakantie geen ontbijt is te krijgen, zoeken we (Ken, Mels en ik) rond het station naar iets eetbaars, maar tot onze verbazing is alles gesloten tot 9 of 10 uur. Bij een eveneens gesloten wafeltentje krijgen we toch koffie. We eten er wat kaakjes bij. En later op het station vinden we nog wat brood. In de trein die ons naar het oosten brengt, trekken eindeloze beboste berghellingen voorbij. Af en toe zijn er bijzonder mooie watervallen. In een uur zijn we in Yufuin, bekend vanwege zijn onsens (openbare baden) die elk jaar in de top 10 van Japan eindigen, vaak zelfs op de allerhoogste plaatsen. Het is een toeristisch plaatsje vol bijbehorende winkeltjes en riksha’s met magere jongemannen, bovenop het hoofd een klein staartje, waardoor ze allemaal wat op elkaar lijken. Hier en daar lopen we even naar binnen en ik koop wat cadeautjes. In bijna elk pandje is ook ijs te koop – zelfs Italiaans! – maar we weten allebei de verleiding te weerstaan. Door de ramen zien we hier en daar mensen aan een lange goot zitten, de onderbenen in het water, waar ze worden omringd door kleine visjes die aan huidschilfers en ander ongerief knabbelen. ‘Het kriebelt enorm!’, laat een van de bezoekers weten, terwijl ik wat foto’s neem door het open schuifraam. Rond het middaguur zoeken we een restaurant op dat Ken al eerder heeft bezocht, maar het voltallige personeel staat netjes op een rij net de laatste klant uit te zwaaien. Het beekje vlakbij zit vol visjes die regelmatig boven het water uitspringen. Dichtbij is een ander, ook uitstekend restaurant, waar we de streekspecialiteit nemen: kip.

Tussen alle winkeltjes zit ook een aantrekkelijke galerie. Om 1 uur ontmoeten we er Arai Masayuki, een 32-jarige, dus relatief jonge keramist die hier een tentoonstelling heeft en erg mooi werk maakt: wit-, beige- en zwartgeglazuurd gebruiksgoed van steengoed, met een bruinig randje waardoor het een patina van ouderdom krijgt. Na onze vragen, nemen we ook vele foto’s. Daarna pikken Kure en Minna ons weer op met de auto en bezoeken we Ana Koreya, 39 jaar oud en met vergelijkbaar gebruiksgoed, maar dan van porselein en zonder bruin randje. Hij is druk bezig voor een tentoonstelling in Tokyo, al in juni, maar maakt toch tijd vrij voor ons. We drinken er thee en praten over zijn werk.

Dan gaan we met de auto verder naar het oosten, naar Beppu dat aan de noordelijke oostkust van Kyushu ligt. Een autosnelweg voert vlak langs de kust, waar talloze lange palmbomen staan; dan rijden we opnieuw het binnenland in naar enkele van de heetwaterbronnen waar Beppu bekend om staat. Het gloeiend hete water stroomt door 3750 bronnen en 168 onsens, en verwarmt ook huizen en ovens. We zien overal stoom uit de poreuze grond komen, tussen huizen, in de bossen, overal. Als een overjarige wasserij met talloze lekkende heetwaterleidingen. Hier en daar staat een betonnen ‘boiler’ om het water in op te slaan. In lage rietgedekte schuren wordt het water door kleimassa’s gevoerd om het klaar te maken voor de modderbaden (‘badkristallen’). Er hangt een sterke zwavellucht en de leidingen en basins waar het water doorheen wordt gevoerd, zijn behoorlijk aangekoekt. In een restaurantje in de bergen rondom Beppu eten we eieren die in een heetwaterbron zijn gekookt en kleine puddinkjes (een soort crème brulée). Dan scheuren we naar het huis van Kure Matsumoto en haar man Kohaku, waar we een nacht zullen logeren. Kure rijdt breedgrijnzend 80 waar het 40 km/u zou moeten zijn en 140 op 120 km trajecten.

Eens woonden ze in Tokyo, maar op een landelijke plek op Kyushu vonden ze hun thuis: een groot, traditioneel huis op een stuk land van 9000 m2, met een stukje bos, een grote sier- en moestuin, een kakiboomgaard, groene theestruiken en enkele rijstvelden. Kohaku is zowel musicus en instrumentmaker (snaarinstrumenten en blokfluiten) als boer (voor eigen gebruik). Catherina hebben ze hun thuis genoemd, naar hun hond, en als Mels vertelt dat dat ‘puur’ betekent, zijn ze daar erg blij mee, want alles wordt hier organic gekweekt. Kure musiceert niet alleen, ook ontwerpt en naait ze kleding. Het mooie en gezellig ingerichte huis is bezaaid met paspoppen en instrumenten.

Kure dringt aan op een gezamenlijk bezoek aan de onsen, maar Mels is niet te vermurwen en ook Ken laat het afweten, en we nestelen ons al gauw met zijn allen in de schilderachtige keuken. Kohaku haalt de groente uit de tuin, en terwijl Minna kookt, helpen Kure, Mels en ik de groente schoon te maken, gezellig aan de oude houten tafel. Tot ’s avonds laat eten en kletsen we. Onder meer over geluk. Ken heeft gelezen dat Nederlanders de gelukkigste mensen ter wereld zijn. Maar ja, wat is geluk? En hoe meet je dat? ‘Je kunt niet altijd gelukkig zijn’, zegt Mels. ‘Het gaat vooral om accepteren wat er is.’ Ik denk dat er naast het grote geluk van een huwelijk of een geboorte vooral heel veel klein geluk is, het ‘dagelijkse geluk’ en dat is misschien nog wel veel belangrijker. ‘Misschien schuilt daar het geluksgevoel in: de kunst dat kleine geluk te zien’, suggereer ik. Kure denkt dat veel Japanners zo verlangen naar het grote geluk, dat ze het kleine geluk niet zien.

In het donker kijk ik door het badkamerraam naar de velden. Rondom het huis zitten ontelbare aantallen kikkers te kwaken. Dit is een plaats van geluk.

Overnachting: huis Kure en Kohaku Matsumoto (met wifi, meer dan uitstekend avondeten, meer dan uitstekend ontbijt).

Dag 85: zondag 20 mei 2012: Uit de grond gestampt

Na een boemeltje dat opnieuw overdadig gevuld is met licht meurende schoolkinderen (op een zondag!), een sneltrein en weer een boemeltje, arriveren we om half 11 in het in het bergachtige binnenland gelegen Hita, ons vertrekpunt voor diverse excursies. Na wat vragen en zoeken vinden we koffie met gebak. En om half 1 ontmoeten we Ken Nishigori, cultureel attaché in Nederland, en Matsumoto Kure en haar dochter Minna die ons vandaag en morgenmiddag zullen rondrijden. Hartelijke en vrolijke mensen. Minna heeft 3 maanden in Nederland bij Ken gewerkt en komt binnenkort weer. Zij kookt, haar moeder is musicus.

We bezoeken eerst Onta, dat 16 kilometer van Hita ligt. In dit plaatsje werd 300 jaar geleden begonnen met het maken van keramiek en de techniek is sindsdien niet veranderd. De gele klei wordt in de omringende bergen gedolven en met reuzenstampers, aangedreven door stromend beekwater, fijngestampt. Het stampende geluid is overal in het dorp te horen. Er zijn nog 6 noborigama’s over, die gezamenlijk, volgens een bepaald rotatieschema, worden gestookt. Overal in het dorp zijn de ovens te vinden, evenals de werkplaatsen met stampers. Buiten staan lange rijen potten met klei te drogen. Als de klei is gedroogd, kan ze tot fijn poeder worden gestampt.

Na het nemen van veel, heel veel foto’s – want het stampen is een zeer intrigerend gezicht – bezoeken we de 8e generatie Sakamoto. Hij is 48 jaar oud en werkt inmiddels samen met zijn zoon. Zijn verre voorvader was de stichter van het plaatsje; de buurvoorvader bracht de pottenbakkerstechnieken (van Koreaanse oorsprong) naar Onta, iemand anders had geld om klei te delven. (‘To buy a mountain.’) Lang is er keramiek gemaakt in Onta, maar ook veel gedronken én gevochten voor de verdeling van de klei. De jongere generatie heeft het nu overgenomen en de 10 families hebben een union opgericht. Samen zoeken ze nu naar nieuwe delfplaatsen, want de klei begint steeds meer op te raken. De keramiek uit Onta is tamelijk traditioneel, gekend om de patronen die met een metalen veer in het slib worden geslagen of met een kam worden getrokken, en niet duur: € 18 voor een theepot. We bezoeken nog het tegenover gelegen atelier annex winkel van Yanase, die druk aan het draaien is, en nemen dan een lunch in een restaurantje iets lager gelegen.

Onta had de kunst van het pottenbakken afgekeken van Koishiwara waar al 600 jaar keramiek wordt gemaakt. We brengen er een bezoek aan het michi no eki (wegstation) waar een grote bazaar is met keramisch gebruiksgoed. Daarna volgt een lange autotocht door de bergen, met eindeloze bossen en vele houtfabrieken, naar Inaba Kosaku, een 65-jarige keramist in Kama City. Een bijzonder aardige man met volwassen dochter en klein hondje; zijn vrouw is kort geleden overleden. Hij maakt gebruiksgoed – houtgestookt met een anagama – dat sterk doet denken aan Bizen-keramiek: tamelijk roodbruin en somber, met witte veldspaatkorrels en nadrukkelijke sporen van het vuur en de as. Erg mooi en dramatisch werk. Zijn dochter schenkt koffie. Hijzelf beantwoordt vele vragen en speelt en passant ook nog even op zijn shakuhachie, een grote, zelfgemaakte bamboefluit. Kure, Minna en Ken vertalen voor zover nodig. Er is veel laaggeprijst werk, maar de kom en het kruikje dat we op de foto zetten zijn hoger geprijst: € 500 respectievelijk € 150. Chawans – theekommen – zijn nu eenmaal speciaal gewaardeerd in Japan.

De hele dag is het al bewolkt en fris en tijdens onze laatste rit is er af en toe een druppel gevallen, maar als we binnen zitten bij Inaba begint het pas echt goed te regenen. De lange rit terug naar Hita is in toenemend duister, onder het genot van Ierse vioolmuziek en later de zacht voortkabbelende uitvoeringen van Mina’s broer en zus, beiden ook al musicus. De hemel verkleurt vaag zilvergrijs met wat lichtrose, de bergen zijn in verschillende grijstinten geneveld. In Hita rijden we door wat fraaie, oude straatjes vol traditionele huizen. We vinden er een sushibar en hebben er een gezellige avond. Bij het hotel nemen we afscheid van Kure en Mina: zij moeten nog 2 uur terug naar huis rijden; morgenmiddag zien we elkaar op een andere plaats.

Overnachting: San Hotel, Hita (westerse kamer, 2p-bed, bureau met krukje, tv, koelkast (werkt niet), fauteuil, piepkleine badkamer met wc/bad/douche, uitzicht op stad/omringende bergen, internet via kabeltje op kamer, geen ontbijt i.v.m. vakantie)

Dag 84: zaterdag 19 mei 2012: Geheime ovens

De Nabeshima Clan maakte tot aan de Meji-periode porselein voor zowel de keizer als voor de shogun. De clan verhuisde in 1675 van Arita naar het in de bergen gelegen Okawachiyama om hun speciale technieken geheim te houden. Nog steeds is het plaatsje het belangrijkste centrum voor de productie van Imari porselein. Okawachiyama ligt 6 kilometer buiten Imari en met de bus zijn we er in zo’n 20 minuten. Met de op het station in Imari verkregen Engelstalige plattegrond kunnen we goed uit de voeten. Okawachiyama blijkt een klein, pittoresk pottenbakkersplaatsje, omarmd door lage, donkerbeboste bergruggen waarbovenuit kale, grillig gevormde rotsen steken. De toegangsbrug is weer met porselein gedecoreerd: mozaïek en tegels langs de balustraden; erbovenop grote vazen. We bezoeken eerst het Imari Arita Ware Traditional Craft Center dat een zaal herbergt met oud porselein uit de streek en een zaal met werk van hedendaagse keramisten, evenals enkele cursusruimten. Engelstalige teksten zijn er helaas niet. Daarna slenteren we door de straatjes, vol winkels gevuld met porseleingoed. De meeste waren lijken nogal op elkaar, en helaas ook nogal op hetgeen bij elke toko in Nederland te koop is: commercieel massagoed. Maar er zijn enkele (positieve) uitzonderingen. Het dorp ziet er goed onderhouden uit, misschien iets te goed… Hoewel we in de afgeschermde schuren achter en naast de winkels werkplaatsen vermoeden, lijken de grote bakstenen schoorstenen overal in het dorp vooral ter decoratie aanwezig te zijn. Ook de enige noborigama die we zien op een berghelling, lijkt al lange tijd niet gebruikt. Is er massaal overgegaan op gasstook? Of wordt hier soms Made in China verkocht?

Via wat paadjes lopen we een van de omringende bergjes op, met mooi uitzicht over het dorp en de kale, vreemdgevormde rotsen. We komen langs mooie, stille hoekjes – een schrijntje waarboven een grote boom zich vastklemt aan de zijkant van een kale rots, een noborigama, de plaats waar de ruïne van een noborigama is aangetroffen (de basisstructuur aangegeven door een rijtje grote natuurstenen) – en af en toe zijn er weer ovenstenen verwerkt: grove in muurtjes, smalle in het plaveisel. We komen ook langs typisch toeristische plekjes die zwaar vervallen zijn: een viezige vitrine met potscherven middenin het bos, de Pottery Plaza en het Hanyo Kiln Park beide met kapotte mozaïeken. Blijkbaar gaat alle aandacht in dit dorp alleen maar uit naar het commerciële gedeelte. Al om 12.22 uur nemen we de bus terug naar Imari en lunchen er bij het matige Gusto, een restaurantketen waarvan de naam meer suggereert dan ze bieden. Daarna rusten we een uurtje in het hotel en maken ons dan op voor de 2e helft van ons dagprogramma: Imari.

Imari staat bekend om zijn porselein, zijn enorme biefstukken en om de degenkrabben, de levende fossielen die in de zomer in de baai aan de kust komen om te paren en eieren te leggen. In de Engelstalige folder/stadsplattegrond die we over Imari hebben gevonden, staat onder meer het treinstation als bezienswaardigheid vermeld. Dat doet het ergste vermoeden – Tilburg promoot zich ook op die manier… – zeker als we het bouwwerk bij onze aankomst al niet de moeite waard vonden… Over Imari kunnen we inderdaad melden dat er niets te zien valt… We lopen vanaf het station eerst naar het noorden. Af en toe staat er in de straat een keramisch beeld op een sokkel. Vlak voor de brug over een brede rivier is er aan een gevel een langwerpige, keramische klok, onder meer met een VOC schip erop. In het straatje erachter bezoeken we het Ceramic Merchant’s Home, een gerestaureerde opslagplaats uit 1820. Beneden is er een kleine winkel en een ruimte om zelf de draaischijf te proberen; op de 1e verdieping is er een klein museum met Ko-Imari, antiek Imari porselein. We gaan al gauw weer verder. Na de lange brug, waarop eveneens enkele keramische sculpturen staan, besluiten we al snel dat het niet zinvol is door te lopen. Imari heeft ons niets te bieden, geen interessante keramiek, maar ook niet een leuk stadscentrum met pittoreske huizen of interessante winkels.

Via een omweg door wat kleine straatjes keren we terug naar de rivier en volgen die enige tijd naar het westen, de richting van de riviermonding op. De brede betonnen rivierbedding bestaat voor een groot deel uit slik. Ik schud mijn hoofd als ik telkens in mijn ooghoek een snelle beweging zie. Als ik wat beter kijk, schieten – zich zijwaarts voortbewegend – 100-en kleine krabbetjes in hun holletjes in de modder. Kleine, witte monddelen steken er voorzichtig uit. Via wat grotere wegen lopen we weer de richting van ons hotel uit. Eindelijk zien we ergens een winkelcentrum: een super, een 100 ¥ shop, Mister Donut en… – tot onze blijdschap – een kaiten sushi. We eten héél vroeg en al voor 7 uur zijn we weer terug bij het hotel, nadat ik onderweg nog even mijn goedkope supermarktzonnebrilletje heb laten repareren dat al na 2x dragen uit elkaar viel.

Overnachting: Sentararu Hotel (Central Hotel), Imari (westerse kamer, 2×1½p-bed, bureau met krukje, tv, koelkast (werkt niet), fauteuil en bank met tafeltje, kast, piepkleine badkamer met wc/bad/douche, uitzicht op stad/omringende bergen, internet via kabeltje op kamer, redelijk ontbijt)

 

Dag 83: vrijdag 18 mei 2012: De porseleinen stad

Gewapend met broodjes gerookte zalm en grote cappuccino’s nemen we ’s ochtends de trein naar Arita en Imari. Grote vlaktes met akkerland en nederzettingen trekken voorbij, iets verderweg is er heuvelland met grotere bergen erachter. Al gauw komt de zee aan onze rechterhand. Als ik de Japanse borden en vlaggen negeer, zou ik me zo kunnen wanen aan een spiegelgladde, zonovergoten Middellandse Zee. (En op een enkele grintfabriek na…) In de baaien staan stokken met netten in het ondiepe water. Vissersbootjes dobberen aan hun kettingen. Later zijn er groen- en goudgele rijst- en korenvelden en vlak voor Arita zijn er lage bergen met hier en daar kale, knobbelige rotsen.

Het was een Koreaan die rond 1600 porseleinklei vond in de bodem van Kyushu. Al gauw groeide de streek rond Arita uit tot keramiekstreek gespecialiseerd in porselein. Toen in de 2e helft van de 17e eeuw de VOC problemen ondervond met de handel in Chinees porselein vanwege interne spanningen in dat land, werd China’s rol overgenomen door Japan. Het porselein dat werd vervaardigd voor de Europese markt was aangepast aan de eisen van de opdrachtgevers en de Europese smaak. Imari was eigenlijk de naam van de haven van waaruit het porselein uit deze regio naar Europa werd verscheept en de Europeanen noemden het daarom al gauw Imari-porselein.

Het informatiekantoor op het station in Arita heeft goede Engelstalige informatie en stadsplattegrond. Buiten biedt een man zich aan als gids, maar dat slaan we af; we hebben geen behoefte aan een algemene toeristische excursie. We bezoeken eerst het Kyushu Ceramic Museum waar in verschillende zalen keramiek wordt getoond: een deel van de collectie Mr.&Mrs. Shibata (in totaal 10.000 stukken), de geschiedenis van Kyushu keramiek en tot slot oude keramiek. De zalen voor hedendaagse keramiek en voor wisseltentoonstellingen zijn gesloten. Dankzij de Engelstalige folder en teksten in de vitrines kunnen we ons een goed beeld vormen van alles. We lunchen in het museumrestaurant met kopjes en borden van Arita porselein, die zo uit het museum zouden kunnen zijn weggelopen. Als we na de uitstekende maaltijd nog een kopje koffie nemen, legt de vriendelijke gastvrouw een kaartje erbij: het zijn echt antieke kopjes. Later legt ze uit dat we uit kopjes hebben gedronken die ¥100.000 oftewel € 1000 per stuk waard zijn. Gelukkig zegt ze het pas achteraf… Ook de toiletruimtes zijn een bezoek waard: wc-potten en -deksels zijn van blauwwit porselein, evenals de wasbak, de toiletrolhouder enzovoorts.

Een (heet!) half uur lopen later komen we bij de Kakiemon Kiln. Kakiemon I wist een uitzonderlijke kwaliteit porseleingoed te bereiken en ontwikkelde een eigen stijl die later de Kakiemon-stijl genoemd zou worden: delicate decoraties in 5–7 kleuren op een warme melkwitte ondergrond. In de showroom zien we schoteltjes voor ¥ 315.000/5 stuks en een vaas voor ¥ 6,3 miljoen. Alles wordt handbeschilderd! Achter de showroom is een klein museum. De hoffelijke Kakiemon XIV (inmiddels de 14e generatie!) leidt ons rond langs de houtoven en de werkplaatsen, waar in totaal zo’n 40 mensen werken. Vlakbij het raam wordt gedecoreerd met een penseel met 2 haren! In de showroom zien we ook weer de gids terug; hij heeft inmiddels een Japans echtpaar aan zich gebonden.

Met een taxi gaan we vervolgens naar de Imaemon Kiln waar we worden ontvangen door Imaemon Imaizumi XIV. Bij het fraaie huis is een kleine showroom en een museum. De kwaliteit van het porselein is hier wat minder, de prijzen ook ‘ietsje’: ¥ 236.000/5 schoteltjes. Aan de overkant van de straat is de werkplaats met ovens: naast de houtoven is er ook een grote gasoven; de schilderafdeling krijgen we niet te zien.

We dwalen door de kleine straatjes van Arita met fraaie traditionele huizen en muurtjes (Tombai) van grove oude ovenstenen. Overal zijn winkels met keramiek. We komen ook langs een winkel in pottenbakkersbenodigdheden en een grote porseleinfabriek. Door de ramen zien we mensen aan het werk.

Vlakbij is een shintotempel – de Touzan Schrijn – vol keramiek: de poort is van gestapelde blauwwitte cilinders, er zijn pilaren, een grote vaas en een grote schaal in schrijnen, grote keramische wachthonden enzovoorts. We komen er opnieuw de gids tegen, samen met het echtpaar. Hij wijst ons op een lage balustrade van porselein bij een wat verscholen tempeltje.

Met een taxi gaan we naar het net buiten Arita gelegen Arita Porcelain Park waar het Dresdener Zwinger is nagebouwd. Toen in Meissen bij Dresden 300 jaar geleden eindelijk het geheim van de vervaardiging van porselein werd ontrafeld, werd het een belangrijk porseleincentrum. Kopieerden de Europeanen eens het Chinese en Japanse ‘Delftsblauw’, nu hebben de Japanners het Zwinger gekopieerd, compleet met een kleine dorpje vol vakwerkhuizen. Vooral het paleis ziet er surrealistisch uit. Alsof er iets niet klopt. Mensen zijn er nauwelijks. De exporuimten blijken gesloten. En het puntige bergje achter de in Franse stijl aangelegde tuin oogt vreemd on-Duits. Even wat beter kijken en dan blijkt het hele paleis niet van natuursteen te zijn, maar van beton! Hoogstwaarschijnlijk zijn ook de groenkoperen daken gewoon geschilderd… In de vakwerkhuisjes zijn enkele winkeltjes en restaurants gevestigd. Rond 5 uur willen we een hapje gaan eten, maar alle restaurants blijken gesloten te zijn. Daarom laten we een taxi bellen. Onderweg zien we een van de vele bruggen in Arita die met porselein zijn gedecoreerd; deze brug wordt gesierd door de Brandenburger Tor met een witporseleinen paardenspan er bovenop. Vlakbij het station vinden we een wat matige chinees waar we wat naar binnen werken.

Van Arita is het slechts 25 minuten met een boemeltje vol schoolkinderen naar Imari. Het duistert al wat als we uit de trein stappen en de temperatuur is meteen een stuk lager. Het hotel is slechts op 5 minuten loopafstand van het station. Bij de receptie ligt er een brief van Janice, de Amerikaanse henro die we op Shikoku tegenkwamen: Dank (voor onze info over keramiek op Kyushu) en groeten. Vanuit het raam hebben we een uitzicht op de stad en omringende bergen en… op een enorme kerk. In plaats van gotische ramen zijn er balkonnetjes. Een appartementengebouw. ’s Avonds werk ik weer aan KLEI. Nog even doorzetten…

Overnachting: Sentararu Hotel (Central Hotel), Imari (westerse kamer, 2×1½p-bed, bureau met krukje, tv, koelkast (werkt niet), fauteuil en bank met tafeltje, kast, piepkleine badkamer met wc/bad/douche, uitzicht op stad/omringende bergen, internet via kabeltje op kamer, redelijk ontbijt)

Dag 82: donderdag 17 mei 2012: Smeltkroes

Nagasaki is een cosmopolitische stad. Eens was het de enige toegangspoort naar het Westen, toen het alleen aan de Nederlanders was toegestaan handel te drijven met Japan, via het eilandje Deshima voor de kust van Nagasaki. Toen de handel met het Westen na meer dan 200 jaar opnieuw werd toegestaan, kreeg de stad daar opnieuw een belangrijke rol in. Hoewel de stad 3 dagen na Hiroshima eenzelfde tragisch lot onderging, waarbij circa 75.000 mensen omkwamen, willen wij de stad vooral bezoeken vanwege zijn reputatie als smeltkroes van culturen. Hiroshima betekent stilstaan bij het verleden, Nagasaki vertegenwoordigt de hoop voor de toekomst.

Na een zeer matig ontbijtje bij Tully’s, een Japanse keten van wat mindere kwaliteit, brengen we een bezoek aan Deshima (tegenwoordig geschreven als Dejima). Tot onze verrassing blijkt het eiland al in 1904 te zijn opgeslokt door Nagasaki. En het is klein! Het kunstmatige eiland is maximaal 70 meter breed en 233 meter lang geweest. En van de Nederlandse handelspost (1641–1859) is ook niets overgebleven dan wat fundamenten in de bodem. Pas in de 2e helft van de 90-er jaren van de vorige eeuw is een begin gemaakt met de wederopbouw ervan, uitgaande van de situatie zoals die begin 19e eeuw was, want het eiland heeft vele veranderingen doorgemaakt in de loop van de tijd. Het straatje met fraai herbouwde huizen en opslagplaatsen is een klein anachronisme in het moderne, na 1945 herbouwde Nagasaki, een kleine oase omringd door kantoren en parkeersgarages. Hordes schoolkinderen in matrozenpakjes bezoeken de nederzetting, als we aan onze rondtocht beginnen. In het straatje staan enkele mannen in traditionele (Japanse) kleding, compleet met rieten punthoed en sabel, waarmee de kinderen graag op de foto gaan. Bijna elk gebouw bevat een tentoonstelling die meer vertelt over de geschiedenis van het voormalige eiland. En vooral over de enorme impact die het contact met de Nederlanders had op de modernisering van Japan, de talrijke technische verworvenheden die vanuit het Westen hier werden geïntroduceerd. En uiteraard over de export vanuit Japan naar het Westen: onder meer zilver, koper en… keramiek. We blijven er uren en uren, want er is veel te zien en te lezen, dat laatste dankzij de Engelse samenvattingen die er overal zijn. Af en toe stroomt het zweet ons weer overvloedig over de rug – ondanks de bewolking is het erg warm zodra de zon even tevoorschijn komt – en op andere momenten hebben we kippenvel.

Na een wat matige ‘internationale’ lunch in het museumrestaurant, bezoeken we het Nagasaki Museum of History and Culture, dat als centraal thema heeft: ‘Overseas Exchange’. De permanente collectie is gegroepeerd rond de overzeese contacten die er zijn geweest en bevat vele kunst- en gebruiksvoorwerpen, maar ook vele documenten die met de handel te maken hadden. Keramiek is er weinig te zien, maar zeer fraai zijn de verschillende kamerschermen. Jammer genoeg zijn er nauwelijks Engelstalige teksten, dus het blijft voornamelijk bij kijken. Een wisseltentoonstelling heeft de olifant als thema, zoals het dier werd afgebeeld in het verleden, in boeken, op kamerschermen, op porselein, enzovoorts. Tot slot is er ook een reconstructie van een vroeger gerechtsgebouw in Nagasaki. We komen er verschillende houten bulletin boards tegen waarop de proclamatie staat van het verbod op het christendom, in 1587 uitgeroepen uit angst voor indoctrinatie en onderwerping door het Westen. De christenen werden eeuwenlang zwaar vervolgd in Japan. Een gravure toont de kruisiging van 26 christenen op de Nishizakaheuvel bij Nagasaki. Elders werden christenen in kokende zwavelbronnen geworpen. Toen in 1864 voor het eerst weer een kerk mocht worden opgericht voor de buitenlandse gemeenschap in Nagasaki, meldde zich een groep christenen die hun geloof meer dan 200 jaar in het geheim hadden gepraktiseerd. Het is een geschiedenis die ik helemaal niet kende. En dat plaatst ook de ontmoeting die we op 17 april hadden met iemand die trots vertelde dat hij christen was, in een ander daglicht. Ik had zijn mededeling for granted aangenomen, in het Westen is zoiets immers niets bijzonders. Voor hem lag dat duidelijk anders. En dat begrijp ik nu beter.

Na het museumbezoek lopen we door Chinatown, een oude Chinese ‘enclave’ in Japan, vol met toeristische winkeltjes en relatief dure restaurants. Via wat winkelstraten lopen we terug in de richting van het hotel en vinden tot ons geluk een kaiten suhsi. Na een ritje met de tram halen we (ik) nog een cappuccino en dan keren we – behoorlijk moe – terug naar het hotel. De zon is net verdwenen achter de bergen, de nevelige, lichtblauwe avondhemel achterlatend met een vaag rose gloed.

Overnachting: JR Hotel, Nagasaki (westerse kamer, 2×1½p-bed, bureau met stoel, tv, koelkast (werkt niet), fauteuil met tafeltje, badkamer met wc/bad/douche, uitzicht op treinstation/stad/omringende bergen, internet via kabeltje op de kamer, geen ontbijt besteld)

Dag 81: woensdag 16 mei 2012: Little Boy

Onze laatste reisweek in Japan staat geheel in het teken van keramiek op Kyushu. We vertrekken laat in de ochtend; nog even uitslapen en ompakken: de koffers blijven achter in het hotel in Osaka. De rugzakken zwaar beladen met boeken en tijdschriften (waaronder eindelijk mijn leesboek weer!) lopen we naar station Namba waar we de metro nemen naar de Shinkansen. We lopen opnieuw Gwen tegen het lijf. Nóg een keer nemen we afscheid.

Onderweg naar Nagasaki doen we Hiroshima aan. Een bezoek dat ons diep raakt. Hiroshima is een beladen naam en je gaat er niet heen voor toeristisch sightseeing, maar om stil te staan bij de apocalyptische verwoesting die er heeft plaatsgevonden. Wij bezoeken het Vredespark, dat baadt in de warme zon én in grote aantallen schoolgroepen. Net buiten het park bevindt zich de A-Bom-koepel, het overblijfsel van het vroegere Centrum voor Industriële Productie dat dicht bij het hypocentrum stond waar op 6 augustus 1945 de eerste atoombom in de geschiedenis van de mensheid explodeerde. Het is het enige restant dat na zoveel jaar nog bewaard is gebleven en het is uitgeroepen tot Werelderfgoed. We staan te kijken bij de puinhopen, de verbogen resten van een draaitrap en het staketsel van de koepel bovenop het gebouw. Ik denk aan de foto’s die ik van de stad heb gezien, genomen kort na de verschrikkelijke verwoesting. Hiroshima was een bloeiende stad met 350.000 inwoners. Hoeveel er zijn omgekomen is onbekend, want ook de volledige administratie was vernietigd. De jaren erna zijn er nog eens 180.000 mensen overleden aan de gevolgen van de bom. We zijn allebei diep geëmotioneerd. Naast ons kakelen een moeder en dochter in het Engels: ‘Dat ze die rotzooi nog niet opgeruimd hebben! Wat moet je ermee.’

In het park luiden we om de beurt de Vredesklok, daarmee een wens tot vrede de wereld inzendend. Verderop in het park is het Kindervredesmonument dat is opgericht om alle kinderen te gedenken die door de bom zijn omgekomen. Het verbeeldt een klein meisje met een kraanvogel en is gebaseerd op een waar gebeurd verhaal: Sadako Sensaki was 2 jaar oud toen de bom viel; 9 jaar later kreeg ze leukemie. Ze geloofde dat ze beter zou worden als ze 1000 papieren kraanvogels zou vouwen. Ze overleed toch en haar klasgenootjes gingen door met haar werk. Ze zamelden geld in voor een monument. Op de plaquette eronder staat: ‘Dit is onze Schreeuw. Dit is ons Gebed. Vrede op Aarde.’ Nog steeds maken schoolklassen 1000 kraanvogels om bij het monument te hangen. Als we er aankomen, begint er juist een ceremonie: een schoolklas die een grote hoeveelheid kraanvogels komt brengen. Enkele kinderen houden een toespraak. De 2 Engelse vrouwen zijn druk bezig met het nemen van foto’s van de kraanvogels die er al hangen en lachen en gieren ondertussen met zijn 2-en. Ik kijk verbijsterd toe. Zelf kunnen we onze tranen nauwelijks inhouden.

We bezoeken ook de Vredesvlam, ‘die pas zal worden gedoofd als alle nucleaire wapens de wereld uit zullen zijn’ en de Cenotaaf, een ontwerp van Tange Kenzo, ter herdenking van de slachtoffers van de bom. Een inscriptie vermeldt: ‘We zullen deze fout nooit meer maken.’ Een optimistische uitspraak, voortkomend uit een diep verlangen. De Herinneringshal omvat een panorama van 360 graden van na de verwoesting, gezien vanuit het hypocentrum. En er zijn computers met namen en stambomen van de slachtoffers. Bij de receptie liggen kraanvogeltjes, sommige heel klein. Ik sta ze te bewonderen, als de receptioniste met een doos aankomt: ik mag er een klein papieren doosje uitkiezen, met erin piepkleine kraanvogeltjes. Om niet te vergeten.

Op het station kopen we 2 obento’s – doosjes met meeneemmaaltijden – en nemen dan de Shinkansen naar Nagasaki. We zijn er pas om 9 uur, maar ons hotel bevindt zich in het station: de Japan Railways hebben eigen hotels van een uitstekende kwaliteit (en je hoort geen trein!) Vanuit onze kamer op de 10e verdieping hebben we een sensationeel uitzicht over de sporen en de stad eromheen. Een berg vlakbij is bezaaid met lichtjes. Sprookjesachtig. Ik werk nog even door, want er zijn deadlines die al lang zijn overschreden. Gelukkig kan ik het in de trein voorbereide werk het internet op krijgen. Om 10 uur gaan we nog even op zoek  naar een cappuccino, maar er is niets te vinden en inmiddels is het al behoorlijk fris geworden. In een van de vele, vele convenience shops (buurtsupers) kopen we een pak oma’s jus en werken dan maar weer verder op de kamer.

Overnachting: JR Hotel, Nagasaki (westerse kamer, 2×1½p-bed, bureau met stoel, tv, koelkast (werkt niet), fauteuil met tafeltje, badkamer met wc/bad/douche, uitzicht op treinstation/stad/omringende bergen, internet via kabeltje op de kamer, geen ontbijt besteld)

Dag 80: dinsdag 15 mei 2012: Met dank aan de zwaartekracht

Na de tempeldienst is er een vuurceremonie in een ander tempelgebouwtje en met een grote groep mensen – waaronder nog 4 à 5 andere buitenlanders – zitten we opgepropt rond de priesters die het vuur stoken en de soetra’s reciteren. Na het ontbijt lopen we opnieuw over de begraafplaats naar het mausoleum toe, deze keer in de – nog niet al te ernstige – regen. Het natte weer voegt een extra dimensie toe aan deze bijzondere omgeving. Ik maak talloze foto’s. Bij het mausoleum steken we wierook en kaarsjes aan – Mels voor zijn jongste dochter, ik voor mezelf – en reciteren we de hartsoetra. Om half 11 maken we een ceremonie mee die 2x per dag plaatsvindt: vanuit een van de tempelgebouwen wordt door 2 priesters een draagkist met voedsel naar Okuno In gebracht, de tempel bij het mausoleum. In de tempel wordt het voedsel op het altaar gezet voor het raam dat uitkijkt op de laatste rustplaats van Kobo Daisi. Mels schrijft een gomagi (bidlatje) voor mij en geeft het aan de monnik in de tempel om later ceremonieel te laten verbranden. Daarna dalen we af in de kelder onder de tempel, vol beeldjes (25.000 volgens Mels). We lopen er de Parijzenaar tegen het lijf die we 6 mei op Shikoku tegenkwamen. Hij blijkt Gwen (en nog heel veel meer) te heten (een Keltische naam), is 30 jaar en werkt als computerdeskundige bij Parisbas. Gwen voegt zich ongevraagd bij ons groepje. Met zijn allen gaan we nog eens uitgebreid op de foto. Mels en ik laten onze stempelboeken afstempelen en krijgen van Hide-san nog een extra stempelkaart bestemd voor tempels langs het voetpad dat we hebben afgelegd. Daarna zoekt Mels een plaatsje voor een reepje stof dat hij heeft meegekregen van een Nederlandse keramiste. Hij bindt het rond een van de fraaie grafstenen en neemt er foto’s van, zodat ze zal weten waar haar reepjes stof naartoe gevlogen zijn.

Op weg naar de andere tempels op Kōya-san, komen we langs de tempel waar we 2 jaar geleden verbleven – de Shojoshin tempel – de fraaie bergtuin nu getooid met zachtbruinrode tinten van diverse struiken. Asaka geeft bij de Ekō In tempel enkele gomagi af om morgenvroeg tijdens de vuurceremonie te laten verbranden, om te bidden voor haar familie. Na een lunch bij een van de restaurantjes op Kōya-san, bezoeken we nog enkele tempels. Bij de Kongobuji tempel laten we voor de (voorlopig) laatste maal ons boek afstempelen. Het hart van Kōya-san wordt gevormd door de bijna 50 meter hoge, feloranjegekleurde Konpon Daito pagode. We overwegen een bezoek, maar Mels en ik vragen ons langzamerhand wel af of de tijd niet teveel gaat dringen om de hele voettocht naar beneden nog te kunnen maken, tenslotte hebben we over de klim zo’n 9 uur gedaan. Hide-san verzekert ons echter dat we in een uur beneden kunnen zijn: ‘Met dank aan de zwaartekracht.’ We kunnen het bijna niet geloven.

Het is al 3 uur als we ons op maken om de berg weer af te dalen; bij de pagode nemen we afscheid van Gwen, die nog wat tempels gaat bezoeken. We nemen een weg die naar het noorden leidt en – tot onze verrassing – nog iets verder omhoog ook. Dan begint het echt serieus te regenen. Bij een tempel aan de rand van Kōya houdt Hide-san stil voor overleg. We kunnen nog kiezen op dit punt: het bergtreintje (de cable car) naar beneden óf te voet de berg afdalen. We kiezen er zonder enig voorbehoud voor te lopen en trekken allemaal onze regenjassen aan. Het blijkt gelukkig een zeer goed geplaveid pad te zijn, hoogstens af en toe wat glad door afgevallen sugiloof. We schieten snel op, maar Hide-san valt bijna als een van de dekplaten over een goot omkantelt. Ook bij een volgende goot ligt een dekplaat los. Hide-san verzekert alle platen netjes, zodat een volgende wandelaar er niet over zal vallen. Daarna haasten we ons weer verder naar beneden. Na een klein uur zien we achter een lange, feloranje brug het Gokurakubashi (=Brug naar de hemel) treinstation waar al een trein staat te wachten. We hebben zo snel gelopen – 1 uur, zoals gepland! – dat Hide-san denkt een eerdere trein te kunnen nemen terug naar Osaka. Maar we moeten eerst nog de brug over en via een omweggetje naar het station en dat doen we al hollend. Net op tijd schieten we de trein van 16.25 in. Gwen blijkt er ook te zijn en voegt zich opnieuw bij ons gezelschap. Buiten trekt een dampig berglandschap voorbij vol sugi en andere bomen. We zien weer de bloeiende bomen die we al op Shikoku zagen: chinkapin of Castanopsis sieboldii blijken ze te heten, familie van de beuk, wintergroen, volgens Hide-san.

In anderhalf uur zijn we in Osaka. We nemen opnieuw afscheid van Gwen. Asaka kent een goed restaurant waar – naast de internationale keuken – ook specialiteiten van Osaka worden geserveerd zoals doteyaki (gestoofde runderpezen, simmered beef sinew). Hide-san heeft opnieuw een verrassing: hij geeft Asaka en mij elk een boekje getiteld Valentines, met Japans- en Engelstalige poëzie. Vertaald door Hide-san! Hij vertelt dat hij bepaalde Japanse gewoonten rond Valentijn erg vervelend vindt: vrouwen geven chocolade aan een man die ze leuk vinden en de man is dan verplicht haar uit te nodigen voor bijvoorbeeld een lunch. Daar heeft hij helemaal geen zin in. Toen hij dit boekje in een Engelse boekhandel zag, stelde hij de uitgever voor een vertaling ervan te maken, want deze Valentijntjes spraken hem wel aan.

Het is een heel gezellig samenzijn. Warme momenten die ik zal blijven koesteren. Mensen die me zo dierbaar zijn geworden, zoveel warmte geven. Hadden we voorgaande jaren erg veel moeite met de overgang van pelgrimstocht naar de ‘normale’ maatschappij, deze keer sluit alles naadloos op elkaar aan. De 2 dagen op Kōya-san zijn weldadig geweest. Nadat Asaka en Hide-san met de trein vertrokken zijn, mijmeren we nog wat na bij een cappuccino. Vanuit Starbucks hebben we een goed uitzicht op de drukke winkelstraat waar 10 uur ’s avonds nog druk geflaneerd wordt. Het leven is goed.

Geplande afstand: onbekend, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 5,0 km, hoogste punt 868 m (noordrand Kōya-san), totale stijging 106 m, laagste punt 461 m (eindpunt: Gokurakubashi treinstation), totale daling 407 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1551,0 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 15.04– 16.25 uur
Looptijd: ca. 1 uur
Gemiddelde snelheid: ca. 5 km/u
Bezochte tempels: Ekō In (geslapen in gastenverblijf), Okuno In (bij mausoleum Kobo Daishi; met bezoek stempelkantoor), Kongobuji (met bezoek stempelkantoor) op Kōya-san
Blaren: restantjes
Overnachting: Cross Hotel, Osaka (westerse kamer, 2×1½p-bed, bureau met krukje, tv, 2 kluizen, koelkast, kast, fauteuil met tafeltje, badkamer met wc/wastafel en ofurokamer, wifi op de kamer, goed ontbijt)

Dag 79: maandag 14 mei 2012: Gras naast de weg

In de gemeenschappelijke zitkamer ontbijten we met broodjes die we gisteren op het station in Osaka hebben gekocht. We krijgen er koffie van de gastvrouw bij. Even na 7 uur gaan we op pad. Via wat straatjes komen we al gauw bij het begin van het pad. Er zijn meerdere wegen naar Kōya-san, maar er is slechts 1 bergpad, zo’n 24 kilometer lang en gemarkeerd door zeer grote, stenen pathmarkers; elke cho (1 cho=108 m; 36 cho = 1 li)) staat er eentje, daarom heet het pad ook cho ishi michi, ‘cho steen pad’. Het is niet zomaar een paadje: toen Kukai op Kōya-san verbleef, woonde zijn moeder onderaan de berg. Het was vrouwen verboden heiligdommen te betreden en ze mocht derhalve de berg niet op. Daarom kwam hij 9 maal per maand de berg af om haar te bezoeken en hij nam altijd dit pad. De stad die onderaan de berg is ontstaan, heet sindsdien Kudoyama: ‘negen keer berg’. Op de plaats waar Kukai’s moeder woonde, is een tempel gebouwd, die alleen bedoeld is voor vrouwen: Jison In (Nyoninkōya). We brengen eerst een uitgebreid bezoek aan dit tempelcomplex. De pagode – momenteel in renovatie – is een ‘kindje’ van de grote pagode op Kōya-san, zo vertelt een monnik. Hide-san is een wandelende encyclopedie en kan enorm veel vertellen over alles wat met Kōya-san te maken heeft en wij zijn dankbare toehoorders. Bij de hoofdtempel hangen grote aantallen vrouwenborsten, door vrouwen zelfgemaakt van stof. Om te bidden voor het krijgen van kinderen of om genezing. We steken wierook en kaarsjes aan en reciteren er de hartsoetra. Asaka neemt 2 gomagi (bidlatjes), 1 voor haarzelf en 1 om voor mij te bidden. Ze schrijft onze namen erop en geeft ze aan de priester die ze morgenvroeg ceremonieel zal verbranden tijdens de ochtenddienst. Ik voel me omringd door de warmte van dierbare vrienden.

Vanaf de tempel voert het pad de berg op door de talrijke kakigaarden (kaki oftewel persimmon; het Israëlische Sharonfruit is een bepaald kakiras) waar deze streek om bekend is. Hide-san vertelt dat er vele kakirassen bestaan; sommige soorten kunnen alleen gedroogd worden gegeten, andere zodra ze rijp zijn. Al in het stadje zagen we dat de straatlantaarns en de putdeksels geïnspireerd zijn op de kakivruchten, en we kwamen ook voorbij een open bouwseltje op een garage waar de vruchten te drogen hingen. In de gaarden hangen in deze tijd van het jaar geen vruchten aan de bomen, maar harde, groene schijnbloemen.

We rusten bij een rest hut en eten er alvast een stukje van onze lunch op – mooie dozen met sushi gewikkeld in kakibladeren, waardoor het heerlijk vers blijft; door Hide-san geregeld via de ryokan – terwijl we onderwijl een fraai uitzicht hebben over de zonovergoten kakigaarden, Kudoyama en de omringende bergen. Kōya-san lijkt onmogelijk ver te liggen, helemaal aan de andere zijde van de vallei; herkenbaar aan het puntige topje dat boven de bergketen uitsteekt.

Kort daarna komen we in de beschermende schaduw van de bossen, met o.a. sugi, bamboe en vele loofsoorten. In vochtige bergwandjes zitten her en der bergkikkertjes in hun holletjes te raspen. In zie veel nieuwe varensoorten en koningsvarens zijn er ook weer volop, maar deze keer een stuk kleiner en meestal zonder sporendragers. We zien regelmatig bijzondere planten naast het pad, waarvan we ons al jaren afvragen wat het is. Hide-san kan er meer over vertellen: het zijn mamushi-gusa (‘adderkruid’, Arisaema japonicum), waarvan de lange stengels lijken op de mamushi, de adders, en ook het tongetje van de vreemde bloem lijkt op dat van een slang. De vrouwelijke bloemen vangen insekten in hun kelkvormige bloemen; de mannelijke hebben een gat onderin waardoor de insekten kunnen ontsnappen om vervolgens het stuifmeel te verspreiden.

Als we boven de 500 meter zijn gekomen, blijft het pad lange tijd licht op en neer kronkelen langs de hellingen. Op 575 meter hoogte gaan we een eerste pasje over. Om half 12 komen we aan bij de Futatsu Torii, een dubbele shintopoort. Vlakbij staat een rest hut waar we opnieuw een stukje lunch nemen. Hide-san heeft zijn zware fototoestel en statief meegenomen en we gaan met zijn allen op de foto bij de poorten. Daarna gaat het weer verder de berg op. Het is een fraai pad, dat door een afwisselend landschap loopt. Ik zie weer de parasitaire planten die ik al op Shikoku heb opgemerkt. Deze keer staan er op meerdere plaatsen grotere aantallen. Hide-san heeft de naam ervan opgezocht: ginryo-so (‘zilveren drakenkopkruid’, Monotropastrum globosum).

Terwijl we iets afdalen naar een uitgestrekt golfterrein, schiet een lange, zwarte slang weg onder een tas bamboe. Dan loopt het pad weer wat omhoog, dan wat omlaag. In een intieme vallei zijn verschillende moerasjes met iris. We zien er de apenvanger, in het Engels waitaminute genoemd: een nogal doornige plant. De talrijke geelwitte irisjes die we weer tegenkomen, blijken saga te zijn, weet Hide-san. En er zijn ook grote groepen witte miniminiviooltjes. En dan is er de boomaardbei: ki-ichigo (een algemene aanduiding waar o.a. Momiji-ichigo, Rubus palmatus var. coptophyllus onder valt). De urushi (hon-urushi, Toxicodendron vernicifluum, voorheen Rhus verniciflua) is een boom waarvan het sap voor lakwerk wordt gebruikt; hij wordt gekweekt in het noorden van Japan. Hier op Kyushu zien we een broertje ervan. Hide-san probeert een steen te breken om te laten zien dat er mica in zit. Het lukt hem niet de steen kapot te gooien en aangezien ik van elke reis een steen mee naar huis breng, besluit ik dat dit een mooie steen is om mee te nemen. Asaka vraagt ons of we de andere betekenis kennen van Gras naast de weg (de naam van een tentje tussen tempel 81 en 82), in het Japans michi kusa: als er onderweg links en rechts van je pad zoveel de aandacht trekt, waardoor je je doel uit het oog verliest…

Ondanks de vele, vele mooie en interessante dingen die onderweg onze aandacht trekken, vorderen we gestaag, maar de tijd gaat wel wat dringen. Om half 2 kruist het pad (op inmiddels weer ‘slechts’ 500 meter hoogte) een weg waar een theehuis is. De matcha is op, we kunnen wel koeken en gewone groene thee krijgen. Buiten op een bankje eten we de lunch verder op. Daarna stijgt het pad weer; steeds vaker staan er enorme sugi langs het pad, voorboden van de reuzen op Kōya-san. We zien nogmaals een slang, deze keer een hele lange bruine. Het is al 5 uur geweest als Hide-san vraagt of ik misschien opnieuw voorop wil lopen, hij heeft een verrassing voor me. Na enkele 10-tallen meters komt het pad opnieuw bij een weg en langzaam rijst de enorme toegangspoort tot Kōya-san voor me op: de Daimon poort. Een zeer indrukwekkend gezicht. We maken opnieuw uitgebreid foto’s van ons groepje en we raken er aan de praat met 2 jongens uit Osaka die erg geïnteresseerd zijn in onze pelgrimsreis. Daarna is het nog 3 kilometer door Kōya naar onze overnachtingsplaats: het gastenverblijf van tempel Ekō In. Asaka belt alvast dat we wat verlaat zijn en als we aankomen kunnen we bijna meteen eten. Met zijn 4-en hebben we een aparte eetzaal, omgeven door fraai beschilderde schuifdeuren vol kraanvogels, en elk zittend op een plat kussen voor enkele kleine tafeltjes.

Om kwart over 7 gaan de schoenen echter weer aan: er is een avondexcursie onder leiding van een van de monniken naar de enorme, 2 kilometer lange begraafplaats die uitstrekt tot het mausoleum van Kukai of Kobo Daishi. De sprookjesachtige begraafplaats herbergt minstens 200.000 (volgens de monnik mogelijk 400.000) graven uit allerlei perioden, veelal bedekt met moskapsels, en omgeven door eeuwenoude reuzensugi (de oudsten zijn gedateerd op 850 jaar volgens hem). Opnieuw een magische plek. Ik vind het een van meest betoverende plaatsen ter wereld. Links en rechts van de 2 hoofdpaden staan grote stenen lantaarns en er is ook straatverlichting. Af en toe valt er een druppeltje regen. Zo in het donker, is de sfeer nog betoverender.

Terug in het gastenverblijf drinken we – na de ofuro – nog wat groene thee op de kamer van Hide-san. Asaka komt er ook bij, nadat ze de hartsoetra heeft uitgeschreven op een vel papier en afgegeven bij een van de monniken. Hide-san verbaast zich erover dat Mels niet elke dag naar de ofuro gaat. Zonder ofuro kan hij niet slapen; hij denkt dat hij niet zou kunnen leven zonder. Tja, dat dacht ik ook wat betreft mijn ochtenddouche die ik bijna elke dag moet missen in Japan, maar ik leef nog steeds… Alles went op den duur… Hide-san leert ons een muntspelletje: miyama kuzushi (=the art of breaking balance), beter bekend als nim (van het Duitse nehmen: nimm) en we hebben er veel plezier mee. Al vroeg liggen we op de futon, want morgenvroeg begint om half 7 de tempeldienst.

Geplande afstand: 24,0 km, 790 m stijging
Werkelijke afstand: 24,5 km (excl. 4 km avondexcursie), hoogste punt 853 m (eindpunt: Kōya-san), totale stijging 1377 m, laagste punt 56 m (vertrekpunt: ryokan Nakagawa, Kudoyama), totale daling 609 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1546,0 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.18– 17.53 uur
Looptijd: 5,47 uur
Gemiddelde snelheid: 4,2 km/u
Bezochte tempels: Jison In (Nyoninkōya)
Blaren: restantjes
Overnachting: gastenverblijf tempel Ekō In, Kōya-san (1 kamer 8 tatami’s groot met tokonoma, 1 tafeltje, tv, binnenveranda met kastenwand, 2 stoeltjes en tafeltje, kluis, hal, uitzicht op fraaie binnentuin met Japanse esdoorns en bloeiende rhododendrons, redelijk vegetarisch avondeten, karig vegetarisch ontbijt)

Dag 78: zondag 13 mei 2012: Het staartje

Veel henro’s gaan na het afsluiten van hun pelgrimstocht nog naar Kōya-san, de heilige berg ten zuidoosten van Osaka, centrum van de Shingon-sekte en laatste rustplaats van Kukai: ‘Om Kukai te vertellen dat de tocht is afgerond.’ (Kukai is niet echt dood, hij ‘mediteert’.) Voorafgaand aan onze 1e pelgrimstocht zijn we er ook geweest; nu willen we Kōya-san bezoeken ná onze voettocht. Morgen zullen we samen met Hide-san en Asaka de berg beklimmen en Hide-san heeft voor ons allemaal al de overnachtingen geregeld.

Om 10 uur nemen we de bus naar Osaka, een rit van zo’n 3 uur. Het is licht bewolkt. Opnieuw passeren we de Yoshinogawa en rijden we langs grote plantages met lotusplanten. Na de grote bruggen die Shikoku met Honshu verbinden, zijn er eindeloze beboste bergen met sugi, bamboe en loofhout. Af en toe zijn er huizen. Een tijdlang rijden we langs de Japanse Binnenzee; schimmige eilanden drijven in een gladde, zilvergrijze zee. In de laagvlaktes tussen de uitlopers van de bergen zijn wat grotere dorpen. Buizerds scheren over; boven zee zijn enkele aalscholvers. Op de velden wordt gemaaid; hier en daar liggen hoopjes afval te smeulen. Langzamerhand rijden we de metropool Kobe binnen en niet lang daarna zijn we al in Osaka.

Als we eenmaal compleet zijn, gaan we eerst op zoek naar een lunch. Asaka heeft gewoond in Osaka en ze heeft de zoektocht goed voorbereid. We doorkruisen verschillende drukke winkelstraten en er zijn enkele telefoontjes nodig voor we het restaurant weten te vinden. We doen okonomi: op een bakplaat worden mengsels van ei, groenten, vis en vlees gebakken, een van de specialiteiten waar Osaka om bekend staat. Later die middag nemen we de trein naar Gokurakubashi; vanuit een plaatsje er vlakbij zullen we morgen Kōya-san beklimmen. Het is zo gezellig kletsen, dat we vergeten over te stappen. Pas op het laatste moment springen we eruit. Ook in Gokurakubashi vergeten we uit te stappen. Gelukkig is het een eindpunt; hoewel de trein uiteindelijk wel weer terug gaat naar Osaka. Als de eerste schoonmakers arriveren in de inmiddels verder lege coupé, krijgen we het eindelijk door. De ryokan-eigenaar staat al klaar met zijn auto. Wat een luxe! We krijgen met zijn 4-en een hele bovenverdieping in de ryokan: 3 kamers om te slapen, 1 kamer als ‘lounge’. Hij brengt ons ook nog eens naar de onsen. Voor de deur van de onsen wijst hij met een wijds gebaar – dat de halve wereld zou kunnen omvatten – de route die we morgen zullen gaan lopen: van rechts in het gezichtsveld, waar de bergrug begint in de vlakte, via allerlei berghellingen en -ruggen naar een punt dat uitsteekt boven de bergrug links in ons gezichtsveld: de top van Kōya-san. We hebben nog niet eerder ons hele dagprogramma zo voor ons uitgespreid gezien. Indrukwekkend.

De onsen haalt zijn water uit heetwaterbronnen en er zijn vele baden – ook buiten – om van te genieten. We blijven er ook eten, omdat dat niet in de ryokan kan. We zitten net als er een Amerikaan even komt buurten, langneuzen wekken nu eenmaal de nieuwsgierigheid op van andere langneuzen. Patrick heet hij en hij is al 5 jaar op Kōya-san om zich verder te verdiepen in het boeddhisme. Noemt zichzelf – met een brede lach – een langzame student. Hij lijkt er niet onder te lijden. Er blijken een stuk of 5 buitenlanders op die basis te wonen op Kōya-san, naast de vele kortverblijvers. Na het eten worden we op de afgesproken tijd weer netjes opgehaald door onze gastheer.

Hide-san heeft een verrassing voor ons: hij heeft de tv-uitzending over de pelgrimstocht op Shikoku, waarin wij voorkomen, opgenomen voor ons. We bekijken de dvd gezamenlijk in de gemeenschappelijke zitkamer. En we praten, onder meer over mijn ziekte en de invloed die de pelgrimstocht erop heeft. Asaka vertelt over haar val enkele jaren geleden, van de 1e verdieping van een golfoefengebouw. Ze hield er alleen een gebroken elleboog en een scheurtje in haar bekken aan over en is ervan overtuigd dat ze dat te danken heeft aan Kukai. Daarom heeft ze daarna uit dankbaarheid Kōya-san beklommen en is daarna begonnen het pelgrimspad op Shikoku in delen te lopen, elk jaar een week lang. En daarom wilde ze ook zo graag nóg eens Kōya-san beklimmen, samen met ons. Hide-san vertelt over de pelgrimstocht die hij vorig jaar tegen de klok in aflegde op Shikoku. Hij was veelvuldig de weg kwijt, want het normale pelgrimspad loopt met de klok mee rond het eiland en de merktekens onderweg zijn alleen daarvoor bedoeld. En hij merkte dat hij ook heel veel tijd kwijt was aan de grote aantallen henro’s die hij onderweg tegenkwam, omdat hij tegen de stroom in liep: ‘Misschien kostte elke henro maar 5 minuten, maar zoveel henro’s maal 5 minuten… Soms moest ik aan het eind van een middag me enorm haasten om nog op tijd bij een tempel aan te komen…’ Hij vindt zichzelf niet een ‘ernstige’ loophenro, omdat hij steeds de bus of de trein heeft genomen op die trajecten die hij saai vond. ‘Als jullie de tocht nog een keer afleggen, dan mag je je daarna aanmelden voor de korte gidsencursus. Dan krijg je zo’n mooie oranje pelgrimsstaf met rinkelende ringen bovenaan.’ Dát lijkt me wel wat…

Overnachting: ryokan Nakagawa, Kudoyama (1 kamer 8 tatami’s groot met tokonoma, 1 tafeltje; 1 gemeenschappelijke zitkamer 8 tatami’s groot met tokonoma, 1 tafeltje met 4 grondstoeltjes, tv met dvd-speler, binnenveranda met 2 stoeltjes en tafeltje, geen avondeten, geen ontbijt)

Dag 77: zaterdag 12 mei 2012: Verse henro’s

De laatste loopdag…

Bij ons vertrek kunnen we voor de laatste maal ons ‘grapje’ maken: als we onze rugzakken omgespen, passen onze heupbanden niet meer over onze dikke buiken; zó goed hebben we gegeten, beduiden we de gastvrouw. In werkelijkheid vertrekken we ’s ochtends meestal met fleece- en/of windjack aan en arriveren we aan het eind van de dag in een hemdje. Maar het grapje werkt altijd.

We hebben – voor ons gevoel – een dagje freewheelen voor de boeg: slechts 23–24 kilometer af te leggen over min of meer vlak land, verder naar het oosten door de brede vallei van de Yoshinogawa, naar onze eindbestemming, tempel 1. We volgen eerst korte tijd de drukke 2-baans weg waar de ryokan aan ligt, maar we slaan zo snel mogelijk ervan af, om via wat kleine weggetjes in de buurt van tempel 9 weer terug te komen op de oorspronkelijke henroroute die wat dichter langs de noordelijke bergrug loopt. Mels zet er goed de sokken in; zijn voetenpijn is een stuk verbeterd. Door de zware bewolking is het aanvankelijk behoorlijk koud, maar al gauw komt de zon weer tevoorschijn. Het blijft echter lekker fris, heerlijk om te lopen. We lopen tegen de normale pelgrimsrichting in en daarom zijn er onderweg weinig merktekens waar we iets mee kunnen; we moeten regelmatig het routeboekje raadplegen om zo gericht mogelijk naar het oosten te komen via de wirwar aan weggetjes. En wat ons ook opvalt: als je tegen de stroom inloopt, kom je heel veel loophenro’s tegen! Zoveel loophenro’s die zo laat in het seizoen beginnen met lopen: zouden ze soms maar een deel van de route doen, bijvoorbeeld maar 1 prefectuur? Want anders komen ze middenin  de subtropische zomerhitte terecht én in het regenseizoen dat in juni begint.

Als we voorbij het poortgebouw van tempel 9 lopen, spreekt een autohenro-echtpaar uit Osaka ons aan. Ze doen de tocht nu met de auto, maar willen na zijn pensionering ook samen gaan lopen. Zij is benieuwd of de tocht goed te doen is. We blijven een tijdje staan praten en vervolgen dan onze tocht, steeds zoveel mogelijk over kleinere wegen. Het landschap is een mix van agrarisch en halfstedelijk. De meeste rijstvelden zijn inmiddels ingeplant. De kleine veldjes met aardappelplanten raken in bloei; een veldje met tabaksplanten is nog geen meter hoog. Een paar keer zijn er ook lotusveldjes. En langs de kant van de weg zijn er stalletjes met verse aardbeien.

Bij een supermarktje kopen we ijs en cake en vragen meteen naar een koffiehuis. We moeten er extra voor omlopen, maar dat hebben we er wel voor over. Het is een typisch ‘huiskamer’-koffiehuis zoals we wel vaker hebben bezocht: overal makkelijke stoelen, hoge planten, schilderijen aan de muur; mensen zitten te roken, spelletjes te spelen, de krant te lezen of tv te kijken. Een man komt bij ons zitten: hij is krantenbezorger en volgt Engelse les op donderdag. Ook de gastvrouw spreekt Engels en komt een praatje maken: de schilderijen zijn van haar hand. Wij geven onze kaartjes: collega-kunstenaars! Als we weggaan, mogen we niet afrekenen. Osettai! Wij geven klompjes. Zij geeft enkele foto’s van haar schilderijen. Ze zwaait ons na. Ik heb tranen in mijn ogen. Zoveel hartelijkheid!

Als we voorbij tempel 7 komen, zijn een man en vrouw druk bezig podia op te stellen voor het maken van een groepsfoto. Een busgroep komt net aan. Er wordt druk gearrangeerd, net zolang totdat iedereen erop past. De reisleider sjouwt ondertussen met zware weekendtassen richting stempelkantoor. De foto wordt eindelijk gemaakt; wij fotograferen mee… Bij tempel 6 zit weer een bedelhenro. Kwart over 12 keren we even terug naar de grote weg om bij een udonrestaurantje aan te leggen. Er zitten al 6 loophenro’s, smetteloos wit, net begonnen aan hun tocht zo te zien: ze zijn druk in de weer met kaarten en mobieltjes. We raken aan de praat met de man die aan de tafel achter ons zit: hij heeft al een eerste blaar en is evenmin tevreden over zijn kleine rugzakje, zonder frame en zonder heupband. We wensen ze ganbatte als we om 1 uur weer vertrekken.

Via wat kleinere wegen keren we vanaf de grote weg weer terug op de pelgrimsroute. Regelmatig is er een harde en behoorlijk frisse tegenwind. In een gehucht lopen we een jonge Belgische loophenro tegen het lijf en raken aan de praat. Hij vertelt dat hij een jaar economie heeft gestudeerd en daarna een jaar psychologie. Zijn moeder vond dat hij maar eens de Rue naar Santiago moest gaan lopen, maar hij houdt niet zo van Spanjaarden en koos daarom Japan. Hij heeft 2 dagen zitten wachten op een simkaart in een goedkope herberg in Bando (waar tempel 1 zich bevindt) en nu is hij ook alweer 2 dagen aan het lopen vanaf tempel 1. Zijn verhaal klinkt erg verward. Hij loopt de hele tijd verloren, zoals hij het zelf uitdrukt, weet vaak ook niet waar hij is. Hij spreekt ook geen woord Japans. De 1e dag is hij een monnik achterna gelopen naar een shintotempel, de berg op achter tempel 1, ‘wel een kilometer hoog!’ (In werkelijkheid ligt deze tempel vlakbij in een zijdal…) Op de berg was hij de weg ook al kwijtgeraakt en uiteindelijk bij een boer terechtgekomen waar hij kon kamperen. De boer had hem eten en een pint gegeven en ook een matje voor hem gesneden, want dat had hij ook niet bij zich. Hij kon echter niet slapen en was toen maar in het donker verder gaan lopen. Geschrokken van een wegschietend dier was hij weer helemaal teruggerend. Hij houdt niet van lopen, vertelt hij, en hij heeft ook niet getraind van tevoren. Hij heeft erg veel last van voeten, rug en bekken. Geldgebrek heeft hij ook. We geven hem de tip om gratis overnachtingsplaatsen te vragen bij de tempels en ook om ‘service’ (=gratis maaltijd) in restaurants. We vertellen hem over de hartelijkheid en de behulpzaamheid van de mensen van Shikoku.

Terwijl we staan te praten, gaat achter ons een deur open. Of we zin hebben in koffie? We blijken voor een beauty- en kapsalon te staan. Met zijn 3-en vleien we ons op de makkelijke stoeltjes en genieten uitgebreid van koffie met koekjes en later nog groene thee met cake. Een klant die net aankomt, moet maar even wachten en krijgt ook thee. De gastvrouw biedt aan om ons met de auto naar tempel 1 te brengen, maar dat slaan we vriendelijk af. We eindigen met foto’s. Pas om kwart over 2 gaan we verder, nadat we de Belg veel sterkte hebben gewenst en langdurig naar de gastvrouw en haar klant hebben gezwaaid. We moeten nog gaan opschieten… Nog 8 kilometer te doen en het is wel de bedoeling dat we tempel 1 nog voor 5 uur gaan halen… ‘Als je zo blijft doorlopen, zijn we er over een uur’, hijgt Mels achter mij, met de gps in de hand. ‘Je loopt weer eens 6 kilometer per uur!’

Om kwart over 4 komen we aan bij tempel 1. De aardige stempelmonnik, een bejaarde vrouw, kaalgeschoren, maakt een mooie bladzijde in ons stempelboek, compleet met einddatum. ‘Osettai!’, zegt ze. We krijgen hem gratis. En ze geeft er ook een massagestokje bij, gemaakt van rolletjes papier, en wat folders over Kōya-san. In het zithoekje tekenen we het Boek der Voltooiing; ik schiet vol. In het boek zijn sinds ons vertrek op 28 februari 577 namen bijgekomen, waarvan 29 buitenlanders, onder andere uit Argentinië, Korea, Kroatië, Italië, Duitsland, Frankrijk, Thailand, Tjechië, Nederland en vooral uit Australië en de USA. Daarna drinken we groene thee samen met enkele geïnteresseerde autohenro’s.

Vanaf Bando Eki nemen we de boemeltrein voor een ritje van 22 minuten naar Tokushima. We kijken stil naar buiten, vol tegenstrijdige emoties nu de tocht is afgelopen. Grote oppervlakken met lotuskwekerijen trekken voorbij; de planten vaak omgeven door tunnels doorzichtig plastic. Soms zijn er wijngaarden; de druiven een millimeter groot. Maar vooral zijn er weer sawa’s, eindeloze hoeveelheden sawa’s. Langzamerhand neemt het stedelijk gebied de overhand. We passeren de brede Yoshinogawa en lopen dan Tokushima binnen. Tegelijkertijd met David Moreton komen we bij het hotel tegenover het station aan. We hebben afgesproken samen uit eten te gaan. David (de auteur van het Engelstalige routeboekje) vertelt over zijn drukke werkzaamheden rond de henro michi, naast zijn ‘echte’ baan als leraar Engels aan de universiteit van Tokushima. En ook over zijn persoonlijke leven, hoe hij in Japan is terechtgekomen, en waarom hij zich er zo thuisvoelt. De zachte Japanse aard.

Pas tegen 10 uur nemen we afscheid. Op de hotelkamer kunnen we de temperatuur niet omlaag krijgen. De hotelairco staat vandaag afgesteld op verwarmen, legt de vriendelijke receptioniste uit. Uiteindelijk verkassen we om half 12 naar een andere, veel grotere kamer met 2 ramen die open kunnen. Dat geeft tenminste lucht! We zijn tot na 1 uur aan het werk, toch nog even van de wifi profiteren, want de komende dagen gaan we wéér lopen…

Geplande afstand: 23,4 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 25,0 km (incl. 1 km extra naar koffiehuis, excl. 1 km van tempel 1 naar station), totale stijging 457 m, totale daling 458 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1521,5 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.20–18.10 uur (in Sun Route Hotel, Tokushima)
Looptijd: 4,57 uur
Gemiddelde snelheid: 5,2 km/u
Bezochte tempels: tempel 1
Blaren: 2 restantjes en 1 kleine
Overnachting: Sun Route Hotel, Tokushima (westerse kamer, 2p-bed, bureau met stoel, tv, badkamer met bad/douche/wc, wifi op de kamer; om half 12 verhuist naar westerse kamer, 1x1p- en 2x 1½-bed, bureau met 2 stoelen, flatscreen tv, computer, koelkast, hal met kast, badkamer met bad/douche/wc, wifi op de kamer, goed ontbijt)

Dag 76: vrijdag 11 mei 2012: Rondje rond

Nog 2 loopdagen…
Na een ondanks de pijn toch redelijk goede nachtrust, is het eerst moed verzamelen om op te staan. Maar de voeten vallen best wel mee. Slechts af en toe is er nog een pijnscheut. Vandaag staan 22–23 kilometer op het programma: via tempel 88 naar onze overnachtingsplaats bij tempel 10. Eigenlijk is ons rondje al rond bij tempel 10, maar dat telt natuurlijk niet; we gaan morgen door naar tempel 1. Het is koud(!) als we om kwart over 9 vertrekken. We volgen de smalle weg waar de ryokan aan ligt, verder naar de 3 kilometer noordoostelijker gelegen tempel 88. Het is (het eind van) dezelfde weg als die we 2 jaar geleden namen naar de tempel. Langzaam stijgt het weggetje een kleine stille vallei in. Enkele keren horen we een fazant schreeuwen. Een paar keer rijdt een betonwagen het weggetje af. Eenmaal gaat het bijna mis: De chauffeur is druk bezig met beide handen zijn muts goed op zijn hoofd te zetten. De auto stuurt zichzelf onze kant op. Pas op het laatste moment geeft hij een ruk aan het stuur…

Al binnen een half uur zijn we bij de tempel. Via de zijpoort komen we bij een van de tempelgebouwen en bij de schrijn waar pelgrimsstaffen in worden bijgezet. De blauwe en witte wisteria ervoor zijn bijna uitgebloeid; de vele pioenrozen al helemaal. Tegen beter weten in zoek ik tussen de 1000-en staffen achter het glas naar degene die ik 2 jaar geleden achterliet bij deze tempel. Pas een jaar later hoorde ik, dat niet alle staffen worden bijgezet; normaal worden ze verbrand… We hebben allebei besloten – net als vorig jaar – onze staffen mee naar Nederland te nemen. We voeren de rituelen uit en ik laat bij het stempelkantoor mijn boekje stempelen; een diploma kopen we deze keer niet, we hebben er al een… Daarna kuieren we langzaam naar de uitgang, langs de trappen waarlangs we de vorige keer na een hachelijke bergtocht naar beneden kwamen. Bij de hoofdpoort (met links en rechts beelden van Kannon) krijgen we meteen een kommetje gemberthee aangeboden door een van de winkeliers die hier hun nering hebben. Hij had ons gisteren al ergens gezien, vertelt hij. Ik neem er ook een ijsje en koop er bovendien 2 kleine kussentjes om een klankschaal op te zetten. We krijgen 2 flesjes water als osettai mee. Nadat we in een andere winkel nog onigiri hebben ingeslagen voor de lunch, zetten we om 10 voor 11 onze tocht voort. We hebben allebei een wat onwezenlijk gevoel, nu we de laatste tempel hebben bezocht, voor we teruggaan naar nummer 1. Ik kijk af en toe nog achterom naar de hoge rotsen boven de tempel, waar we vorig jaar overheen hebben gelopen; in gedachten neem ik afscheid…

We nemen eerst dezelfde weg als voorgaande jaren, die verder naar het oosten voert, af en toe licht stijgend naar een pasje toe, maar merendeels toch gestaag langzaam dalend. Er is slechts weinig autoverkeer. Daarna slaan we af en nemen de zuidelijke route, terug naar tempel 10. De zon weet steeds meer door de bewolking heen te dringen en langzamerhand stijgt de temperatuur. Tegen half 1 vinden we een rest hut waar we onze onigiri opeten. Kort erna zijn er enkele koeienstallen. Koeien zie je weinig op Shikoku – er wordt sowieso weinig vlees gegeten – maar de weinige koeien die er zijn worden nooit op grasland gehouden, maar in lage, donkere, open stallen, die rondom zijn afgezet met hekwerk. Koeienkoppen steken triest naar buiten. Op de dichtbeboste berghellingen is tussen het donkergroen het zachte geelwit van bloeiende bomen. Een grote zand- en grintfabriek stuift torenhoge wolken stof in het rond. We blijven even staan kijken en ik neem foto’s, terwijl we onderwijl wat bestoft raken.

Mels krijgt het steeds moeilijker naarmate de middag vordert; de pijn in zijn voeten vermeerdert. Mels: ‘Kun je je niet wat inhouden?!’ Antwoord: ‘Ik probeer jou bij te houden.’ Mels: ‘Waarom loop je dan telkens zo’n eind voorop?’ En later: ‘Al die stenen op de stoep!’ Antwoord: ‘Wees blij dat er een stoep is…’ Korte tijd later is er geen stoep meer: ‘Weer zo’n klotenweg!’ Langzaam lopen we het brede dal van de Yoshinogawa in, waar we maanden geleden onze voetreis zijn begonnen. Aan de overzijde zijn de donkere, hoge bergen waar tempel 11 en 12 zich bevinden: de 1e pelgrimshel. Wij blijven aan de noordzijde van het dal. Kort maken we een ommetje naar een postkantoor, dan gaat het verder westwaarts. We halen een vrouwelijke loophenro in, gekleed in smetteloos witte kleding met rieten punthoedje. Ze doet alleen de tocht in de 4e prefectuur van het eiland. Morgen zal ze ook haar tocht afronden – via tempel 11 – bij tempel 1.

Kort voor de bergweg naar tempel 10 buigen we af naar het midden van het dal voor onze overnachtingsplaats. We hebben voorgaande jaren al bij ryokan Yawata geslapen, maar beide keren in het begin van de pelgrimstocht, nu doen we dat tegen het einde ervan. Vlak voor de ryokan lopen we toch nog verkeerd; het kost ons een paar 100 meter extra. Maar om 4 uur zijn we er dan toch, allebei met behoorlijk zere voeten. Na het heerlijke avondeten duikt Mels meteen op de futon. Af en toe hoor ik hem jammeren van de pijn. Nog voor de avond valt, verzamelen zich donkere wolken boven beide bergruggen rond de riviervlakte.

Geplande afstand: 22,5 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 23,8 km (incl. 0,5 km extra naar postkantoor), hoogste punt 450 m (bij tempel 88), totale stijging 533 m, totale daling 840 m, eindpunt 39 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1496,5 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.13–16.00 uur
Looptijd: 4,48 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u
Bezochte tempels: tempel 88
Blaren: 2 restantjes en 1 kleine
Overnachting: ryokan Yawata (1 kamer 10 tatami’s groot met 2 kastenwanden, 1 tafeltje, tv, kluis, 1 hal met wastafel, wc, uitzicht op omringende dal met beek en huizen/tegenoverliggende bergen (waar tempel 11 en 12 zich bevinden), uitstekend avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 75: donderdag 10 mei 2012: Geen tandvlees over

Er zijn vele manieren om de pelgrimsroute af te sluiten: eerst bangai 20, dan naar tempel 88, of andersom (en daar zijn ook weer variaties op), al dan niet gevolgd door het teruglopen naar tempel 1 om de cirkel weer rond te maken. Wij hebben er deze keer voor gekozen eerst naar bangai 20 te lopen, dan naar tempel 88 en vervolgens via het binnenland, langs tempel 10 – en alle andere tempels tussen 10 en 1 – terug te lopen naar tempel 1. De laatste 3 loopdagen gaan in. Vandaag zullen we eerst naar bangai 20 klimmen en dan via een andere weg weer terugkeren naar de gewone pelgrimsroute tot onze overnachtingsplaats zo’n 3 kilometer voor tempel 88.

Bij gebrek aan douche mandieën we ons ’s ochtends na het bad. Tot onze spijt kunnen we in dit hotel pas om 7 uur ontbijten, maar dan staan we ook startklaar. Toch duurt het al met al – inclusief afrekenen – tot 20 voor 8 voordat we kunnen vertrekken, 2 liter water meezeulend, want we verwachten onderweg niets te eten of te drinken tegen te komen vandaag. De weg voert naar het zuiden, verder het dal in, aanvankelijk lichtjes stijgend. Na anderhalve kilometer komen we langs de onsen – ook al een flatgebouw – waar we eigenlijk hadden willen slapen, omdat dat de dagafstand wat verkleinde, maar ze zijn deze week met vakantie. Er is slechts weinig verkeer en naarmate we stijgen, wordt de weg steeds kronkeliger, smaller en stiller. In de diepte bruist een beekje over een rotsige bedding. Hier en daar zijn wegwerkzaamheden, waar de bergwand onder de weg wordt verstevigd. Ook de wand boven de weg is veelvuldig in een betonnen frame gevat. Het lijkt een overkill voor zo’n klein, stil weggetje… Er staan massa’s koningsvarens, grote planten met grote, cognackleurige sporendragers; wat hoger zijn de varens een stuk kleiner, zonder sporen. Op de weg liggen af en toe rolletjes van bladrollers. Rondom ons zingen nachtegalen en talloze andere vogels. Verder weg is er de schreeuw van een fazant. De weg is al gauw behoorlijk beschaduwd en ook het frisse windje dat om elke bocht waait als we wat hoger zijn gekomen, maakt het lopen een stuk makkelijker en aangenamer dan op voorgaande dagen. Af en toe passeren we een huis, dat er verlaten uitziet. In enkele – met blauw of zwart zeil overspannen – kassen liggen tassen stammetjes geënt met shiitake. Later zijn er alleen nog maar verlaten kassen, overwoekerd door slingerplanten. De omringende, dichtbeboste bergen zijn donkere silhouetten; in de diepte zien we de weg die we eerder hebben afgelegd; de verre vlakte is niet te zien door de nevelige grijsheid. In de berm staat salomonszegel, tussen de Japanse duizendknoop die hier wat kleiner is dan normaal. Een specht roffelt op een verre boom; elders roept een uil. Hommels zoemen over de weg: kleine langwerpige honingkleurige en dikke korte met zwarte strepen. Kort voor we de (eerste) pas naderen, steekt er een behoorlijk koude wind op. Vlak na de pas zien we een zenkonyado (gratis overnachtingsplaats) met een bankje ervoor. We trekken een deur open om even uit de wind te zitten.

Daarna stijgt de weg nog zo’n 100 meter; een tijdlang lopen we over een bergrug met aan beide zijden een diep dal tot we opnieuw bij een pas komen, het hoogste punt van onze dagroute. Er staat een shintotempel en even later – als we iets zijn afgedaald – is er bangai 20, een klein, wat shabby tempelcomplex. De 2 kersenbomen bij de ingang staan volop in bloei, met zoetrose dubbele bloemen, bij het smerige waterbekken is een felpaars bloeiende struik waar talloze hommels rondzoemen, zwarte met honingkleurige kontjes. In perkjes staan tulpen en andere bloemen. Aan de rand van het complex staan vlaggen met enkele wimpeltjes eraan: Tibetaans? Het is pas kwart over 11 als we aankomen; we hebben er 3,5 uur over gedaan, even lang als in het hotel werd voorspeld. De stempeldame roept haar priesterzoon erbij, die wat Engels spreekt, voor het maken van een praatje. De tempelstempel is hier een dubbele: veel henro’s sluiten hier hun pelgrimstocht af en daarom toont het stempel zowel het getal 20 als 88. De zoon geeft ons 2 flesjes groene thee en enkele koeken. Erg welkom, want een vending machine is er niet; en een waterkraan evenmin, vertelt hij. Wij geven onze kaartjes en de vrouw laat het spaarvarken zien dat haar zoon op jonge leeftijd heeft geboetseerd.

We eten op een erg ongemakkelijk bankje bij het stempelkantoor een stukje van onze lunch op. Een paar maal komt de rode, langharige tempelkat even langs om geaaid te worden. Het blijft erg koud, we gaan al snel weer verder. Om kwart over 12 dalen we af aan de oostkant van de berg, ook weer over de weg. Er is hier wel een bergpaadje naar beneden, maar dat is afgesloten, te gevaarlijk geworden. De weg is 4 kilometer langer, maar dat hebben we al ingecalculeerd. Net als gisteren lopen we op een kaart van 1:100.000 en routewijzers zijn er niet of nauwelijks langs deze route; vooral tijdens de afdaling moeten we regelmatig even de kaart op de gps gebruiken, om te controleren of we nog in de goede richting gaan, want er zijn regelmatig splitsingen. Het blijft behoorlijk fris; pas enkele honderden meters lager gaat eindelijk het kippenvel op onze armen wat liggen. Het uitzicht is nog steeds erg beneveld; onze ogen prikken: zit er soms weer zand afkomstig van de Mongoolse vlakte in de lucht, net als vorig jaar? In de berm zie ik een parasitaire plant staan; het bladgroen ontbreekt. Een grijsgevachte aap sluipt stilletjes tegen de helling op. Rond enkele bomen hangen de blauwe bloemen van de wisteria. Soms zijn er grote groepen kleine witgele irissen. Op de weg liggen er af en toe platgereden hagedissen en salamanders; enkele keren een feloranje salamander met zwarte vlekken. De bewolking trekt steeds meer dicht en de zon verdwijnt. De temperatuur blijft een stuk lager dan voorgaande dagen en dat is erg fijn. Toch dreig ik regelmatig in slaap te vallen tijdens het lopen. ‘Ik snap niet hoe een mens in slaap kan vallen tijdens het lopen!’, zegt Mels. Nou ja, ik dreig ook regelmatig tijdens het besturen van een auto in slaap te vallen, waarom dan niet tijdens het lopen?

Langzamerhand komt de vlakte uit de nevels tevoorschijn. Op een betonnen richel bij een fabriekshal eten we het restant van onze lunch op en sukkel ik heel kort in slaap. Daarna krijg ik prompt weer last van buikkrampen. Eenmaal in een volgend dal, volgen we een weg door wat gehuchten, langs een smalle, in het beton gegoten bergwand. Bij een stuwmeer met een grote dam komen we op een grotere weg die ons weer verder naar het noorden zal voeren. Tot onze blijde verrassing zien we er een koffiehuis met flikkerend knipperlicht. We hebben sinds het ontbijt eigenlijk niet goed meer gezeten en onze lunch was wat schraal; we hebben behoorlijk honger en daarom is dit heel welkom. Ik knik vriendelijk naar de vrouwen die bij de ingang op een bankje zitten, maar ze schieten snel naar binnen. Als we naar binnen willen stappen, staan ze met zijn 3-en bij de deur, de armen over elkaar. Wat we willen… Koffie? Nee, dat is er niet. En iets kopen uit de winkel onder het restaurant op de 1e verdieping is er ook niet bij. We worden er op erg onvriendelijke wijze uitgebonjoerd. We begrijpen het niet goed: de parkeerplaats staat vol met auto’s en het knipperlicht geeft aan dat ze open zijn. Angst voor buitenlanders? We druipen af. Vlakbij is een open rest hut met stenen krukjes; iemand heeft er ook een kapotte fauteuil achtergelaten. Maar er staat hier een erg harde, koude wind en we blijven er slechts kort. Het is al 5 over 4 en we hebben nog minstens 8–9 kilometer te gaan.

Vanaf de dam lopen we verder naar het noorden, weer langs een erg drukke 2-baans weg waar geen plaats is voor voetgangers. Opnieuw gaat het soms bijna fout. Een tegemoetkomende zandauto staat bovenop de rem als er tegelijkertijd een vrachtwagen uit de tegenovergestelde richting komt. We drukken ons tegen de vangrail aan, maar hij weet vlak voor ons tot stilstand te komen. De harde wind blijft; we moeten ons er tegenin worstelen. Ook een volgende 2-baans weg, die naar het noordoosten voert, is erg smal. Zo’n 3 kilometer voor onze overnachtingsplaats rinkelt Mels’ i-phone: de ryokan vraagt waar we blijven. Kort daarna nemen we een stil zijweggetje naar het oosten, dat eerst leidt langs uitgestrekte grondwerkzaamheden waar nieuwe sawa’s worden aangelegd, en daarna langzaam stijgend door een kleine, idyllische vallei voert, omzoomd door bossen. Later is er af en toe weer een huis, in het laagste deel enkele sawa’s, langs de weg zijn er soms donkere poeltjes, half verscholen onder het gebladerte. De ryokaneigenaar is de tuin aan het sproeien en zwaait bemoedigend naar ons. Het is een uitgebreid complex waar we overnachten en we moeten eerst nog omlopen naar de ingang. Daar worden we uiterst hartelijk ontvangen door de gastvrouw. We kunnen meteen aanschuiven voor het avondeten. In de eetzaal zijn ook enkele taxihenro’s; ze hebben ons onderweg zien lopen, zeggen ze, en ze applaudiseren voor ons. ‘We hebben het toch gedaan!!!’, zeggen we telkens tegen elkaar. We kunnen het nauwelijks geloven; de laatste kilometers gingen echt op ons tandvlees…

Na het eten duiken we meteen op de futon; te moe om nog te kunnen zitten. Mels gaat er alleen af en toe even uit voor de wasmachine en droger. We wisten niet dat onze voeten zo’n pijn konden doen. Sinds onze 1e pelgrimstocht hebben we niet meer zo’n pijn gehad in heupen, knieën, kuiten, enkels en vooral voeten. Om de beurt jammeren we zachtjes.

Geplande afstand: 32,7 km, 750 m stijging
Werkelijke afstand: 36,8 km, hoogste punt 920 m (vlak voor bangai 20), totale stijging 1206 m, totale daling 1101 m, eindpunt 336 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1472,7 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.40– ca. 18.30 uur
Looptijd: 7,40 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: bangai 20
Blaren: 2 restantjes en 1 kleine
Overnachting: ryokan Takeyashiki (1 kamer 10 tatami’s groot met tokonoma, kastenwand, 1 tafeltje, tv, kluis, 1 hal, 1 binnenveranda met 2 stoeltjes, 1 tafeltje, wastafel, wc, uitzicht op tuin/beek/omringende heuvels, goed/uitstekend avondeten, goed ontbijt)

Dag 74: woensdag 9 mei 2012: Het broeikaseffect

‘s Nachts zijn enkele uilen tegen elkaar aan het opbieden. Het is benauwend warm en we slapen slecht. Om 10 voor 6 kijk ik uit het raam naar de grote kamferboom bij het poortgebouw van de tempel. Op het stille tempelterrein loopt een zwaarbepakte loophenro. Even later komt er een kleine pickup aanrijden met een man in mintgroene werkmanskleren; ’s ochtends voor het werk nog even bidden in de tempel. Al sinds 5 uur, half 6 is er in de verte onweer te horen. Net na het ontbijt barst het boven ons los. De regen komt met bakken naar beneden. De hartelijke gastvrouw biedt koffie aan. We blijven plakken tot tegen 10 uur; we hebben toch een ‘makkelijk’ dagprogramma: 1 tempel te bezoeken en daarna 21–22 kilometer lopen naar onze overnachtingsplaats.

Het regent nog steeds als we het tempelterrein naast de minshuku oplopen om de rituelen uit te voeren, maar bij ons vertrek is het al droog. Bij een supermarkt slaan we wat eten in. Daarna keren we terug naar de route. Aanvankelijk volgen we dezelfde route als voorgaande jaren, naar het zuiden, richting tempel 88. Het is broeierig warm; ik voel het zweet in stromen van mijn rug lopen en ook over mijn wangen en polsen. Onze ogen prikken van het zweet dat er telkens in loopt. Het voelt alsof je voortdurend een broeikas in loopt, bij elke stap opnieuw. Slopend.
Op een parallelweggetje komen we langs een mooi heiligdommetje: een schaduwrijk plekje omringd door rotsen waarop overhangende bomen zich vasthouden met hun lange wortels. In de rotsen zijn vaag een man en een vrouw uitgehouwen. Op een hoge sokkel zit een beeld met een grote hoed. Talloze andere beelden staan her en der verspreid. Een bijzondere plek.

Langzaam stijgt de weg tot we al na anderhalf uur – we hebben dan inmiddels 7 kilometer afgelegd – bij het stuwmeer aankomen waar de Salon zich bevindt, het ontmoetingscentrum voor pelgrims. We worden er hartelijk ontvangen door een groep vrijwilligers. Er zijn zoals altijd groente thee en koekjes. We krijgen ook weer elk een certificaat dat we de tocht hebben afgelegd (nou ja, bijna…) Voorgaande jaren werden deze door een bejaarde man uitgeschreven, maar vandaag is hij naar het ziekenhuis voor zijn wekelijkse afspraak, zo wordt ons verteld. Een vrouw neemt nu de honneurs waar. Ze laat ook het gastenboek zien, waar we onze naam ook elk jaar opnieuw aan toevoegen. Ze vertelt dat ze bang waren dat de buitenlanders weg zouden blijven na de grote aardbeving, maar er komen er daarentegen steeds meer. Er komt een man bij ons zitten die goed Engels spreekt. ‘I am no. 1 walker in Japan’, zegt hij. Hij heeft (in delen) langs de kustlijn van Japan gelopen. En hij doet nu hetzelfde in Europa: vanuit Griekenland, via Macedonië, Kroatië en Italië is hij in Frankrijk aanbeland. Hij woont 7 kilometer van de Salon verwijderd. Elke dag loopt hij ernaartoe en weer terug om te trainen. Een van de vrijwilligers komt ook praten: hij is leraar Engels geweest en heeft dat ingeruild voor het boerenleven. Hij heeft veel gelezen over het christendom en vraagt of wij speciale gebeden (speciale zinnetjes) hebben, bijvoorbeeld voor de zieken. Ik vertel hem over het gedenken van zieken in onze gebeden, over de Dankdag voor het Gewas, over Allerzielen. En over het Onze Vader. Hij vertelt over de osettai (de cadeautjes voor pelgrims) in vroeger tijden. Vaak waren dat rieten sandalen (die gingen maar 1 dag mee) of een kommetje rijst. We blijven er een uur plakken, laten nog onze osame fuda’s achter bij de wand met kaarten van de herkomstgebieden van de loophenro’s (1 kaart van elke Japanse prefectuur en 1 van de rest van de wereld), ik dool nog even door het sfeerrijke museum terwijl Mels op de laptop onze blog laat zien, en dan gaan we naar het wegstation ertegenover voor een lunchset met hamburger.

Om 1 uur vertrekken we voor het 2e deel van ons dagprogramma. We volgen eerst dezelfde stille weg als 2 jaar geleden, de bergen in, tot zo’n 350–400 meter hoogte. Hier en daar zitten groepjes bergkikkers te brullen in hun holletjes. Grote libelles zijn er ook volop, vooral felgele en ook mooie honingkleurige. Rupsen zijn er daarentegen veel minder dan gisteren. Van het uitzicht is niet veel te zien. De zon is er weliswaar steeds meer bij gekomen, maar het blijft heel erg nevelig. We rusten regelmatig even in de spaarzame schaduw van een boom, pas later is de weg meer beschaduwd. Enkele keren moeten we aardverschuivingen passeren. De 1e keer is de helling onder de weg verschoven; in de weg zitten grote barsten. Niet zoveel verder is de helling boven de weg verschoven. Een smalle strook asfalt is al weer vrijgemaakt. Nog weer wat verder is een groot stuk van de smalle weg zelfs afgebroken. Als wij voorzichtig passeren, komen er net 4 auto’s aangereden met werkmannen en toezichthouders die de situatie komen bekijken en opmeten. Even verderop is er weer een stuk van de weg af. Het moet allemaal nog niet zolang geleden gebeurd zijn; we herinneren ons dat er in ieder geval 2 jaar geleden nog niets aan de hand was.

Na het pasje – waar we even na 2 uur zijn – daalt de weg weer heel langzaam. We komen langs een meertje met scholen vissen en schildpadden, en – tot onze grote verbazing – ook met enorme kikkers die met een blafje en met een sierlijke boog het water inschieten als we blijven staan om te kijken. Als we wat verder zijn afgedaald, nemen we een grotere weg naar het zuiden en later naar het westen. Daarmee wijken we van de route af die we 2 jaar geleden namen naar tempel 88, want deze keer willen we eerst bangai 20 nog bezoeken. De laatste tempels zitten eraan te komen… Bij een piepklein supermarktje hopen we ijs te vinden, maar dat is er niet. Wel krijgen we 2 pakjes fris toegestopt, die we meteen opdrinken, zittend op enkele kratjes voor de winkel. (Mels denkt dat het appelsap is, ik denk dat het smaakt naar Fristie.)

Naar het westen toe is het een vervelend traject: langs de vrij drukke 2-baans weg is geen plaats voor voetgangers en er is veel vrachtverkeer, vooral betonwagens en zandauto’s die op en neer rijden naar de verschillende betonfabrieken die we onderweg tegenkomen. Af en toe drukken we ons tegen de vangrail – als die er is tenminste, want anders is er de metersdiepe afgrond naast de kademuur waarop de weg rust. Een paar keer gaat het bijna fout. We houden ons hart vast. Maar we redden het, telkens weer. Even na 5 uur komen we op de splitsing waar onze overnachtingsplaats moet zijn. We hebben er dan 4 uur over gedaan vanaf de Salon, terwijl daar 3 uur werd voorspeld. Mels kijkt verbijsterd rond. In plaats van de verwachte minshuku staat er een groot flatgebouw van 11 verdiepingen hoog. Totaal out of context in de landelijke omgeving met hier en daar wat alleenstaande huizen. Maar als hij de artistieke impressie van de kanji heeft ontcijferd, komt hij tot de conclusie dat dit toch de gereserveerde overnachtingsplaats moet zijn. Het is – zoals we wel vaker in Japan zien – een soort Oostblokhotel met heel veel vergane glorie. Het eten is prima, hoogstens het plastic tafelkleedje wat schimmelig. We gaan vroeg op bed, want vandaag was de opmaat voor het programma van morgen: de allerzwaarste dag van onze hele pelgrimstocht, een klim van 230 naar bijna 1000 meter hoogte waar bangai 20 zich bevindt, de hoogst gelegen tempel op Shikoku. Maar vooral… in totaal 33 kilometer te lopen…

Geplande afstand: 20,0 km, 350 m stijging
Werkelijke afstand: 23,6 km (incl. 1 km extra i.v.m. supermarkt/postkantoor), hoogste punt 418 m (pasje), totale stijging 762 m, totale daling 574 m, eindpunt 231 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1435,9 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.42– ca. 17.05 uur
Looptijd: 4,40 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: tempel 87
Blaren: 1 restant en 1 hele (nog groter gegroeid)
Overnachting: Kabagawa Sō (1 kamer 8 tatami’s groot met 1 tafeltje, tv, kluis, kastenwand, 1 halletje met kast én met een brievenbus in de deur (‘Ik heb nog nooit een hotelkamer gehad met een brievenbus’, zegt Mels), 1 hal met 2 fauteuils, 2 tafeltjes, kluis en kastenwand, 1 hal met wasmeubel, 1 wc, 1 badkamer met bad (geen douche) goed avondeten, goed ontbijt)

Dag 73: dinsdag 8 mei 2012: Knabbelen aan de poorten van de hemel

Om kwart over 8 werken we ons door de drukke ochtendspits van Takamatsu verder naar het oosten. Lange tijd lopen we op de stoep naast route 11, een drukke, 4-baans verkeersader. De vele stoplichten geven veel oponthoud, evenals het fietsverkeer dat de stoep deelt met de voetgangers. Grote horden schoolkinderen fietsen ons tegemoet. Op een wat rustiger stoep liggen 2 dode lapjeskatten; netjes naast een boom gelegd. Bij een brug over een brede rivier staat een grote groep witbloeiende acacia’s, een zware, zoete geur verspreidend; in het water duiken aalscholvers naar vis; 2 bruggen over brede rivieren – en enkele kilometers – later zijn er schildpadjes en een witte zwaan en zwemmen er grote scholen vissen waarvan er sommige boven het wateroppervlak uit springen. Direct erna nemen we een smal weggetje naar het noorden en al snel laten we de grotestadsdrukte achter ons.

We hebben voor vandaag 25–26 kilometer gepland, met bezoek aan 3 tempels, maar de 1e 2 liggen wel elk op een ander bergje en de 3e moeten we per se halen vandaag. Het 1e bergje beklimmen we via een betonnen weggetje, afgewisseld met natuurstenen plaveisel en treedjes. De zon weet de meeste tijd door de sterke nevel heen te prikken; het is warm en broeierig en het zweet gutst ervan af. In 3 kwartier zijn we boven bij tempel 84, waar Kannon centraal staat, de boddhisatva van mededogen. Naast de mooie, oude hoofdtempel staat een modern (maar ook erg fraai) museumgebouw. Eigenlijk had ik graag deze keer de Snow Garden (steentuin) achter het museum willen bezoeken, maar de tijd ontbreekt ons vandaag; misschien een volgende keer… Van de aardige stempelmonnik krijgen we 2 koekjes die we meteen opeten. Om 11 uur dalen we de berg weer af aan de oostkant via een nogal hachelijk paadje, een van de allermoeilijkste tijdens onze tocht. Gelukkig heeft het de afgelopen dagen niet geregend, anders was het gewoonweg niet te doen. Langzaam, heel langzaam dalen we af naar een smal, langgerekt dal dat uitkomt bij een diepe inham van de Japanse Binnenzee; in de diepte is een vissershaven. Aan de overzijde van het dal is een bergrug waar grote happen uit zijn: 2 toppen zijn half afgegraven. Het enorme lawaai van de caterpillars is aan deze zijde van het dal zelfs te horen. ‘We zijn in 37 minuten afgedaald’, zegt Mels, de man van de cijfers, als we in het dal zijn aangekomen, weer terug op zeeniveau. ‘Dat is 8 minuten sneller dan de vorige keer. We wennen aan die moeilijke paadjes.’

Door het dal lopen we via allerlei straatjes en weggetjes naar de berg aan de overzijde. Onderweg kopen we bij een supermarkt wat brood en cake voor de lunch. En ik vind er een nieuwe zonnebril van € 10, het kan er nu vanaf. Op het bankje bij de bushalte ervoor eten we de lunch meteen op. Het bankje kijkt uit op de berg waar we naartoe moeten. Er steken 5 toppen op een rij uit boven de plaats waar de volgende tempel ongeveer moet zijn. Vorig jaar vertelde een man ons dat God woont op die 5 toppen. Nu realiseer ik me dat die toppen tot dezelfde bergrug behoren als waar er zo driftig wordt afgegraven. Er wordt geknaagd aan de poorten van de hemel…
Langs sawa’s, met piepjonge rijstplantjes of waar driftig machinaal wordt geplant, lopen we verder door het dal. Aan de voet van de berg zijn we vorig jaar uiterst hartelijk onthaald door een echtpaar. De schuifdeuren van het huis zijn nu dicht. Mels loopt snel verder, maar ik blijf verlangend naar de deuren kijken die prompt openschieten. Het weerzien is hartelijk. We worden binnen uitgenodigd; schoenen uit. Behalve de gastvrouw zijn er nog 2 andere vrouwen. Ze schieten allemaal de keuken in om ons opnieuw te verwennen: een maki met groente, koffiegelatine met room, thee, rijstkoekjes, schijfjes buntan… En of we zin hebben in echte groene thee? We worden naar de speciale theekamer geleid en krijgen er bancha in mooie chawans, en lekkere koekjes erbij. De gastvrouw laat ons het Delftsblauwe doosje zien dat we vorig jaar gaven. En ook haar plakboek, met onze naamkaartjes én een krantenknipsel van het artikel dat over ons is verschenen in de Asahi Shimbun. Ook dat hebben ze bewaard. Ze vertelt dat er steeds meer buitenlanders langskomen, gisteren nog een Canadees, een Fransman en een Zwitser. Uiteindelijk moeten we ons losscheuren, hoe gezellig het ook is. We moeten weer verder. Deze keer geven we een koelkastmagneet. Delftsblauw uiteraard.

In minder dan een half uur lopen we de smalle bergweg op naar tempel 85. Boven de weg hangen overal spannertjes, maar ook andere rupsen aan lange draden. De metalen reling langs de weg zit vol met rupsen, ik tel minstens 7 verschillende soorten: kleine zwarte, grote felgroene met een punt en vooral bontgekleurde – zwart, wit, felgeel, rood en roodbruin – met lange haren. Ook op de weg krioelt het ervan; vele zijn al doodgereden. Gisteravond hadden we allebei wat last van uitslag – ik op mijn onderarmen, Mels op zijn gezicht, heup en benen – mogelijk hebben deze rupsen daar mee te maken. We proberen ze zoveel mogelijk te ontwijken.
Ook tempel 85 is een van die plaatsen die we allebei als speciaal ervaren, een magische plek. Naast de hoofdtempel zijn er vaag beelden in de bergwand uitgehouwen. Naar de andere tempels is het een eindje lopen, langs klokkentoren, schrijntjes, poeltje en beelden. Voor een van de andere tempels staat een boom met paarswitte, kelkvormige bloemen. Het totale tempelcomplex strekt zich uit over vele niveau’s, maar jammer genoeg ontbreekt het ons nu aan tijd om de berg nog verder op te gaan. We voeren alleen de rituelen uit en vertrekken dan weer. Van de stempelmonnik krijgen we 2 blikjes koffie. Aan de zuidoostkant dalen we de berg weer af via een lange, af en toe sterk dalende weg (21%). Ook hier zijn weer duizenden rupsen, vooral de bontgekleurde. In een van de vele stuwmeertjes zwemmen schildpadden; uit een rozenstruikje onderaan de betonnen oever klinkt een roerdompachtig geluid – een duidelijke misthoorn – maar we kunnen de vogel niet ontdekken.

Anderhalf uur later zijn we bij tempel 86; het is 4 uur, ruim op tijd. Voorgaande jaren vonden we het een wat rommelig geheel, waar her en der wat terreinwerkzaamheden leken te gebeuren. Er is nog niets veranderd, behalve dat een van de bijgebouwen is afgebrand en dat daadwerkelijk wordt herbouwd. De stokoude ginkgo op het terrein ziet er nóg wat minder gezond uit. In het vijvertje erachter kiften enkele reigers. Nu zie ik pas dat er reigernesten zitten in de grote oude kamferbomen achter op het terrein. Door de enorme hoeveelheden stront zijn de bovenste takken al afgestorven. Grote groepen duiven zitten op de hoofdtempel en op het pad. Enkele vleermuizen scheren over. Na de rituelen nemen we de tijd om even te rusten. Daarna hebben we nog 7,3 kilometer te lopen naar onze overnachtingsplaats naast tempel 87. ‘Jullie zijn er niet voor 7 uur’, zegt een andere loophenro tegen ons. Maar dan kent hij nog niet die snelle Hollanders van het platte vlak. Even na 6 uur zijn we er al. Maar de laatste loodjes vallen niet mee. Onze voeten doen nóg meer zeer dan gisteren en we zijn nóg moeier. Engelsen hebben daar een mooi woord voor: weary. De hartelijke ontvangst en het heerlijke avondeten doen wonderen, maar we merken wel dat we de laatste tijd moe, erg moe zijn. En de laatste dagen zijn we ook wat treurig: het einde van de tocht nadert. Elk jaar opnieuw is het alsof de de 1e helft van de tocht heel helder en bewust voorbijtrekt. Van dat deel herinner ik me veel meer details dan van de 2e helft van de tocht – zo ongeveer vanaf het moment dat we langs de westkust naar het noorden trekken – waarbij de dagen als in een waas voorbij lijken te trekken. Alles verwordt tot een blur. Als in een trance. Is dat verlichting? Dat je op een gegeven moment te moe bent om je nog druk te kunnen maken om iets? Maar het is geen vervelende moeheid, geen moeheid die het leven mat maakt. Het is meer dat er gewoonweg geen ruimte meer is voor iets anders dan lopen en alles wat er direct omheen hoort. We constateren allebei dat het ook enorm verslavend is, dat lopen. Niet alleen vanwege de endorfinen die vrijkomen. Het is ook de manier van leven, het ongecompliceerde… het onderweg zijn…

’s Avonds laat is er via de mail bericht uit Mashiko: de zware tyfoon die over die regio is getrokken, heeft ook Mashiko getroffen. Er is opnieuw – soms ernstige – schade aan huizen en ateliers. Het lijkt wel of het weer in de war is: het tyfoonseizoen in Japan is normaal in het najaar.

Geplande afstand: 25,3 km, 100 m stijging
Werkelijke afstand: 29,4 km, hoogste punten 287 m (tempel 84) en 225 m (tempel 85), totale stijging 985 m, totale daling 944 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1412,3 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.15– ca. 18.10 uur
Looptijd: 6,20 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: tempel 84, 85 en 86
Blaren: 1 restant en 1 hele (nog groter gegroeid)
Overnachting: minshuku Nagaoji (1 kamer iets meer dan 6 tatami’s groot met 1 tafeltje, tv, kast, halletje, uitzicht over tempelterrein, wifi op kamer, goed avondeten, goed ontbijt)

Dag 72: maandag 7 mei 2012: Waar is die tempel???

Na een goede nachtrust voel ik me een stuk beter dan de afgelopen dagen. Bij toeval ontdek ik dat mijn rugzak kapot is: een van de banden waarmee de zak aan de heupband zit, is volledig doorgesneden door de metalen strip die onderaan het frame zit. Een constructiefout. De rugzak zit al jaren scheef, maar we weten dat aan het feit dat mijn ene heup 3 centimeter hoger zit dan de andere. Mogelijk heeft het toch (ook) met de rugzak zelf te maken…

We blijven lang hangen aan de ontbijttafel, nog even genieten van het mooie uitzicht. Het is bewolkt en erg nevelig. In de verte hangt een gele smogsluier. De Japanse Binnenzee oogt spiegelglad. In de laagvlakte rijden piepkleine autootjes in file over de wegen. Af en toe spuit er een grote wolk stoom uit een schoorsteen aan de kust. Het mooie van het zitten op een berg is dat je perspectief verandert: al het drukke gedoe in het dal lijkt zo verschrikkelijk nietig. Niets is meer belangrijk. Het leven geeft me alles wat ik nodig heb.

Bij het afrekenen blijkt het hotel een stuk goedkoper dan verwacht, we houden zelfs – na contante betaling – nog zo’n ¥ 10.000 (€ 100) over in de pot. In de lobby spreken verschillende mensen ons aan over de pelgrimstocht. We blijven uitgebreid staan kletsen en het is al 9 uur als we eindelijk vertrekken. Het dagprogramma is middelzwaar: 25–26 kilometer te lopen en 4 tempels te bezoeken, maar Mie belde vanochtend dat ze om 5 uur op het station in Takamatsu op ons zal wachten. Het lijkt ons onwaarschijnlijk dat we dat gaan halen, maar dat heeft Mels haar al wel verteld. Als we er niet zijn, zal ze naar het hotel bellen.

Via de weg dalen we iets verder af naar tempel 81 waar we al een kwartier later aankomen. Uit luidsprekers klinkt zacht traditioneel gezang. Via enkele trappen klimmen we omhoog naar de tempelgebouwen; onderweg zijn er verschillende kleine tempeltjes, waar kleine diersculpturen voor staan. Vorig jaar zijn we met een aap en een schaap op de foto gegaan; onze oosterse dierenriemtekens. Er zijn ook fraaie bomen – zoals een grote kamferboom en een kronkelige den – en donkerrood bloeiende rhododendrons. Bij de hoofdtempel staat een echtpaar de hartsoetra te reciteren, de man met luide(r) stem. Daarna begint iemand anders ook al erg luid te reciteren. Als wij wierook en kaarsje hebben aangestoken, willen wij ook beginnen met de hartsoetra en op dat moment begint iemand op volle kracht te reciteren. We kunnen onszelf niet eens verstaan. Als we klaar zijn, schieten we allebei (stilletjes) in de lach. Zou het besmettelijk zijn, dat harde reciteren? Bij een klein zijtempeltje bovenaan sta ik plotseling in het volle zonlicht. Ik ervaar opnieuw een grote helderheid. Een magische plek. Op weg naar de uitgang zien we weer 3 vrouwen waarmee we in de lobby van het hotel spraken. We gaan met zijn allen op de foto. En ik koop 2 minigelukskatjes, voor thuis.

Tempel 82 bevindt zich zo’n 5 kilometer verderop op hetzelfde plateau als tempel 81. We nemen een klein pad dat eerst verder de berg oploopt en dan lange tijd langs de hellingen kronkelt. Hier en daar zijn er weer felrose bloeiende azaleaboompjes langs het fraaie pad; enkele keren ook een groepje koningsvarens. Af en toe zijn er wroetsporen. Aan het eind stijgt het pad weer tot we op de weg uitkomen. Bij een klein restaurantje met de lyrische naam Gras naast de weg nemen we voor het 3e opeenvolgende jaar een ijsje. Van de uiterst hartelijke gastvrouw mogen we hem binnen opeten en we krijgen er ook een glas water bij. Het laatste stuk naar tempel 82 gaat opnieuw via een klein pad, nu licht dalend. We komen er een loophenro tegen die de tocht in omgekeerde richting doet… op krukken. We kijken hem verbijsterd aan. ‘Dat moet moeilijk zijn’, zeg ik in het Japans tegen hem. ‘Ja’, dat is het zeker’, antwoordt hij. Hij ziet er erg ongelukkig uit. ‘Sterkte’, zegt Mels. We kunnen onze ogen bijna niet geloven. Voor een gezond mens is de tocht al zwaar; met krukken begint het op ernstige zelfkastijding te lijken. Maar wie zijn wij om daarover te oordelen? ‘We kennen zijn verhaal niet’, zegt Mels, terecht. Even later komen we bij de trappen naar tempel 82 aan, de tempel waar het karkas van een 1600 jaar oud geworden boom staat: een monument voor een boom. Op de trap zijn bloedsporen te zien. We denken meteen aan de man met krukken, maar dit moet verser zijn… We zien echter nergens een gewonde.

Na tempel 82 nemen we een pad dat aan de noordoostkant van de berg afdaalt, op weg naar bangai 19. In een klein bamboebosje horen we op 2 plaatsen geluiden als van ‘bamboespechten’, maar we kunnen de bron ervan niet ontdekken. Op het pad liggen lege doppen van kleine walnoten. Regelmatig hangen kleine spannertjes aan lange draden boven het pad. Af en toe zie ik door mijn oogharen weer eentje langs de rand van mijn hoed kruipen. Het laatste deel van de afdaling gaat over smalle weggetjes door gaarden vol zakjesstruiken. In een klein akkertje langs de weg staat een rijtje uienplanten – bossen met holle stengels die het midden houden tussen reuzenbieslook en ui – en op de bolronde bloeiwijzen zitten talloze vlinders: zwarte met lange slippen en roodrose stippen, zwartwit geblokte met een oranje toefje en azuurblauwe omgeven door zwarte biezen. Plotseling ontvouwt zich een fraai, verstild panorama over de Japanse Binnenzee. In de spiegelgladde, blauwgrijs getinte zee drijven donkere, puntige silhouetten van beboste eilanden. De nabije kustvlakte bevat een mix aan huizen en akkerland; verder naar het oosten, half achter een heuvelrug, is Takamatsu te zien, de grootste stad aan de noordkust van Shikoku, met hoge torenflats en havenindustrie.

Eenmaal in de laagvlakte vinden we geen tekens meer van het pelgrimspad, maar we denken dat er weinig fout kan gaan als we steeds naar het noorden of noordoosten aanhouden, ongeveer richting zee. Maar de weg buigt helaas steeds meer naar het noordwesten en uiteindelijk moeten we concluderen dat we helemaal niet goed zitten. Het kost ons minstens een kilometer extra. Als we weer naar het oosten lopen, zien we al snel een udontentje. Het is al half 2 en we snakken naar een lunch, dus leggen we even aan. Binnen hangt een mooie verzameling antieke kinderkimono’s. Helaas niet te koop. Op de tv zien we beelden van een zware tyfoon die in een regio ten noorden van Tokyo is langsgetrokken. Kort na de lunch hebben we weer allebei last van buikkrampen, maar gelukkig niet lang deze keer. Pas kilometers later arriveren we eindelijk bij bangai 19. Het is dan al half 3. In het stempelkantoor staan fraaie oude beelden. Op het stille tempelcomplex staan ook rijen en rijen beeldjes van kindertjes; allemaal met roodgehaakte mutsjes en rode slabbetjes met witte biesjes. Bij de hoofdtempel hangt een grote rozenkrans aan het plafond, ik laat de grote kralen door mijn handen gaan. ‘Het gaat fout. We gaan het niet meer halen’, zegt Mels na het uitvoeren van de rituelen. Het is vanaf bangai 19 meer dan 9 kilometer naar de in het binnenland gelegen tempel 83. Als we die niet halen voor 5 uur (liefst half 5 voor de zekerheid), dan is dat een ramp: de tempel ligt veel te ver van het hotel om er morgenvroeg nog even ‘bij’ te kunnen doen. Mels stelt voor een taxi te nemen. Maar het is pas 3 uur en dan wil ik het er nog niet bij laten hangen. Terwijl we stevig doorlopen, zegt Mels: ‘Ik heb zitten berekenen dat we er theoretisch om 5 voor 5 kunnen zijn.’ ‘Kun je geen betere berekening maken?’ ‘Nou, 4 voor 5 eigenlijk…’ Eerst schieten we nog even een postkantoor binnen: eindelijk weer ruim geld! Dan stappen we stevig door. Aanvankelijk via allerlei kleinere wegen, later lange tijd over een fietspad langs een brede rivier. En dan gaat het weer fout. We lopen een brug te ver. Kost ons weer een halve kilometer extra. Mels vraagt verschillende keren aan enkele schoolkinderen of ze de tempel kennen, maar tempels ‘leven’ blijkbaar niet zo bij kinderen… Gelukkig is er eindelijk een vrouw die ons de goede richting uitwijst. Om 13 voor 5 komen we aanstormen bij het stempelkantoor. We zijn niet de laatsten. Auto- en loophenro’s komen nog voortdurend hijgend aanrennen; opgelucht grijnzend als ze zien dat het stempelkantoor nog open is.

Na het uitvoeren van de rituelen blijven we langdurig op een bankje midden op het tempelcomplex zitten, onder een kersenboom vol wensbriefjes en kleine wensparasolletjes. We nemen een cola uit de vending machine. De stempelmonnik is ondertussen bezig met afsluiten. ‘Het werk zit erop?’, vraagt Mels in het Japans aan hem. Hij grijnst breed. Even later komt hij met 2 blikjes ijskoffie aan. ‘Dit zijn de snelste 10 kilometer die we ooit hebben gelopen’, grijnst Mels. We hebben alleen wel behoorlijk pijn in onze voeten…

Ja, en dan… Dan moeten we nog 7 kilometer lopen naar het hotel… Lange tijd lopen we langs een drukke 2-baans weg – opnieuw naar het noorden, maar nu iets oostelijker – meestal met stoep of overdekte goot; het tempo wat lager dan de voorgaande 10 kilometer. Ik zie een rat wegschieten, een zijgoot in. De zon verdwijnt bloedrood achter een heuvelrug. Langzamerhand lopen we Takamatsu binnen. Het is al donker als we bij het hotel aankomen. Er is geen eten bij inbegrepen, maar we kunnen terecht in het kleine restaurant bij het hotel en eten daar onverwacht goed. Mie belt niet meer…

Geplande afstand: 25,3 km, 100 m stijging
Werkelijke afstand: 30,5 km, hoogste punt (vlak voor tempel 82) 438 m, totale stijging 766 m, totale daling 1074 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1382,9 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.59–19.00 uur
Looptijd: 6,27 uur
Gemiddelde snelheid: 4,7 km/u
Bezochte tempels: tempel 81 en 82, bangai 19, tempel 83
Blaren: 1 restant en 1 hele (groter gegroeid)
Overnachting: hotel No. 1 (westerse kamer, 2x1p-bed, bureau met krukje, fauteuil, koelkast, tv, badkamer met bad/douche/wc, internet met kabeltje op kamer, (goed/uitstekend avondeten,) redelijk ontbijt)

Dag 71: zondag 6 mei 2012: Don’t kill the ladybird

Marugame is naar het oosten toe aaneengegroeid met Sakaide. Al om 8 uur lopen we op de stille zondagochtend door verlaten winkelpassages en langs grotere en kleinere wegen door de lange stadsstrook naar het oosten. Zo vroeg in de ochtend is het al warm, ondanks de dreigende bewolking; zelfs de lichte wind voelt warm aan. Tempel 79 is slechts zo’n 6 kilometer verwijderd van ons vertrekpunt. Onderweg begint het lichtjes te regenen. Vlak voor de tempel worden we ingehaald door een Canadees. Al lopend wisselen we enkele woorden uit. Het is een snelle loper. Als we bij de tempel aankomen – een uitgebreid complex dat zowel een shintotempel als een boeddhistische tempel omvat en ook een enorme kamferboom herbergt – is hij al weer verdwenen.

We rusten even op een bankje bij het stempelkantoor om wat van de koekjes te eten die we gisteren hebben gekregen. Prompt gaat het luikje achter ons open en krijgen we nog wat koekjes van de stempelmonnik. De regen is weer opgehouden en de zon komt tevoorschijn. Het is lekker even te zitten; we hebben allebei last van vermoeide lijven. Het is en blijft toch een lange, erg lange tocht… En dan zien we al weer een langneus: Janice Farley uit New York, 62 jaar, deed op haar 50e al eens de Camino en heeft nu al haar eigendommen verkocht om deze reis te maken. En… ze is keramiste… We blijven lang zitten praten. Vooral over de tocht. Ze vertelt dat sinds in de VS een film uitkwam over de Camino – The Way – veel Amerikanen geïnspireerd zijn geraakt deze tocht te ondernemen. Vooral omdat het zo ‘anders’ is. Zijzelf is vrij onvoorbereid aan de henro michi begonnen: pas tijdens haar reis heeft ze van een vrouwelijke Argentijnse henro geleerd over de typische Japanse gewoonten, Japans spreekt ze niet en het maken van reserveringen – via derden als ryokaneigenaren of medehenro’s – lukt haar vaak niet. Ze heeft daarom eerst wekenlang met de Argentijnse opgetrokken, later met een 88-jarige Japanse henro tot hij ziek werd. Ze huilt veel, vertelt ze. We wisselen gegevens uit: zij heeft – net als wij – het plan na de pelgrimstocht keramiekplaatsen op Kyushu te bezoeken.

Een smal weggetje langs een brede rivier leidt ons verder naar het zuidoosten, langs huizen, met bloemrijke tuintjes en potten, en vooral langs heel veel Love Hotels, de tarieven per uur aangegeven op grote borden. Love Hotels zijn een typisch Japans verschijnsel: paartjes (ook echtparen) gaan er naartoe om wat privacy te hebben die ze in hun eigen huis niet kunnen vinden met die papieren schuifwanden. Langs een grote 4-baans weg moet volgens het routeboekje een supermarkt zijn en we hopen er een goedkope lunch te bemachtigen, maar de supermarkt blijkt verdwenen. We bijven de weg volgen op het trottoir ernaast en moeten voortdurend slalommen om de grote hoeveelheid lieveheersbeestjes, en ook mieren en andere insecten niet dood te trappen. Via een klein weggetje komen we om half 12 bij tempel 80. Elke prefectuur (provincie) op Shikoku heeft een prefectuur-tempel, die door de keizer lang geleden als zodanig zijn ingesteld. Tempel 80 is de prefectuur-tempel van de 4e en laatste prefectuur waar we doorheen trekken op Shikoku. Een middelgroot complex; de drukte valt ons mee. Tot onze verrassing zien we bij de hoofdtempel een Amerikaan. We praten even kort met elkaar en gaan dan de rituelen uitvoeren.

Na het tempelbezoek gaan we op zoek naar een restaurant, in de hoop toch ergens een goedkope lunch te vinden. Vlakbij het poortgebouw naar de tempel is een open hal. Het blijkt een grote verwenplaats voor henro’s, bemensd met 5–6 mannen en vrouwen die groene thee schenken. We schuiven gelijk aan. Aan ons tafeltje zitten enkele jonge mensen die zeer geïnteresseerd zijn. Zij zijn een dagje tempelbezoek aan het doen. Daarna kijken we toch nog even verder naar een eettentje en tegenover het poortgebouw blijkt net een zwaailicht aan te zijn gegaan. In het restaurantje vinden we de Amerikaan terug en schuiven bij hem aan tafel. Hij blijkt Matthew Bennett te heten, 34 jaar, afkomstig uit Chicago. Hij loopt, net als wij, de henro michi voor de 3e keer, met bangai erbij en deze keer in tegengestelde richting. Hij heeft zijn baan en alles achter zich gelaten en hoopt na zijn pelgrimstocht werk te vinden in Japan – er worden genoeg Engelse leraren gevraagd – en hoopt dan ook de tijd te vinden een boek te schrijven dat hij al heel lang van plan is. Hij geeft ons het advies eens in het najaar het pelgrimspad te lopen, zo mooi met de najaarskleuren van de Japanse esdoorn. En hij heeft een andere tip voor ons: Hij heeft wel eens gelift en we vragen hem naar het ‘liftgebaar’ in Japan, maar dat kent hij niet. Hij heeft de gastheer van de ryokan waar hij verbleef, gevraagd wat kartonnen borden te maken met de namen van de eindbestemmingen erop. Plus een bord met (in het Japans) ‘Anywhere’ erop, voor het geval niemand de richting uitging waar hij heen wilde. ‘Werkt altijd’, zegt hij.

Het restaurant blijkt een sociale werkplaats te zijn. Terwijl wij zitten te eten komen er steeds meer mensen binnen om origami te maken. Wij krijgen enkele kikkertjes, uiltjes en vissen aan koordjes. Als je op een kikkertje drukt, springt het weg. Mels maakt foto’s. Het is een van de leukste restaurants waar we ooit geweest zijn tijdens onze tocht en we worden door het voltallige personeel en alle bezoekers uitgezwaaid.

En dan komt om half 2 het klapstuk van de dag: we hoeven alleen nog maar 7 kilometer naar onze overnachtingsplaats te lopen, maar die is wel vlakbij tempel 81 op 400 meter hoogte. Via wat kleine paadjes bereiken we de voet van de berg. Verschillende loophenro’s zijn op de terugweg: ze gaan in 1 dag op en neer naar de 2 tempels op deze berg om dan de volgende dag via de laagvlakte verder te trekken; het voordeel daarvan is dat je geen of weinig bagage hoeft mee te nemen. Wij hebben het echter steeds anders gedaan: aan de ene kant de berg op, aan de andere kant eraf. Een van de henro’s die we tegenkomen, blijkt een Parijzenaar. We praten even kort. Verbazingwekkend hoeveel langneuzen we vandaag tegenkomen. Daarna loopt het pad serieus omhoog de berg op. We vorderen langzaam. Regelmatig moeten we (ik) even rusten, vanwege de warmte. Maar we hebben alle tijd, geen tempel te halen voor half 5. En er zijn volop bankjes, zelfs een rest hut. Af en toe hoor ik mooi vogelgezang; zou dat zo’n gestreept meesje zijn die vorig jaar zonnebloempitten kwam eten? Langzamerhand ontvouwt zich weer een fraai uitzicht. Deze keer over de vlakte met Marugame, de omringende bergen, de zee met talloze eilanden. Het is slechts een beetje heiig.

Het pad komt uit op de weg die langs onze overnachtingsplaats loopt. Enkele kilometers lang kronkelt de weg licht op en neer, dan zakken we zo’n 100 meter weer af tot we om half 5 bij het op zo’n 300 meter hoogte gelegen hotel aankomen. Het uitzicht is oogverblindend – letterlijk en figuurlijk. De zon schittert op het wateroppervlak van de Japanse Binnenzee. Ervoor steekt het havengebied van Marugame nachtzwart af. De omringende bergen staan in grijze toetsen achter elkaar. We hebben 2 jaar geleden in dit hotel overnacht, vorig jaar – toen we via het Nederlandse reisbureau dit hotel wilden reserveren – was de prijs ons veel te hoog, maar deze keer valt het weer mee en hebben we toch gereserveerd. Bij de receptie vragen we voor de zekerheid of ze creditcards accepteren. Jazeker! En zelfs die van ons! Een zucht van verlichting…

We blijken deze keer een wat goedkopere kamer te hebben dan 2 jaar geleden en ook een bijbehorende goedkopere maaltijd. Geen idee waarom we 2 jaar geleden duurder reserveerden, evenmin waarom het deze keer goedkoper is. We vragen meestal de eigenaar van een ryokan of hotel waar we zijn om de komende reservering(en) voor ons te doen; de details ontgaan ons… Maar het uitzicht is er even goed om. Terwijl we genieten van het avondeten in de eetzaal – de beloofde journalist komt niet opdagen – gaat langzaam de zon onder. In het westen is er de Japanse Binnenzee met de grote bruggen die Shikoku via enkele eilanden met Honshu verbinden. Meer naar het zuiden is er de kustvlakte met Marugame, af en toe onderbroken door dichtbeboste heuveltopjes. Langs de kustrand is er de havenindustrie: grote olie-opslagplaatsen, de hijskranen die we al eerder uit de verte zagen, langgerekte havenhoofden. Op de achtergrond en ook nog verder naar het zuiden zijn er alleen bergen, in alle mogelijke grijstinten. In de linker ooghoek zie ik relatief vlakbij een langgerekte berg die vanuit het midden terrasvormig wordt afgegraven. Langzaam kleurt de zon bloedrood, tot hij achter de bewolking aan de einder verdwijnt. Het in de grijzige verte gelegen Honshu verdwijnt in de grijze nevelen. De eerste lichtjes gaan aan, op de vlakte, en ook op de talloze schepen die in de zee zijn gemeerd. De wereld verstilt. We zitten eindeloos te kijken. Er zijn veel mooie vergezichten op Shikoku, maar misschien is deze toch wel de aller-, allermooiste… Het leven is een groot wonder. En niet alleen het leven… Alles wat er is…

Geplande afstand: 20,5 km, 400 m stijging
Werkelijke afstand: 21,0 km, hoogste punt 417 m, totale stijging 727 m, totale daling 440 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1352,4 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.57– ca. 16.30 uur
Looptijd: 4,20 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: tempel 79 en 80
Blaren: 1 restant en 1 hele (bestaande)
Overnachting: Sakaide Kanpo-no-yado (1 kamer 8 tatami’s groot met tokonoma en kastenwand, 1 tafeltje met 4 grondstoeltjes, tv, 2 kluizen, binnenveranda met tafeltje en stoelen, hal met koelkast en wasmeubel, wc, fenomenaal uitzicht over laagvlakte met Marugame, omringende bergen en zee met eilanden, goed avondeten, redelijk/goed ontbijt)

Dag 70: zaterdag 5 mei 2012: Bankrun

Gisteren in de loop van de middag kreeg ik steeds meer last van ‘slapende’ onderbenen en voeten; afgelopen nacht heb ik er nauwelijks door geslapen, want naast het ‘dove’ gevoel is er ook behoorlijke pijn. We hebben geen moeilijk dagprogramma vandaag – zo’n 21 kilometer te lopen en 3 tempels te bezoeken – maar van het begin af aan gaat het erg, erg moeizaam. Het is bovendien erg warm – zelfs de tegenwind is warm – en ik voel me niet helemaal lekker. Om kwart over 8 volgen we eerst de drukke – en ook erg saaie – 2-baans weg terug, waarover we 2 dagen geleden naar Kotohira kwamen. Nu blijven we de weg echter enkele kilometers langer volgen zodat we wat verder naar het noordwesten uitkomen. Al snel lopen we door het stedelijk gebied van Marugame, een van de wat kleinere steden op Shikoku. Onderweg doen we elke bank, postkantoor en supermarkt aan – en dat zijn er heel wat vandaag – in de hoop toch nog wat geld te kunnen pinnen, maar helaas. Het kost ons aardig wat extra tijd, maar die ‘besparen’ we door de vele koffiehuizen en restaurants die we onderweg tegenkomen, te negeren – zelfs de 2 Joyfulls waar we voorbij komen! – vanwege tijdelijke bezuinigingsmaatregelen, want de bodem van onze gezamenlijke pot komt steeds meer in zicht en we hopen dit weekend in ieder geval de overnachtingen te kunnen betalen…

Na 9 kilometer komen we om half 10 bij tempel 76 en rusten er maar liefst anderhalf uur op een bankje in een overdekte ruimte met henrovoorzieningen als gootsteen en wasmachine. Ik val zittend in slaap. En dat doet me goed; daarna heb ik een stuk minder last van mijn benen. Bij de hoofdtempel staat een beeld bedekt met bladgoud en er hangt een enorme rozenkrans waar iedereen – en dus ook wij – aan trekt om de kralen al ratelend naar beneden te vallen vallen. Na het uitvoeren van de rituelen lopen we verder naar het noordwesten waar na 4–5 kilometer tempel 77 is. De meestal kleine weggetjes voeren afwisselend door woonwijken of langs groene of al goudgele, wuivende rijstvelden. Onderweg zien we een enorme kamferboom; op een weggetje ligt een klein schildpadje, het piest een grote straal als we het voorzichtig aanraken. In de verte zien we weer de grote roodwit gestreepte hijskranen die de kustlijn aanduiden. Vlak voor tempel 77 stond voorgaande jaren een man loophenro’s op te wachten om iedereen een klein zelfgemaakt keramiekbeeldje van Kukai te geven. Deze keer staan zijn ouders erbij. Zijn moeder legt uit dat er een wenspapiertje in het beeldje verborgen zit. We bedanken hen met een osame fuda. We zullen hem bij onze verzameling voegen. Thuis wil ik een plekje inrichten met al mijn verworven ‘schatten’. Daar zullen ook zeker zijn beeldjes komen te staan.

Als we om 1 uur aankomen bij tempel 77, beginnen we eerst op een bankje in de schaduw aan onze supermarkt-lunch. Het is druk met busgroepen en weekendtassen bij het stempelkantoor tegenover het bankje. De eigenaar van een winkel net buiten het poortgebouw komt langs en nodigt ons uit voor een glaasje ijskoffie. In het zithoekje in de winkel bewonderen we de vele houtgesneden beelden, en vooral de prijzen: een relatief klein beeldje kost al € 1000. Later bij het stempelen legt de aardige monnik uit waar de stempels en kalligrafieën voor staan: het stempel rechtsboven geeft het nummer van de tempel aan, de kalligrafie rechts noemt de ‘missie’ van de tempel; stempel en kalligrafie in het midden verbeelden de Boeddha of de godheid die in die tempel wordt vereerd, en linksonder staat de naam van de tempel. Van de stempelmonnik krijgen we bovendien een zak met koekjes en snoepjes. Dat komt goed uit! We geven ook een andere henro wat.

Vanaf tempel 77 is het 7–8 kilometer naar het noordoosten voor tempel 78. Onderweg wijken we even van de route af om een Japanse tuin – Nakazu Banshoen – te bezoeken die ons is aanbevolen door Yuko Hayashi. De tuin ligt vlakbij de zee. Als we aan komen lopen, komt er net een bruidspaar naar buiten, het meisje in traditionele kimono. De tuin ziet er van buiten al erg fraai uit, met een lange gebogen rode houten brug over een vijver en talloze bolrhododendrons die voor een deel al in bloei staan. Maar helaas… de entreeprijs is ¥ 1000 p.p., zo’n € 10 en het is niet handig dat momenteel uit te geven. Wat teleurgesteld werpen we nogmaals een blik op het stukje tuin dat we net kunnen zien, en keren dan om. Enkele kilometers later hebben we weer de pelgrimsroute opgepikt. We rusten nogmaals op een beschaduwd bankje in een rest hut en moeten ons dan gaan haasten, want we moeten voor 5 uur nog tempel 78 halen… Terwijl we verder lopen door de stad langs route 33, zien we in de verte op een heuvel het mooie kasteel van Marugame. Zo’n 10 over half 5 lopen we in stevig tempo het (piep)kleine huchtje op; het stempelkantoor is nog open. We voeren de rituelen uit en kuieren nog wat over het terrein, onder meer naar de fraaie bergtuin vol (alweer) bolrhododendrons, Japanse esdoorns en al even kromme naaldbomen gebogen over een grote vijver vol koivissen.

Nog geen kilometer verder is onze overnachtingsplaats. Het hotel oogt nogal shabby aan de buitenkant en ook de hal/lounge doet het ergste vermoeden, maar de gastvrouw is aardig en de kamer valt heel erg mee – is zelfs groot voor Japanse begrippen – en… er is wifi! Er is geen eten inbegrepen en de gastvrouw wijst ons een grote supermarkt even verderop. We vinden er een eethoek en dineren er met een bord soep en een biertje. ’s Avonds is er de luxe van een bureau, 2 stoelen en internet. Ik ben tot middernacht bezig met KLEI. En Mie Ozaki belt. Morgen krijgen we bezoek van Takayama Keichi, een reporter die ons vorig jaar heeft geïnterviewd voor de Asahi Shimbun, de grootste krant in Japan. Mie komt ons later deze reis nog opzoeken. Vandaag is de laatste loopweek ingegaan; we krijgen nog veel te doen…

Geplande afstand: 20,9 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 25,9 km (incl. 1 km extra via Japanse tuin en 1 km extra heen en terug naar de supermarkt), totale stijging 486 m, totale daling 553 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1331,4 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.18– ca. 17.15 uur
Looptijd: 5,0 uur
Gemiddelde snelheid: 5,1 km/u
Bezochte tempels: tempel 76, 77 en 78
Blaren: 1 bestaande (eindelijk kapot!) en 1 nieuwe op kleine teen
Overnachting: Business Hotel Utazu (westerse kamer, 3x1p-bed, bureau met 2 stoelen, grote koelkast, tv, badkamer met bad/douche/wc, wifi op kamer, redelijk ontbijt)

Dag 69: vrijdag 4 mei 2012: Bank Holiday

Een vrije dag… maar we hebben nog bangai 17 in te halen – vanuit het hotel 11 kilometer op en neer naar het zuidoosten – en we willen ook Kotohiragu bezoeken – vanuit het hotel 6 kilometer op en neer naar het westen. Kotohiragu (of Konpira-san) is niet een van de 88 tempels en ook niet een bangai, maar het is een shintotempel die in heel Japan bekend is en daarom toch door veel henro’s wordt bezocht. Maar we beginnen met geld halen. En komen tot de ontdekking dat het postkantoor is gesloten. Dat is niet conform de openingstijden op de deur. Bij de McDonald’s tegenover het hotel halen we een cappuccino en informeren meteen of het misschien een bijzondere dag is. Tijdens de Golden Week zijn alle postkantoren gesloten, krijgen we als antwoord. Maar naast de McDonald’s zijn 2 geldautomaten van banken die wel open zijn. Helaas worden onze bankpasjes daar niet geaccepteerd. Als het ons niet lukt vandaag of morgenvroeg geld te pinnen, zitten we in het weekend met een probleem, want creditcards worden slechts zeer zelden geaccepteerd in ryokans.

We gaan om 11 uur eerst maar eens op weg naar bangai 17. Via verschillende straatjes en weggetjes lopen we naar het zuidoosten. Het is warm, met af en toe een wat frissere wind van opzij. Bij een huis zijn enkele mannen aan het klussen. Een van hen vraagt waar we heen gaan en de ander biedt prompt een lift aan; hij moet toch nog even naar de tempel om te bidden. Maar we weigeren weer beleefd; we willen lopen. Al even na 12 uur komen we aan bij het stuwmeer naast bangai 17. Een groot beeld van Kukai kijkt op een heuveltje uit over het meer, want het was Kukai die dit waterreservoir heeft laten aanleggen. Kukai is niet alleen degene die als eerste deze pelgrimstocht liep en daarbij talloze tempels oprichtte, maar hij stichtte ook de boeddhistische Shingon-sekte, hij gaf leiding aan het uitvoeren van enkele grote waterwerken en ontwikkelde een van de 3 Japanse alfabetten. Hij is dan ook een van de meest bekende historische figuren in Japan.

Bangai 17 is slechts een kleine en ook erg stille tempel – we zijn de enige bezoekers – en al snel zijn we weer op de terugweg. De wind neemt toe en is ook steeds meer tegen; door de toenemende bewolking wordt het ook wat frisser. We hebben al de hele ochtend allebei last van buikkrampen, maar het belet ons niet te lopen… en te eten. Onderweg is een luxe bakkerij die blijkbaar erg populair is: er staat zelfs een vlaggenmans om het parkeren te regelen. Binnen lopen we in een lange rij langs de uitgestalde broodjes, elk met een klein dienblaadje en een grijptang in de hand. Met de broodjes nestelen we ons in het restaurant achter de winkel en nemen nog een cappuccino. Mels kan onverwacht mail ontvangen via zijn i-phone. Een mailtje van zijn jongste dochter: ze gaat scheiden na een jaar huwelijk en met een baby van bijna 9 maanden. Mels is er overstuur van.

Vlak voor Kotohira staat een man ons op te wachten voor zijn tuin, zijn vrouw komt naarstig aanhollen met 2 flesjes groene icetea. Voor ons! Terug in het stadje komen we al snel bij de Saya Bashi, een oude, overdekte houten brug. Tot onze verbazing zien we op de weg die langs de andere oever loopt, een lange file rijden. De file blijkt door een straat vol winkeltjes en wandelaars te trekken. We proberen er het hoofdpostkantoor: er staat op de deur dat de geldautomaat ook op zon- en feestdagen open is. Mels weet zelfs een beambte te vinden, maar helaas… 1000x excuses, maar tijdens de Golden Week is ook dit kantoor gesloten. Mels toont hem de tekst op de deur, maar dat maakt uiteraard niets uit.

Kotohiragu blijkt een zeer populaire tempel te zijn; we hadden er werkelijk geen idee van… Nu begrijpen we waarom het zo verschrikkelijk moeilijk was een hotel te reserveren in dit stadje. Samen met een hele horde mensen bestijgen we de 785 treden naar de tempel. De zon schijnt weer volop; het is warm en dus wordt er flink gepuft. Gezinnen met kleine kinderen, jonge paartjes, groepjes collega’s en ook veel mensen met honden klimmen langzaam omhoog of dalen – iets sneller – af. Grotere honden aan de lijn, kleintjes op de arm of in een mandje; hondjes met sokjes, jasjes en met broekjes. Broekjes??? Hoe moet dat dan??? Luiertjes natuurlijk!

Aanvankelijk loopt de toegangsweg – met af en toe wat treedjes en overdekt met zeilen om wat schaduw te bieden – door een woud van souvenirwinkeltjes met houtsnijwerk, tassen, T-shirts, hoedjes, wuivende gelukskatjes, lekkernijen en vooral ook heel veel wandelstokken. Wat wij inmiddels weten – maar blijkbaar massa’s anderen niet – is dat die stokken wegglijden op gladde treden; ze zijn hier gewoonweg helemaal niet te gebruiken… Al snel zijn het vooral de kinderen die met de rottinkies lopen te pronken en is het uitkijken geblazen ze niet tussen je benen te krijgen. Je kunt je ook op een klein overdekt draagbaartje, dat tussen 2 mannen hangt, naar boven en naar beneden laten dragen, maar we zien slechts 1 vrouw er gebruik van maken.

Verder naar boven is er een breed natuurstenen pad, met links en rechts grote stenen lantaarns, omgeven door bos. Onderweg komen we door het poortgebouw, met 2 samoerai links en rechts van de ingang. Op verschillende niveau’s volgen er andere gebouwen, zoals een museum met kunstwerken; wat hoger is er een stal met een wit en een donkerbruin paard erin. Er wordt druk gefotografeerd. Op een ander niveau staat een fraaie tempel. Mensen staan er netjes in een rij om om de beurt bij de tempel een muntje in de collectebak te gooien en te bidden. Bij de tempel staat een groot, oud waterreservoir. Als het je lukt een muntje te laten drijven op het wateroppervlak, mag je een wens doen. Het trekt massa’s mensen, vooral kinderen uiteraard. Dan komen we eindelijk bij Kotohiragu. Deze shintotempel biedt bescherming aan zeevaarders en in een lange overdekte hal hangen talloze schilderijen en foto’s van schepen. Tegen een wand hangen reddingsboeien en staan ook enkele rijen sakevaatjes, die vaak als offer aan een tempel worden geschonken. In het midden staat een langwerpige 1-persoons boot opgesteld, aangedreven door zonne-energie. Enkele van de fraaie tempelgebouwen zijn door overdekte gangen aan elkaar verbonden. De daken zijn bedekt met een minstens 40 centimeter dikke laag van reepjes sugibast, een traditionele dakbedekking die veel werd gebruikt in Japan. Door een raam zie ik enkele shintopriesters aan het werk. Ervoor staat een grote oude kamferboom omgeven door touwen vol wensbriefjes en ertegenover is een gebouw met achter een lange balie een rij mannen en vrouwen in shintokleding. Rijen bezoekers staan ervoor om wensbriefjes en dergelijke kopen. Je kunt er ook je boek laten stempelen, maar wij blijken de enigen die daarvoor komen. Vanaf dit niveau is er een wijds uitzicht over de laagvlakte waar de grote stad Marugame is gelegen, en over de omringende bergen. We zien ook weer de grote bruggen die Shikoku via enkele eilanden verbinden met Honshu. We maken een praatje met een man uit Tokyo, die Engels spreekt. Hij vertelt ons dat we nog verder omhoog kunnen, nóg eens 785 treden omhoog. Maar wij hebben begrepen dat je met de eerste 785 treden al verlost bent van al je zorgen: 786 is in het Japans (afgekort) nayamu; in het Japans betekent dat ook ‘zich zorgen maken’. Vandaar… We vinden het wel genoeg op onze vrije dag, hoger gaan we niet. Maar voor we weer afdalen zie ik nog een koppeltje plastic honden: 1 grote en 3 kleintjes. We vragen enkele meisjes wat er de bedoeling van is. Ze leggen uit dat je er wensbriefjes kunt kopen met een hangertje van een gelukshondje. Doe ik! (Geldproblemen? Welnee…) Als ze mijn geluksbriefje lezen, juichen ze dat ik extra veel geluk heb gekregen. Ik moet het hangertje en het briefje in mijn portemonnee bewaren.

Langzaam dalen we weer af en dwalen daarna door de straatjes van Kotohira, op zoek naar nog wat banken en supermarktjes met pinautomaten. We proberen het nog een paar keer bij een geldautomaat, maar geld krijgen we niet. We eindigen bij dezelfde kaiten-sushi als gisteren.

Geplande afstand: 11 km (bangai 17 v.v.) en 6 km (Kotohiragu v.v.), 250 m stijging (Kotohiragu)
Werkelijke afstand: 17,5 km, hoogste punt (Kotohiragu) 258 m, totale stijging 394 m, totale daling 390 m (gps heeft een tijdlang niet gewerkt)
Cumulatief afgelegde afstand: 1305,5 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 11.04– ca. 18.00 uur
Looptijd: ?
Gemiddelde snelheid: ?
Bezochte tempels: bangai 17 en shintotempel Kotohiragu
Blaren: 1 (altijd dezelfde)
Overnachting: Park Hotel (westerse kamer, 2p-bed, bureau met stoel, koelkast, tv, piepkleine badkamer met bad/douche/wc, internet staand via kabeltje in hal, redelijk ontbijt Japans/westers)

Dag 68: donderdag 3 mei 2012: Dark room op sokken

De hartelijke en zeer betrokken gastvrouw doet ons het bier van gisteravond cadeau en we krijgen ook nog 2 gele citrusvruchten mee. Wij geven Delftsblauwe klompjes. Lang, heel lang zwaait ze ons na, met een paraplu in de regen. We hebben een overvol dagprogramma voor de boeg: minstens 28–30 kilometer te lopen en 6 tempels te bezoeken, maar we gaan er al half vanuit dat we de laatste tempel (bangai 17) niet zullen halen; die kunnen we morgen, op onze vrije dag, inhalen door er vanuit de volgende overnachtingsplaats heen (en weer terug) te lopen.

Wij gaan eerst weer naar het westen, naar bangai 18 die we gisteren hebben gemist. Het regent stevig en we schieten al gauw wat kleinere straatjes in om de drukke 2-baans weg met meters ver weg opspattende plassen te ontwijken. Als ik diep ademhaal zie ik witte wolkjes uit mijn mond komen. Het is vandaag een stuk frisser dan voorgaande dagen. Bangai 18 blijkt over 2 lokaties verspreid. In de eerste tempel worden we door de flamboyante stempelmonnik met bakkenbaarden tot aan zijn kin uitgenodigd de tempel zelf binnen te gaan. Wel schoenen uit, rugzakken af. Hij blijkt zeer gecharmeerd van onze hartsoetra. We blijven even kletsen; hij zet stempels. Daarna bezoeken we ook nog de stupa bovenop het huchtje bij de tempel. En dan lopen we nog even terug naar de hoofdtempel die tegen een groot, oerlelijk gebouw aan blijkt te hangen. In plaats van de 2 hemelse koningen die bijna altijd de tempelpoort links en rechts flankeren, staan hier 2 sumoworstelaars links en rechts van de poort. Grapje? Of een moderne interpretatie van het Japanse veelgodendom? Ook hier is er een stempelmonnik. Als we een stapeltje osame fuda’s kopen, maken we ook met hem kort een praatje. Hij vertelt dat deze tempel de geboorteplek van Kukai’s vader is; bangai 17 is de geboorteplek van Kukai’s moeder.

Vanaf bangai 18 trekken we weer het binnenland in, naar het zuidoosten, waar 5 kilometer verder tempel 72 is. Plotseling houdt het op met regenen. Vanuit zee breekt de zware bewolking open en verschijnt een blauwe hemel. Opeens is het bloedheet en plakkerig. Uit het asfalt stijgen grote stoomwolken op. Bij een klein treinstation trekken we onze regenkleding uit. De wind steekt op; tegen uiteraard. Onderweg komen we langs een dakpannenfabriek. Omdat we vanuit een andere richting naar tempel 72 lopen, herkennen we de omgeving niet, zelfs niet als we vlakbij de tempel zijn gekomen. Maar om 11 uur staan we toch echt voor het poortgebouw; in een vijvertje zitten schildpadden; een kleintje zit bovenop een grotere te zonnebadderen. De volgende tempel is een halve kilometer verder, iets hoger gelegen. Langs gaarden vol zakjesstruiken komen we daar al 3 kwartier later. Als we de tempel weer verlaten, hebben we een mooi uitzicht over de kustvlakte vol groepjes hijskranen; erachter is de zee met talloze eilanden en de hoge bruggen die Shikoku via enkele eilanden verbinden met Honshu.

Ook naar de volgende tempel is het slechts enkele kilometers door een mix van agrarisch en halfstedelijk gebied: een afwisseling van grote – zowel traditionele als moderne – woonstedes, rijtjeshuizen, woonflats en ertussen door akkerlandjes, regelmatig met wuivende rijstvelden. Het is warm, zo in het open veld. Zoals wel vaker, moet ik uitkijken dat ik niet al lopend in slaap val. Rond tochtige heuveltjes is er een sterke wind die dan weer in de rug, dan weer tegen is. Na tempel 74 zitten we plotseling middenin de havenindustrie en daarna zijn er weer woonwijken tot we – ook slechts een kilometer later; het is dan inmiddels half 2 – bij tempel 75 aankomen. Voor veel henro’s is deze tempel het hoogtepunt van de pelgrimstocht: het is de geboorteplek van Kukai. Het is een enorm complex dat nogal commercieel aandoet, mede dankzij de vele marktkraampjes en winkeltjes op het terrein. En het is er altijd erg druk; zeker tijdens de Golden Week. Er was ons van diverse kanten aangeraden eens te slapen in het gastenverblijf bij deze tempel, maar dat gaat Mels te ver. We willen deze keer echter wel extra tijd uittrekken voor deze tempel. Eerst gaan we naar het restaurantje waar we vorig jaar ook hebben geluncht, in de hoop dat er ook nu weer een wifi-signaal op te vangen zal zijn, maar helaas vangen we met de i-phone en Apple laptop veel minder vaak wifi op en ook nu lukt het niet. Na de lunch bezoeken we het uitgestrekte tempelcomplex. Na het uitvoeren van de rituelen bezoeken we de Kaidan Meguri, een wandeling – op sokken – van 100 meter in totale duisternis door een rondlopende tunnel onder de tempel waar Kukai zou zijn geboren. Een plaats voor reflectie: ‘We wish you a beautiful mind’ staat in de Engelstalige folder. Maar toevallig hebben we wel een horde kinderen achter ons aan. We zijn er al snel doorheen. Daarna bezoeken we de tuin achter de tempel, waar een gebouwtje is met ‘the well of the birth water’ (we weten niet zeker wat ermee wordt bedoeld…) en een museum met de tempelschatten, zoals rollen met soetra’s, een oude tempelbel, een vergulde bronzen staf en een wierookvat.

Maar ons belangrijkste doel is de hoofdtempel die wat verderop op het complex staat. Vorig jaar kreeg Mels in het restaurantje het mailtje waarin stond dat zijn broer Herman was overleden. Juist op deze plaats willen we daarom daar opnieuw bij stilstaan. In de hoofdtempel staan enkele enorme vergulde beelden, omringd door een beeldengang van kleinere stenen beelden – ik denk Lakham. Voorin de tempel kun je grote wierookstaven branden. Mels steekt er een op om Herman te gedenken; ik steek er eentje op voor Meiny. En een andere voor mezelf, want de wierookstaven zijn niet alleen bedoeld om overledenen te gedenken. Als we de tempel verlaten, is er opeens een erg frisse wind; er drijven donkere wolken langs de hemel. Voor de tempel komen de Lachende Boeddha tegen, een henro die we vorig jaar enkele keren ontmoetten tijdens onze tocht. Hij liep vorig jaar de tocht voor de 16e keer; dus nu moet het minstens de 17e keer zijn. Hij ziet er slecht uit. Zijn mond oogt wat tandelozer en zijn flamboyante houding is weg; hij oogt erg mat. We zien ook weer het echtpaar dat we 2 dagen geleden bij tempel 67 spraken, degenen die ons op tv hadden gezien; ze beëindigen de tocht vandaag bij tempel 75. We blijven even kletsen en lopen dan nog wat over het terrein, langs de grote pagode en de 2 enorme kamferbomen die meer dan 1000 jaar oud zouden zijn. Pas 2 uur later vervolgen we onze weg.

Het is inmiddels 4 uur en we moeten nog 7 kilometer lopen naar ons hotel. Ook hier in het stedelijke gebied zijn geen pijlen van het pelgrimspad te vinden en moeten we vaak even het routeboekje en het kompas erbij pakken. We komen langs een uitgestrekte legerplaats, waar enkele Nederlands aandoende gebouwen staan: oude kazernes. We beginnen net een beetje de bebouwing achter ons te laten als een man met een Japanse inu ons aanspreekt: Waar we naartoe op weg zijn. Het Park Hotel? Maar we zijn toch niet serieus van plan dat helemaal te gaan lopen? Nou, toch eigenlijk wel. In ieder geval weten we nu zeker dat we op de goede weg zijn… Korte tijd later, op een kleine 2-baansweg, die loopt langs talloze boomkwekerijen met strak in vorm gesnoeide boompjes, stopt even verderop een busje, dat daarna achteruit rijdt tot het naast ons staat. Een lift nodig? Nee, 1000x dank, maar we willen lopen, ook al doen onze voeten steeds meer pijn en zijn we steeds moeier. Weer enkele kilometers later – we lopen inmiddels op een stoep naast een erg drukke 2-baansweg – stopt er weer een auto. ‘Instappen!’, worden we gedirigeerd. ‘Park Hotel!’, zegt de man en dan zie ik pas dat het de man met de Japanse inu is. Hij heeft de auto gepakt en is gaan rondrijden tot hij ons terugvond. Erg lief. Maar we willen toch echt lopen. Er komt een grote bus aanrijden, ik houd mijn hart vast. De man is erg vasthoudend, maar wij ook. Uiteindelijk rijdt hij lachend verder. We zwaaien lang.

Kort daarna leggen we even aan bij een Joyfull voor – uiteraard – ijs, want we hebben het onderweg weer warm gekregen, de zon schijnt alweer volop. Het is inmiddels half 6… Enkele kilometers later arriveren we bij ons hotel in het stadje Kotohira. Het personeel is wat stijfjes – dat doet blijkbaar extra sjiek aan – maar we moeten deze keer wel zelf onze koffers sjouwen, die naar dit hotel zijn doorgestuurd. In de lift blijf ik met mijn bamboewortel hangen tussen de deuren; hij overleeft het niet… De kamer blijkt de kleinste te zijn van onze hele tocht. Als de een staat, kan de ander er niet meer langs. Het vergt wat organisatievermogen en regelmatig overleg om elkaar niet teveel in de weg te zitten. We besluiten meteen maar te gaan eten, want dat moet je niet te laat doen in Japan. Omdat er bij het hotel geen restaurant is, gaan we naar de 300 meter verder gelegen kaiten-sushi, van een heel wat mindere kwaliteit dan de vorige en 2–3x zo duur, maar ze hebben wel edamame. Buiten blijkt het erg koud te zijn. Ik typ nog wat, zittend op bed; Mels probeert de wifi in de hal uit, maar dat werkt niet. Dan maar op bed…

Geplande afstand: 25,4 km (excl. 1,5 km extra naar bangai 18; incl. 2×5 km van Park Hotel naar bangai 17 en terug), 50 m stijging
Werkelijke afstand: 21,5 km, hoogste punt (eindpunt) 96 m, totale stijging 455 m, totale daling 357 m (gps heeft niet gewerkt tussen bangai 18 en tempel 72)
Cumulatief afgelegde afstand: 1288,0 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.13– ca. 18.15 uur
Looptijd: 5,54 uur (??)
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u (??)
Bezochte tempels: bangai 18, tempel 72, 73, 74 en 75
Blaren: 1 (trouw dezelfde)
Overnachting: Park Hotel (westerse kamer, 2p-bed, bureau met stoel, koelkast, tv, piepkleine badkamer met bad/douche/wc, internet staand via kabeltje in hal, redelijk ontbijt Japans/westers)

Dag 67: woensdag 2 mei 2012: Jezus redt

’s Nachts slaap ik niet vanwege mijn zere voeten; vooral mijn extra lange, linker middelteen zit voortdurend in een kramp. Vanaf een uur of 3 komt de regen met bakken uit de hemel en als we om 5 over half 9 vertrekken, hebben we alle regenkleding aan, want het is ook wat frisser dan de afgelopen dagen. We worden uitgeleide gedaan door de zuinig kijkende dame – met eindeloos geduld, want niet alleen onze schoenen kosten altijd veel tijd, ook moet er bij regen het een en ander in plastic worden gehuld… – en ze kijkt extra afkeurend als ik een van mijn schatten – mijn bamboewortel – aan mijn henrotas hang. ‘Ze zwaait ons niet eens uit’, zegt Mels verontwaardigd als we de straat uitlopen. Ik had me al de moeite bespaard om om te kijken… De regen blijkt gelukkig wat minder erg dan de afgelopen nacht. Aan de overzijde van het kruispunt is een café waar we wifi weten, maar dat is op dit vroege uur nog gesloten. Onder het afdak ervoor haalt Mels via zijn i-phone toch wat mails binnen, al duurt het erg lang.

Dan beginnen we aan ons dagprogramma: zo’n 21–22 kilometer te lopen en 5 tempels te bezoeken, waarvan de laatste 1–2 kilometer voor onze overnachtingsplaats. Een kilometer later zijn we al bij de ‘combitempel’ 68 en 69, 2 tempels die hetzelfde terrein delen. De hoofdtempel van 68 is een betonnen gebouw gecombineerd met een aluminium overkapping. Lelijk en sfeerloos. Ernaast is daarentegen een sfeervolle bergtuin vol bolrhododendrons waarvan de eersten in bloei beginnen te komen. Bij tempel 69 staat een enorme kamferboom met een meters ver uitgestulpte voet die vele malen groter is dan de stamomtrek. De klokkentoren bevat zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde erg mooi houtsnijwerk. We vervolgen onze weg naar het oosten, naar tempel 70, langs de zuidoever van een brede rivier waar hier en daar een groepje witte reigers rondhangt. Vooral langs de rivier is er een felle (uiteraard tegen)wind, de regen waait ons in het gezicht en ik word erg moe van het geworstel tegen de wind in. We hebben bovendien allebei behoorlijke buikkrampen. Maar… dan is er redding. We kunnen schuilen bij Jezus: bij de ingang van een koffiehuis staat een groot wit Jezusbeeld. We nemen er meteen maar een tweede ontbijtje – het is pas even na 10 uur – onder het genot van intreurige fumumuziek. Het duurt even, maar na zo’n 20 minuten dringt bij Mels eindelijk de naam van het koffiehuis door: Ribapuru betekent natuurlijk… Liverpool! Hij vraagt de gastvrouw naar de herkomst van de naam en zij wijst op de voorkant van een Mini Morris die naast het Jezusbeeld tegen de voorgevel is geplaatst: Mini Morris komt uit Liverpool! ‘En Jezus?’, vraagt hij. Daar krijgt hij geen antwoord op. Ik zeg tegen hem: ‘Waarom zetten mensen Boeddhabeelden in hun huis en tuin? Bij veel mensen zijn die toch ook alleen als decoratie bedoeld?’

De smalle weg langs de rivier wordt allengs smaller, eindigend in een fiets- en voetpad met bermen vol met Japanse duizendknoop, zuring en wikke. Op het asfalt ligt een doodgereden schildpadje, even verderop een grote zwarte vlinder met felrose vlekken. Zo’n 4–5 kilometer na de vorige tempels, steken we de rivier over en komen dan meteen bij tempel 70, een mooi complex met een grote pagode en bij het stempelkantoor 2 grote kamferbomen, maar zo in de regen… blijven we toch niet erg lang. Naar tempel 71 is het 11,5 kilometer door de laagvlakte waaruit in de verte af en toe wat bultjes oprijzen. Een afwisseling van agrarisch met halfstedelijk gebied, waar we nauwelijks iets van zien. De wind smijt de regen in onze gezichten en ook zakt mijn capuchon voortdurend half over mijn ogen. Bij een kaiten-sushi eten we ons helemaal ongans. De rekening? € 13. Sushi kost hier bijna niets!

Het laatste stuk van de route naar tempel 71 moeten we hebben verdrongen. ‘Geen stijgingen’, had Mels vanochtend nog voorspeld. Maar op de een of andere manier stijgt de weg steeds hoger. En nog wat… en nog wat… Het begint tot ons allebei door te dringen dat we op deze manier ons dagprogramma niet meer gaan halen: de 4 kilometer verderop gelegen bangai 18 hadden we voor half 5 moeten halen, anders moeten we morgen 1–2 kilometer terug lopen om hem alsnog te bezoeken en dat betekent 3–4 kilometer extra bovenop een dagprogramma van al 25 kilometer… Maar het is al half 4 en eerst komt tempel 71 nog… Pas als we bij de eerste trappen naar tempel 71 komen, herinneren we ons weer wat een ontzagwekkende hoeveelheid trappen dit complex bevatte. Bij een van de tempels is het stempelkantoor, waarvoor we de schoenen uit moeten trekken. Een deel van de tempel is in een grot. Een heel sfeervolle hoek. De hoofdtempel is nog vele trappen verder, langs in de kale, steile bergwand uitgehouwde beelden, sommige half weggeërodeerd door wind en regen. Een magische plek.

Na tempel 71 moeten we via een klein paadje verder naar bangai 18 – ook al zullen we deze tempel niet meer op tijd halen; we moeten er langs voor onze overnachtingsplaats – en we vinden een richtingaanwijzer waarop een tempeltje is aangegeven dat de goede richting uit is. Eigenlijk neemt niemand deze route. Normaal voegen henro’s eerst bangai 17 in de normale pelgrimsroute en dan ergens anders in de route bangai 18. Mels heeft het andersom gepland; theoretisch moet het korter zijn eerst bangai 18 te bezoeken… Het betekent wel dat we geen wegwijzers meer tegen zullen komen.

Zodra we rond 4 uur het tempelterrein verlaten in de richting van bangai 18, stijgt het het paadje tot onze verrassing. We gaan verder de bergen in. En ons is ook meteen duidelijk waarom de route niet wordt gebruikt… Het pad is een beekbeddinkje en door de aanhoudende regen is die ook nog eens niet meer droog. We klotsen voortdurend door het water. Een keer sta ik tot mijn enkels erin. Vaak kost het behoorlijk wat moeite de grote stappen te nemen tegen kleine watervalletjes in. Langzaam werken we ons steeds verder omhoog. Dan komen we op een splitsing. In het beschaduwde bos is het routeboekje nauwelijks nog te lezen – de splitsing staat er sowieso niet in – maar Mels weet zich door de teksten op enkele wegwijzers heen te werken en komt na ampele vergelijking met het boekje tot de conclusie dat we linksaf naar beneden moeten. Als we het paadje nemen het volgende dal in, kan ik door de laaghangende bewolking soms zelfs niet eens Mels meer zien. In de wildernis om ons heen is geschreeuw van apen.

Lange tijd worstelen we ons behoedzaam langs het glibberige paadje naar beneden. Vaak moeten we elkaar vasthouden, om wat extra steun te bieden. Maar na enige tijd is er nauwelijks meer een pad te bespeuren; alleen aan de beeldjes die we af en toe tegenkomen, kunnen we concluderen dat we waarschijnlijk nog goed zitten. Dan kruist het vage paadje een klein beekje. We moeten er doorheen klauteren en waden en het duurt even voordat we aan de andere zijde het vervolg van het paadje tegenkomen. Een paar maal kruisen paadje en beekje elkaar op dezelfde manier, tot het moment dat er helemaal geen vervolgpaadje meer is. Mels klimt over de hoge oever om rond te kijken, maar er is gewoonweg geen pad meer. Er zit niets anders op dan het beekje te blijven volgen; dat zal in ieder geval naar het dal leiden. Stap voor stap bewegen we ons omzichtig over de spekgladde stenen en soms door de diepere delen, wadend door het water, telkens proberend in te schatten waar nu weer het beste een schoen neergezet kan worden. De tijd begint ook steeds meer te dringen; het is niet handig in het donker hier vast te komen zitten.

Pas na 100-den meters zien we weer een vervolgpaadje. Kort daarna zijn er enkele stenen treden die leiden naar een klein tempeltje, maar de laatste treden zijn ingestort. We moeten ons weer naar beneden laten zakken. Toch zijn er nog weer af en toe stenen beeldjes in de wildernis. Nogmaals moeten we door het beekje waden en als ik van opzij een ander beekje hoor naderen met duidelijk een waterval erin, vrees ik het ergste. Maar dan is er plotseling een bruggetje dat aansluit op een breder pad. En lopen we opeens een stuk makkelijker en sneller. In het beekdalletje verschijnt een monstrueuze dam; via een stenen trap komen we erlangs naar beneden. In de verte zien we plotseling de kustvlakte vol havenindustrie. Rijen grote kranen, grote sluizen, de zee en talloze eilanden. Niet lang daarna zijn we bij het begin van het dal. In de schemering lopen we via kleine straatjes en weggetjes naar het noorden, richting kust. Aan bangai 18 denken we niet meer; het is al lang 6 uur geweest.

Op de overdekte goot langs een drukke 2-baans weg buigen we af naar het oosten. Volgens het routeboekje moet onze overnachtingsplaats zich bevinden na een waterplas direct na een splitsing in deze weg. Het laatste stukje weg blijkt weer een huchtje op te leiden. De waterplas is er inderdaad en we zien zelfs een groot bord met de naam van de ryokan erop, half verscholen achter enkele boomkronen. Als we dichterbij komen, blijkt dat op het bord ook is vermeld dat de ryokan zich 50 meter ónder de waterplas bevindt. We lopen weer het huchtje af via een kleinere weg, maar geen ryokan te ontdekken. Opnieuw gaan we even verderop via een ander weggetje weer half het huchtje op, dan weer eraf, dan weer erop… Het begint inmiddels te duisteren… Ik stel voor bij een huis aan te kloppen of te bellen. De bewoner is druk met het eten bezig, maar laat meteen zijn huis achter om met ons mee te lopen. Weer naar beneden, terug naar vlak voor de oorspronkelijke splitsing, dan via een zandpad omhoog om bij de ingang van de ryokan te komen. De gastvrouw staat ons al op te wachten. We zijn de man zeer dankbaar; zelf hadden we op deze manier nog heel lang rond kunnen dolen…

Als we onze natte spullen hebben opgehangen, kunnen we meteen aanschuiven in de eetzaal. Er is één andere henro, een 78-jarige man. Hij vertelt dat hij twaalf keer de tempeltocht met de auto heeft gedaan; nu doet hij andere tochten. Hij bezoekt nu de 200 heiligdommen in Japan waar Kannon wordt vereerd, de boddhisatva van meededogen. Op een kopie van een stafkaart heeft hij met kleurtjes de verschillende lokaties ingetekend. Wij krijgen een cadeautje van hem: tekeningen van Kannon die hijzelf heeft ingekleurd en geplastificeerd.

Geplande afstand: 21,4 km, geen stijgingen (achteraf komen we toch met het routeboekje op 250 m stijging)
Werkelijke afstand: 26,9 km, hoogste punt (top na tempel 71) 281 m, totale stijging 676 m, totale daling 650 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1266,5 (plus 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.34– ca. 18.15 uur
Looptijd: 5,20 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u (??)
Bezochte tempels: tempel 68, 69, 70, en 71
Blaren: 1 (onafscheidelijk dezelfde)
Overnachting: minshuku Deguchi Sō (1 kamer 14 tatami’s groot met tokonoma en schrijntje in kast, 1 tafeltje, tv, binnenveranda, redelijk avondeten, redelijk/goed ontbijt)

Dag 66: dinsdag 1 mei 2012: Geen pijl op te trekken

Buiten op het houten terras in de tuin liggen 4 teckels, lekker in de zon die door de dunne bewolking schijnt. ‘Als zeeleeuwen op de drijvende vlonders in San Francisco’, zegt Mels. ‘Vader, moeder en 2 dochters’, vertelt de gastvrouw als we om kwart over 8 uitgebreid worden uitgezwaaid door het vriendelijke ryokan-echtpaar. We geven ze Delftsblauwe klompjes; wij krijgen een handdoekje. We lopen eerst weer een kleine kilometer terug naar de berg waar we gisteren zijn afgedaald, met het plan om via een omweg langs bangai 16 te lopen en dan verder te gaan naar tempel 67. Aangekomen bij het pad onderaan de berg nemen we een afslag die ons naar het westen voert langs de lagere hellingen van de berg. Merktekens van het henropad zijn er niet te zien, maar al snel komen we langs een bord waarop in Japanse karakters ‘oude henroweg’ staat. ‘Kijk, dat kan ik nu dit jaar voor het eerst lezen!’, zegt Mels trots. Probleem is alleen dat het bord niet zegt of het de oude henroweg naar tempel 67 is of naar bangai 16… Ik stel voor het pad toch uit te proberen; Mels aarzelt, maar laat zich overhalen. ‘Mocht het de verkeerde richting uitgaan, dan hebben we dat snel genoeg door.’ Het blijkt een fraai betonnen paadje te zijn dat langs mooie valleitjes loopt. Aanvankelijk loopt het de richting uit die we op het oog hebben, maar naarmate de tijd verstrijkt, neigt het pad onmiskenbaar terug naar het oosten. ‘Volgens het routeboekje komt het pad uiteindelijk uit op een weg en we kunnen altijd nog via die weg weer terugkomen naar het westen’, zegt Mels. Daarom lopen we door en als het pad inderdaad op een weg uitkomt, volgen we die naar het westen, maar voor de zekerheid houden we de enige auto aan die voorbijkomt. De man beduidt ons dat de weg doodloopt op een dam. We keren terug op onze schreden en kijken dan of we een weggetje kunnen nemen dat aan de andere zijde van het stuwmeer loopt. Via een wirwar aan weggetjes en paadjes kunnen we dan mogelijk toch bij bangai 16 komen, maar dan hebben we wel wegwijzers nodig in dit verder niet bewoonde gebied, want de kaart in het routeboekje is bij lange na niet gedetailleerd genoeg. Maar de enige pijl die we vinden, is naar het oosten gericht, weer naar de verkeerde tempel. Er zit maar een ding op en dat is de hele ‘oude henroweg’ weer terug te lopen tot we op de oorspronkelijke weg terug zijn. Het experiment kost ons 3 kilometer extra lopen. Maar het levert me een mooie bamboewortel op die ik op de terugweg vind, even geleed als een bamboestengel, maar dunner en kromgebogen.

Terug op de oorspronkelijke weg, lopen we opnieuw naar het westen. De stille weg loopt gestaag wat omhoog, onderwijl zich windend langs de ene na de andere uitloper. Het is een erg mooie omgeving, die af en toe ontsierd wordt door grote dammen in de kleine beekvalleitjes. Tussen het gemengde loofbos zie ik acacia, bijna in bloei, en natuurlijk zijn er weer toefjes felrose, of soms lichtrose, van de bloeiende azalea’s. Een paar keer zie ik weer koningsvarens. Grote, dikke hommels hangen boven de weg stil in de lucht. ‘Helihommels’, noemt Mels ze al gauw. En overal fladderen vlinders, soms hele grote, zwartwit geblokte met een toefje rood onderaan de binnenkant. Even voor 10 uur komen we langs het dalstation van de ropeway naar tempel 66. In het grote restaurant bij de parkeerplaats nemen we koffie. Ik vind er een mooi stempelboek in de winkel, dat ik alvast voor de volgende tocht koop. Mijn voeten en knieën protesteren heftig als we weer vertrekken: met houten kistje (van de rozenkrans), stempelboek, geweitje en bamboewortel neemt de druk merkbaar toe en dus ook de pijn. Zelfs mijn rugzak heeft er moeite mee: de stelbanden schieten telkens wat losser.

Vanaf de ropeway nemen we een weg naar het noordwesten, opnieuw langzaam dalend naar de kustvlakte. De omringende heuvelruggen zijn bedekt met citrusboomgaarden. In een van de gaarden is een fazantenkoppeltje: de haan feller gekleurd dan in Europa, met een felrode vlek, en ook de hen lijkt opvallender van kleur. Hier en daar is een groot agrarisch complex te zien: kippenboerderijen. Langs de weg zijn er regelmatig betonnen waterbekkens in de grond ingegraven, vol met eendenkroos en kikkers. Als we voorbij lopen, springen er telkens 10-tallen kikkers in het water, soms met een hard kefje. Overal zingen nachtegalen en ook de ik-weet-niet-hoe-ik-moet-stoppen vogels. Het is nog steeds erg heiig. Van de kustvlakte is weinig te zien en zelfs voor tegenovergelegen berghellingen die niet al te ver weg zijn, hangen sluiers van mist door de hoge luchtvochtigheid. Bergruggen doemen vaag op uit een wit moeras om naar de toppen toe steeds donkerder te worden. Door de hoge luchtvochtigheid is het de hele dag warmplakkerig.

Na zo’n 10 kilometer (inclusief de omweg) komen we bij bangai 16, een wat rommelig complex verscholen achter een tuin en een souvenirshop. In de shop halen we onze stempels en we kopen er ook 2 mooie zwart-beige doeken met de hartsoetra erop geschreven. Daarna beklimmen we de trappen naar de tempelgebouwen. Wat onbestemde fumumuziek deint vaag over het terrein. Overal staan kleine struikjes op aangeharkte bultjes aarde: hagi oftewel bush clover, waaraan de tempel zijn naam ontleend. Op een overdekt terrasje achter het shopje eten we de onigiri op die we van de ryokan hebben meegekregen. We krijgen er groene thee bij.

Daarna vervolgen we onze weg naar het noordoosten, naar tempel 67. In de lagere dalen is steeds meer akkerland te vinden; er zijn veel percelen met al volwassen rijst, maar soms ook net aangeplante sawa’s. In de kustvlakte zijn regelmatig stuwmeren en andere grote wateropslagplaatsen. Een paar keer lopen we weer op de bonnefooi, want merktekens zijn er vaak niet te vinden. Bij een modern ogend gebouwtje leggen we aan voor koffie. Binnen blijkt een expositie te zijn, foto’s gemaakt door de eigenaar. Hij toont ons een boek met erg mooie landschapsfoto’s. Om kwart over 2, zo’n 7–8 kilometer na bangai 16 komen we bij tempel 67, gelegen op een klein heuveltopje. Naast de trappen staan 2 enorme bomen. Een ervan is een indrukwekkende stokoude kamferboom, omgeven door een dik touw met touwkwasten en witte slingers. Ik laat er een muntje achter. In het houtsnijwerk van de klokkentoren hebben metselbijtjes aanvullende kunstwerkjes gemaakt. Van de stempelmonnik krijgen we 2 koekjes die we opeten op een bankje tegenover de tempel. Er lopen veel echtparen en henro’s alleen rond op het terrein en het valt ons allebei op hoe treurig – of misschien ontevreden? – veel mensen kijken. Ligt het aan de dag? Of aan de tempel misschien? Net als we ons afvragen hoe we de boel wat vrolijker zouden kunnen maken, spreekt de vrouw van het echtpaar naast ons op de bankjes ons aan. Waar we vandaan komen. En of ze ons misschien op de tv heeft gezien? Ja, dus! Het is meteen lachen. Plotseling verschijnt er een lach op de gezichten.

Na tempel 67 hebben we nog zo’n 8 kilometer af te leggen – opnieuw naar het noordwesten – naar onze overnachtingsplaats vlakbij tempel 68 en 69. Na enkele kilometers komen we tot de ontdekking dat we – net als vorig jaar blijkbaar – aardig zijn omgelopen, terwijl we vanaf de tempel toch de henrotekens hebben gevolgd. Niets aan te doen. De weg voert aanvankelijk nog door agrarisch gebied. Op veel akkertjes wordt handmatig gewerkt; mannen en vrouwen met rieten hoeden met brede randen, de vrouwen met een jasschortje, lange witte mouwtjes en handdschoenen. Later komen we steeds meer door stedelijk gebied, soms langs grotere wegen, vaak ook via kleine weggetjes die overal achterlangs en tussendoor voeren. Het laatste deel van de route is erg vervelend, langs een drukke 2-baans weg waar vaak geen stoep langs is, of alleen een overdekte goot die voortdurend op en neer gaat vanwege de vele inritten. Mels krijgt last van suikertekort, maar gelukkig zien we een supermarkt: ijsjestijd.

Tegen kwart over 5 melden we ons – na enig zoeken – bij de ryokan waar we hebben gereserveerd, in een mooie straat vol witbloeiende bomen in het stadje Kan-onji. Pas na herhaald roepen en bellen, komt er een bijzonder zuinig kijkende dame polshoogte nemen. De staffen mogen niet mee naar binnen, die moeten in het paraplubakje. Ze is duidelijk geen henro’s gewend… De ryokan oogt sjiek – de binnentuin achter de entree is betoverend mooi, vol bemoste rotsen en bodem – maar het kleine kamertje zonder badkamer valt wat tegen, tot ik de papieren schuifdeuren wegtrek om even naar buiten te kunnen kijken. Erachter blijkt nog een binnenveranda, aftands dat wel, maar met wastafeltje en 2 rechte stoelen met tafeltje. En dat is erg fijn… Om 6 uur eten we in het restaurant bij de ryokan. Als we een uur later terugkomen op de kamer blijken de futons al te zijn opgemaakt. De tafel is tegen de schuifdeuren gezet waardoor de binnenveranda is gebarricadeerd. Door de tv wat weg te schuiven, lukt het ons via een klein spleetje toch weer op de veranda te gaan zitten. Maar ja, wat wil een mens: rechte stoelen, pikkedonker, want er is geen licht… Mels ligt al om half 8 op bed, ik niet veel later.

Geplande afstand: 22,0 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 25,5 km (incl. 3 km verkeerd lopen in de ochtend), totale stijging 486 m, totale daling 626 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1239,6 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.20– ca. 17.15 uur
Looptijd: 5,24 uur
Gemiddelde snelheid: 4,7 km/u
Bezochte tempels: bangai 16 en tempel 67
Blaren: 1 (hardnekkig dezelfde)
Overnachting: ryokan Bansui (1 kamer 6 tatami’s groot met kast, 1 tafeltje, tv, halletje met kast, binnenveranda met wastafel, 2 stoelen en 1 tafeltje, uitzicht op kruispunt, goed avondeten, redelijk/goed ontbijt)

Dag 65: maandag 30 april 2012: Blue Monday

Als we om 8 uur de trap afdalen komen Adriaan en Yuko snel aangelopen om wat foto’s te maken. We hebben helaas onze witte henrojasjes niet aan, want het regent, maar het tempert hun enthousiasme niet. Tot verbazing van Yuko zingen Mels en ik nog even Suikerbossie, ‘k sal jou hè, speciaal voor Adriaan. Hij krijg acuut een aanval van homesickness…

De hemel is zwaarbewolkt als we vertrekken; er is voor de komende 4 dagen regen voorspeld, maar voorlopig valt het nog wel mee. Het is warm en plakkerig en daarom laten we regenkleding achterwege. Vandaag zullen we tempel 66 bezoeken, gelegen op zo’n 950 meter hoogte en daarna aan de noordkant weer afdalen naar onze volgende overnachtingsplaats. Vorig jaar hebben we de berg naar tempel 66 benaderd vanuit het zuidwesten, nu doen we dat vanuit het zuidoosten. Eerst moeten we echter weer terugkeren op onze voetstappen, terug langs de Yoshinogawa tot waar deze naar het zuiden afbuigt. Daar zullen we een weg naar het noordwesten nemen.

We kopen eerst nog wat spullen voor de lunch – en ik vind een klein stoffen hoedje. Terwijl we langs de Yoshinogawa lopen, zien we in de diepte een hangbrug over de rivier gespannen, een moderne metalen voetgangersbrug. Mels heeft de smaak van hangbruggen te pakken gekregen en stelt voor de rivier hier al over te steken. Ik aarzel: Lopen we niet om terwijl we al een zwaar dagprogramma hebben? En… als we eerst zoveel moeten afdalen naar de brug, moeten we dat aan de overzijde ook weer omhoog lopen? En… is de brug wel toegankelijk? ‘Waar is je gevoel voor avontuur?’, vraagt hij. En hij heeft natuurlijk gelijk. We dalen af. Het steile betonnen paadje ziet eruit alsof het al jaren niet meer gebruikt is, maar de brug blijkt prima in orde en al deinend bereiken we de overzijde. Via een heel korte klim komen we op een stil weggetje. Een verademing na de drukke weg aan de andere zijde van de rivier.

Daarna komen we al gauw bij het begin van de bergweg die ons zal brengen bij de tempel. Aanvankelijk loopt het stille weggetje door wat buitenwijken van Awa-Ikeda, maar al snel kronkelt de weg rond dichtbeboste berghellingen. Het is een behoorlijke klim, vanuit het dal op zo’n 100 meter hoogte naar de bergtop op zo’n 950 meter hoogte. Ik heb erg veel moeite met de temperatuur en ook heb ik behoorlijk last van mijn knieën. Telkens opnieuw moet ik even uitpuffen, leunend op mijn staf. Een klein windje en de af en toe vallende lichte regen brengen wat verkoeling.

Tot mijn verbazing staan langs de weg een tijdlang grote massa’s koningsvarens. Over de boomkruinen strekt zich hier en daar blauwe wisteria uit, vol grote bloemtrossen. In een kleine, beschaduwde inham brullen kleine bergkikkers in hun holletjes. We zijn ongeveer halverwege de klim als er een piepkleine auto stopt. Een bejaarde dame verontschuldigt zich voor de beperkte omvang van de auto, maar of we een lift willen? We bedanken haar hartelijk, maar nee, we zijn hier om te lopen… Nauwelijks later hoor ik iemand achter mij hollen. Een jogger? Nee, een joggende henro, compleet met wit jasje en sagesa? Maar nee, hij beduidt dat zijn auto iets naar beneden staat, maar hij wilde ons graag 2 zakjes chips geven. Geweldig! Hijgend loopt hij, iets langzamer, weer terug naar zijn auto.

Naarmate we hoger komen, strekt het uitzicht zich uit over de omringende dichtbeboste bergen en dalen: met lichte vlekken, vooral in de dalen en riviervalleitjes, waar de loofbomen zijn te vinden, en donkere vlekken waar de sugi overheersen, die vooral de hogere delen in bezit hebben genomen. Door de dalen drijven hier en daar wolkenflarden. Als we om kwart voor 1 aan de onderste rand van het tempelcomplex zijn gekomen, rusten we kort op een tochtig bankje, omringd door enorme sugi en andere woudreuzen. Het is flink koud op de berg; de jassen gaan weer aan.

Tempel 66 is wel de meest megalomane van alle tempels die we bezoeken. Niet zozeer vanwege de uitgestrektheid van het complex, maar vooral vanwege de enorme hoeveelheid Lakham – vreemde levensgrote stenen beelden van de representanten van Boeddha – die zich in grote groepen op het terrein bevinden. We zien dat er sinds ons laatste bezoek een nieuw gastenverblijf en een nieuwe toegangspoort zijn bijgekomen. In een rokershoekje onder een afdakje eten we onze lunch op en voeren daarna de rituelen uit. In de hoofdtempel houd ik het bundeltje felgekleurde linten vast, dat via het plafond met een touwtje is verbonden met de handen en dan met het hart van Boeddha. Als je de linten vasthoudt, gaat je gebed rechtstreeks naar zijn hart. Bij een van de tempels staat een echtpaar de hartsoetra te reciteren: hij vooraan en met luide stem, zij een meter achter hem en zachtjes meedoend; een beeld dat we toch niet vaak zien in Japan. Om 2 uur dalen we de berg weer af aan de andere kant, langs een groepje ginkgo’s dat rond het karkas van een dode soortgenoot staat. Het legertje Lakham dat we vorig jaar samengegroepeerd zagen op een parkeerplaats in het bos, heeft zich nu verspreid langs het betonnen paadje dat aan de noordkant van de berg naar beneden loopt. En ze hebben een nummer gekregen: het begint rond de 500 en de laatste die we zien voordat we een klein zijpaadje de diepte in nemen, is nummer 135. Een lange rij vreemdsoortige beelden. Vaak hebben ze rare afwijkingen aan het gezicht, als lange, hangende wenkbrauwen, een bobbel op het voorhoofd of een extra grote schedel. Vele hebben ook een mythisch of ander dier bij zich. Sommige zien er heel echt uit, als de levende standbeelden in steden die plotseling bewegen als je ze even van dichtbij wilt bekijken. Het is een vreemde verzameling. En boven op het tempelterrein zijn er nog veel en veel meer. Het moet een vermogen hebben gekost…

Het kleine paadje loopt eerst over een bergkammetje. Plotseling is er links en rechts in de diepte alleen een dichte grijsheid, een leeg niets. Nu begint de regen wat serieuzer neer te vallen. Het maakt de afdaling niet makkelijker. Stapje voor stapje gaat het naar beneden over het vaak glibberige paadje, dat vaak bestaat uit hoge treden gemaakt met boomstammetjes. Naarmate we verder afdalen breekt de bewolking meer open en ontvouwt zich een stukje uitzicht op de kustvlakte; de kust zelf en de zee blijven onzichtbaar. Het wordt ook steeds warmer. Als we zo’n 500 meter zijn gedaald, kronkelt het pad een tijdlang rond de hellingen, omringd door felrose – een enkele keer lichtrose – bloeiende azalea’s. Iets lager zijn op een heuveltop de sporen te zien van een verwoestende brand die jaren geleden moet hebben plaatsgevonden. Overal staan en liggen dode bomen, hun plaats inmiddels weer ingenomen door jonger groen en vooral door heel veel azalea’s; hun lichte groen en felle bloemen steken mooi af tegen de donkerverbrande en door de regen natglanzende boomstammen.

Deze keer overnachten we al kort na het einde van het bergpaadje, omdat we morgen onderlangs de berg een omweg moeten maken naar bangai 16. Een van de loophenro’s die we bij tempel 66 zagen, komt ons al tegemoet in zijn yukata en is blij verrast dat we in dezelfde ryokan slapen. Ook de gastheer staat ons al op te wachten als we even na 4 uur aan komen lopen. We mogen onze natte spullen onder een afdak ophangen. Vanuit onze kamer, naast de ingang van de ryokan, hebben we een mooi uitzicht op de tuin en op de omringende bergen. Meestal zijn de ramen van de ryokankamers van matglas of geblindeerd met schuiframen van papier; des te fijner is het af en toe een mooi uitzicht te kunnen hebben.

Het avondeten delen we met 4 andere loophenro’s; een man is 41, de rest is in de 60. Een vrolijk groepje en ook de gastheer komt er gezellig bij zitten. De gastheer vertelt dat de bamboespruiten zelf gedolven zijn en de hamburger is van een wild zwijn dat hijzelf heeft geschoten. Een van de henro’s vraagt wat ons thuisfront vindt van onze tochten. ‘First time: ‘Crazy!’ Second time: ‘Even more crazy!’ Third time: ‘Top crazy!’’ Iedereen ligt dubbel… Ook de vraag waarom we lopen, komt weer voorbij: ‘Naze?’ Waarom? We vertellen ons verhaal, over de onwaarschijnlijk positieve invloed van de tocht op mijn ziekte: ‘Shikoku byoin.’ Het ziekenhuis dat Shikoku heet… De gastheer zegt: ‘You will win.’ Ik antwoord hem: ‘Maybe, maybe not. I just want to enjoy life. Live it fully.’ En dat doe ik; ik ben innig dankbaar dat ik hier ben, samen met Mels. Elke dag weer. De gastheer vraagt of het ook Shikoku byo is: ‘Shikoku ziek’, verlangen, heimwee naar Shikoku. Dat is het zeker. We vertellen dat we het eerste jaar tegen het einde van de tocht allebei telkens in huilen uitbarstten en dat we zelfs overwogen door te blijven lopen. Ja, Shikoku ziek zijn we ook. De gastheer begint te vertellen over een bushenro die pas in huilen uitbarstte toen hij in de trein zat, op weg naar huis. En dan schiet hij zelf ook vol en loopt naar de keuken. Het raakt hem… Een van de andere gasten vraagt ons of wij de hartsoetra reciteren bij de tempels. Jazeker. Enthousiast geeft hij ons allemaal een hartsoetra geschreven op mooi, dun rijstpapier. Veel henro’s laten bij elke tempel zo’n tekst achter; er is een speciale bak voor. Later, na het eten, praat Mels nog even met de gastheer. Die lucht zijn hart: Het is moeilijk sinds de aardbeving, de gasten blijven weg. Daarom is hij zo blij met onze komst, als buitenlanders, vertelt hij Mels. Ook in onze vorige overnachtingsplaats verbaasde het ons al dat er zo weinig gasten zijn momenteel, terwijl het Golden Week is, en zowel de ryokan waar we nu zitten als de vorige, zijn beide top verblijfplaatsen. Aozora betekent de blauwe hemel, maar hij is momenteel wel wat betrokken…

Geplande afstand: 19,7 km, 750 m stijging
Werkelijke afstand: 20,7 km, hoogste punt 900 m (tempel 66), totale stijging 991 m, max. helling 16%, totale daling 967 m, max. helling 25%
Cumulatief afgelegde afstand: 1214,1 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.05– ca. 16.05 uur
Looptijd: 5,01 uur
Gemiddelde snelheid: 4,1 km/u
Bezochte tempels: tempel 66
Blaren: 1 (nog steeds dezelfde)
Overnachting: minshuku Aozora (1 kamer 6 tatami’s groot, 1 tafeltje, tv, uitzicht op tuin en bergen, goed avondeten, redelijk/goed ontbijt)

Dag 64: zondag 29 april 2012: Verloren vallei

Ergens in het centrum van de oostelijke helft van Shikoku bevindt zich de Iya vallei. Een idyllische rivier die op enkele plaatsen nog wordt overspannen door hangbruggen gemaakt van dikke wijnranken. Alsof de tijd er heeft stilgestaan. Alex Kerr schreef er een boek over: Lost Japan (1996; ISBN 0864423705), waarin een idyllisch plaatje werd geschetst van een mistige vallei met hier en daar een rietgedekt huis. Al sinds we voor de eerste keer van plan waren naar Shikoku te gaan, was het mijn grote wens deze vallei eens te bezoeken, maar telkens ging dat mis met de planning. Nu hebben we voor vandaag – EEN ECHTE VRIJE DAG! – een uitstapje ernaartoe ingepland; helaas bleek gisteravond dat we alleen een klein stukje kunnen doen met de bus, het meer oostelijke deel zal voor een andere keer zijn…

Ik zit nog half te slapen tijdens het ontbijt, maar om 10 over 8 zitten we in de bus, die ons eerst terugvoert langs de weg die we gisterochtend vanuit het westen langs de Yoshinogawa hebben afgelegd. Dan volgt de bus de rivier waar deze ombuigt naar het zuiden en steeds verder versmalt. Het smaragdgroene water contrasteert sterk met de grijswitte rotsen langs de kale oevers en in de bedding. Vele – soms mooi rood gekleurde – bruggen overspannen de brede vallei. We komen ogen tekort, zoveel moois is er te zien aan natuur en aan menselijke bouwwerken. De afgelopen dagen hebben we steeds vaker trosjes windvanen in de vorm van vissen zien zweven in de lucht; die worden door grootouders gegeven op jongensdag in mei. Normaal hangt er een trosje van 4–5 vissen aan een lange mast, allemaal in verschillende formaten en kleuren, maar we zien ze ook steeds meer opgehangen in lange series aan een kabel, vaak boven een rivier. Vandaag zien we verschillende van deze series hangen, soms meerdere achter elkaar. Zo’n 30 kilometer zuidelijker komen we in Oboke en hier slaan we af om via een tunnel te komen in de Iya vallei. Deze vallei is aanmerkelijk nauwer en met steilere berghellingen omgeven. Een intieme vallei rond een bescheiden rivier. Al gauw bereiken we het gehucht vanwaaruit we een hangbrug zullen bezoeken.

In de folder staat: ‘Iya is home to Japan’s ‘big three’ off-the-beaten-track locations.’ Het gevaar van zo’n kwalificatie is, dat het toeristen aantrekt, en dus wegen, parkeerterreinen en hotels. En dat is precies wat hier gebeurd is. Grote hotelgebouwen met spa’s hebben links en rechts de berghellingen in bezit genomen. In de nabije omgeving van de hangbrug staan vlaggenmansen op elke hoek van de straat en bij elke bocht in de weg het verkeer te regelen, met een roodverlichte staaf in de hand. Vlakbij de hangbrug is half over het idyllische rivierdal een enorm complex gebouwd: een parkeergarage op lange betonnen stelten, de bovenste laag is een wegstation, ingericht met winkeltjes en een goedkoop restaurant. Alles ingericht op massapubliek. Het einde van de idylle.

De hangbrug – de Iya Kazurabashi – hangt op zo’n 10 meter hoogte boven de Iya en wordt omgeven door blauwe wisteria en vele groenbladerige Japanse esdoorns. De brug is met dikke wijnranken opgehangen aan dikke palen en aan enkele grote bomen, waaronder enkele sugi. Voor zo’n € 5 mag je eroverheen lopen, voorzichtig stappend op de houten plankjes waartussen gaten van 20 centimeter gapen. We zijn niet de eersten. Af en toe ontstaat er een opstopping midden op de brug, vooral als er foto’s genomen moeten worden. Het is gelukkig wel eenrichtingsverkeer; terug moet je over een nabijgelegen modernere brug lopen. Echt eng is het allemaal niet; we weten dat de brug tegenwoordig leunt op 2 staalkabels… Als we de overzijde hebben bereikt, zijn er langs de weg eetstalletjes: op gloeiende houtskool staan rijen satéprikkers met aardappeltjes, tofu en konjak (een rubberig, doorzichtig, grijsgrauw blokje met paarse spikkeltjes, gemaakt van de wortelknol van de konjak plant) en ook met kleine, flink gezouten forellen, door de bek in de lengterichting gespiest. Wij gaan eerst naar de 50 meter lange waterval die zich vlakbij in de Iya vallei stort. Daarna dalen we af naar de Iya zelf. Via een stenen trap komen we bij de rivier en moeten we onze weg vervolgen over grote rotsblokken. We aarzelen, want om nou net op je vrije dag een gebroken enkel te halen… Plotseling valt mijn zonnebril in een klein stroompje dat van de waterval afkomstig is. Hij blijft haken in een rotskommetje, maar voor ik erbij kan komen, wipt hij over de rand verder naar beneden, onder een grote rots. Mels probeert met een stok te vissen en ook een Chinees paartje helpt mee, maar hij blijft onvindbaar.

Eigenlijk willen we ook het huis bezoeken waar Alex Kerr heeft gewoond, nu in bezit van een stichting die zich inzet voor verbetering van de leefwereld. Want Alex Kerr schreef zijn boeken over Japan vooral vanuit een afgrijzen over al het mooie dat hier in Japan gruwelijk om zeep wordt geholpen, onder meer met de massaal in beton gevatte bergen, rivieren en zeekusten. Maar er gaat geen bus naartoe en het lijkt ons niet verstandig op onze vrije dag 25 kilometer te gaan lopen, vooral omdat het ook vandaag weer zo warm is en we bovendien morgen een serieuze berg naar tempel 66 moeten beklimmen. Daarom proberen we een lift te krijgen, maar we krijgen de indruk dat niemand onze handbeweging snapt. Eenmaal stopt er een (al volle) auto, ervan uitgaand dat we alleen de weg willen vragen. Een lift krijgen we niet. Daarom lopen we weer terug naar het gehuchtje, steken nogmaals de Iya over (via de gewone brug) en leggen dan aan bij het lelijke wegstation. In het restaurant – type gaarkeuken – worden we na de lunch weggestuurd als we nog wat willen typen. Er moet snel plaatsgemaakt worden voor nieuwe klanten. We gaan nog even zitten op een kunststof/aluminium mini-picknicksetje bij de winkeltjes. Het is de eerste zondag van de Golden Week, dé vakantieweek in Japan, en we zien hordes toeristen voorbijtrekken, zelfs een langneusgezin en een Arabische vrouw compleet met lange jurk en hoofddoek. Als we teruglopen naar de overkant van het dal, zien we een lange rij wachtenden voor de kassa naar de hangbrug staan.

Even na 2 uur nemen we de bus terug naar Awa-Ikeda. Deze keer rijdt de bus door de intieme Iya vallei naar het noorden. Over een weg die nauwelijks breder is dan de bus. De vele tegenliggers maken het niet makkelijk manoeuvreren. Regelmatig moet er iemand achteruit of zich opzij drukken. Onder ons zijn afgronden van zo’n 100 meter steil naar beneden. Dat is pas echt ijzen… Aanvankelijk zijn er nog enkele monstrueuze hotels en ook weer een groot wegstation op betonnen stelten, dan laten we alle lelijkheid achter ons en rijden alleen nog tussen hoge, steile, dichtbeboste hellingen, met in de verre diepte de kleine Iya die soms wat droger soms wat natter zich voortbeweegt over de grijswitte rotsbodem. Het vele loofbos bestaat voor een groot deel uit groenbladerige Japanse esdoorn; die zo mooi rood verkleurt in de herfst. Tussen het lichte groen zijn grote vlekken donkere sugi. En plotseling begrijpen we waarom Alex Kerr verliefd werd op deze vallei. Eenmaal zien we tot onze verbazing Manneken Pis staan op een uitstekende rots, een plek waar blijkbaar in het verleden veel waaghalzen hetzelfde uitprobeerden om de held uit te hangen. Langzaam daalt de weg tot we vele kilometers later bijna naast de rivier rijden. Tegen het einde van de vallei komen we door enkele gehuchten. Een rijtje oude huizen hangt half boven het water. Terug bij de busterminal in Awa-Ikeda bedank ik de chauffeur voor de fantastische tocht. En voor de veilige reis.

Bij het avondeten zijn er enkele langneuzen: Adriaan, een Zuid-Afrikaner die de afgelopen 3 jaar heeft lesgegeven in Okayama, op rondreis met zijn Japanse vriendin Yuko Hayashi, en een man uit New Jersey die samen met zijn Japanse vrouw, hun 8 maanden oude baby, hun vlinderhondje en haar ouders gaan hiken op Mount Tsurugi, vlakbij de oostelijke Iya vallei. Er gaat veel drank rond: sake, witte wijn, sake met citroen, sake met aardbei… En sigaretten ook, handgedraaide. ‘A coffeeshop would be nice…’, verzucht de Amerikaan, want wie kent niet het Hollandse systeem… Het wordt erg gezellig. Adriaan vindt het fantastisch dat hij zomaar Nederlands kan spreken in Japan. We praten ook over de pelgrimstocht. De Amerikaan vraagt of we advies hebben voor iemand als hij die geen tijd heeft. Ik herhaal de woorden van de verlamde Superman-acteur Christopher Reeve enkele jaren geleden voor tv, voordat hij stierf in 2004: ‘Many people talk about ‘one day…’ But one day might never come…’

Geplande afstand: 0 km
Werkelijke afstand: nagenoeg 0 km
Overnachting: ryokan Fukuya (1 kamer 6 tatami’s groot met tokonoma, 1 tafeltje, tv, kluis, halletje, (soms) wifi op kamer, redelijk avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 63: zaterdag 28 april 2012: De poort tot de hemel

Om kwart over 4 worden we wakker van gestommel bij de wc en wastafel op de gang; de eerste henro roert zich. Al snel bruist het hele huis van verwachtingsvolle haastigheid. Wij houden het tot half 6 uit op de futons, maar zijn wel op tijd voor het ontbijt van 6 uur. We krijgen van onze gastheer allemaal een pakketje onigiri mee voor de lunch. Als we om 20 voor 8 vertrekken, zijn we verreweg de laatsten. We worden uitgezwaaid door de dochter en ook op de valreep door de vader die net terugkomt met de auto; zeker een henro weggebracht. Wij zullen vandaag verder trekken naar het oosten, langs route 192, na 8 kilometer onze rugzakken achterlaten bij de volgende overnachtingsplaats en dan 7 kilometer verder lopen naar bangai 15, die van de ‘doorgaande’ henroroute afligt, in de bergen op zo’n 400 meter hoogte, en weer terug naar de ryokan. Een peulenschilletje lijkt het ons… Route 192 loopt door een langgerekt dal en daalt heel lichtjes naar het oosten. Er is 28 graden voorspeld en de hele ochtend hebben we de zon recht in de ogen; ik ben weer flink ingepakt. We zijn allebei behoorlijk moe en stijf; mijn rug en schouder zijn erg pijnlijk. Na een parallelweggetje dat door een gehucht loopt, vinden we aan route 192 een koffiehuis. Zoals bijna elke ochtend na een Japans ontbijt, hebben we honger, en zo zitten we om kwart voor 9 aan ons tweede ontbijt van die dag. Na de pauze ben ik nog stijver… De weg loopt langs een rivier vol grote rotsblokken; de berghellingen bedekt met frisgroen gemengd loofbos met hier en daar donkere strepen sugi. Vaak zijn er lange betonnen richels in de berghelling, soms meerdere boven elkaar, bedekt met felgekleurde bloemen: grote vlakken rose en donkerrood, een enkele keer wit of paars. Op de overdekte goot waarop we lopen, ligt een kleine slang, het kopje omhooggeheven alsof hij elk moment aan kan vallen. Maar hij is dood, al uitgedroogd.

We steken een brede rivier over, de Yoshinogawa, de grote rivier die stroomt van west naar oost en Shikoku bijna doorklieft. In de eerste week van onze pelgrimstocht zijn we hem ook overgestoken, vlakbij de oostkust, waar hij een veelvertakte rivier is met smalle stromen in uitgestrekte grintbedden. Hier is hij vol smaragdgroen water, omgeven door weelderig groen. Vlak na de rivier is er een verkeersknooppunt van grote wegen, onder meer een snelweg. Dan lopen we het stedelijk gebied in van Awa-Ikeda (Miyoshi City) waar onze ryokan zich bevindt, middenin een overdekte winkelstraat. Na het achterlaten van onze rugzakken, vertrekken we om kwart over 11 voor het tweede deel van onze dagtocht. We lopen het stadje aan de oostkant weer uit, verder langs de Yoshinogawa. Een auto stopt naast ons en een man biedt ons een lift aan naar de ropeway die naar de tempel leidt. Hij spreekt wat Engels en hij vertelt dat hij werkt voor een bloemenverzendbedrijf dat o.a. samenwerkt met Fleurop. Vanuit Nederland worden er veel bloemen geïmporteerd via Aalsmeer. We praten een tijdje, maar de lift slaan we beleefd af, want we willen lopen. We steken de Yoshinogawa opnieuw over om aan de noordkant verder te lopen door de vallei. Hier is de rivier in de lengterichting gestreept: slierten algen in een wat donkerder tint groen.

De warmte is verstikkend; regelmatig zoeken we een stukje schaduw op om even bij te komen. ‘Een bankje zou leuk zijn’, zegt Mels als we door een gehucht lopen, maar bankjes zijn spaarzaam in Japan en bankjes in de schaduw al helemaal. ‘Een rest hut is ook niet waarschijnlijk langs deze route, want de bangai valt buiten de normale route.’ Nog geen 10 tellen later lopen we voorbij een open garage. De muren zijn behangen met tuingereedschap. Er is een bankje en op wat stoelen zitten poppen. Op een lage tafel staan potten met varentjes en bloeiende planten. Aan een muur, boven een gootsteen hangen rijen osame fuda’s. Osame fuda’s? Dan moet het een verwenplek voor henro’s zijn! We kijken nog wat aarzelend rond, bang ons op privéterrein te begeven, maar we kunnen niets anders concluderen dan dat deze plek voor henro’s is ingericht. Een godsgeschenk met deze hitte! We zakken op het bankje neer en beginnen aan onze onigiri. Even later komt er een man uit het huis ernaast. Of we zin hebben in een blikje groene thee. Altijd, we leren het inmiddels steeds meer waarderen. En als we onze buntan aan het ontleden zijn, komt hij ook met een koelkastdoos vol partjes mikan. En hij komt er gezellig bijzitten. Hij heeft zelf de tempels per auto bezocht, vertelt hij en hij laat zijn stempelboek vol rode stempels zien. Elke tempel moet hij minstens 12x hebben bezocht. Wij laten onze osame fuda’s achter die meteen worden opgeplakt en als we weggaan krijgen we nog 2 blikjes groene thee en wat koekjes mee.

Na enkele kilometers bereiken we het begin van het bergpad naar de tempel, en langzamerhand komen we onder de beschermende schaduw van de bomen. Ook dan blijft het moeizaam met die hitte; heel, heel vaak moet ik even rusten, staand, leunend op mijn pelgrimsstaf. Hier en daar staan geelwitte irisjes, eenmaal zelfs een heel weitje vol. Bijna aan het eind van het pad schiet er een anderhalf meter lange slang weg tussen de stenen van een muurtje. Vlak daarna komen we bij de tempelpoort. Vlak ervoor staat een fraaie oude wachttoren. We rusten even op een bankje in de schaduw. Boven ons schieten de grote cabines van de kabelbaan voorbij. En dan maken we ons op voor de rest van de tocht, want we zijn er nog niet. De eerste tempelgebouwen bevinden zich zo’n 100 meter hoger. Na de poort zijn er links en rechts grote stenen lantaarns. En dan volgt er een 10 meter brede grintweg, die keizerlijke allures heeft, aan de dalkant omgeven door een lage stenen balustrade. In gedachten zie ik er grote processies voorbijtrekken, omgeven door dikke rijen gelovigen. Af en toe staat er een kolossale sugi of andere boom op of langs het pad. Een enorme wisteria die op een helling over verscheidene bomen is uitgewaaierd, toont zijn blauwe bloemenpracht. Langzaam stijgt het pad, terwijl het een grote bocht naar links maakt. In de oksel van de berg eindigt het pad bij een brede oranje brug met rondgebogen wegdek en overdekt met een grijszwart puntdak. Eromheen staan wat vreemdsoortige sculpturen, half mens, half vogel. Daarna volgen eindeloze trappen, eerst brede treden die langzaam in een boog om de volgende helling trekken, dan – haaks erop – smallere trappen. Na elke trap is er een plateau dat zich links en rechts langs de bergwand uitstrekt. Wat een gigantische afmetingen heeft dit complex! De trappen worden omzoomd door groenbladerige Japanse esdoorns en (nog in knop staande) rhododendrons. Een paar keer schiet een grote, bronskleurige hagedis in een spleet tussen de treden.

Eindelijk komen we bij het tempelterrein. Rechts is een langwerpige overkapping waaronder een lange bank is gemaakt. En daar laten we ons eerst even op zakken. Als de stempelmonnik in het kantoortje ertegenover ons ontwaart, spreekt hij ons aan in wat Engels. We kletsen geruime tijd met hem en hij geeft ons een uitgebreide, Engelstalige folder over het tempelcomplex. We vertellen hem dat we dat erg leuk vinden, want normaal kunnen we nooit iemand iets vragen over gebouwen, beelden of rituelen op een tempelterrein. De monnik vertelt dat deze tempel bekend is om zijn dierensculpturen: niet alleen stenen beelden, ook zijn in het houtsnijwerk rond de tempels heel veel dieren verwerkt. Uit de plattegrond in de folder blijkt dat we voor de eigenlijke tempels nóg wat hoger moeten. Lachend noemt de monnik het totaal aantal treden vanaf de poort naar de hoofdtempel: 778 stuks… (Op de terugweg gaat Mels prompt tellen: 273 treden tussen stempelkantoor en hoofdtempel, 438 treden tussen poortgebouw en stempelkantoor, 47 treden naar de poort zelf, kortom in totaal 758…)

Wij strompelen nog wat verder omhoog. De eerstvolgende trap wordt links en rechts omgeven door een dubbele rij stenen lantaarns en komt uit bij de klokkentoren. ‘Er zit een valluik onder’, zeg ik tegen Mels. We hebben niet het lef te bel te luiden en vervolgen onze weg naar boven. Het houtsnijwerk rond de tempels, bovenaan elke toegangstrap en onder de dakranden, is verbazingwekkend; bij één tempel ontwaren we in een rondgebogen doornenstruik vol bloemen zelfs een duif, allemaal van houtsnijwerk. Na het uitvoeren van de rituelen, maken we ook nog een rondgang over het gigantische terrein, onder meer langs 88 beeldjes die de tempelroute symboliseren.

‘We halen het niet meer op tijd terug…’, zegt Mels. ‘We halen het altijd’, is mijn stellige overtuiging. De stempelmonnik heeft ondertussen een hoofdstuk uit een Engelstalig boek gekopieerd voor ons. Kunnen we nog meer lezen. Het afscheid is hartelijk en dan haasten we ons – het is inmiddels kwart over 4 – weer de trappen af. Een display langs de weg aan de rivier geeft aan dat het 27 graden is, en de zon is al ver verdwenen achter de bergrug. Het blijft warm. We zijn hondsmoe en ik heb zeer, zeer pijnlijke voeten, maar we blijven stevig doorlopen. Precies om 6 uur stormen we de ryokan binnen; het eten blijkt pas om 7 uur te zijn. Tijd voor de ofuro.

Bij het avondeten zijn er 2 Japanse fietsvrouwen, geen henro’s. Een van hen houdt zich bezig met het bevorderen van textiele werkvormen in Laos en in Japan. In tegenstelling tot keramiek staat textiel niet hoog in aanzien in Japan. Ze vertelt dat veel kennis en kunde is verdwenen in allerlei landen. Dat kennen we ook van keramiek. Plastic en aluminium hebben de functie van keramiek overgenomen in Afrikaanse, Aziatische en Zuid-Amerikaanse landen, waardoor het ambacht verdwijnt; veel westerse potters proberen daarom ondersteuning te bieden bij lokale initiatieven.

Geplande afstand: 23,6 km, 400 m stijging
Werkelijke afstand: 28,1 km, hoogste punt 570 m (bangai 15), totale stijging 991 m, totale daling 1063 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1193,4 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.39– ca. 18.00 uur
Looptijd: 5,56 uur
Gemiddelde snelheid: 4,7 km/u
Bezochte tempels: bangai 15
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Fukuya (1 kamer 6 tatami’s groot met tokonoma, 1 tafeltje, tv, kluis, halletje, (soms) wifi op kamer, goed avondeten, redelijk/goed ontbijt)

 

Dag 62: vrijdag 27 april 2012: Vals plat

‘Pan’ blijkt een magisch woord. Gisteren zagen we tijdens het ontbijt een van de vele werkmannen die in het hotel logeren, met een dik plak geroosterd brood rondlopen en dat lijkt ons ook wel wat (een slechter ontbijt dan we tot nu toe hier hebben gehad, kan haast niet…) We vragen om ‘pan’, Japans voor brood, en dat blijkt een magisch woord, want we krijgen ook boter, marmelade en zelfs koffie. En even later joghurt. Een tweede kopje koffie is ook mogelijk. Als een van de hoteldames – de magere… – onze verbazing bemerkt, zegt ze: ‘Dat hoort toch bij brood?’

Met de taxi laten we ons afzetten op 337 meter hoogte bij de trap naar tempel 65, tot waar we gisteren al hebben ‘voorgewandeld’. Vanaf hier lopen we een voor ons nieuw traject, naar bangai 13 en 14 en dan verder naar onze overnachtingsplaats. Om bangai 13 te bereiken moeten we eerst via een paadje een bergrug beklimmen tot 700 meter hoogte en dan aan de andere kant weer afdalen, ofwel via de weg om de hogere delen van de bergrug heenlopen, minstens 5 kilometer om. We hebben voor het paadje gekozen, maar helaas… we kunnen het niet vinden. Er moet direct na de trap naar tempel 65 een paadje zijn. We worden de weg gewezen door 2 vrouwen: eerst via de weg dezelfde richting uit als vorig jaar naar tempel 66, daarna een afslag nemen. Maar na 10 minuten lopen komen we tot de conclusie dat er iets niet klopt. Dat is het voordeel van de gps: zowel het routeboekje als de gps bevatten niet altijd even gedetailleerde kaarten, maar we kunnen wel al snel zien of we de goede richting uitlopen. En dat doen we dus niet. We lopen weer terug en terwijl Mels opnieuw een uitgebreide discussie heeft met de 2 vrouwen – nu met de kaart in de hand die Hide-san ons heeft toegestuurd; een gedetailleerde kaart van het gebied en daarop staat toch echt ook een paadje óver de berg getekend – verken ik ondertussen enkele zijpaadjes, maar allemaal eindigen ze weer bij een trap naar tempel 65. Uiteindelijk gaat Mels terug naar de stempelmonnik, terwijl ik wat hogerop op het tempelterrein nog wat paadjes uitprobeer. De vrolijke stempelmonnik van gisteren laat meteen het stempelkantoor onbeheerd achter om ons het begin van het pad te wijzen. Het blijkt iets te zijn dat ik voor een goot had aangezien…

Hij was er gisteren zonder meer vanuit gegaan dat wij over de weg zouden lopen en is wat verbaasd dat wij voor dit pad kiezen. Maar hij kan het wel waarderen. Op zeer beeldende wijze, met af en toe een Engels woord ertussendoor, legt hij uit dat het een heel oud pad is en dat er maar heel weinig henro’s voor kiezen dit pad te gebruiken. Hij wijst ons op een oude stenen wegwijzer. Een lange vierkante paal waarop een wijzende hand is uitgehouwen. Deze wegwijzers zijn door een pelgrim in de tweede helft van de 17e eeuw neergezet op honderden punten langs de pelgrimsroute, iets waarvoor ik grote bewondering heb. De stempelmonnik maakt duidelijk dat deze wegwijzers de enige zullen zijn. Als we bijna op de top zijn, links aanhouden, en op de top zelf, na een Jizo-beeld duikt het pad aan de andere kant de diepte in, zo schetst hij de route. Hij waarschuwt dat er 10 jaar geleden tijdens een tyfoon een grote aardverschuiving is geweest. Ik aarzel even, maar durf niet te vragen of iemand sindsdien het pad heeft gebruikt… We krijgen nóg een waarschuwing: ‘Many snakes!’, en hij maakt een slangachtige beweging met zijn arm. ‘Mamushi?’, vraagt Mels. Inderdaad, het zijn de gevaarlijke Japanse adders. Inmiddels is er een andere henro aan komen lopen; hij wil zijn boek laten stempelen. Met verbazing ziet hij dat wij dit pad nemen. De stempelmonnik schudt met beide handen onze handen, onderwijl ons ‘heel, heel veel geluk’ toewensend… ‘Het voelt een beetje alsof we het dodenrijk binnengaan’, zegt Mels tegen mij. Ja, die indruk had ik ook al. ‘Weet je zeker dat je dit wilt?’, vraag ik hem. Ja, hij weet het zeker… Nou, dan ga ik ook maar…

Om half 9 vertrekken we opnieuw… Het is duidelijk dat het pad weinig of zelfs helemaal niet wordt gebruikt. Struikelend en strompelend waden we door een dicht dek van afgevallen sugiloof. De staffen zwaaien we voor ons uit om eventuele slangen weg te jagen. Het is warm, 24 graden is er voorspeld. En met alle doeken rond mijn hoofd, heb ik het erg benauwd. Al gauw is er niets anders meer te horen dan wat zingende vogels en mijn hevige gehijg, met soms in de diepte nog wat verkeersgedruis. In de schaduw van de bomen, trek ik af en toe wat doeken weg, want het wordt me met al dat gehijg soms wat licht in het hoofd… Mels vindt een klein geweitje, een 2-ender, en even later ontdekt hij een 2-hoevige pootafdruk. Tot mijn geluk vind ik ook een slangenhuidje, achtergelaten na een vervelling. Ik ontdek tussen de vele varensoorten ook een koningsvaren, in Nederland een zeldzaamheid en ook hier kom ik hem nauwelijks tegen.

Om 10 uur zijn we op de top op 765 meter hoogte. Naast een kleine verzameling beelden zijn er ook 2 bankjes waar we dankbaar gebruik van maken. Maar Mels wil al snel weer verder: nog veel te doen vandaag. Het pad duikt aan de andere kant de diepte in. Door het dichte dek van afgevallen sugiloof zijn de contouren van het pad nauwelijks te onderscheiden. Wat lager wordt het nog moeilijker als het sugiloof is vervangen door leerachtige bladeren die erg glad zijn, erg verraderlijk om over te lopen. Af en toe hebben we een schitterend uitzicht over de omringende bergen en dalen. Zo’n 50 tot 100 meter onder de top zijn er wat huizen en een jonge boomgaard. Als het pad een weggetje kruist, blijkt het vervolgpaadje echter plotseling verdwenen. Zou dit de aardverschuiving zijn waarover de stempelmonnik het had? We volgen korte tijd het weggetje naar beneden tot we weer tekens zien van het henropaadje. Ook wat lager is het paadje op verschillende plaatsen bijna helemaal verdwenen. Vlak voor onze voeten schiet een adder weg. Gisteravond heeft Mels nog in zijn rugzak en koffer zitten zoeken naar het slangensetje, maar niet meer kunnen vinden. Daarom pluk ik onderweg maar een knelband mee die rond een boom zit. Je weet maar nooit… In de wildernis is er plotseling een fraai tempeltje. Langs een stenen trap dalen we af en lopen tussen grote stenen lantaarns door. Ook een tijdje later zijn er in de wildernis wat treedjes die leiden naar een lange waterval die zich over een bergrand stort. Wij buigen onderlangs af en komen bij een haast stilstaand kommetje in hetzelfde beekje, waar wat vissen hun thuis hebben gevonden. Af en toe staat er een enorme boom – sugi of kamfer – langs het pad. Het is dan wel geen makkelijk pad, maar wel betoverend mooi.

Rond 12 uur komen we aan bij bangai 13; we hebben er anderhalf uur langer over gedaan dan de 2 uur die de stempelmonnik had voorspeld, Langzaam dalen we af naar het fraai gelegen tempelcomplex in de diepte, het laatste stuk over lange stenen trappen. Op de omringende hellingen van het kleine valleitje ‘hangen’ verschillende mooie paviljoentjes. Een ervan is omgeven door massa’s kleine geelwitte irissen. Het hoofdgebouw is een imposant, stokoud ogend houten gebouw. De schoenen moeten uit. Op de bovenverdieping ervan zijn de tempels – een ervan in een kleine grot in de bergwand – en het stempelkantoor. We maken een praatje met de aardige stempeldame. Ze vraagt of we geen last hebben gehad van wilde honden, die volgens haar erg gevaarlijk kunnen zijn. Maar die hebben we niet gezien rond het paadje. Ik koop een mooie, lange rozenkrans en krijg er een houten doos bij die ik in mijn rugzak stop. We rusten kort op een bankje in de zon terwijl we onze lunch opeten. Om 1 uur verlaten we het terrein door verder af te dalen in het valleitje, om het hoofdgebouw heen, waarachter we enorme sugibomen ontdekken. Afdalend langs de zijkant van het gebouw, zien we ook dat de toegang ertoe rust op een korte brug met een hoge boog. Eronder is een fraaie waterval die uitmondt in het idyllische beekje dat de kleine weg naar beneden begeleidt. Overal staan geelwitte irisjes te bloeien.

We komen uit op een weg die verder naar het oosten leidt door een dal, met in de diepte een groenblauwe rivier, aan de oevers te zien een ‘stuwmeer-rivier’. De zeer rustige weg kronkelt aanvankelijk heen en weer en op en neer langs de berghellingen tot hij langdurig gaat stijgen, op weg naar een tunnel. Ik zie opnieuw verschillende koningsvarens. Af en toe staan we kort even uit te puffen in de schaduw van wat bomen. Het is erg warm en we hebben allebei last van onze ruggen; de afgelopen nacht heb ik nauwelijks geslapen, voor het eerst door de pijn in mijn voeten en in mijn linkerschouder, en ook dat neemt in de loop van de dag weer toe. En eigenlijk zijn onze lichamen gewoonweg allebei erg moe van al het lopen…

De 1260 meter lange tunnel is de enige toegang tot het andere dal; een alternatief paadje over de bergen is er niet. Gelukkig is er een verhoogde overdekte goot waar we op kunnen lopen. Na de tunnel is er een verrassend uitzicht op de grijze zee waarin talloze eilanden drijven, als in het lege niets. En nog verrassender… op Shikoku Chuou, de kustvlakte met talloze grote fabrieksschoorstenen, die we vanochtend achter ons hebben gelaten. We zijn met een boogje teruggekomen, iets verder naar het oosten. Na de tunnel daalt de weg eindeloos af naar de vlakte, de omringende bergen bedekt met fris voorjaarsgroen. Zowel voor als na de tunnel zien we af en toe een teken van de Camino naar Santiago: de jacobsschelp.

Na een afslag die ons verder naar het oosten zal voeren, komen we uit op de weg waarover we vorig jaar zijn getrokken. We rusten kort in een rest hut, waar een vrouwelijke henro uit de regio Nagoya zich bij ons voegt, ook al zo ingepakt tegen de zon. Ze doet de tocht in delen, vertelt ze; vanavond slaapt ze in dezelfde ryokan als wij, de enige in de wijde omgeving. Nadat de weg verder is afgedaald – wij soms via een afkortend paadje – tussen vele terrassen met natte, in de zon fel blinkende sawa’s vol ratelende kikkers door, komen we om kwart voor 4 (ook weer veel later dan de voorspelde 2 uur…) bij bangai 14, die langs de ‘normale’ henroroute ligt. Een heel klein en zeer fraai complex. Vorig jaar hebben we het ook al bekeken. De toegang tot het tempelterreintje wordt gevormd door dikke rode zuilen. Overal staan grote camelia’s, nu inmiddels ver uitgebloeid, waaraan de tempel zijn naam ontleent: Tsubaki Do, plek met camelia’s. Vorig jaar vielen ons de enorme fallussymbolen op het tempelterreintje op, nu zijn ze allemaal zedig bedekt door slabbetjes. Van de intreurig ogende stempeldame krijgen we een buntan en zoute koekjes. We rusten even uit op een bankje en zien de henro uit Nagoya weer. Daarna verliezen we haar uit het oog. Vanaf bangai 14 is het nog 7 kilometer naar onze overnachtingsplaats, langs route 192, die voortdurend stijgt, opnieuw op weg naar een tunnel. We zijn door de Nagoya-henro voor de tunnel gewaarschuwd, maar het is te warm en inmiddels ook al veel te laat om nog het paadje over de berg heen te nemen. De 972 meter lange tunnel heeft gelukkig toch een verhoogde overdekte goot, wel extra smal en met regelmatig schots en scheef liggende dekplaten, maar toch…

De opkomende avondkilte, de geur van houtgestookte kachels, hier en daar een stil paadje dat onder de donkere sugibomen verdwijnt… het doet ons allebei denken aan Zwiterland. Plotseling doet het landschap heel Europees aan. In een klein gehucht langs de grote weg worden we om 6 uur hartelijk verwelkomd door de bejaarde vader en zijn dochter die de ryokan beheren. We kennen ze van vorig jaar. Het binnenplaatsje zit al vol met henro’s. Na de ofuro kunnen we gelijk aanschuiven in de piepkleine keuken/eetzaal. Met 8 henro’s en de gastheer zit het propvol. We zien er ook weer de henro die er vanmorgen bij kwam staan toen wij de weg werden gewezen door de stempelmonnik. Hij bezoekt ook de bangai-tempels, maar is vandaag over de weg gelopen naar bangai 13, niet over het bergpaadje. Hij geeft ons een rode osame fuda; hij loopt de tocht voor de 13e keer, vertelt hij. We zitten al een half uur te eten als de gastvrouw met de Nagoya-henro binnenkomt. Ze heeft ook de tunnel genomen, vertelt ze, maar ze heeft daarna gebeld naar de ryokan om te worden opgepikt met de auto. Het werd teveel en te laat. ‘Hayai!’, zegt ze tegen ons. ‘Jullie zijn snel!’ Ja, die laatste 7 kilometer op de gestaag stijgende weg hebben we erg snel afgelegd, in zo’n anderhalf uur, terwijl daar ook 2 uur voor voorspeld waren. Op het platte vlak – zelfs het vals platte vlak – zijn we goed. Maar onze voeten doen wel erg zeer… Onze 84-jarige gastheer geeft ook vanavond weer een performance onder het eten. De helft van het gezelschap beklimt morgen de berg waar tempel 66 zich op bevindt, net als wij vorig jaar hebben gedaan; de overige 4 henro’s doen de bangai’s erbij en lopen daarom een andere route. Onze gastheer is gespecialiseerd in tempel 66 en de ‘avontuurlijke en gevaarlijke’ route ernaartoe. Met veel overtuigingskracht toont hij waar het allemaal mis kan gaan. Hij geniet er zichtbaar van. En zijn gasten ook. Het is een heel gezellige avond, zo op de grond voor het aanrecht.

Geplande afstand: 20,7 km, 800 m stijging
Werkelijke afstand: 25,3 km, hoogste punt 765 m, totale stijging 1104 m, totale daling 1189 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1165,3 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.05– ca. 17.55 uur
Looptijd: 5,59 uur
Gemiddelde snelheid: 4,2 km/u
Bezochte tempels: bangai 13 en 14
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: minshuku Okada (1 kamer 6 tatami’s groot met kastenwand, 1 tafeltje, tv, goed avondeten, matig ontbijt)

 

Dag 61: donderdag 26 april 2012: Er zit een beer in mijn koffie

 

Om 9 uur ontmoeten we Yoshitake Tamaoka in het ziekenhuis van Shikoku Chuou, voor mijn 4-wekelijkse infuus. We hadden de afgelopen weken niets van hem gehoord, tot een telefoontje gisteravond om half 10: hij was net aangekomen op het vliegveld van Matsuyama op Shikoku. Nu vertelt hij dat zijn 77-jarige vader een attaque heeft gehad en in kritieke toestand in het ziekenhuis ligt. Ik schrik ervan en voel me erg bezwaard dat hij toch naar Shikoku is afgereisd voor mijn infuus. De afgelopen 3 jaar is een bijzondere band ontstaan tussen ons: gedurende elke reis komt hij tweemaal met het vliegtuig uit Tokyo om mij bij te staan bij het infuus. Een vreemd soort lotsverbondheid. Deze keer vertrekt Yoshitake meteen na het infuus weer naar Tokyo.

De rest van deze ‘vrije dag’ gebruiken we om alvast een stukje te lopen van het programma van morgen: Hide-san mailde ons dat het traject dat we voor morgen hebben gepland, een enorm zware tocht door de bergen is en adviseerde ons al een stuk ervan op onze vrije dag te lopen en dan morgen met een taxi dat deel over te slaan. Een andere oplossing is er niet, want de overnachtingsplaatsen liggen nu eenmaal zo ver uit elkaar. En zo vertrekken we rond kwart voor 11 vanaf het hotel om heen en weer te lopen naar tempel 65 die op zo’n 350 meter hoogte ligt; de bagage zoveel mogelijk op de kamer achterlatend. Eerst kopen we wat brood en cake in een nieuwe supermarkt, gelegen naast het koffiehuis waar we nu al voor het derde achtereenvolgende jaar komen voor heerlijke cappuccino en gebak. ‘Er zit een beer in mijn koffie’, zeg ik tegen Mels. De melk is opgeschuimd in de vorm van een glimlachende berenkop. Ik wist niet dat dat kon… Als we afrekenen, krijgen we van de aardige obers ook nog eens een plastic tasje met broodjes en jam. Dat komt goed uit, want we hebben ook voor morgen nog een lunch nodig.

De hemel is vandaag zwaarbewolkt; er is regen voorspeld en boven de bergen hangen donkere regenwolken. Ik vind het wel prettig: niet alleen is de temperatuur wat gematigder (hoewel het niet minder ‘zweterig’ is), maar ik hoef nu ook niet mijn gezicht te bedekken tegen de zon. Mijn gezicht ziet er inmiddels wat minder ‘gekookt’ uit, maar is nog wel gezwollen en erg bladderig en korstig. Vanaf het koffiehuis lopen we naar de bergketen die parallel loopt aan de zeekust. Via allerlei weggetjes klimmen we langzaam de berghelling op, later via een betonpaadje tussen boomgaarden door en nog weer later over een bergpaadje door de bossen. Af en toe is er de schreeuw van een fazant te horen en een tijdlang roert een uil zich. Langs het pad zijn weer wroetsporen te zien van wilde zwijnen. Her en der staan kleine geelwitte irissen; eenmaal zelfs een heel veldje vol. Tussen de vele soorten varens ontdek ik een koningsvaren. In de diepte is de laagvlakte vaag te zien. Het is zo heiig dat zee en lucht dezelfde grijsblauwe kleur hebben aangenomen en onmerkbaar in elkaar overlopen. Vlak voor we bij de tempel aankomen valt er een kleine bui; we schuilen even onder een boom. Vanaf het koffiehuis hebben we er slechts anderhalf uur over gedaan naar de tempel.

Tempel 65 is een mooi complex met enkele enorme bomen: een oude reuzenkersenboom waarvan de grote, ver uitwaaierende takken worden ondersteund door palen, en een loofboom met een enorme stamomvang, waarvan de bladeren net beginnen uit te botten; eronder staat een heel veldje geelwitte irisjes. De vrolijke stempelmonnik herinnert zich de potters uit Nederland. We blijven lang staan kletsen. Daarna nestelen we ons in de rest hut op het tempelterrein om onze lunch op te eten. Fleece- en windjacks gaan weer aan, want het is plotseling fris. Er valt een zacht regenbuitje. Flinterlichte waterdruppels fluisteren voorbij. Als we de terugweg aanvangen, blijkt het alweer droog.

Voor de afdaling nemen we een asfaltweggetje dat wat oostelijker loopt en eenmaal in het dal gooien we er nog wat extra kilometers tegenaan om de kaiten-sushi van vorig jaar op te zoeken. Ook al leek het van bovenop de berg nog alsof het hele dal verdwenen was in de wolken, eenmaal beneden blijkt de hemel opgeklaard en de temperatuur alweer aardig gestegen. Al om 4 uur zitten we aan de lopende-band-sushi. Nou ja, we staan ook elke morgen om 6 uur of nog eerder op, dus ’s avonds wat vroeg eten kan ook geen kwaad… Als we na de sushi naar het hotel terug lopen, wordt het plotseling weer warm in de late middagzon.

Geplande afstand: 10,8 km, 350 m stijging
Werkelijke afstand: 16,1 km (incl. 4 km extra i.v.m. kaiten-sushi), hoogste punt 346 m, totale stijging 575 m, totale daling 532 m (klopt niet, eind- en beginpunt zijn hetzelfde)
Cumulatief afgelegde afstand: 1140,0 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 10.43– ca. 17.40 uur
Looptijd: 3,28 uur
Gemiddelde snelheid: 4,6 km/u
Bezochte tempels: tempel 65
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: Business Hotel Mild (westerse kamer, 2x1p-bed, bureautje met stoel, tv, mini-badkamer met bad/douche/wc, internet met kabeltje op de kamer, zeer matig ontbijt)

 

Dag 60: woensdag 25 april 2012: Vliegende Hollanders

Opnieuw dik ingepakt tegen de zon, stap ik om 20 voor 9 het hotel uit, uitgezwaaid door het vriendelijke hotel-echtpaar. Het is weer suzushii, warmvochtig, ook al is de hemel behoorlijk bedekt met sluierbewolking waar de zon slechts lichtjes doorheen schijnt. Er is opnieuw 24 graden voorspeld; gisteren is op 27 graden uitgekomen volgens de berichten. Door de hoge luchtvochtigheid is het erg heiig. We trekken verder naar het oosten, langs de erg drukke route 11 ofwel langs parallelweggetjes die door gehuchtjes voeren, in het begin langdurig licht stijgend tot een pasje en ook later meestal langdurig lichtjes stijgend of dalend. Tussen de gehuchtjes door zijn er sawa’s en andere kleine akkerlandjes. Er wordt druk gewerkt op het land. Een boer is bezig rijst te planten met zijn trekker; elders is een boer aan het ploegen. Veel wordt handmatig gedaan: poten, onkruid wieden, met stro bedekken, plastic tunneltjes rond jonge plantjes zetten, etc. etc.

We kijken met verbazing naar een loslopende, veel te dikke Japanse Inu die telkens wat wordt toegeschreeuwd vanuit een langzaam rijdende auto. De vrouw legt uit dat ze haar hond uitlaat… met de auto. De hond sukkelt er wat achteraan; ze heeft er niet veel zin in met die hitte. Rechts van ons zijn op de achtergrond de lagere bergruggen, bedekt met sugi en gemengd loofbos, af en toe met het felle rood van bloeiende azaleaboompjes. Soms zijn de hoge bergen erachter te ontwaren: donkere reuzen in verschillende grijstinten. Als we met een parallelweggetje weer bij route 11 uitkomen, leggen we aan bij een koffiehuis waarvan de zijvleugels – bij wijze van grap – schots en scheef zijn gebouwd. Een hele rits schoolkinderen trekt buiten voorbij, allemaal netjes in blauw schooluniform en met rode rugzakjes. Als ze ons ontdekken, wordt er enthousiast gezwaaid; enkele jongens gooien kushandjes. Ook voor de lunch keren we rond 12 uur terug naar route 11 met het plan in een supermarkt wat brood of cake te kopen, maar vlak ervoor ontdekken we een restaurant. Voorgaande jaren hebben we in 2 verschillende restaurants aangelegd, maar zijn er beide keren ziek van geworden. Dit restaurant ziet er beter uit. Maar pas als we binnen zijn, herkennen we het restaurant van vorig jaar… We nemen toch maar het risico en blijven.

Vlak na het lunchrestaurant komen we bij bangai 12, een klein tempelcomplex; in het kleine parkje ernaast zijn de resten te bewonderen van een eens grote (nou, vooral brede) boom die er stond tot zo’n 100 jaar geleden. Compleet met afdak. In het stempelkantoor hangen foto’s van de boom uit de voorvorige eeuw. We trekken de aandacht van kinderen, op weg naar school. Ritsen blauwe schooluniformen met gele helmpjes. ‘Hello!’, klinkt het telkens opnieuw. Daarna gaat het verder naar het oosten, naar onze overnachtingsplaats in Shikoku Chuou, een kleine havenstad met veel industrie. De bewolking neemt steeds meer toe; er is voor vanavond regen voorspeld. Een pickup stopt naast ons en we krijgen door het geopende raam 2 blikjes koude koffie aangereikt van een man in werkmanskleren.

We moeten ook dit jaar schielijk een super langs route 11 opzoeken omdat de lunch er opnieuw snel weer uit wil. Als we buiten komen, blijkt er een harde en ook frisse tegenwind te zijn opgestoken. Langzamerhand lopen we steeds meer het stedelijke gebied in. We passeren rivier na rivier, allemaal met even gortdroge beddingen, terwijl overal om ons heen water te zien en te horen is in betonnen goten; blijkbaar wordt er overal wat afgetapt van de rivieren. We overwegen onderweg naar het hotel al een restaurant op te zoeken voor het avondeten, omdat we geen diner in het hotel zelf hebben besteld. Daarom zoeken we opnieuw route 11 op, maar de ‘katten-sushi’ waarop we hoopten, blijkt verdwenen. We blijven langs de vermoeiend drukke weg lopen, voortdurend behendig heen en weer bewegend over opwippende dekplaten, langs onverwachte gootjes, opzij springend voor vrachtwagens… Op een parkeerterrein komt een vrouw aanhollen en geeft ons ¥ 1000, omgerekend zo’n € 10.

Links in de wazige verte kunnen we eindelijk heel vaag de zee ontwaren, in kleur nauwelijks verschillend van de grijze lucht. Omdat we behoorlijk moe zijn en last van onze voeten hebben, leggen we om 4 uur even aan bij een Mos Burger voor een café latte. Het begint lichtjes te regenen. Nog geen kilometer later vinden we toch nog een goed restaurant en er zijn zelfs sushi en sashimi. De laatste 3 kilometer naar het hotel leggen we af in een vliegende storm, gelukkig met niet al te heftige regen die ook al snel afneemt. Maar het is een vervelend stuk lopen: in het donker, zonder straatverlichting en stoep langs een erg drukke straat. In de wirwar aan straatjes lopen we eerst iets te ver door, maar het hotel ligt pal naast het transformatorstation van een energiecentrale, echt missen kunnen we het niet. We worden enthousiast ontvangen door het damesploegje van het hotel; ongerust waren ze niet, ze zijn gewend dat we laat zijn…

Geplande afstand: 23,1 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 27,3 km, hoogste punt 158 m, totale stijging 528 m, totale daling 543 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1123,9 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.38– ca. 19.30 uur
Looptijd: 5,33 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: bangai 12
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: Business Hotel Mild (westerse kamer, 2x1p-bed, bureautje met stoel, tv, mini-badkamer met bad/douche/wc, internet met kabeltje op de kamer, zeer matig ontbijt)

Dag 59: dinsdag 24 april 2012: A Joyfull Day

Er is opnieuw 24 graden voorspeld. Ik bind mijn recent verkregen sjaaltje voor mijn neus en mond en hang een kletsnatte handdoek over mijn hoofd. Zonnebril op evenals de paraplu. Geburkadeerd! Leve de val van het kabinet… Mels vindt het een foto waard. En nog een. En nog een…

Vandaag zullen we verder naar het oosten lopen door de laagvlakte en al in het eerste deel van de tocht 3 tempels bezoeken. We beginnen met de vlakbij de ryokan gelegen tempel 62 en lopen dan langs route 11, een loeidrukke 2-baans weg waar slechts zelden een stoep naast is, naar tempel 63 die gelukkig slechts anderhalve kilometer verderop is gelegen. Als we aan komen lopen, vertrekt er net een hele groep henro’s, lopend op een rijtje langs route 11. Een mooi gezicht. Op het tempelcomplex staat weer een fraaie sakura in bloei, evenals verschillende pioenrozen, met enorme bloemen in rose, rood, paars en wit. Via wat parallelweggetjes die door gehuchtjes lopen, vervolgen we onze weg naar tempel 64, zo’n 3,5 kilometer verder gelegen. In tuinen staat hier en daar een enorme blauwe – soms een witte – wisteria te bloeien en ook paarse en witte seringen. Regelmatig zijn er rose, rood, paars of wit bloeiende azaleahagen langs tuinen. Het is erg warm en we hebben er meer last van hier op de open laagvlakte – met ’s ochtends ook voortdurend de zon van voren – dan gisteren tijdens de meer beschaduwde klim en afdaling. Ik heb het ook erg benauwd onder al die doeken. Het zweet loopt voortdurend mijn ogen in en mijn zonnebril is half beslagen. De inspanning van gisteren zit ook nog in onze benen. Slechts af en toe is er even een heel licht verkoelend windje. Als we even na 10 uur het huchtje van tempel 64 zijn opgelopen, gaan we – zekerheidshalve na het stempelen – eerst even op een bankje zitten. Even bijkomen. En even een 2e ontbijtje opeten met de gisteren gekregen broodjes en het restant van het fruit. We hebben de ruime belangstelling van de vele groepen bushenro’s en ook van de autohenro’s die voorbijkomen. Een priester-gids geeft ons 2 snoepjes; een man, die samen met zijn gezin het complex bezoekt, geeft ons met gepaste trots een goudbrocaten osame fuda. Het bewijs dat hij de tocht minstens 100x heeft afgelegd.

Daarna klimmen we nog wat trappen op naar de hoofdtempel om de rituelen uit te voeren. Voor we vertrekken, pak ik mezelf weer goed in tegen de zon. (Mels neemt nog wat foto’s…) Ik had verwacht dat ik zo ingepakt veel minder contact zou hebben met mensen; normaal probeer ik altijd vriendelijk te lachen naar iedereen. Maar Japanners zijn gewend dat veel mensen met mondkapjes lopen en andere henro’s lopen ook vaak met een handdoek rond het gezicht, al dan niet met een hoed nog bovenop het hoofd. Alleen een hond gromt naar mij als ik wil aaien; toch iets te eng…

Na tempel 64 is het nog zo’n 18 kilometer lopen naar onze overnachtingsplaats, nog verder naar het oosten. Lange tijd lopen we weer langs parallelweggetjes, maar voor een Joyfull gaan we weer terug naar route 11: friet en ijs. We blijven er lang hangen; ik ga wat zitten typen. Daarna nemen we weer allerlei kleine weggetjes verder naar het oosten. Rechts van ons is de hoge bergketen, waar we gisteren een stukje van hebben geproefd. Het is heiig en de verste bergen zijn slechts wazig te zien. De lagere bergruggen zijn bedekt met afwisselend sugi en loofbomen, hier en daar met een roodbloeiend azaleaboompje ertussen. Een fraai, indrukwekkend landschap, vooral rond de grote rivieren die we regelmatig moeten oversteken. We rusten kort op een stapeltje stenen langs de weg, in de schaduw van een boom. Zodra we stilhouden, begint het zweet nog harder te stromen… We zitten allebei met de mond open te hijgen. Het voelt minstens 30 graden! We lopen al gauw weer verder. Tegenover een fraai veldje tulpen kopen we maar weer eens een flesje water bij een vending machine. Ik ben af en toe wat duizelig van de warmte en daarom zoeken we nogmaals route 11 op voor een Joyfull. Nóg een ijsje… Pas rond 5 uur lopen we weer verder. Nog 4 kilometer te gaan…

Omdat er geen avondeten is in het hotel waar we zullen slapen en we van voorgaande jaren weten dat in de directe omgeving ervan alleen een restaurant is van het type gaarkeuken, besluiten we onderweg al uit te kijken naar iets eetbaars, restaurant ofwel supermarkt. Een kilometer voor onze overnachtingsplaats vinden we een wegrestaurant met prima nasi en andere Chinees aandoende gerechten. Pas 10 voor 7 komen we aan bij ons hotel. In de vroege avondschemering scheren vleermuizen langs. ‘Chotto shimpai!’, zegt de aardige hoteleigenaar. Hij was al een beetje bezorgd… Ja, daar waren we al bang voor. Elke keer als we ergens na 5 uur arriveren, jagen we de gastheer of -vrouw de stuipen op het lijf. We verontschuldigen ons diep. Eenmaal op de kamer werpen we ons op de wifi. Eindelijk eens snelle wifi! Mels lukt het niet alleen de blog met de foto’s te uploaden, maar eindelijk – na 2 maanden – ook 2 kaarten van Shikoku toe te voegen, waarvan er eentje aangeeft waar we ‘precies’ zijn.

Geplande afstand: 23,1 km, 50 m stijging
Werkelijke afstand: 24,6 km, totale stijging 413 m, totale daling 386 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1096,6 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.26– ca. 18.50 uur
Looptijd: 4,49 uur
Gemiddelde snelheid: 5,1 km/u
Bezochte tempels: tempel 62, 63 en 64
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: Business Hotel Misora (westerse kamer, 2x1p-bed, bureautje met kruk, tv, tv-stoel, badkamer met bad/douche/wc, wifi op de kamer, ontbijt)

Dag 58: maandag 23 april 2012: Leve het kopvod!

Aan de ontbijttafel laat de vrouw naast me zien hoe zich zich vandaag gaat beschermen tegen de zon: handdoeken rond het gezicht met knijpers dichtgehouden, hoed, zonnebril, handschoenen, extra polsmouwtjes. Het lijkt me erg benauwd zo onder die handdoeken. Maar er is 24 graden voorspeld en als we om 10 over 7 de deur uitstappen begint het al aardig op te warmen. Gelukkig zullen we een groot deel van de dag in de bossen lopen. We moeten vandaag vanaf zeeniveau de bergen in om tempel 60 te bezoeken op zo’n 700 meter hoogte en daarna weer afdalen naar dezelfde laagvlakte. Ik krijg van de gastvrouw maar liefst 3 grote citrusvruchten mee; mijn pelgrimstas begint steeds erger aan mijn schouder te trekken. We vertrekken tegelijkertijd met een Japans echtpaar: hij erg timide, zij nogal bazig en betweterig en behept met een harde, schelle stem waarmee ze gisteravond bij het avondeten al elk ander gesprek doodsloeg. ‘We lopen vandaag dezelfde route’, kondigt ze aan. Wij zetten de sokken erin en laten hen al snel ver achter ons.

Eerst moeten we de laagvlakte doorkruisen en onderweg slaan we bij een supermarkt wat eten in voor de lunch. Ik koop er een dunne handdoek die ik om mijn hoofd bind tegen de zon, want de mooie sjaal die ik enkele dagen geleden kreeg, bleek te klein te zijn daarvoor. Leve het kopvod! Ik kan me geen betere manier voorstellen de val van de gedoogconstructie te vieren, waarvan we gisteren via internet hoorden. Ondertussen is het Japanse echtpaar voor komen te liggen. Voor de supermarkt stopt een pickup midden op de weg, een bejaarde man wil ons uitgebreid de weg wijzen. Het duurt even voor we weer door kunnen lopen. Een half uur later roept iemand ‘Oranda!’ Dezelfde man, nu met een fiets, om ons toch nog even de weg te wijzen. Voor het geval dat… Niet lang daarna bereiken we de voet van de bergen. Het is inmiddels 9 uur. We rusten kort in een rest hut om even wat fruit weg te werken.

Een stille, langzaam stijgende bergweg voert ons een langgerekt dal in, langs een fraaie rivier die zijn weg zoekt over grote rotsen. Op de weg ligt een dode slang, aangereden. Tegen de helling staat een vreemd bouwsel in felgeel en -rood. Langs de weg staat een groepje gebouwtjes in dezelfde kleuren; we kijken even binnen in een open loods, nieuwsgierig of het een henro zenkonyado is met gratis koffie, want we weten dat het enige restaurant langs deze route vandaag gesloten is. Maar het blijkt een bedrijfsruimte. Er komt een man aanlopen, veronderstellend dat we geïnteresseerd zijn in de lantaarnachtige windvangers die hij van frisdrankblikjes heeft gemaakt. En of we kaki kennen? Hij geeft ons elk 2 gedroogde vruchten, ze lijken qua smaak en consistentie een beetje op gedroogde vijgen. Leuk! Nu weten we eindelijk wat voor vruchten het zijn waarnaar een van de Mashiko-glazuren is genoemd vanwege de gelijkenis in kleur.

We vervolgen onze weg. Af en toe zijn er apendrollen langs de kant van de weg. In de bergwand zitten regelmatig hele volksstammen kikkertjes te brullen. Tegen 10 uur komen we bij het einde van de weg, waar vandaan een paadje verder de berg op leidt. We rusten er kort in een rest hut, naast een grote tas met dekens, voor de henro die er wil overnachten. Tegenover de rest hut is een bron met geneeskrachtig water. Een echtpaar is druk bezig met het vullen van jerrycans. Even later komt een pickup aanrijden, de laadbak vol met containers. ‘Hoe hoog denk je dat we zitten?, vraagt Mels. Ik denk op zo’n 500 meter; dat denkt Mels ook. Maar de gps geeft 263 meter hoogte aan. Vervelend ding… Het is nog 1,8 kilometer naar de tempel en we moeten blijkbaar nog 450 meter stijgen, dat is gemiddeld 25%…

Het paadje voert langs een idyllisch beekje dat blijkbaar – tijdens het laatste regenseizoen? – behoorlijk heeft huisgehouden. Op vele plaatsen liggen kriskras tientallen boomstammen in de nu vrij droge bedding. Op een bruggetje ligt een enorme steen, er blijkbaar door de woeste stroom neergegooid. Erachter staat een heel veldje hoge bomen met de wortels ernstig blootgespoeld. Af en toe werken we ons moeizaam verder op het paadje, soms klauterend over de rotsen. Ook de regen van de afgelopen dagen heeft het paadje hier en daar erg glibberig gemaakt. De brullende kikkertjes in hun kleine holletjes in de hellingen trekken zich niets van ons aan. Soms kruist ons pad dat van een reuzenregenworm. Enkele keren is er een 1000-poot.

Dan komen we op een punt waar het pad totaal verwoest is door het woeste water; een dun touw leidt ons verder de berg op, weg van het beekje en het oorspronkelijke pad; af en toe moeten we ons optrekken eraan. Pas om kwart over 12 bereiken we de tempel; we hebben 1 uur en 3 kwartier gedaan over het paadje, langer dan vorig jaar door al het geklauter. Rond het poortgebouw staan enorme sugi. Als we het tempelterrein oplopen, klinkt er een snerpende stem vanaf een wat hoger gelegen deel: ‘Why are you so late?’ Ze wil uitgelegd hebben waarom we op de laagvlakte zo snel liepen en nu pas na hen de tempel hebben bereikt. In het stempelkantoor leg ik haar uit dat we geen bergen hebben in Nederland en dat we daarom zo langzaam zijn in de bergen… Ze zet de handen in de zij, gooit haar hoofd achterover en laat een harde, schelle lach houden. Ik kan me net bedwingen mijn vingers niet in mijn oren te steken.

Mels en ik eten onze meegebrachte lunch op in een gebouwtje met tafels en banken, terwijl het Japanse echtpaar nog even naar een uitzichtspunt vlakbij loopt om een blik te werpen de hoogste berg van Shikoku, die (volgens ons routeboekje) vanuit deze tempel in 8 uur lopend is te bereiken. ‘Niets te zien’, vertelt ze even later. ‘Veel te heiig.’ Als Mels haar in het Japans verbetert wat betreft de hoogte van die berg – voor getallen moet je bij Mels zijn… – slaat ze met de handen op de knieën. Ze rolt bijna om van het lachen. Een echte dijenkletser. Verschrikt kijken wat mensen om. Terwijl het stel alvast vertrekt, voeren wij de rituelen uit en genieten we van de fraaie omgeving. De helling achter de tempelgebouwen is helemaal bedekt met rhododendrons, helaas nu nog in de knop. Elders staan enkele bloeiende sakura’s en een mooi in vorm gesnoeide roodbloeiende camelia. In een tuintje naast de hoofdtempel ontdekt Mels enkele grote morieljes. Vorig jaar werden er bij dit tempelcomplex werkzaamheden verricht aan een talud, nu staat een van de tempelgebouwen in de stijgers. Om 1 uur wordt het tijd weer af te dalen. Eerst over een onverhard pad, langs een hele serie oranje poorten met ernaast behoorlijk ontsierende boswerkzaamheden, dan via een smalle weg die fraai kronkelt langs berghellingen en over bergruggen. Langs de weg staan hier en daar paarsbloeiende azaleastruiken, dan weer is de grond bedekt met paarse viooltjes. De bergen rondom zijn bedekt met dichte sugibossen.

Daarna lopen we over een klein paadje dat heel lang op en neer kronkelt op zo’n 400–450 meter hoogte. Het is bezaaid met verse plukjes sugiloof en later ook met afgevallen jong blad van loofbomen; stormschade van gisteren. Dan stort het paadje zich in de diepte en zien we in de wazige verte weer een stukje van de laagvlakte: de kuststrook met havenindustrie. Eindeloos zigzagt het pad steil naar beneden. We krijgen er knikkende knieën van. Het laatste stuk naar het dal voert weer over de weg. De hellingen zijn hier bedekt met gemengd loofbos in vele tinten groen. Ertussen staat hier en daar een roodbloeiende azalea. Langs de weg staan vele, vele groenbladerige Japanse esdoorns.

Pas even na 4 uur bereiken we weer het dal en het is al half 5 geweest als we bij tempel 61 aankomen. Er staat een mooie oude sakura te bloeien, met lichtroze dubbele bloemen. We waren bang dat het stempelkantoor al dicht zou zijn, maar dat valt mee. ‘You look tired’, zegt de stempelmonnik. Ja, dat kan wel kloppen… Van een andere stempelmonnik krijgen we elk 2 broodjes. Na het stempelen berg ik mijn boekje weer op. Plotseling is er een harde klap op mijn rug. En een snerpende lach. Zucht.

Rond kwart over 5 melden we ons bij onze overnachtingsplaats een kleine kilometer verderop. Tijdens de eerste pelgrimstocht hebben we overnacht in het gastenverblijf van tempel 61, het tweede jaar in een ryokan even verderop, maar beide keren beviel het niet zo. De ryokan die we nu hebben uitgezocht – een tip van Morin, de Fransman die we vorig jaar tegenkwamen – ziet er heel wat beter uit. Een gedistingeerde gastvrouw op leeftijd (78 blijkt later…) laat ons binnen in het mooi ingerichte, goedonderhouden huis. We mogen kiezen: een normale Japanse kamer met laag tafeltje en zitkussens of een Japanse kamer met hoge tafel gemaakt van een langwerpige boomschijf met rotan krukken. We gaan voor de tafel. En voor de mooie inrichting eromheen: keramiek in vitrines en in de tokonoma. In de dramatische donkere kleuren waardoor Bizen-keramiek gekend is: ijzerrijke klei, ongeglazuurd en houtgestookt.

Bij het avondeten – dat we delen met 1 andere loophenro – vertelt de gastvrouw dat ze keramist is, hoewel de laatste tijd de minshuku voor gaat. Wij geven onze visitekaartjes. Ze komt er gezellig bij zitten met een wijntje. ‘Weten jullie dat jullie vandaag maar 4 kilometer hebben afgelegd?’, vraagt ze lachend. Ja, dat weten we… dat er maar 4 kilometer zit tussen de vorige en deze ryokan, maar we zijn ondertussen wel even een berg op geweest…

Na het eten loopt ze met ons mee naar een apotheek, want mijn gezicht ziet er zorgwekkend rood en gezwollen uit. Door de donkere straten keren we weer terug, de eerste sterren aan de hemel; een lekker fris avondwindje op het gezicht, de katten in concert, dartele vleermuizen in het licht van een lantaarn, lotion en peperdure zonnebrandcrème rijker.

Geplande afstand: 21,7 km, 700 m stijging
Werkelijke afstand: 25,8 km, hoogste punt (tempel 60) 726 m, totale stijging 1189 m, max. helling 40%, totale daling 1166 m, max. helling 20%
Cumulatief afgelegde afstand: 1072,0 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.09– ca. 17.15 uur
Looptijd: 5,43 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: tempel 60 en 61
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: minshuku Suzu (1 kamer 8 tatami’s groot met kastenwand / tokonoma, 1 tafel met 6 6 rotan krukken, vitrines met keramiek, matig avondeten, matig ontbijt)

Dag 57: zondag 22 april 2012: Zoveel tempels…

We dralen lang aan de ontbijttafel. Zoveel lekkers. En bovendien… buiten regen… Maar uiteindelijk pakken we onszelf en de rugzakken toch maar weer in tegen de nattigheid. Het frame van Mels’ rugzak – een grote kunststof plaat – is ingestort, hebben we dit weekend geconstateerd, maar er is geen reparatiemogelijkheid, dus hij gaat gewoon weer om; hopelijk geeft het geen extra problemen voor zijn rug. Bij de ingang van het hotel staat de ober van gisteravond. Om nog even dag te zeggen. Mels zegt dat hij de pelgrimstocht ook eens zou moeten doen, maar de man schudt nee: last van knieën en allerlei andere dingen. Misschien als hij gepensioneerd is… Maar hij wenst ons een bijzonder goede tocht toe. We zwaaien. Tot onze verbazing is het droog als we het hotel uitlopen.

We hebben voor vandaag geen zwaar programma gepland: zo’n 20 kilometer lopen en 2 bangai-tempels bezoeken, maar die 2 zitten wel in het laatste deel van de dagroute, dus we moeten ze halen voor half 5. Eerst moeten we weer terug het huchtje over om terug te komen op de henroroute. We verlaten bijna meteen de grote weg, om onder het spoor en de snelweg door te komen op de weg die over een volgend huchtje voert en uitkomt in het brede dal dat haaks staat op de noordelijke kust en waar niet alleen de tempels zich bevinden, maar ook onze overnachtingsplaats. Aan de overzijde van het dal staan op een lange rij de dreigende donkere bergen waar we morgen naar toe zullen gaan, vaag achteraan staat de hoogste berg van Shikoku: Ishizuchi-san, 1982 meter hoog. Sneeuw is er dit jaar niet te zien op de toppen; wel hangen er donkere regenwolken boven de bergen. Elke keer als we het dal binnenlopen, lijkt de rest van het dagtraject een peulenschil. Maar we hebben nog minstens 12 kilometer te gaan. De laagvlakte is bezaaid met gehuchten. Allerlei wegen voeren ons verder het dal in en door het dal verder naar het zuiden. In tuinen bloeien witte en blauwe wisteria en soms een jasmijn en er zijn vele hagen met rode of roze bloeiende azalea’s. De velden staan vol met bijna volgroeide rijstplanten. Tegen 11 uur zien we een zwaailicht. Een tentje met takoyaki: weke meelballen met inktvis, overgoten met een pittig sausje. We vragen om koffie. Er is alleen instanto, maar dat vinden we ook prima. En we bestellen gelijk wat ballen, want we verwachten verder geen restaurant meer tegen te komen. We krijgen er zoetebonenpastei en -broodjes bij. We trekken onze regenkleding uit, want het is er eigenlijk te warm voor. Als we afrekenen, hoeven we alleen de helft van de balletjes te betalen, de rest is allemaal osettai. Wij geven osame fuda’s die meteen op worden gehangen. In de supermarkt er vlak na kopen we nog wat cake, bij gebrek aan redelijk brood, en wat Yakult, en vervolgen dan onze weg.

Plotseling steekt er een storm op. We kunnen ons er nauwelijks tegenin worstelen, soms worden we alle kanten uitgewaaid. Overal wippen golfplaten op daken op. Van alles staat te klapperen. Enkele houders met vlaggen vallen omver. Even verderop liggen midden op straat eterniet dakplaten in stukken gebroken. Het is uitkijken. Ik houd mijn ogen toegeknepen om gezandstraalde contactlenzen te voorkomen. Een groepje palmbomen staat in de stormwind hevig te fluisteren met hun grote, droge bladeren. Om 12 uur gaan de sirenes af; overal om ons heen stijgt hondengehuil op. We lopen allebei te hijgen, niet alleen van vermoeidheid door het vechten tegen de wind in, maar ook door de suzushi, het warmvochtige weer. We druipen, onze kleren zijn door en doornat van het zweet. Vooral als de weg ook nog eens gestaag stijgend de bergen inloopt naar bangai 10. Langzaam, heel langzaam neemt de wind weer wat af. Rond half 2 komen we aan bij een mooi oranje, rondgebogen bruggetje over een diepgelegen beekje, links en rechts staan kleine geelwitte irisjes. Het paadje na de brug stijgt nog wat verder tot de tempelpoort, waar op het plaveisel grote reuzenregenwormen krioelen. Een loophenro geeft ons 2 ansichtkaarten met zijn naamkaartje erbij. Na de poort loopt het pad verder omhoog, met af en toe met wat treedjes, geflankeerd door steeds grotere sugibomen. Links, verscholen in de diepte, is een kabbelend beekje te horen. Het pad voert langs een grote rots, het oppervlak doorsneden met barsten waar muntjes in zijn gestopt. Als je ergens terug wilt keren, laat je een muntje achter… Een reuzenregenworm kruipt langzaam uit een barst. Even verder zijn de resten te zien van een reusachtige boom: van de enorme stronk staan alleen de contouren nog. Verder omhoog leunt een stokoude kamferboom tegen een grote sugi die daar blijkbaar geen bezwaar tegen heeft. En overal zijn grote groenbladerige Japanse esdoorns. In het najaar moet het hier een groot, roodgekleurd feest zijn. Het laatste deel naar de tempelgebouwen bestaat uit brede, natuurstenen trappen – in totaal zijn er 300 treden horen we later van de stempeldame – waarvan de treden bedekt zijn met paarse en enkele bleekpaarse, bijna witte viooltjes, en soms een varentje. Het is een sprookjesachtig mooi valleitje.

Als we bijna boven zijn, gaat het weer wat regenen. We bezoeken eerst het stempelkantoor en gaan dan even zitten onder het afdak boven een groot wierookvat om wat te eten. De aardige stempeldame komt een praatje maken en geeft ons 2 ansichten van de tempel. Haar kleine beige poedeltje komt af en toe wat bedelen; haar zoontje probeert ons te betrekken bij het verstoppertje spelen. Bij de tempelgebouwen staan ook weer 2 enorme stronken van gestorven woudreuzen. Boven beide stronken is een afdakje gemaakt en om de stronken heen is een dik gevlochten touw gehangen met witte papieren slingers eraan, iets wat in Japan veelvuldig is te zien bij Shinto-heiligdommen en rond grote bomen. De stempeldame wijst ons op een pijp waar water uitkomt. Water dat onder de reuzenstronken door is gelopen en dus geneeskrachtig is. Een jonge vrouw komt er net wat flessen vullen. Ik drink er ook wat van.

Heen en weer hollend door de regen voeren we de rituelen uit en dalen dan weer voorzichtig af van de vele trappen, uitgezwaaid door de stempeldame. De regen is al bijna weer opgehouden als we terug zijn bij de brug. De weg voert ons verder terug in het dal. We lopen omzichtig om een adder adder (Mamushi, de meest giftige slang van Japan) heen die op de weg ligt te zonnen, uiteraard na het nemen van wat foto’s… In een moestuin is een vrouw aan het werk, ze zwaait enthousiast naar ons. Ik ben druk bezig foto’s te nemen van het mooie uitzicht, als er even later een scooter achter ons stopt: dezelfde vrouw met een zak grote sinaasappels. Voor ons.

Dit jaar zien we dit dal voor het eerst vanaf deze invalshoek, afdalend van bangai 10, en het uitzicht is erg verrassend: links kunnen we de Japanse binnenzee zien met talloze eilanden, achter het brede dal, dat bezaaid is met bebouwing, staan vele rijen uitlopers van de hoge bergen recht voor ons. Voor de donkere, hoge bergen in vele grijstinten staan hier en daar nog lage heuvelruggen vol lichter groen van sugi en bamboe.

Bangai 11 is slechts enkele kilometers verderop en we zijn er al snel. De tempelgebouwen en de bergen erachter worden mooi weerspiegeld in een meer. Ik maak vele foto’s, maar als ik bezig ben met het fotograferen van de poort, zegt Mels langzaam: ‘Dit is niet de goede tempel. De naam klopt niet.’ De echte bangai 11 ligt nog een kilometer verder… Ach, er zijn ook zoveel meer tempels op Shikoku dan de 88 plus 20 die wij bezoeken… De grote tempel een kilometer verderop blijkt echter een Shinto-tempel. Ernaast vinden we eindelijk bangai 11, een vrij onopvallend complex midden tussen de stedelijke bebouwing. Naast de hoofdtempel ligt het karkas van een reuzenboom, een afdak erboven. We gaan even op een bankje zitten om de sinaasappels op te eten, maar die blijken niet lekker, veel te uitgedroogd. We offeren ze bij een schrijntje…

Daarna is het nog geen 2 kilometer naar onze ryokan, over de weg, door de stedelijke bebouwing. We hebben er al tweemaal eerder gelogeerd en worden – voor hun doen – hartelijk verwelkomd. De gastvrouw ziet eruit als een goed-Gereformeerde oude zuurpruim en ook de gastheer komt tamelijk nors over, maar ze hebben een hart van goud. De was kunnen we gratis laten doen. Osettai! En morgen zullen ze weer onze bagage brengen naar de volgende ryokan, zodat wij wat lichter de berg op kunnen lopen naar tempel 60. Ook osettai! Het eten wordt, zoals altijd, zwijgend opgediend, maar onze gastvrouw vertelt en passant wel even trots lachend aan de andere 6 loophenro’s aan tafel – 2 echtparen en 2 mannen alleen – dat wij voor de derde keer lopen én bij hen logeren.

’s Avonds op tv zien we beelden van de zware storm: omgevallen vrachtwagens, kleine boten aan flarden, golven die beuken op de kust, etc. Mels constateert dat mijn gezicht weer rood en opgezet is, net als voorgaande avonden, als een masker. Voorgaande tochten werd ik ook steeds roder en roder, maar nu is het wel helemaal erg…

Geplande afstand: 20,2 km, 200 m stijging
Werkelijke afstand: 20,3 km, hoogste punt (bangai 10) 263 m, totale stijging 641 m, totale daling 630 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1046,2 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.25– ca. 16.25 uur
Looptijd: 4,14 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: bangai 10 en 11
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Sakaeya (1 kamer 6 tatami’s groot met tokonoma, 1 tafeltje, tv, matig avondeten, matig ontbijt)

Dag 56: zaterdag 21 april 2012: Wil de ware henro opstaan?

Om kwart over 8 zitten we allebei klaar voor de herhaling van de tv-uitzending waarvoor we geïnterviewd zijn. Dankzij een mailtje van Dolf, waarin hij zich bijzonder kritisch uitliet over de uitzending, zijn we op het ergste voorbereid: het blijkt een egodocument rond de interviewster, een voormalig fotomodel met weinig intelligentieniveau; ze ‘proeft’ kort van de diverse aspecten aan de pelgrimstocht op Shikoku. Maar het heeft allemaal weinig diepgang. Het doet me denken aan de serie De Wandeling, waarin enkele maanden geleden viermaal een bekende Nederlander werd meegenomen naar Shikoku. Ook dat had weinig met de werkelijkheid te maken… Ik denk dat de Japanse tv hierin weinig verschilt van de Nederlandse: je neemt een bekende Nederlander en laat hem een onderwerp presenteren waar hij of zij niets vanaf weet; succes verzekerd… Vooral Mels ergert zich. Toch zitten er een paar mooie opnamen in het programma zoals van de indrukwekkende tempeldienst in bangai 4. En, oh ja, wij zijn ongeveer 20 seconden in beeld… Wij weten het hele programma van een half uur uit te zitten en missen daardoor bijna het ontbijt in Detroit. En dat zou pas echt zonde zijn geweest, want het is het beste ontbijt dat we ooit hebben gehad.

Terwijl Mels beneden gaat internetten via i-phone en hotel-computer, werp ik me in de hotelkamer op de laptop. In de spiegel boven het bureau kijk ik aan tegen een rood hoofd vol bobbels en schilfers, slechts iets beter dan gisteravond. Voor de lunch gaan we weer naar Detroit. In de hal lopen bruiloftsgasten in en uit; de bruid en bruidegom in traditionele Japanse kledij. De lunch is weer goddelijk. Tijdens het eten praten we over de wijze van reizen tijdens een pelgrimstocht. Iemand noemde ons eens luxe-henro’s en ook Yoshi zei een paar dagen geleden tegen ons ‘You must be rich!’ toen wij vertelden hoeveel tijd we hadden uitgetrokken voor de tocht. Want elke overnachting, elke restaurantmaaltijd kost natuurlijk geld en hoe langer je erover doet hoe duurder de reis wordt… Tim reisde op een heel andere manier, zoveel mogelijk gebruikmakend van gratis overnachtingsplaatsen en maaltijden. Zonder gps en fototoestel. Niet plannend, zonder ook maar 1 overnachtingsplaats te reserveren. Is dat ‘beter’? Zouden wij dat ook eens moeten proberen? Maar ja, dan moet je wel een tent en slaapzak meesjouwen, en ook eten, voor het geval dat… En met onze ruggen en voeten… Wanneer is een pelgrimstocht ‘goed’? Zijn er ‘betere’ of ‘slechtere’ manieren? Is een tocht per fiets, auto of bus ‘minder’? Allemaal oordelen. Allemaal keuzes die je zelf moet maken. We vinden het allebei erg prettig zeker te zijn van een warme overnachtingsplaats, hoe eenvoudig ook. Ik weet uit ervaring dat ik ’s ochtends niet meer overeind kan komen in een klam tentje, de botten pijnlijk en stram. Ook de pelgrimstocht sneller afleggen door meer kilometers per dag te lopen, is geen optie voor mij: dat lukt gewoonweg niet meer. En we vragen ons ook af of het fair is een gratis overnachtingsplaats te vragen, terwijl we het allebei wel kunnen betalen en iemand anders het wellicht harder nodig heeft. Ook ‘service’ vragen bij koffiehuizen en restaurants, zoals sommige henro’s doen als ze gratis koffie of maaltijden willen, vinden we voor onszelf niet kunnen: de middenstand hier kan ook niet van de lucht leven. Het is wat anders als iemand uit zichzelf wat aanbiedt, dat is eigen keuze. ‘Ach, iedereen doet maar wat, maar sommige mensen met meer overtuiging’, zegt Mels en daar ben ik het volledig mee eens…

’s Middags verdwijnt Mels met de laptop naar beneden voor het uploaden van de blog en verder internetten; ik maak dankbaar gebruik van het waslijntje boven het bad, even wat wasjes wegwerken. Ik neem kort een kijkje op het balkon. Het is in de loop van de dag steeds bewolkter geworden, hoewel de voorspelde regen uitblijft, maar het is lekker de balkondeuren de hele tijd open te hebben. In de verte is de zee te zien met wat eilanden. Mooi, verstild. Dichterbij zijn er vele hotelgebouwen en parkeerplaatsen. De bodem van het balkon loopt schuin af, waardoor het voelt alsof het hele balkon er elk moment af kan vallen. Ik blijf niet lang.

Het is heerlijk zo’n vakantiedag in een luxe hotel door te brengen: bedden, stoelen, een eigen badkamer, alles schoon en ruim ook, en natuurlijk heerlijk eten. Maar tegelijkertijd missen we allebei het lopen. En ook de gezellige sfeer in de meeste ryokans en minshuku’s, de betrokkenheid van de gastheer of gastvrouw. Een hotel is zoveel onpersoonlijker. Maar als we tijdens het avondeten een fles Chablis bestellen – door Mels ontdekt tussen alle aanwezige plonkwijnen – en aan de aardige, iets Engels sprekende ober vertellen dat we onze 1000-ste kilometer vieren, raken we met hem in gesprek over de pelgrimstocht. Hij blijkt zeer geïnteresseerd. Plotseling is er echt contact. Leuk.

Tijdens het avondeten praten we over het verloop van de tocht. We voelen ons de laatste weken allebei meer in tune. Vredig. Wat stress op loopdagen met volle programma’s daargelaten. In het ‘normale’ leven hebben we allebei de neiging ons te laten meeslepen door hetgeen zich aandient, altijd druk, druk, druk, maar wel leuk druk… Terwijl we allebei de behoefte hebben meer aandacht te besteden aan spirituele ontwikkeling. Hoe houd je dat gevoel vast? Welke wegen zouden we verder willen bewandelen? ‘Wil je een orgasme beleven of wil je er vooral over lezen?’, heeft Mels eens gevraagd aan zijn toenmalige baas, die her en der ‘proefde’ van allerlei ‘wegen’ door er vooral over te lezen. ‘Lees jij ook niet veel?’, vraag ik prompt. ‘You teach what you have to learn’, is zijn repliek.

Mels verdwijnt ’s avonds weer met de laptop naar beneden. Ik duik met mijn boek het bed in, maar val al gauw in slaap. Het wordt niets meer met dat boek…

Geplande afstand: 0 km
Werkelijke afstand: 0 km
Overnachting: hotel Ajour (ruime westerse kamer, 2x1p-bed, bureau met stoel, tv, koelkast, zitje met bank/tafel/fauteuil, badkamer met bad/douche/wc, balkon met uitzicht op zee en eilanden, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt westers/Japans)

Dag 55: vrijdag 20 april 2012: Ichi go ichi e

De ochtenddienst om 6 uur wordt geleid door de priesterzoon, die met zijn mooie Robby the Robot-stem de ene na de andere soetra reciteert en daarna nog een preek houdt. Sotozo en Tim nemen na de dienst afscheid van ons. ‘Tot in Nederland of Frankrijk’, zegt Sotozo. Hij geeft ons een osame fuda en 2 belletjes/amuletjes met gezichtjes van de 2 hemelse koningen die bijna altijd de tempelpoort links en rechts flankeren: de Kongō rikishi of Niou-zō, door ons al tijdens onze eerste pelgrimstocht ‘boze mannen’ gedoopt, omdat ze altijd zo afschrikwekkend kijken. Ze staan er om het kwaad buiten te sluiten. De rechter altijd met open mond, de linker met gesloten mond, A-gyō en Un-gyō verbeeldend, de eerste en de laatste klank van het Japanse alfabet. De alpha en de omega…

Langs de muren van de eetzaal staan wat tafels met koopwaar zoals amuletjes. Ik vraag Yoshi wat de bedoeling is van wat dunne houten plankjes met Japanse karakters. Het blijken ansichtkaarten te zijn, met teksten als ‘Arigato’ – dankjewel. Mels kiest er eentje uit om naar Finn te sturen en vraagt Yoshi naar de betekenis van de karakters. ‘Kizuna’, zegt hij. ‘Dat betekent menselijke verbondenheid…’ Een vreemd toeval. Dat is precies wat Mels wilde sturen.

We hoeven vandaag maar 8 kilometer te lopen naar onze volgende overnachtingsplaats, een (relatief) luxe hotel waar we ook meteen 1 dag vakantie zullen houden. Daarom zijn we in eerste instantie van plan pas om 12 uur te vertrekken, maar we voelen ons een beetje schuldig zo lang de kamer bezet te houden, omdat rondom ons heen al het personeel zo hard aan het werk is. Daarom vertrekken we uiteindelijk toch niet al te laat, tegen half 10. Ik probeer nog een foto te nemen van het uitzicht, maar er is alleen maar een grijs niets te zien rondom de berg. We worden uitgezwaaid door de vrouw en schoondochter van de priester en de jonge vrouwelijke monnik: ‘Happy you were here.’ Mels toont hen op de valreep nog even de vele mogelijkheden van de i-phone. De jonge monnik noteert de namen van de programmaatjes die Mels gebruikt om Japans te leren. Zij is bezig met Hindi en kan wel zo’n gratis app gebruiken op de computer. De rituelen bij de tempel voeren we uit in de zacht vallende regen. Bij het stempelkantoor praten we nog even met de priesterzoon die mijn boekje stempelt. Hij prijst onze langzame methode om de pelgrimstocht af te leggen. ‘Mijn vader zegt altijd tegen henro’s: ‘Laat je horloge en visitekaartjes thuis. Neem de tijd.’’

Langzaam dalen weer het bergpaadje af in het mooie valleitje. Het beekje stroomt weer. Op en langs het pad zijn er af en toe weer reuzenregenwormen, met wonderlijke iriserende kleurschakeringen als de kruipspieren worden samengetrokken. Al snel houdt het helemaal op met regenen. Op het vervolgpaadje naar een volgend dal is er eenmaal een krabbetje met felrose en -rode schaaldelen. Het fraaie paadje wordt omgeven door paarse azalea’s, maar het afdalen valt door alle nattigheid niet altijd mee en vooral de hoge treden zijn moeizaam te nemen.

Eenmaal weer op de laagvlakte, voeren allerlei weggetjes ons langs akkerland met af en toe een gehuchtje. Af en toe kruisen we een grotere weg. Om half 12 vinden we een lunchrestaurant. Ik ga meteen even wat typen, terwijl Mels in slaap valt, en pas om half 2 lopen we door. Een van de medewerksters van het restaurant rent ons achterna: de andere kant uit is een kortere weg. Bij het stoplicht linksaf. Maar het stoplicht is erg ver weg en de grote weg ernaartoe wel erg druk en daarom slaan we uiteindelijk wat eerder af om via wat kleinere weggetjes weer de pelgrimsroute op te pikken. Een auto stopt: dezelfde medewerkster. We hadden het blijkbaar niet goed begrepen? Jawel…

Vlakbij tempel 59 is een zaakje waar handdoeken machinaal worden geborduurd. De overenthousiaste eigenaar tracteerde ons 2 jaar geleden op ijs en geborduurde handdoekjes met zelfgekozen teksten; vorig jaar was het bedrijfje gesloten. Terwijl we tempel 59 naderen, vraag ik aan Mels wat voor tekst hij er nu op zou laten zetten, als we hetzelfde aanbod zouden krijgen, misschien ‘Ichi go ichi e’ soms, ‘Een speciaal moment’? ‘Inderdaad, dat is precies wat ik zou willen!’, roept hij uit. Bij tempel 59 zijn 2 grote groepen bushenro’s opgesteld in rotten van 5 om onder leiding van hun priester de soetra’s te reciteren. Een man speelt op een bamboefluit een mooi Japans lied ter begeleiding. Een bijzondere sfeer. Af en toe komen mensen op ons af om even te praten; een man geeft ons allebei een hangertje voor aan de tas of jas. Veel mensen lopen langs een grote, granieten vaas waar je met je handen overheen kunt wrijven om van allerlei ziektes te genezen. Ernaast staat een groot granieten standbeeld van Kukai. In zijn uitgestoken hand past precies een mensenhand en als je hem een hand geeft, ontvang je ook genezing. Uiteraard doen wij mee.

Het bedrijfje in geborduurde handdoeken blijkt open te zijn en we lopen er even binnen om te kijken of de foto’s die er 2 jaar geleden van ons en onze handdoekjes gemaakt zijn, aan de muur hangen. Er is een jonge vrouw aan het werk; ze roept meteen haar man erbij. Uit een grote stapel foto’s vist hij de onze. We krijgen ze mee in een envelop en natuurlijk ook elk ijs en… een grote geborduurde handdoek. Welke tekst we erop willen? De man wijst dat ik maar achter de computer moet gaan zitten om de tekst in te typen. ‘Ichi go ichi e?’, vraagt Mels. Ik vraag me af waar hij het vertrouwen vandaan haalt dat ik dit zomaar in Japanse karakters uit kan typen… maar dan kijk ik naar het beeldscherm: het staat er al, zonder dat ik een vinger heb uitgestoken… Onverklaarbaar…

In een klein straatje springt een vrouw van haar fiets om een praatje te maken. Het gesprek komt op de ramp van vorig jaar. Ze vertelt hoe ze had moeten huilen om de beelden van achtergebleven huisdieren. Ja, die televisiebeelden staan ook op mijn netvlies gekerfd. Zoveel verschrikkingen… Sommige dingen zijn té erg… Ook op deze relatief makkelijke dag blijken de geplande kilometers tamelijk rekbaar te zijn. Uiteindelijk moeten we anderhalf maal zoveel kilometers lopen als gepland. En tot slot nog een klein huchtje over, een haast Europees aandoende heuvelrug met fraai gemengd bos. Aan de achterkant ervan is een heel cluster van grote hotels. Bij binnenkomst rennen 3 medewerkers op ons af om te knipmessen en op de gong te slaan, tweemaal, voor elke binnenkomende gast een dreun. Er gaan zelfs 2 knipmessen mee de lift in, maar onze rugzakken laten we niet dragen… De eigenaar buigt diep naar ons als de liftdeuren sluiten; we kunnen niet terugbuigen, de lift is te klein… Het is dan wel een sjiek hotel en het duurste tijdens onze reis op Shikoku, maar helaas kunnen we er niet onze kleren (laten) wassen en wifi is er alleen in hal… Na een heerlijk bad is mijn gezicht weer bedekt met grote donkerrode vlekken en bobbeltjes. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat dit van de zon is – die was er niet veel vandaag – en neem me voor mijn gezicht niet meer te wassen met de hotel- of ryokan-soap.

De naam van het restaurant bij het hotel had me even op het verkeerde been gezet. Ik dacht bij Detroit meteen aan een jazzpianist, steak en misschien wat retromeubels en -posters. Maar de zoldering lijkt meer op die van het namaak-Venetië in Las Vegas: wolkjes in een blauwe hemel; de inrichting van de grote eetzaal is wat nietszeggend en kitscherig, met schilderijen van de Notre Dame (niet helemaal gelijkend…), andere Franse scènes uit de negentiende eeuw en 2 ernstig nadenkende engeltjes die je in het Westen ook veel ziet op ansichtkaarten en posters. Het eten is helemaal Japans en overheerlijk, met leuke verzinsels als een jacobsschelp op geflambeerd zand en kiezelstenen.

Geplande afstand: 8,6 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 12,7 km, hoogste punt (beginpunt) 261 m, totale stijging 241 m, totale daling 432 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1025,9 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.30– ca. 16.20 uur
Looptijd: 2,30 uur
Gemiddelde snelheid: 5,1 km/u
Bezochte tempels: tempel 58, 59
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: hotel Ajour (ruime westerse kamer, 2x1p-bed, bureau met stoel, tv, koelkast, zitje met bank/tafel/fauteuil, badkamer met bad/douche/wc, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt westers/Japans)

Dag 54: donderdag 19 april 2012: Toevallige ontmoetingen

Ik werk een uurtje aan het dagboek om de afgelopen dagen ‘in te halen’, maar om 9 uur wordt het tijd te vertrekken, ook al hebben we een relatief makkelijk dagprogramma voor de boeg: 15 kilometer lopen, 4 tempels bezoeken, alleen aan het eind een bergje op naar de 5e tempel, waar we zullen slapen. Het is bewolkt; er is regen voorspeld, maar voorlopig komt regelmatig de zon tevoorschijn en is het warm. We hebben behoorlijk tegenwind, het lijkt wel of de wind de hele tijd tegen de klok in waait rond dit eiland terwijl wij met de klok meelopen. Of is dit hetzelfde systeem als ’s ochtends op de fiets naar je werk altijd wind tegen, ’s avonds naar huis weer wind tegen?

Tegen 10 uur zijn we al bij het huchtje met de eerste tempel en lopen er Sotozo Tanaka tegen het lijf. ‘Hayai!’, zegt hij tegen ons – ‘Jullie zijn snel!’ – en wijst op de snelle BMW Z4 waarmee hijzelf is gekomen. Nee, hij heeft geen last van zijn voeten, reist gewoon even makkelijk. Terwijl hij ons voorstelt aan zijn vriend Keio, een vroegere collega van Honda, en de eigenaar van de auto, schuift er een stel met een koffer vol rollen, boeken en jasjes voor me bij het stempelkantoor. Wij kletsen ondertussen gezellig bij. Af en toe praat Sotozo wat voor zich uit, via de i-phone in contact met zijn vrouw in Tokyo – het oortje de hele dag in zijn ene oor. Hij reist vandaag verder met zijn vriend, maar misschien zien we elkaar nog? Dat lijkt ons onwaarschijnlijk, tegen een BMW Z4 kunnen wij niet op… De aardige stempelmonnik herkent ons van vorig jaar, maar veel tijd om te praten is er niet, er staan meer henro’s te wachten. We zwaaien als we vertrekken.

Bij het verlaten van het tempelcomplex zien we in een flits een langneus voorbij lopen. Het gaat zo snel dat we allemaal alleen maar ‘Konnichiwa’ zeggen en dan doorlopen. Maar prompt vergeten we linksaf te slaan en als we via wat zijweggetjes toch weer de route oppakken, komen we bij toeval langs een koffiehuis. Dat treft, want we weten uit ervaring dat we anders voorlopig niets waren tegenkomen…  De koffie mogen we niet afrekenen. Osettai van de eigenaar. Allerlei weggetjes voeren ons verder door het agrarisch gebied, af en toe over een klein heuveltje huppelend. Een boer is bezig zijn akkertje te ploegen. Hier en daar staat een veldje al volwassen rijst. Na een kleine klim komen we op een enorm uitgestrekte begraafplaats. Vorig jaar werden we hier overvallen door onweer en door een passerende vrouw uitgenodigd in haar huis en verwend met koffie. Dit jaar houden we het nog steeds droog. Maar als we aan het eind van de begraafplaats de hoek omzeilen, lopen we tegen dezelfde hartelijke vrouw aan, net bezig haar tuindeur af te sluiten om boodschappen te gaan doen. We herkennen elkaar meteen en de deur gaat onmiddellijk weer van het slot. Zittend op kussentjes op het verhoogde deel in de hal krijgen we steeds opnieuw iets lekkers: fris on the rocks met koekjes, gloeiendhete oshibori om de handen schoon te maken, koffie… De klompjes die we vorig jaar gaven, staan op het kastje in de hal. Deze keer geven we cocktailprikkertjes met Delftsblauwe vlaggetjes. We maken foto’s van elkaar, in de hal en in de tuin. ‘Oh, dit moet ik mijn vriend(in?) vertellen die in tempel 58 werkt. Dat jullie hier voor de tweede keer zijn!’, roept ze uit. En ze vraagt of ze ons misschien een lift kan geven, maar dat slaan we af. ‘Kamo mata ne!’, misschien tot ziens…

‘Wat een heerlijke dag!’, zeggen we af en toe tegen elkaar. Geen overvol dagprogramma, geen nog te halen laatste tempel en het lopen gaat ook lekker vandaag, maar nog veel meer dan dat zijn het de leuke ontmoetingen die de dag zo fijn maken. We raken onderweg aan de praat over ‘eenheidsgevoel’, het je een willen voelen met het ‘al’, met de hele schepping. Een diep verlangen in elk mens, dat zo gauw ondergesneeuwd raakt door de dagelijkse waan. We vinden het allebei fijn dat we de tijd nemen voor deze pelgrimstocht. ‘Resu wa ja arimasen’, zegt Mels vaak tegen andere henro’s die 45 kilometer of zelfs meer op een dag doen, als we uit moeten leggen waarom we zo ‘weinig’ afleggen op een dag: ‘Het is geen race…’

Langzamerhand lopen we Imabari binnen, een wat grotere stad waar de volgende tempel zich bevindt. Ook de aardige stempelmonnik van tempel 55 herkent ons. ‘Kamo mata ne!’, zeg ik tegen hem: ‘Misschien tot ziens.’ ‘I will be waiting for you!’, antwoordt hij met een buiging en geeft ons ten afscheid 2 blikjes (koude) koffie mee. Bij de tempelgebouwen zien we de Canadese zen-monnik terug. ‘Hi, friend of Ted’, groeten we hem; hij blijkt zelf Tim te heten en 51 jaar oud te zijn. We blijven opnieuw lang staan praten. Over toevallige ontmoetingen. Tim blijkt ook een dag met Sotozo Tanaka te hebben opgetrokken. In Matsuyama zijn ze samen naar de onsen geweest, Sotozo had ergens een fiets gepakt en even verderop een deur opengetrokken en daar om een tweede fiets gevraagd. En gekregen. Op de terugweg waren ze de weg kwijtgeraakt en ook toen had Sotozo overal deuren opengetrokken om navraag te doen. Sotozo ten voeten uit. Tim vertelt ook over zijn interesse in haiku’s. Matsuyama is de geboorteplaats van de bekende haiku-dichter Santoka (Shiki Masaoka?) en Tim had er het museum over deze dichter bezocht en was bij toeval ook bij zijn geboortehuis terechtgekomen. Maar sommige dingen lijken haast te onwaarschijnlijk voor toeval, zoals onze toevallige ontmoetingen vandaag… We zwaaien bij ons afscheid: tot later. Tim logeert in dezelfde overnachtingsplaats als wij.

Op zoek naar een supermarkt komen we een andere henro tegen: Yoshi, 66 jaar, doet voor de tweede keer de tocht en spreekt wat Engels. Tot later, zwaaien we. Ook hij slaapt in dezelfde overnachtingsplaats als wij. Even later komen we langs 2 knuffelgrage Japanse inu’s in hokken bij een huis. Even knuffelen. En dan vinden we bij toeval een restaurant met heerlijke soep. We krijgen 2 blikjes fris bij het afscheid. Deze keer ga ík gebukt onder de osettai’s. Vlak voor de volgende tempel stopt er een auto voor ons. Een man komt aanrennen met 2 mooie zachtpaarse sjaals. Heb ik zomaar een mooie sjaal om mijn hoofd mee te bedekken tegen de zon!

De stempelmonnik bij tempel 56 kijkt treurig. Voorgaande jaren lagen er altijd 2 kleine, witte hondjes links en rechts van zijn werkblad, nu is er maar eentje. We vragen waar de tweede is, dat blijkt te zijn overleden. Na het stempelen en het uitvoeren van de rituelen, zitten we nog even op een bankje, even de blikjes frisdrank wegwerken. De ene na de andere groep bushenro’s komt aan. Het stempelkantoor staat vol met reisleiders met weekendtassen en er is ook weer een echtpaar met een rugzak vol jasjes, rollen en boeken.

Een tijdlang lopen we met Yoshi op. Hij wijst ons op een begraafplaatsje langs de weg: op een grote steen staat dat hier henro’s liggen die onderweg zijn gestorven. Op vierkante paaltjes staan hun namen; bij henro’s waarvan de naam niet bekend is, staan kleine beeldjes. De eerste regendruppels vallen. Om half 4 arriveren we bij tempel 57. Er zijn wat nieuwe gebouwen bijgekomen, onder meer luxe toiletgebouwtjes, helaas wel ten koste van de bijzondere bamboe die er stond, met stengels alsof ze waren afgebonden met touw; er is er nog eentje over. Ik koop bij de hoofdtempel enkele amuletjes in de vorm van schoentjes, misschien helpen ze tegen zere voeten…

Na tempel 57 is het nog maar enkele kilometers naar onze overnachtingplaats. Het blijft wat regenen, maar niet heftig. Al gauw komen we op een fraai paadje dat langs de oevers van enkele meertjes loopt. Hier en daar staan paarsbloeiende azeleastruiken. Daarna volgen we een paar keer kort de weg die de berg op leidt, afgewisseld met kleinere paadjes. Langs de weg zien we de jonge vrouwelijke monnik van vorig jaar. Ze is samen met de zoon van de priester bezig de bermen te fatsoeneren met een bosmaaier. Zwaar werk. Het weerzien is heel hartelijk. Al gauw zwaaien we ‘tot later’ en lopen door naar de hoofdpoort die leidt naar het bergpaadje dat we nog moeten beklimmen naar de eigenlijke tempelgebouwen en het gastenverblijf. Een pickup rijdt voorbij met zwaaiende armen: de monnik en priesterzoon. Ze stoppen: of we mee willen rijden. Nee, toch niet, want we willen niet graag het mooie valleitje missen dat we nog door moeten. Langzaam beklimmen we het bergpaadje. Het kleine beekje naast het pad is drooggevallen. Overal staan grootbloemige rose- en witbloeiende rhododendrons en ook groenbladige Japanse esdoorns, overschaduwd door grote donkere sugi en matsu, langnaalderige Japanse pijnbomen. Betoverend mooi. De regen neemt steeds meer af naarmate we stijgen, maar eenmaal bovenaan blijkt het spectaculaire uitzicht te zijn verdwenen. Alles zit in de wolken. Voor de deur van het gastenverblijf staat een grote treursakura volop in bloei met hardrose watervallen van bloesem. We worden hartelijk verwelkomd door de vrouw en schoondochter van de priester – hijzelf is voor zaken in Tokyo, vertellen ze.

Het gastenverblijf van tempel 58 is een populaire lokatie, niet alleen vanwege de mooie ligging bovenop een berg met uitzicht over de Japanse binnenzee met vele eilanden. We hoorden kort geleden ook dat de ofuro/onsen een heetwaterbron is. Bij het avondeten is de eetzaal dan ook goed gevuld met loop-, auto- en bushenro’s. We delen de maaltijd met de goedlachse Yoshi (maar zijn naam betekent dan ook ‘geluk’) en een autohenro-echtpaar dat steeds opnieuw varianten van dezelfde vragen stelt aan Yoshi: of wij lopen, waar we vandaan komen, of er er in Nederland ook henro-tochten zijn, etc. Yoshi vertelt dat hij en zijn vrouw de eerste week samen hebben gelopen, maar daarna heeft hij haar naar huis teruggestuurd om de planten water te geven… Mels suggereert dat ze ook allebei om de week naar huis hadden kunnen gaan, maar daar schudt Yoshi ‘nee’ op: dát is niet aan de orde…

Tim en Sotozo blijken zenkonyado, free room, gevraagd te hebben bij de tempel: gratis verblijf zonder maaltijden. Via de priesterzoon laten ze ons weten dat we na het eten even moeten blijven in de zaal: om 7 uur zal er ‘een gesprek’ zijn. Sotozo is jarig geweest en wil dat vieren. Hij laat bier, sake en wat te eten aanrukken. En zo zitten we plotseling in een feestje. Af en toe laat Sotozo ons het beeldschermpje van zijn mobieltje zien, telkens met een nieuwe Nederlandse tekst: het moderne communiceren met een vertaalprogrammaatje. Tim vertelt over de vele henro zenkonyado’s die hij aandoet, de gratis verblijven voor loophenro’s, variërend van schamele, kale garages tot luxe paleisjes waar ook wat te eten wordt gebracht door buren of andere betrokkenen. Buiten komt de regen met bakken uit de hemel, terwijl Sotozo ons de ene na de andere sake inschenkt. Even voor 8 uur komt de priesterzoon: bedtijd. We moeten opbreken…

Geplande afstand: 15,0 km, 350 m stijging
Werkelijke afstand: 18,1 km, hoogste punt (eindpunt) 261 m, totale stijging 513 m, totale daling 297 m
Cumulatief afgelegde afstand: 1013,2 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.07– ca. 16.50 uur
Looptijd: 3,30 uur
Gemiddelde snelheid: 5,1 km/u
Bezochte tempels: tempel 54, 55, 56, 57
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: gastenverblijf tempel 58 (Senyuji) (1 kamer 12 tatami’s groot met met halletje en kastenwand / tokonoma, 1 tafeltje, uitzicht over laagvlaktes en zee, mager vegetarisch avondeten, mager vegetarisch ontbijt)

Dag 53: woensdag 18 april 2012: De vele wegen naar God

Achter onze kamer is nog een klein halletje met wasbakken, wc en een badkamertje, die we moeten delen met de buurman. Ik sluip er ’s ochtends stiekum naar toe. ’s Nachts heb ik weer liggen drijven in bed en dan is het heerlijk even te douchen… Voor het ontbijt hebben we kunnen aangeven of we brood en koffie willen of Japans. De rijst met vis 3x per dag zijn we soms een beetje zat; brood is een welkome afwisseling. Tot onze verrassing verwelkomt de gastheer ons met zelfgebakken brood dat hij net uit de broodmachine haalt. En er zijn heerlijke zelfgemaakte kruidenboters en jams – onder meer bananen/sinaasappel – en koffie gezet van versgemalen koffiebonen. En tal van andere heerlijkheden. Vol vuur maakt onze gastheer ook nog enkele reserveringen voor ons.

Ik typ nog wat in het dagboek, maar tegen 9 uur moeten we toch echt opbreken, er moet nog gelopen worden… Onze gastheer rent net druk naar buiten, we wachten even tot hij weer terug is en vermaken ons ondertussen met een kletsnatte Myu die blijkbaar al in zee heeft gezwommen. We laten onze osame fuda’s achter en beloven terug te komen. Ik neem nog wat foto’s van gastheer en -hond en dan lopen we langzwaaiend het straatje uit, langs de stille haven, terug naar de grotere weg.

Vandaag ‘ronden’ we de ‘puist’ aan de noordwestkant van Shikoku, ten noorden van Matsuyma. Voorgaande jaren hebben we de ‘puist’ doorsneden, over een pasje van zo’n 100 meter hoog, nu kiezen we ervoor om langs de kustweg te blijven lopen. Het is wel een erg drukke weg en het kost ons zo’n 2 kilometer extra, maar het lijkt ons leuk ook deze kant van de berg eens te zien. We hebben vandaag toch ‘maar’ 18 kilometer te doen, zonder tempelbezoek. Na 4 kilometer komen we langs een michi no eki (wegstation) waar we een gelateria ontdekken. Bij wat picknicktafels genieten we van onze ijsjes. Af en toe komen mensen even een praatje maken. Een bejaard echtpaar uit Matsuyama – man in rolstoel, vrouw erachter duwend – komt uitgebreid kletsen. Erg aardige mensen; ze nemen alle tijd en wij ook. Ze zijn erg geïnteresseerd, maar hebben, tot onze lichte verbazing, blijkbaar nog nooit gehoord van het pelgrimspad. De vrouw zoekt in haar tas en geeft me een foldertje waarop een kleurige tekening van een park prijkt. Een folder van Jehova’s Getuigen. In het Japans. Osettai! Even later komt de vrouw nog eens langs, nu met 2 flesjes warme groene thee.

Na het eerste kaapje is er tegenwind, aanvankelijk wat fris, maar later toch een welkome afkoeling, want de zon schijnt fel door de dunne, verspreide bewolking. Ik verbrand aardig in mijn gezicht en op mijn onderarmen. De zonnebrandcrème helpt blijkbaar onvoldoende; de afgelopen dagen heb ik bij tempelwinkeltjes al rondgekeken naar een doek of hoed voor mijn hoofd, maar helaas niets kunnen vinden dat groot en handig genoeg is. In zee zijn regelmatig fraaie, kleine rotseilandjes te zien en – wat verder weg – grotere eilanden; als we meer aan de noordkant van de ‘puist’ zijn gekomen, zijn er ook vele grote zeeschepen en in de mistige verte Honshu. Vlak langs de kust drijven uitgestrekte velden zeewier. Af en toe komt een formatie zeemeeuwen over. Aalscholvers scheren laag over het wateroppervlak. Een restaurant waar we beide voorgaande jaren hebben geluncht, blijkt gesloten: ‘rustdag’ staat op een bord. Andere restaurants zijn er niet langs deze kustweg, dus blijven we doorlopen, net als wat andere loophenro’s. Maar enkele kilometers verderop is er een supermarkt waar we wat brood en cake kopen. Ernaast is een tempelcomplex met in de schaduw een tafel en bankjes, een verzamelplaats van henro’s. Als het vrij is, duiken wij er ook op neer. Even later komt een ander echtpaar erbij, het stel dat wij onderweg al een paar keer tegenkwamen en dat ook in ryokan Omogo logeerde. Hij rubuust en wat verlegen zwijgzaam, zij half zo groot met piepstem en voortdurend druk kabbelend pratend en giebelend. Na elk woordje komt een verontschuldigende giebel. En na elk woord van ons ook, vaak met licht applaus. Erg vermoeiend… Wij geven een chocolaatje en krijgen prompt een klein keramisch kikkertje (Kaeru). Osettai!

De boom waaronder we zitten, is een bijna uitgebloeide kersenboom. We zijn de laatste dagen van het zuiden naar het noorden van Shikoku gelopen en konden daardoor nog wat extra genieten van de sakura-tijd, maar nu is de bloesemgolf verder getrokken door Japan, Shikoku achterlatend met kersenbomen vol felroodbruine vruchtbeginsels en groenontluikend blad, de grond eronder bezaaid met witte bloemblaadjes. Op de stam van deze oude boom ontdek ik talloze urntjes van metselbijtjes. Op een dak zie ik enkele jonge zwaluwen, bedelend om voedsel; de ouders vliegen af en aan. Het is heerlijk zitten hier. Na een klein uur breken we pas op.

We komen elkaar daarna nog verschillende keren tegen: zij blijven meer langs de grote weg lopen, wij nemen zoveel mogelijk parallelweggetjes. De streek rond Kikuma is bekend vanwege de dakpannenindustrie. We komen langs vele bedrijfjes en steken af en toe onze neus naar binnen. Enorme ovens, stapels dakpannen, -ornamenten en andere keramiek, maar voor een door-de-weekse-dag is er opvallend weinig bedrijvigheid. We zien deze keer niet alleen pannen van rose of rode klei met matzwarte sinterengobe eroverheen, maar ook pannen die door en door anthracietzwart zijn. In een winkel zie ik rollators staan, het Japanse type – een klein stoeltje van een dunmetalen frame met bloemetjes zit- en rugkussentje, 4 wieltjes onder de pootjes, de achterkant hoger als bij een wandelwagen. € 160 per stuk kosten ze. Even later komen we langs een steenhouwerij waar grote familiegraven staan tentoongesteld. Een familiegraf van behoorlijke omvang kost zo’n € 17.000. Lagere prijzen dan in Nederland.

Na de grote olieraffinaderij lopen we een tijdlang langs de grote weg die hier kilometerslang geflankeerd wordt door grote vakken rose, rode en gele tulpen. Dan gaat het weer over kleine weggetjes door wat gehuchtjes. Ik zie de Japanse Inu terug die een jaar geleden zo knuffelgraag was. Toen nog een puppy, nu een jaar ouder, maar nog even aanhankelijk. Het afscheid is moeilijk. In een ander gehucht is het even zoeken naar de juiste weg. Ik loop even een zijweg in om naar ‘tekens’ te zoeken en hoor plotseling een schelle vrouwenstem achter me: ‘What are you doing? You are taking the wrong way!’ Een Japanse vrouw komt haar tuin uitrennen om ons weer de juiste richting uit te krijgen. Op een parallelweggetje over een klein huchtje, schiet er plotseling een slang voor onze voeten weg, het struikgewas in. De dag duurt lang. We zijn allebei steeds moeier; Mels heeft bovendien wat last van duizeligheid, ik van erg pijnlijke voeten. Even rusten, theoretisch moeten we er bijna zijn… Bij het leuke ijstentje dat ook vorig jaar al gesloten was – definitief zo te zien – staan gelukkig nog steeds picknicktafels. We blijven er kort, kijkend naar de grote zeeschepen die even verderop zijn afgemeerd.

Om kwart voor 5 zijn we dan toch eindelijk bij ons hotel, toch weer met 4 kilometer meer dan gepland. We vonden dit hotel 2 jaar geleden nogal shabby en hebben het eigenlijk per ongeluk opnieuw geboekt, maar deze keer valt het ons best wel mee. We zijn inmiddels heel veel erger gewend… Het eten vonden we toen echter uitstekend, nu matig: zowel vorig jaar als dit jaar hebben we de neiging onze overnachtingsplaatsen te selecteren op de kwaliteit van het eten. Díe standaard wordt steeds hoger… Maar gastheer en -vrouw zijn erg aardig. We eten in hun restaurant vlak voor het hotel, samen met 2 andere loophenro’s die we onderweg al eens zijn tegengekomen. De een herkennen we aan het spannende dierenvelletje rond zijn billen. ‘Zit lekker op al die harde stenen’, zegt hij. Onze gastheer vertelt dat hij veel buitenlanders ontvangt: Amerikanen, Australiërs enzovoort. ‘Maar Nederlanders zijn het leukst. Daar kun je mee lachen!’ Onze gastvrouw doet nog enkele reserveringen voor ons. Eenmaal terug op onze kamer is het licht zo slecht en zijn mijn lenzen zo vettig door al het zweten en de moeheid, dat ik meteen het bed inschiet. Geen dagboek vandaag… Het is erg warm op de kamer en door het open raam is de drukke verkeersweg duidelijk te horen. De hele nacht…

Geplande afstand: 18,2 km (excl. 2 km extra via kustweg), geen stijgingen
Werkelijke afstand: 24,2 km, totale stijging 372 m, totale daling 357 m
Cumulatief afgelegde afstand: 995,1 (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.10– ca. 16.45 uur
Looptijd: 4,42 uur
Gemiddelde snelheid: 5,2 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: Business Hotel Kurushima (westerse kamer, 2x1p-bed, bureautje met stoel, tv, badkamer met bad/douche/wc, matig avondeten, matig/redelijk ontbijt met keuze brood/Japans)

Dag 52: dinsdag 17 april 2012: Death by osettai

’s Ochtends probeer ik in het internetzaaltje nog wat te mailen en aan het dagboek te werken, maar we krijgen herhaaldelijk aanloop. Een man vertelt trots dat hij christen is. Of wij dat misschien ook zijn? Mels antwoordt dat wij niet in 1 geloof zijn onder te brengen. Hij druipt af. In de hal loop ik een Canadees tegen het lijf: boeddhistisch priester, loopt de tocht voor de tweede keer. ‘With Ted’, zegt hij en wijst naar zijn rugzak. Ah, denk ik, een goede rugzak wordt natuurlijk je beste maatje tijdens zo’n tocht alleen en dan is het logisch dat je hem een naam geeft… Maar hij blijkt niet ‘Ted’ te hebben gezegd, maar ‘tent’. Lachen. We blijven lang kletsen. We vertellen hem dat we de eerste keer verwachtten veel te zullen mediteren in de tempels, maar er wordt hier op Shikoku – in ieder geval in de tempels langs het pelgrimspad – niet gemediteerd, maar alleen de hartsoetra en andere soetra’s gereciteerd. Hij zegt: ‘De tempels hebben tegenwoordig vooral een rituele functie wat betreft begrafenissen en dergelijke. Vergelijk het met kerken, de meeste christenen zien alleen nog een kerk van binnen tijdens huwelijken en begrafenissen en misschien nog met kerst.’ Mels vindt dat de tempels daarmee wat verloren zijn. De Canadees heeft net als wij de ervaring dat Japanners vaak verbaasd zijn dat we de hartsoetra kunnen opzeggen en dat ze zich ook vaak afvragen of we wel begrijpen wat we zeggen. ‘Die vraag zouden wij hen ook kunnen stellen’, zegt hij. Want het grappige is, dat de hartsoetra wel voor een deel vertaald is vanuit het Sanskriet naar het Japans, maar sommige (belangrijke) begrippen erin, zijn fonetisch, dus onvertaald overgenomen. We praten ook over het hart van het Japanse volk: de vriendelijkheid, de zorg, de eerlijkheid. Een heel bijzonder hart… Pas om 10 voor 9 nemen we afscheid. Van de vriend van Ted…

Tot onze verbazing is het buiten al behoorlijk warm. We lopen eerst terug naar tempel 51. Bij deze tempel zouden we makkelijk een hele dag door kunnen brengen, zoveel is er te zien. De afgelopen 2 jaar hebben we al het museum en de beeldentuin bezichtigd, evenals enkele andere gebouwen waaronder de stupa; we zijn door een heel smalle grot dwars door de berg achter de tempel gelopen en vonden aan het andere uiteinde een surrealistische tuin met een gebouwtje vol beelden, al even surrealistisch. Het stokoude houten gebouw waar het stempelkantoor zich bevindt, bevat eveneens fraaie ruimten; met op de buitenveranda 2 gigantische rode lampionnen. Enkele tempelgebouwen bevatten ook fraaie schilderijen. Deze keer is er blijkbaar een festiviteit geweest op het complex. Rond een tempelgebouwtje is een rij afbeeldingen van de 88 tempels geplaatst, met ervoor platte zakjes. Mensen lopen langs de zakjes en wrijven erop. In een van de andere tempelgebouwen zijn de afdrukken van handen in keramiek; op een ervan past precies mijn hand. Enkele grote groepen toeristen bezichtigen het fraaie complex onder leiding van een gids, waaronder een groep jonge langneuzen. Bij het stempelkantoor moeten we weer lang wachten: een jong stel staat er met een doos vol rollen, boeken en ook henro-jasjes (ook jasjes kun je laten stempelen), alles voor de handel. Er staat nog een man met een weekendtas, maar die gaat gelukkig een ommetje maken… Na het uitvoeren van de rituelen, lopen we even rond en verlaten dan het complex via de zij-ingang aan de westelijke kant, langs een overdekt podium met enorme olifanten van papier en hout.

Matsuyama is bekend van wege de Dogo Onsen, het oudste openbaar badhuis in Japan, erg beroemd onder de Japanners. De pelgrimsroute loopt er vlak langs en wij nemen in een restaurantje er schuin tegenover een Italiaans ijsje terwijl we onderwijl van het uitzicht genieten: bezoekers in yukata (kimono) lopen het fraaie oude gebouw van de onsen in en uit. Het rijtje riksha’s naast de ingang van de onsen wordt beheerd door enkele hip gekapte en geklede jongemannen; 2 bejaarde vrouwen willen wel eens een ritje proberen, maar nog voor ze de hoek van de onsen om zijn, stappen ze al weer uit. Niets voor hen.

Voorgaande jaren hebben we vanaf de onsen naar het westen gelopen langs grote drukke wegen door het noorden van Matsuyama. Dit jaar willen we een meer omtrekkende beweging maken rond de stad in de hoop op wat rustiger wegen. Maar we nemen een verkeerde afslag en komen via een klein rondje, door een buurt met talloze grote hotels, weer bijna terug bij de onsen. Een auto stopt en een man biedt ons een lift aan, maar we slaan het beleefd af en kort daarna vinden we de juiste weg, middendoor de hoerenbuurt. Zo ’s ochtends vroeg is het nog erg rustig; later op de dag zullen er mannen in pakken langs de weg staan die klanten proberen te werven. We komen langs een (nog gesloten) kiosk: Information. Door de ramen zijn foto’s van dames te zien. Blijkbaar kun je hulp krijgen bij je hoerentocht…

De route voert ons door het heuvelland rond het noorden van Matsuyama, eerst door buitenwijken, later langs boomgaarden, akkertjes, sawa’s, stuwmeertjes, wat huizen en af en toe een hotel. De rustige weggetjes kronkelen voortdurend heen en weer en ook wat op en neer. Weer terug in de laagvlakte kruisen we een paar keer een grotere weg, maar ook hier lopen we nog voornamelijk door agrarisch gebied. In een riviertje zitten op een zandrichel roodwangschildpadden, van groot tot heel klein. En bij een ander watertje zijn er zelfs nog veel meer, ook in allerlei formaten; een hele rits op de betonnen oeverrand. Een voor een schieten ze het water in als we langslopen. Even voor 12 uur leggen we aan bij een Mos Burger en ontdekken er heerlijke (en hete!) café latte en ook lekkere dikke (en ook hete!) frieten. Tussen mijn schoenen loopt een kakkerlak. Heldhaftig (of misschien halsstarrig?) bestel ik nog een tweede café latte.

Voor tempel 52 moeten we nog een klein bergje op. Een kilometer eerder hebben we maar liefst 6 dikke sinaasappels in de armen gestopt gekregen door een man die net met een kratje van het land afkwam. We hebben ze allemaal in een plastic zak gestopt en Mels sjouwt zich rot de berg op. Eenmaal boven – rond half 2 – vallen we neer op het schaduwrijke zitje bij de toegangspoort, een verzamelplaats van vermoeide henro’s. Iedereen laat er zijn rugzak achter om vervolgens de rituelen uit te gaan voeren. Ook andere bezoekers komen af en toe een praatje maken. Wij delen sinaasappels uit… En ook wat snoepjes. En eten nog wat van de broodjes die we vanochtend kochten bij een super.

Kwart over 3 zijn we bij de laatste tempel van de dag: tempel 53. Er zitten maar liefst 3 vrije stempelaars op een rij in het stempelkantoor. We kunnen meteen door voor de rituelen en rusten daarna nog even kort op een bankje. Nog 11 kilometer te lopen naar de overnachtingsplaats… minstens 2 uur te gaan, langs grotere wegen verder naar het noorden, soms via parallelweggetjes door gehuchten. Het valt niet mee: het is erg warm en vaak is er iets teveel wind voor een pluutje. Onze ruggen en voeten doen zeer… Nog 8 kilometer te gaan… maar als een man van zijn fiets afstapt om een praatje te maken, nemen we alle tijd. Hij spreekt wat Engels, zijn ouders wonen in de buurt. De tempels heeft hij nog nooit bezocht en hij vraagt naar ons geloof. Mels probeert opnieuw uit te leggen dat we niet in een hokje te stoppen zijn. Dat is moeilijk te begrijpen.

Kort daarna voert de grote weg langs een bijna spiegelgladde zee, voordat hij, iets meer het land in, tussen de bebouwing doorloopt. Langs tuinen vol middelgrote en kleine margrieten, wit en rose. Het laatste deel van de tocht is weer uiterst vervelend: een smalle stoep – vaak bestaand uit een overdekte goot met elk jaar steeds onbetrouwbaar wordende dekplaten – die voortdurend op en neer gaat vanwege de vele inritten. Erg vermoeiend. Mijn linkervoet schreeuwt van de pijn in middelteen en onder de bal. Ook Mels kan niet meer. We rusten kort op een bankje bij een bushalte en eten onze laatste broodjes op. Even verderop is er een begrafenis aan de gang; zwartgeklede mensen met trieste gezichten. Voor onze overnachtingsplaats duiken we enkele kleine straatjes in, we komen uit bij de zeewering, met mooi uitzicht op een groter eiland vlak voor de kust en enkele kleinere wat verderop, allemaal even puntig van vorm. De avondzon kleurt de hemel rose. Ik maak snel foto’s terwijl een man ons naar de jeugdherberg wijst.

We worden verwelkomd door huishond Myu, een charmante golden retriever. De gastheer is al even enthousiast van karakter. Als een jonge hond rent hij door het huis, druk bezig met de voorbereidingen van het avondeten, dat – gelukkig voor ons – pas om half 7 is. We kunnen meteen aanschuiven. Biking vandaag, Japans voor lopend buffet. In de piepkleine eetzaal zitten we met zijn 4-en rond een langwerpige tafel, met een verhoogde etage in het midden, waar allerlei heerlijkheden zijn uitgestald. De ruimte is te klein om te kunnen opstaan en rond te lopen, dus is het voortdurend doorgeven. De gastheer zelf rent voortdurend rond, gebruikmakend van de 4 deuren in het zaaltje. Dan rent hij de ene deur uit en komt weer via de volgende binnen, afhankelijk van waar hij moet zijn. Er komt nog een gast bij: een jonge vrouw met mopshond (French poodle) uit Nagoya, op bezoek geweest bij vrienden en nog wat aan het rondreizen op het eiland. Dit blijkt een van de weinige gelegenheden waar je met een hond kunt overnachten. Shin Ichi, de 49-jarige gastheer is ‘getrouwd’ met zijn honden, verklaart hijzelf; geen vrouw nodig. Hij toont fotoboeken van zijn eerdere honden en van de tijd die hij in Australië doorbracht. En hij weet alles van de henroroute, ook al heeft hij hem zelf nooit gelopen. Tot in detail worden alle mogelijke problemen besproken. Het is zo gezellig dat wij vergeten tv te kijken om half 8: hebben wij ons korte moment van tv-bekendheid zelf gemist… Op de kamer drukken we een kakkerlak dood voordat we de futons opmaken, de tweede al vandaag…

Er is wifi op een zoldertje. Mels gaat de foto’s voor het blog uploaden, ik ga naar bed. Dat is het lastige met samen 1 laptop delen… weer geen dagboek vandaag… Mail van Sotozo Tanaka, in het Nederlands(!), waarschijnlijk vertaald met Google Translate: ‘Ik ben een 66-jarige verjaardag vandaag.’ We sturen hem meteen een felicitatie. Hij vraagt ook ‘Wie ben jij weer?’ waarmee hij wil weten hoever we gevorderd zijn met lopen. En hij eindigt met ‘Ben ik blij weerzien. Indien mogelijk.’ Dat hopen wij ook.

Geplande afstand: 24,0 km (plus 2 km extra i.v.m. ingehaald bezoek tempel 51, plus 1 km extra i.v.m. foutieve afslag), 250 m stijging
Werkelijke afstand: 28,7 km, totale stijging 480 m, totale daling 583 m
Cumulatief afgelegde afstand: 970,9 km (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.49– ca. 18.10 uur
Looptijd: 5,43 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u
Bezochte tempels: tempel 51, 52, 53
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: Hōjōsuigun Youth Hostel (1 kamer 6 tatami’s groot met lage, luie stoel, 2 tafeltjes, tv, kastenwand / kleine binnenveranda met massagestoel, wifi op internetzolder, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt Japans/westers met zelfgebakken brood!)

Dag 51: maandag 16 april 2012: Geen dagboek vandaag…

‘Misschien heb ik wat al te optimistisch gepland…’, zegt Mels ’s morgens: 24 kilometer te lopen en 7 tempels te bezoeken. Elk tempelbezoek kost een half uur. ‘Maar de laatste tempel kunnen we ook morgenvroeg doen, die ligt naast onze volgende overnachtingsplaats.’ De tempel ervoor moeten we echter beslist voor half 5 zien te halen, want daarna is waarschijnlijk het stempelkantoor gesloten. Maar eerst drinken we na het ontbijt nog wat koffie in de eetzaal en we geven klompjes aan de gastheer en -vrouw die er erg verguld mee zijn. Ik krijg een klein portemonneetje. De gastheer laat ook nog even het houtsnijwerk zien dat hij maakt. We stoppen de flesjes groene icetea en zakjes met koekjes, die we bij het ontbijt hebben gekregen als osettai, in de rugzakken en nemen om 10 voor 8 afscheid. Het is lekker wandelweer: bewolkt en fris. Via een paadje lopen we terug naar de weg, route 33, die hier langzaam stijgt tot een pasje. We komen langs verschillende bergafgravingen. Eén berg lijkt wel met een motorzaag middendoor afgezaagd te zijn. Ernaast staat een grote betonfabriek. Voortdurend gaat er een sirene af. ‘Ze zijn zeker bezig de berg op te blazen. Straks komen de ontploffingen’, grap ik. Maar Mels houdt niet van dit soort grapjes.

Als de weg over de pas op 702 meter hoogte een volgend dal induikt, pakken wij een klein paadje dat naar het dal afdaalt waar wij naartoe willen. Een glibberpaadje; hier en daar zijn glijsporen te zien waar vandaag al henro’s uit zijn gegleden. Het uitzicht is fenomenaal: in de diepte ligt Matsuyama, de grootste stad op Shikoku met zo’n half miljoen inwoners, gelegen op de laagvlakte langs de noordelijke westkust van het eiland. In de verte zijn vaag eilanden te zien in een mistige zee. We hebben allebei weer hetzelfde gevoel van helderheid. ‘Het doet zeer aan mijn verwerkingsapparaat’, zegt Mels. Mij doet het pijn in mijn hart: zó mooi! Het pad loopt door eindeloze sugibossen; hier en daar staat een net ontluikende groene Japanse esdoorn, soms een bloeiende sakura. Het paadje wordt links en rechts afgegrensd door langgerekte wroetsporen van wilde zwijnen, eenmaal zien we ook een pootafdruk. De wat oudere sporen zien groen van de kiemplantjes die hun kansen grijpen, alsof iemand met opzet het paadje heeft omzoomd met jonge plantjes. Af en toe vallen er wat regendruppels, maar onder de bomen voelen we ze nauwelijks. Aan het eind van het pad is een rest hut aan een idyllisch beekje vol valletjes en omzoomd door bloeiende kersenbomen. We rusten er kort, want Mels is niet van de pauzes vandaag. Teveel te doen. De gps/i-phone, die elke 10 minuten luidkeels vertelt hoeveel kilometer we hebben afgelegd en hoelang we daadwerkelijk hebben gelopen, helpt ook niet echt.

Het bergpaadje komt uit op een smalle asfaltweg die eindeloos verder naar beneden meandert; af en toe snijden we een ver uitschietende kronkel af via een klein paadje. Hier en daar staan wat huizen, de muren vaak bedekt met zwartaangeschroeide planken, een houtconserveringsmethode in deze streek. De vele droge sawa’s wachten op het ploegseizoen. De talrijke beken en beekjes in hun betonnen beddingen hebben witschuimende watervallen over de dammetjes. Op de hellingen zijn witte toefjes sakura te zien; dichterbij is er een sakura vol met maretak, iets wat we de laatste dagen wel vaker zien. Langs de weg, in tuinen en bermen, bloeien niet alleen talloze narcissen, maar ook judaspenning, gele fresia’s, blauwe druifjes en natuurlijk de haast eeuwig bloeiende camelia in rood, rose en wit. Zelfs bij half ingestorte huizen staan nog statige tulpen netjes op een rij. Een hoogbejaarde vrouw komt met een vork (omgebogen als een hak) uit haar huis; in haar rollator liggen al de werkhandschoenen. Even verderop is een andere hoogbejaarde vrouw – 90 graden krom – met een hak bezig op het land; haar rollator achtergelaten op een pad langs het veld. Hoe zal het over 10, 20 jaar zijn op dit eiland? Zal het steeds meer uitgestorven raken?

Om 10 voor 11 komen we aan bij tempel 46, ten zuiden van Matsuyama. ‘Ga eerst naar het stempelkantoor. Er komt een groep aan!’, sist Mels. Maar dat blijkt vals alarm. We krijgen er navelino’s, sinaasappels. Bij een van de tempelgebouwen hangt een touw met een belletje dat leidt naar het hart van Kukai. Na de rituelen lopen we nog even rond in de fraaie, kleine tuin met in het middelpunt een meer dan 1000 jaar oude boom. Vorig jaar hebben we in het gastenverblijf bij deze tempel geslapen, maar dit jaar hebben we voor vanmiddag nog een behoorlijk programma voor de boeg. Door het lage heuvelland rond Matsuyama, langs felgele koolzaadveldjes en ander akkerland, komen we daarna al snel daarna bij tempel 47 die ligt te baden in de warme zon. Een sakura met dubbele bloemen staat nog uitbundig te bloeien; op de stam zie ik kleine urntjes van metselbijtjes. Na de rituelen dolen we ook op dit complex nog wat rond, door de kelder onder de hoofdtempel, met 1000-en kleine beeldjes voor de overledenen, en door 2 kleine tunneltjes die hemel en hel verbeelden. Blijft leuk, die soms verschrikkelijke fantasieën. Plotseling zien we boven de bergen die we vanochtend achter ons hebben gelaten, donkere wolken samentrekken en onze kant uitkomen. De wind steekt op

We vervolgen onze weg op de laagvlakte. Tussen de vele koolzaadveldjes staat hier en daar volgroeide rijst op de velden, wachtend op de oogst. Bangai 9 is een kleine kilometer verder, een klein complex. Het is inmiddels 12 uur. De vrouw in het stempelkantoor is nog lang bezig met een telefoongesprek voor ze ons helpt; wij vermaken ons met de 2 katten en een beo die ‘Konnichiwa’ kan zeggen. De tijd is echter te kort om hem ‘Goedemorgen’ te leren. In het kantoor hangen ook fraaie oude schilderingen van de pelgrimstocht van Kukai. Jammer genoeg mogen we geen foto’s maken. We krijgen wel een henro-stripboekje en een folder. Osettai!

Langzamerhand lopen we de voorsteden van Matsuyama in, door wijken vol met luxe residenties, vooral mooie oude huizen. Door een toegangspoort zie ik een hele binnenplaats vol met metershoge zuilcactussen. Dat is nog eens moeilijk onkruid wieden!

We kopen wat brood bij de eerste super die we tegenkomen en proberen die al lopend op te eten, wat niet mee valt, want het is net gaan regenen. We passeren een kleine rivier, waarvan de bedding geel ziet van het koolzaad, en een heel veld vol waterhyacinten waarin we 1 schildpad ontwaren. Vlak voor de lange brug over een heel brede rivier is een koffiehuis en we leggen er kort aan. De bergen achter ons zijn nu inmiddels helemaal gehuld in donkere regenwolken. Maar als we vertrekken blijkt het op de laagvlakte inmiddels te zijn opgeklaard.

Kort na het koffiehuis komen we bij tempel 48. ‘We gaan het halen!’, zeg ik optimistisch tegen Mels. ‘Nog maar 3 kilometer naar tempel 49 en de tempel erna kunnen we morgenvroeg doen.’ Helaas, ik heb me verrekend… Er staat nóg een tempel te wachten. We komen nu in de drukke straten van Matsuyama. Vaak moeten we op de rijweg lopen, tegen het verkeer in, dat soms geïrriteerd reageert op voetgangers. Het is spitsuur. Bij het stempelkantoor van tempel 49 staat helaas weer een gids met weekendtas. Stempelaarster en gids zijn in een gezellig gesprek gewikkeld en nemen alle tijd. Er vormt zich achter ons een lange rij, tot ver buiten het kantoortje. Eindelijk zijn wij aan de beurt.

We haasten ons weer verder, opnieuw laverend op de drukke rijbaan, tegen het verkeer in. Eenmaal lopen we fout, even later is er een wegopbreking, maar we mogen gelukkig doorlopen. Voor tempel 50 moeten we nog wat klimmen, maar om 20 over 4 kom ik heftig zwetend en hijgend aanhollen bij het stempelkantoor. Na het stempelen zakken we eerst even op een bankje neer. Het is erg warm. Vlak voor ons staat een fraaie sakura die bijna uitgebloeid is. De oude, kronkelige stam is bedekt met mos en lancetvormige mini-varentjes en eroverheen is een tapijt van bloesemblaadjes uitgespreid.

Na de rituelen dalen we weer wat af en lopen verder door de straten van Matsuyama. Om half 6 komen we bij tempel 51, maar we doen geen moeite meer de tempel te bezoeken; de tempels sluiten om 5 uur, vaak zelfs om half 5. Als we in het routeboekje kijken voor de exacte lokatie van onze overnachtingsplaats, komen we tot de ontdekking dat die helemaal niet naast tempel 51 ligt, maar 1 kilometer verderop langs de route. Dat betekent morgen 2 kilometer extra lopen om deze tempel ook nog te bezoeken, bovenop een ook al overvol dagprogramma… En dan blijkt even later dat we voor onze overnachtingsplaats ook nog even een bergje opmoeten, maar een man wijst ons een short cut via een lange wenteltrap en tussen hoge hekken rond parkeerplaatsen komen we in een wijkje met grote hotelgebouwen. Ertussenin staat een relatief klein, knalgeel gebouwtje: de jeugdherberg. Ik heb ooit – heel lang geleden – in een jeugdherberg in Italië en in Egypte geslapen en daar geen goede ervaring opgedaan, maar deze jeugdherberg ziet er prima uit. We krijgen zelfs schone lakens mee en slapen op een privékamer. Helaas is er geen lift en slapen we op de vierde verdieping; ofuro en wc voor mannen zijn op de derde – ‘Ze denken toch niet serieus dat ik ’s nachts telkens naar beneden ga lopen?’, reageert Mels laconiek. Voordat ik de futons opmaak, moet ik wel wat langvleugelige insekten onder het tapijtje van het verwarmde tafeltje dooddrukken. Maar we hebben heel wat slechtere ryokans gehad dan deze, en het grote voordeel van een jeugdherberg? Er is WIFI!

De eetzaal zit vol met henro’s en werkmannen. We delen de tafel met een vrouwelijke loophenro. En aan de tafel naast ons zit een vrolijke en nieuwsgierige vriendinnenwandelclub uit Kyushu. De oudste is 77, de jongste 63. ‘’s Ochtends een berg, ’s middags de henro-route’, is hun credo. Girlpower!

Na het eten stevenen we af op het internetzaaltje. Er is een mail van Sotozo Tanaka uit Tokyo, de henro waarmee 3 dagen geleden opliepen. Alles gaat goed met hem. Ik stuur wat mailtjes naar enkele Japanse contacten die we tijdens onze tocht hebben opgedaan en dan is het al weer 10 uur. Mels gaat nog even door met mailen en blog uploaden; ik ga naar bed. Geen dagboek vandaag…

Geplande afstand: 23,9 km, hoogste punt 702 m (pasje), 150 m stijging
Werkelijke afstand: 26,8 km, pasje 715 m (hoogste punt), totale stijging 556 m, totale daling 1111 m, max. helling 21%
Cumulatief afgelegde afstand: 942,2 km (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.48– ca. 17.40 uur
Looptijd: 5,33 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: tempel 46, 47, bangai 9, tempel 48, 49, 50
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: Matsuyama Youth Hostel (1 kamer ca. 7 tatami’s groot met halletje, verwarmd tafeltje, wifi in internetzaaltje, matig avondeten, aardig ontbijt Japans/cornflakes/brood)

Dag 50: zondag 15 april 2012: Ik zei het toch…

Tempel 45 ligt ver buiten de ‘doorgaande’ henro-route, daarom hebben we voorgaande jaren telkens in 1 dag op en neer gereisd vanuit dezelfde overnachtingsplaats en alleen de hoognodige bagage meegenomen. Het is een zware dagtocht en deze keer met 4 kilometer extra omdat we niet in dezelfde ryokan slapen maar in eentje verder langs de ‘doorgaande’ route. In totaal 22 kilometer, deels over pasjes, en met 2 tempels te bezoeken. Op het laatste moment besluiten we het grootste deel van onze bagage toch achter te laten in de ryokan waar we hebben geslapen; we moeten er dan wel een kilometer extra voor lopen, maar dat hebben we er wel voor over; we hebben allebei wat last van onze rug.

Het is bar koud als we om half 9 vertrekken; bergtoppen steken hier en daar boven het dichte wolkendek uit. Tempel 44 – de eerste tempel die we moeten bezoeken ­– is op minder dan een kilometer afstand van de ryokan. Onderweg komen we over een brug waar vlakbij grote stoffen vissen aan 2 lijnen over de rivier zijn gespannen. Een surrealistisch gezicht. Al snel klimt de weg sterk omhoog door een oud bos met enorme sugi’s. Tempel 44 is een van de mooist gelegen tempels. Het eeuwenoude bos ademt een mystieke sfeer. Hier en daar staan kleine heiligenbeeldjes aan de voet van een reuzenboom, soms een hele verzameling. Mensen hebben er stenen bijgelegd op stapeltjes. Ik leg er ook elk jaar eentje bij.

Op het bankje tegenover het stempelkantoor nemen we een warme cocoa uit de automaat, voordat we verder klimmen naar de tempelgebouwen om de rituelen uit te voeren. Een man komt hard aanrijden op het grintpad dat naar de hoofdpoort leidt en zet zijn auto op het piepkleine parkeerplaatsje, stevent op het stempelkantoor af, holt daarna in hoog tempo de trappen op naar de tempels en is even later alweer terug bij zijn auto. Op naar de volgende tempel… Het is druk vandaag, zondag is blijkbaar dé dag om tempels te bezoeken. De ene na de andere groep arriveert en als wij na het uitvoeren van de rituelen weer zijn afgedaald naar het stempelkantoor, moeten we lang wachten. Het kantoortje is gevuld met buschauffeurs en reisleiders met weekendtassen vol boeken en rollen. ‘Goeie business’, zegt Mels, want elke keer dat je je boek laat stempelen, betaal je 300 ¥, omgerekend € 2,80. Uiteindelijk mag ik van een vrouw met stapels nog wachtende boeken even voor gaan.

Om half 10 vertrekken we naar de volgende tempel. De smalle weg die ver onder het tempelcomplex loopt, is inmiddels volgeparkeerd met auto’s, hoewel verderop een groot parkeerterrein is. We vinden er het paadje dat over de berg achter de tempel leidt. De sugibossen op de helling zijn sterk gedund, waardoor het, vooral in het begin, er wat kaal uitziet. Op het pad zien we weer een reuzenregenworm. De zon is inmiddels op kracht gekomen en we krijgen het aardig warm. Mijn tempo is niet al te hoog, ik voel me niet helemaal lekker. Tot we het pasje op 711 meter hoogte over gaan, horen we in de diepte achter ons een touringcar langdurig toeteren. Blijkbaar last van foutparkeerders.

Met het pasje hebben we een voor voetgangers erg gevaarlijke autotunnel in route 12 vermeden. Ook daarna komen we nauwelijks op deze weg; steeds opnieuw pakken we een parallelweggetje of paadje, eerst door een klein gehucht waar we kort in een rest hut rusten en onze jassen uittrekken, daarna over de bergen, door de bossen. We pakken daarna – net als vorig jaar – een doorsteek van de noordelijke route naar de zuidelijke. We komen op de splitsing een jong echtpaar tegen uit Matsuyama, dat af en toe een uitstapje maakt naar een tempel. Als we eenmaal op de zuidroute zitten – een paadje met diepe afgronden en fraaie vergezichten, het pasje op 750 meter – eten we op enkele bankjes gezamenlijk de meegebrachte onigiri op. Langs het pad zie ik af en toe grote krabsporen op bomen: beren?

De zuidelijke route daalt op spectaculaire wijze af naar tempel 45: een klein, steil paadje tussen reuzensugi’s en andere woudreuzen, in de schaduw van de hoge kale rotsen waar we net overheen hebben gelopen. Langs het pad staan regelmatig kleine heiligenbeeldjes. In een grote rotsholte staat een groot beeld van Fudō Myōō, de god die altijd omgeven is door vuur, en die vecht tegen wanen en ook rusteloze geesten kalmeert; er vlakbij is een door een hek afgesloten spleet waar een ketting in hangt, een klein heiligdom staat ernaast. Wat lager is er een nauwelijks zichtbaar shintoheiligdommetje: een breed mostapijt leidt naar een bemost muurtje met 2 shintohondjes ervoor. Verstilde schoonheid. We voelen ons nietig, bij zoveel ouderdom en zoveel schoonheid.

Bij de tempel vinden we weer het jonge echtpaar terug. We nemen hartelijk afscheid. Na het uitvoeren van de rituelen moeten we weer lang wachten bij het stempelkantoor op een jongen met een weekendtas vol rollen en boeken. Dan dalen we de berg weer af via het officiële pad, terug naar route 12. Bijna bij de weg is het pad omringd door huizen en winkeltjes. We krijgen er weer gemberthee aangeboden. Ik weet het maar net binnen te houden; net daarvoor heb ik wat overgegeven, waarschijnlijk door de inspanning. Bij het winkeltje langs route 12 nemen we nog een ijsje en vatten dan weer de terugweg aan. Mels is inmiddels wat gestresst geraakt, we zijn later dan vorig jaar begonnen aan de terugweg én we hebben 5 kilometer meer af te leggen. ‘We gaan het niet halen’, zegt Mels herhaaldelijk. We besluiten vanwege de tijd de weg aan te houden en de meeste parallelweggetjes en -paadjes nu te negeren. Er stopt een auto naast ons. Of we een lift willen? Ik zeg vriendelijk maar beslist ‘nee’. ‘We gaan het lopend niet meer halen…’, benadrukt Mels nog eens. ‘De heenweg was al 2 kilometer langer dan in het routeboekje stond, dat zal dan ook zo bij de terugweg zijn…’ ‘We zien wel’, antwoord ik. ‘Komen doen we er altijd…’ Mijn tempo is nog steeds wat laag… Het jonge paar komt aanlopen van een paadje aan de andere zijde van de kleine rivier. Ze hebben een kleine uitstap gemaakt. We lopen een tijdlang samen op langs route 12, die hier voert langs mooie rotsformaties vol gaten, tot we langs de onsen komen, waar ze hun auto hebben geparkeerd. Of we niet mee willen rijden met hen? Mels kijkt me vragend aan, voor mijn gevoel steeds dringender, maar we slaan toch uiteindelijk allebei het aanbod af. Wel wisselen we visitekaartjes uit met telefoonnummers: voor het geval dat… Route 12 voert langs minder hoge passen dan het henro-paadje, maar de eerste tijd stijgt de weg toch behoorlijk en we lopen de hele tijd in de volle zon. Het is warm, erg warm; ik zet een pluutje op. Na de pas gaat het weer langzaam naar beneden tot er opnieuw moet worden gestegen naar de laatste tunnel voor Kuma Kōgen.

Om half 5 zijn we bijna bij de vervelende tunnel die we nog door moeten – zonder stoep of overdekte goot, dus levensgevaarlijk – waarna het nog maar een kilometer is naar de ryokan waar onze bagage is, als er een auto stopt aan de overkant van de weg. ‘Geen goed punt voor osettai’s’, denk ik nog, want het is een gevaarlijk punt om te stoppen op de sterk kronkelende bergweg. Tussen het verkeer door rent een man onze kant op. ‘Boom Melsu?’, vraagt hij. ‘Hai!’, antwoorden we allebei. Hij blijkt de eigenaar te zijn van de volgende ryokan. ‘Het is nog 10 kilometer, nog 2 uur lopen’, vertelt hij ons. We vertellen hem dat we ook nog eerst onze bagage op moeten pikken… ‘Meerijden’, stelt hij voor, meer opdracht dan vrijblijvende vraag. Driemaal is scheepsrecht. We knikken allebei ‘ja’. Als we hem vragen hoe hij ons heeft gevonden, geeft hij als antwoord dat hij bang is dat het avondeten van 6 uur in de war loopt… Blijkbaar pikt hij vaker zijn gasten langs de weg op. Dankbaar laten we ons in de auto zakken. Een kwartier en vele kilometers later – door de vervelende tunnel, over de lange, scherp dalende weg naar het stadje, en na het oppikken van de rugzakken, verder door een brede vallei langs een berg die inmiddels grotendeels is afgegraven en met vele houtverwerkingsbedrijven – zijn we plotseling al op onze eindbestemming. Bij de ingang brandt een houtkachel bij een zitje. De gastheer maakt meteen onze staffen schoon en even later brengt hij ons elk een groot glas fris on the rocks. ‘Zie je wel dat je je voor niets ongerust hebt gemaakt?’, zeg ik tegen Mels. ‘Het komt altijd goed, zeker in Japan!’ Hij stikt zowat van het lachen in zijn glas drinken.

Het avondeten delen we met 4 andere henro’s, 2 mannen en 2 vrouwen, en onze gastheer blijkt niet alleen een goede kok, maar ook een vrolijke en gezellige entertainer. Aan de muur hangen 2 rollen vol stempels en kalligrafieën, van de tempels die hij heeft bezocht, inclusief allerlei shintotempels. Dat kan blijkbaar in Japan: tempels van 2 verschillende geloven zetten gewoon broederlijk hun stempels op 1 rol. Hij toont ook een boek: Route 88. Met foto’s van (vooral jonge) henro’s die onderweg zijn gefotografeerd, de lokatie erbij vermeld. Hij staat er zelf ook in, toen 42 jaar oud. (En wij hadden hem nu nog geen 40 geschat…) En als hij merkt dat we potters zijn, laat hij nog wat Tobe-keramiek zien. Er blijkt ook porselein uit dit plaatsje te komen met celadonglazuur, een blauwgroen glazuur dat er zo mooi ‘waterig’ uit kan zien. Een van de belangrijkste gespreksonderwerpen ’s avonds aan henro-tafels is uiteraard de route. Onze gastheer heeft ook vele tips daarover. Maar er ligt ook een brief op ons te wachten: Hide-san heeft aanwijzingen gestuurd over de route na tempel 65, omdat er daar kennelijk aardverschuivingen hebben plaatsgevonden waardoor de pelgrimsroute volledig is afgesloten. Zoveel zorg!

Geplande afstand: 22,2 km (excl. 1 km extra i.v.m. achterlaten bagage in vorige ryokan), hoogste punt 785 m (pasje), 900 m stijging
Werkelijke afstand: 29,0 km (incl. 9 km met auto), 1e pasje 711 m, 2e pasje 750 m (hoogste punt), totale stijging 911 m, totale daling 861 m
Cumulatief afgelegde afstand: 915,4 km (excl. 22,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.30– ca. 16.45 uur
Looptijd: 4,50 uur
Gemiddelde snelheid: 4,1 km/u
Bezochte tempels: tempel 44 en 45
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: minshuku Tōri An (1 kamer ca. 6 tatami’s groot met tafeltje, 1 voorkamer 2 tatami’s groot met kastenwand, halletje, 1 binnenveranda met stoeltjes en tafeltje, goed avondeten, matig ontbijt)

Dag 49: zaterdag 14 april 2012: Wie is wie???

De zuidelijke route, van west naar oost door de bergen, gaat voor een groot deel langs route 380, een meestentijds smalle en zeer rustige bergweg die gestaag en stevig stijgt (7–8% helling), vergezeld door een kleine rivier en omringd door hellingen met eindeloze sugibossen. Enkele delen van de weg kunnen worden afgesneden door een bergpaadje over een pasje te nemen, maar als we om 8 uur vertrekken uit de fraaie, oude ryokan – hartelijk uitgezwaaid door het vriendelijke ryokan-echtpaar – hebben we nog steeds geen beslissing genomen of we de weg blijven aanhouden of niet. Het eerste bergpaadje heeft ons vorig jaar (na een verkeerde afslag) geleid naar een uiterst vriendelijk echtpaar dat ons tracteerde op koffie en taart, maar het paadje bestaat wel voor een groot deel uit zeer steil beton, erg vervelend met nat weer. Ook al regent het nauwelijks meer, het pad zal nog erg glad zijn. Maar soms wordt een beslissing voor je genomen… We zijn zo’n 7 kilometer onderweg langs de fraaie bergweg – omzoomd door sakura in alle mogelijke tinten rose en wit en ook door massaal bloeiend koolzaad – als er een kleine pickup naast mij stopt met een breed grijnzende man en vrouw. Of wij die potters uit Nederland zijn die vorig jaar bij hen hebben koffiegedronken?! Ja, dus! De vrouw knijpt me stralend in de handen. Ze leggen uit dat ze shiitake aan het enten waren (of juist op weg zijn om te gaan enten; dat is ons niet helemaal duidelijk…) Ze zijn erg blij dat ze ons zien en het woord ‘koffie’ valt enkele malen. Wij knikken. ‘Ato de’, zeggen we. ‘Tot straks.’ Als ze wegrijden krijgen we nog een pak chocolade cakejes in de handen gedrukt. ‘Ik weet eigenlijk niet zeker of ze ons hebben uitgenodigd…’, zegt Mels. We zien wel. We eten de heerlijke chocolade cakejes op in de shintotempel die iets verderop staat, zittend op de houten treden en omringd door oude schilderijen onder meer over de Japans-Russische oorlog. Maar we blijven niet lang, het is niet alleen nog steeds aardig koud, we willen het vriendelijke echtpaar ook niet te lang laten wachten met de koffie…

Meteen na de shintotempel begint het bergpaadje en het valt inderdaad niet mee. Dikbemoste delen zijn nog het minst glad en langzaam werken we ons naar boven. Even vergeten we de verkeerde afslag te nemen, maar dan komen we toch uit bij het huis dat zo mooi gelegen is bovenin de vallei, omringd door geelbloeiend koolzaad. Het huis ziet er echter totaal verlaten uit; de pickup is nergens te zien. Ik roep een paar maal en we kijken om ons heen: dit is toch wel het goede huis? We zijn net bezig een cadeautje uit de rugzak te halen om achter te laten als dank voor de hartelijke ontvangst vorig jaar, als er een deur opengaat. Een man komt naar buiten, hebben we hem uit zijn slaap gehaald? Het is niet dezelfde man als in de pickup en hij kijkt ons wat verbaasd aan. We verontschuldigen ons – misschien tóch het verkeerde huis? – maar dan herkent hij ons: de mensen van vorig jaar! En hij haalt er wat stoelen bij, oploskoffie, een pak zoetebonenkoekjes, een bord rijstballen en een bord shiitakes. Hij vertelt dat zijn vrouw shiitakes aan het enten is; hijzelf heeft een pijnlijke rechterschouder en een zere vinger van het enten en is niet in staat om te werken. Hij ziet er duidelijk erg ongelukkig uit. Maar als dit de man is die ons vorig jaar heeft ontvangen, wie zijn dan de man en vrouw in de pickup??? We breken ons allebei het hoofd en komen er niet uit. Was de vrouw in de pickup soms de echtgenote van deze man? Maar wie was dan die andere man?

De man merkt onze interesse in de shiitake-teelt en neemt ons mee naar de schuur waar een moderne, computergestuurde droogkast staat om de shiitakes te drogen. Hij toont ook de tablets waar 900 propjes inzitten met shiitake-mycelia, qua vorm en grootte net vingerhoedjes. Hij vertelt dat hij 70.000 stammetjes per jaar prepareert met in totaal 300.000 mycelia. De geprepareerde stammetjes blijven een half jaar lang op stapels liggen, af en toe (als het niet vanzelf regent) met water besproeid, en zonodig beschermd tegen de wind met een fijngazig windscherm; daarna worden ze schuin neergezet gedurende anderhalf jaar. Er wordt meerdere keren geoogst; na 5 jaar wordt een stammetje afgedankt. Na de koffie nemen we afscheid met een klein cadeautje; rijst en shiitakes laten we beleefd staan, ’t is nog geen 10 uur, nog wat vroeg voor een lunch.

We volgen het zeer steile (en gladde!) betonnen paadje door zijn tuin en komen dan weer op de weg uit die verder voert door eindeloze sugibossen. Bij ons bezoek aan Shigaraki vorig jaar, vertelde Regina ons dat de Japanse overheid in het verleden massaal sugi heeft laten aanplanten op de berghellingen, vanwege de houtproductie. Maar dat blijkt een ernstige fout te zijn: de sugi’s worden bedreigd door een ziekte en op Honshu zagen we al veel bruine plekken in de bossen. Hier op Shikoku lijken de bomen nog niet aangetast te zijn. Het eerste deel van route 380 voerde vanmorgen ook langs veel percelen met jonge aanplant.

Na een – af en toe erg donkere – tunnel van 712 meter daalt de – brede – weg langzaam het volgende dal in. Net als in het vorige dal zijn ook hier weer massaal bloeiende kersenbomen. Het is soms zo mooi, dat het haast pijn doet. Zoveel mooie herinneringen neem ik mee…

Gedurende de ochtend hebben we verschillende bankjes, rest hut’s, bushokjes met banken en zelfs 2 henro yado’s gezien, maar tegen de tijd dat we toe zijn aan een goede pauze en wat lunch, is er niets meer te vinden. Het is te nat en ook veel te koud om zo ergens te gaan zitten, dus lopen we maar door. Vlak bij het begin van het tweede bergpaadje dat over een pasje op 651 meter hoogte voert, kijken we nog even in het routeboekje. Meteen stopt er een auto: een 89-jarige man stapt uit om ons de weg te wijzen. We maken even een praatje en slaan dan het pad in. Een breed, makkelijk begaanbaar grintpad dat langzaam stijgt. Hier en daar staat er een bloeiende papierstruik onder de donkere hoge sugi’s. Mels heeft het moeilijk met zijn rug, maar gaat gestaag door. Vlak voor het pasje gaat het grintpad over in een klein, wat steiler paadje dat door een kleine kloof voert. Ook het paadje dat afdaalt naar het volgende dal, is smal en steil en door de regen wat glibberig. Na enige tijd komt het uit op een weggetje dat langs huizen en natte sawa’s vol ratelende kikkers voert. In een akkertje staat een oud busje, het dak vervangen door golfplaat. Het is in gebruik als schuurtje. Even verderop staat een busje waarvan de zijdeur is vervangen door een houten deur. In gebruik als opslagruimte. Dat zien we veel in Japan: oude busjes die nooit worden afgevoerd naar de sloop, maar in gebruik blijven als opslagplaats – de banden volkomen plat; soms 3 van dat soort auto’s op een rijtje bij een huis.

We hebben weer allebei dezelfde ervaring van helderheid, waarschijnlijk gestimuleerd door het lichte hongergevoel. Na nog een klein bergpaadje over een laag pasje komen we weer op een breed grintpad dat langzaam langs de uitlopers van de bergen afdaalt naar Kuma Kōgen, het plaatsje waar we zullen overnachten. Langs route 33, die door het plaatsje loopt, zijn verschillende houtverwerkingsbedrijven gesitueerd; vrachtwagens, hoog opgetast met boomstammen, rijden af en aan. Maar we zien ook in de verte een knipperlicht. Dat duidt meestal op een restaurant. Het is inmiddels 2 uur en we zijn erg toe aan rust en warmte. Het knipperlicht is wel de verkeerde kant op, we moeten er zo’n halve kilometer voor terug lopen, maar dat hebben we er voor over. Het restaurant zit vol met mensen, maar gelukkig is er nog net plaats. Dan komt de waardin aanlopen en wuift ons – op niet bepaald aardige wijze – eruit: ze gaan zo sluiten… De boodschap is duidelijk. We druipen af. Jammer, want we hebben vorig jaar de ervaring opgedaan dat er in het hele plaatsje verder niets is dan een currytent, waar we de meest smerige (en ook de zoutste) curry ooit hebben gegeten.

Enkele kilometers de andere kant uit langs route 33 passeren we echter een supermarkt. We besluiten onze onigiri voor morgen te bewaren en kopen er ijs en brood en cake en zakken dan dankbaar neer op het bankje ervoor. En dan breekt de zon door. Plotseling is de hemel blauw met alleen nog in de verte voortsnellende wolken. Het is zelfs warm en ik dommel langzaam weg. Er komen enkele kinderen aanlopen. Aan de rand van het parkeerterrein houden ze kort krijgsberaad. Dan komen ze netjes in een rij, in paren van 2, langs ons bankje. En dan klinkt het, steeds opnieuw: ‘Hello!’ (giechel… giechel…) Wij giechelen mee. Pas een half uur later lopen we de resterende 800 meter naar onze overnachtingsplaats. De ryokan is ons aanbevolen door veel henro’s onderweg. En ook in het routeboekje staat de ryokan met een sterretje vermeld. Het ziet er op het eerste gezicht echter niet bijzonder uit, eerder wat verlopen. Na de ofuro brengt Mels een bezoek aan de kapper vlakbij de ryokan; ik werk wat aan het dagboek. Bij het avondeten zien we het echtpaar terug dat we gisteren enkele malen onderweg ontmoetten. De 68-jarige, zeer onderdanige vrouw praat met een enkele octaven hogere stem dan normaal en heeft ook voortdurend de neiging te knikken en te buigen. Hij is van het robuuste zwijgzame type. Veearts geweest, 74 jaar oud, uit Yokohama, 50 jaar getrouwd, last van blaren. Als we met zijn 2-en nog wat natafelen komt de 65-jarige gastvrouw binnen. Ze maakte – al toen wij bij de ryokan aankwamen – op ons de indruk dat ze een attaque heeft gehad, wat langzaam sprekend en ons steeds doordringend aankijkend. Af en toe zegt ze ‘please’ en lacht ze. Nu zegt ze iets dat Mels met de i-phone weet te vertalen in ‘andere kamer’. ‘Okay’, zeggen we en we gaan mee, in de veronderstelling dat we gaan verhuizen met onze spullen. Ze neemt ons echter alleen mee omdat ze ons een andere kamer wil laten zien: 120 jaar oud en van een wonderbaarlijke schoonheid. Met minuscuul ingelegd hout op de vloer van de tokonoma. Het plafond met vierkantjes van verschillende houtsoorten en… van houtzwammen die deels nog uit het plafond steken. Met boven de goudkleurige schuifdeuren open vensters met houtsnijwerk van houtzwammen en hout, zó verschrikkelijk mooi. Ook de vensters van papier en dun lattenwerk zijn kunstwerken: ragfijne latjes vormen samen een ingenieus en kunstzinnig gestileerd landschap of ingewikkelde abstracte patronen. De tokonoma is afgegrensd door gezandstraalde boomstammen: de verticaal geplaatste hashira en de horizontaal boven de tokonoma geplaatste nageshi. De kamer ernaast bevat een mooie kast die ook door een hashira wordt gekaderd. De grote lage tafels zijn gemaakt van dikke plakken van een enorme boomstam. Ze heeft enkele krantenknipsels voor ons neergelegd van 25 jaar geleden toen er een artikel over deze kamers is geschreven. Mels mag een boek lenen: Shikoku Onna Henro Ki, een verslag in 1928 geschreven door een vrouwelijke henro op Shikoku, herdrukt in 1988. We maken foto’s. Alles is zo wonderbaarlijk mooi…

Geplande afstand: 18,0 km, hoogste punt 651 m (pasje), 500 m stijging
Werkelijke afstand: 20,7 km, hoogste punt ca. 651 m (pasje), totale stijging 947 m, totale daling 663 m
Cumulatief afgelegde afstand: 886,4 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.04– ca. 15.15 uur
Looptijd: 4,25 uur
Gemiddelde snelheid: 4,7 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Omogo (1 kamer ca. 7 tatami’s groot met tafeltje en tv, 1 voorkamer 2 tatami’s groot met kastenwand, halletje, 1 binnenveranda met stoeltjes en tafeltje, goed avondeten, goed ontbijt)

Dag 48: vrijdag 13 april 2012: Wandelgezelschap

’s Ochtends moet er nog hard worden gewerkt; om half 6 gaat de wekker. Geen tijd om de handwas nog verder te drogen met een haarföhn, dus die gaat nat aan het lijf en in de rugzak. Mijn leesboek gaat ongelezen de koffer in. De doberman onder ons raam heeft gezelschap gekregen van zijn baasjes: het blijken onze gastvrouw en haar echtgenoot te zijn. Mels is nog lange tijd bezig in de lounge met uploaden en mailen. En voor we vertrekken nemen we nog cappuccino; kan ik ook nog even mailen… In De Telegraaf lezen we dat Noord-Korea zijn raket de lucht in heeft geschoten en ook dat die bijna meteen is ontploft. De afgelopen weken was de raket hot news op de Japanse tv; Japan beschouwde het als een ernstige bedreiging.

Als we om half 10 vertrekken (uitgezwaaid door ryokan-moeder en trattoria-dochter), is het bewolkt; een aangename looptemperatuur. We kopen eerst wat lunch-attributen bij een supermarkt aan de oostkant van Uchiko, waar in een mooi rivierdal route 56 het plaatsje omarmt, evenals wat verderweg en een stuk hoger het viaduct van de snelweg. Wij nemen route 379 die – gestaag lichtjes stijgend en met heel weinig verkeer – naar het oosten loopt. Naast de weg stroomt in de diepte een fraaie rivier, vaak met diepblauw water, omgeven door grote rotsblokken, bamboebossen en vooral hellingen vol sugi. Op een akkertje is een oude vrouw bezig met een grote hak. Op het veldje ernaast een evenoude vrouw met een motorploegje dat ze voor zich uit duwt. Zwaar werk… We horen iemand roepen. Achter ons komt – met enige moeite – een zwaarbepakte henro aanhollen, in de ene hand een pelgrimsstaf, in de andere een nordic walking stick. Sotozo Tanaka blijkt een gezellige – wat Engels sprekende – reisgenoot, 66 jaar oud uit Tokyo, tot zijn pensionering werkzaam bij Honda. Hij heeft door zijn baan veel gereisd en weet ook het een en ander van Nederland, ook al is hij daar nooit geweest: veel fietsen, veel windmolens. En hij is zeer geïnteresseerd in alles wat met auto’s te maken heeft: Zijn er tolwegen in Nederland of elders in Europa? Wat kost benzine in Nederland? Waarom is diesel er goedkoper dan benzine? Welke auto heb jij? Etc. etc. En zelf is hij ook een rijke bron van informatie. Zo wijst hij ons op verschillende henro yado’s, de gratis overnachtingsplaatsen voor henro’s. We hadden ze niet eens opgemerkt.

Bij een vending machine bieden een man en vrouw ons aan wat te drinken kopen, maar we slaan het beleefd af: we hebben elk al een halve liter in de rugzak. We komen langs een modernistisch gebouw gegroepeerd rondom 2 enorme silo’s. ‘Restaurant’, vertelt Sotozo ons. Eenmaal zien we een lemen huis dat in zijn geheel – 2 verdiepingen hoog – is scheefgezakt tegen de berghelling. Af en toe nemen we een parallelweggetje dat door een gehucht loopt, enkele keren ontlopen we er een tunnel mee. In veel gehuchten staan zeer fraaie oude huizen die duidelijk van rijke families zijn geweest. Deze streek kent een rijk verleden. In Naruya neemt Sotozo ons mee naar enkele van dat soort huizen: het is de geboorteplaats van een bekende Japanse schrijver, ōe Kenzaburō. In zijn geboortehuis staat Tobe-keramiek, blauwwit geglazuurd porselein uit het plaatsje Tobe dat hier hemelsbreed 25 kilometer vandaan ligt.

Het is een makkelijke dag, de weg gaat weinig op en neer. Ik loop als een kievit, dat merkt ook Sotozo op: ‘Hayai!’, zegt hij tegen Mels terwijl hij naar mij wijst. ‘Ze loopt wel erg snel!’ Het wordt steeds warmer. ‘Suzushi!’, zeg Sotozo. ‘Het is warmvochtig!’ Plotseling zijn we al 8 kilometer verder, de tijd gaat snel, zo kletsend. Mels kijkt voor de zekerheid even in zijn routeboekje: zijn we niet per ongeluk een tempel vergeten? Nee, gelukkig niet. Sotozo wenkt, een henro hut: een cirkelvormige picknickbank met in het midden een ronde tafel en een rond dak erboven. Het is net wat gaan druppelen en het is kwart voor 12, een mooi moment voor de lunch. Sotozo opent een deur van de barak ernaast: weer een henro yado, een hele luxe zelfs, compleet met schrijntje en grote trom. Achter de yado is een eenvoudig hurktoilet. Bij de picknickplaats is een man bezig wat hout te verbranden in een afgezaagd olievat. Hij brengt ons 3 blikjes alkoholvrij bier. We lunchen met wat brood en cake. Er komen nog wat henro’s langs: een man die vanavond in dezelfde ryokan zal overnachten als wij, en een echtpaar.

We komen deze dag de ene na de andere henro yado tegen en ook de ene na de andere rest hut. Sotozo neemt – 7 kilometer voor onze overnachtingsplaats in Oda – afscheid van ons. Hij blijft in een henro yado slapen; in zijn rugzak heeft hij een slaapzak (en zonodig ook een tent) om overal te kunnen overnachten. Morgenvroeg zal hij langs onze ryokan komen om samen verder te lopen.

Inmiddels zijn we behoorlijk moe geworden; allebei hebben we wat last van rug en voeten. En het is steeds harder gaan regenen. Maar we moeten nog even doorzetten. We komen langs kersenboomgaarden vol witte bloesem en hoger op de hellingen zijn ook perzikboomgaarden, bleke stammen en takken met groen, net ontluikend blad. Op een kaalgekapt berghellinkje staan geelwitte irisjes en piepkleine, dieppaarse, plat tegen de grond aangedrukte viooltjes. In de riverbedding aan de andere zijde van de weg staat op droge plekken massaal geelbloeiend koolzaad. Bij een rest hut zien we het echtpaar terug dat tijdens onze lunch langs liep. Bij hen staat een man met grote foto’s van het evenement dat hier jaarlijks in de tweede helft van april plaatsvindt: van vlotten is een 60 meter lange ‘drijvende brug’ in de rivier gebouwd, net als in vroeger tijden, waarop mannen in traditionele kledij met lange stokken proberen te laveren. En hij toont enthousiast een fotoalbum vol osame fuda’s die meer dan 100 jaar oud zijn, waaronder van een Chinees en een Koreaan. Wij geven hem onze osame fuda’s. ‘Voor over 100 jaar…’, zegt Mels erbij.

Kort daarna komen we bij de splitsing van de noord- en zuidroute die allebei door de bergen leiden waardoor we morgen zullen lopen. Eigenlijk hadden we voor dit jaar de noordroute gepland, maar we hebben uiteindelijk toch dezelfde ryokan gereserveerd als vorig jaar, aan het begin van de zuidroute (en dát komt toevallig goed uit met dit regenachtige weer want die route heeft wat minder hoge pasjes). Via route 380 vervolgen we onze weg. Een auto stopt: we krijgen elk een sinaasappel in de hand gedrukt. Kort daarna zien we – onverwacht – een klein restaurant waar we koffie kunnen drinken. Eindelijk even beschut zitten. Buiten komen schoolkinderen voorbij, een groepje met gele caps en gele paraplu’s, later een groepje met donkerblauwe plu’s. Plotseling zitten we in een ernstig gesprek verwikkeld over leven en dood. Eenmaal weer buiten blijkt het harder te zijn gaan regenen en ook erg koud in onze windjacks, met niets eronder dan hemdjes. Dampslierten stijgen op uit de dalen. Maar al anderhalve kilometer later is er de ryokan. In het binnentuintje zit dezelfde zielige hond als vorig jaar…

Mels komt al snel terug van de ofuro. ‘Alleen koud water in de douche…’ Ik ga niet. We krijgen toch eten. Samen met 2 andere henro’s in een zaaltje. ‘Sotozo Tanaka komt morgen niet’, laat onze gastvrouw weten. Blijkbaar heeft hij gebeld. In het restaurant bij de ryokan is zo te horen een groot gezelschap aanwezig; personeel holt druk heen en weer. Onze maaltijd is wat karig, maar als Mels en ik nog even aan het natafelen zijn met wat sake, komt de gastheer langs. Hij brengt nog een schaal dungesneden varkensvlees. En later nog een toetje: sinaaspartjes, rijstballetjes en pannenkoekpuntjes. Hij vertelt dat er in al die jaren slechts 5x een Nederlander bij hen heeft gelogeerd. ‘Volgens mij tellen wij voor 4…’, zeg ik tegen Mels.

Geplande afstand: 20,1 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 22,3 km, hoogste punt 181 m (=eindpunt), totale stijging 626 m, totale daling 493 m
Cumulatief afgelegde afstand: 865,7 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.34– ca. 16.45 uur
Looptijd: 4,22 uur
Gemiddelde snelheid: 5,1 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Fuji Ya (1 kamer 8 tatami’s groot met fraaie tokonoma en 1 tafeltje en tv, 1 voorkamer 4 tatami’s groot met kastenwand, 1 binnenveranda die als opslagplaats wordt gebruikt, matig avondeten, matig ontbijt)

Dag 47: donderdag 12 april 2012: Vakantiestress

Vakantie, dus uitslapen. Na het liedje van 6 uur dat via de luidsprekers over de stad schalt en de hond van de buren die daar niet tegen kan en meehuilt met de wolven… slapen we nog even door… Na het ontbijt om 8 uur nemen we nóg wat tijd tot we om 10 uur de kamer moeten hebben verlaten. We gaan meteen naar de volgende ryokan, een straat verder. Ik laat er mijn rugzak achter, we nemen nog een cappuccino uit de trattoria ernaast en gaan dan Uchiko in; pas om 3 uur kunnen we op onze kamer. Het is behoorlijk warm en de zon is fel. Slenterweer. We informeren bij het kabukitheater of er toevallig vandaag een voorstelling is, maar helaas… Daarna zwerven we door de straatjes van het oude stadje met mooie koopmanshuizen uit de 18e en 19e eeuw. Vorig jaar hebben we al enkele huizen bezocht die ingericht zijn als museum; nu bezoeken we onder meer de gebouwen op het complex van het was-museum. Was werd gemaakt van de bessen van een rhus (Rhus succedanea) en de productie kende zijn hoogtij in de 18e en 19e eeuw, totdat begin 20e eeuw paraffine en elektriciteit opkwamen. In de streek rond Uchiko en ōzu waren er diverse families die tot grote rijkdom kwamen door de productie van was. De uitgestrekte residentie van een zo’n familie – de Hagiwara’s – is ingericht als was-museum.

We overwegen even wat toeristische uitstapjes verder weg – 2 overdekte, houten bruggen ten noorden van Uchiko en een fotogenieke opeenstapeling van terrasvormige natte sawa’s ten zuidoosten van Uchiko – maar we weten niet precies hoeveel kilometer het is (we hebben een toeristisch plattegrondje gekregen en die zijn niet altijd volledig op schaal ingetekend…) Bovendien zouden we eigenlijk eindelijk eens wat rust moeten nemen: Mels maakt zich erg ongerust over zijn hart en mijn voeten zijn inmiddels roodwit geblokt – de witte delen verweekt door de tape, de donkerrode, geïrriteerde delen waar geen tape was aangebracht – en bovendien heb ik de afgelopen nacht nauwelijks geslapen door de pijn in mijn rug en linkerbeen. Tijd voor een ‘echte’ vakantiedag.

Na de lunch en een ijsje dolen we korte tijd nog wat verder rond en installeren ons daarna even voor half 3 in de lounge van de ryokan. Niemand te zien, wel free spot wifi. Om half 3 mogen we toch op de kamer. Deze keer wel met prima badkamer en wc. En een binnenveranda met stoeltjes en uitzicht op een grote begraafplaats. Als het liedje van 5 uur schalt, klinkt opnieuw het wolvengehuil. De hond blijkt onder ons raam te zitten, een doberman. We wuiven, zij kijkt verveeld terug.

Nu we slechts 1 dag de beschikking hebben over onze koffers en er ook nog wifi beschikbaar is, krijgen we het plotseling erg druk. Was draaien, enkele handwasjes afwerken, nog wat reserveringen laten maken, koffers en rugzakken voor zover nodig ompakken, de blog uploaden (en deze keer ook met foto’s…) Mels verdwijnt al gauw naar de lounge, want alleen daar is er wifi, en hij heeft veel mail te beantwoorden en veel blog te uploaden.

Het avondeten delen we met 2 andere loophenro’s. Een van hen is de ‘Montblanc-man’ die we al enkele keren onderweg tegenkwamen. En passant vertelt hij dat hij ook in Nepal bergen heeft beklommen, één berg 3x, een andere 4x, voor het laatst 3 jaar geleden. De Anapurna (de enige naam die ik ken en dus kan onthouden…) heeft hij 1x beklommen. Het avondeten is een internationale mengelmoes: fusion. Japanse udon, beef onder een deegdekentje uit Hiroshima, Italiaanse pasta en vis, Catalaanse crème brulée. Begeleid door zelfgemaakte umeshu. De dochter (of zoon?) van de ryokan-gastvrouw runt het Italiaanse restaurant ernaast en ze gebruikt er regelmatig gerechten van. Elke dag wat anders. Dat komen we niet vaak tegen in ryokans. Meestal is er maar 1 vast menu dat elke dag opnieuw wordt opgediend. Om 8 uur liggen we al te slapen, met kogelronde buiken; de rest van het af te werken lijstje moet tot morgen wachten…

Geplande afstand: 0 km
Werkelijke afstand: nagenoeg 0 km
Overnachting: ryokan Matsunoya (1 kamer 7,5 tatami’s groot met tokonoma / kastenwand, tv, kluis, tafeltje en 2 grondstoeltjes, 1 halletje, badkamer met wc bad/douche, binnenveranda met 2 rotan stoeltjes en tafeltje, wifi in de lounge, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt)

Dag 46: woensdag 11 april 2012: Waterdief!

Vandaag is er een heel kort traject gepland, 12 kilometer, naar het mooie historische stadje Uchiko, waar we onze ‘vakantiedag’ willen doorbrengen. Vorig jaar hebben we er al het kabuki(poppen)theater bezichtigd en wat oude straatjes doorgelopen, nu willen we er wat langer blijven. We slapen uit en ontbijten pas om 8 uur en daarna blijven we nog lange tijd op de kamer hangen, want af en toe vangen we wat wifi op en buiten regent het pijpenstelen. Het lukt om 2 dagverslagen te uploaden op het blog; foto’s uploaden lukt al een kleine 2 weken niet meer vanwege de vaak te lage snelheid van de verbinding. Maar uiteindelijk moeten we toch eens naar buiten… Het hotel is totaal verlaten als we even na half 11 de regen instappen. Onder Mels’ nieuwe, zonnebloemgele regenzak tekenen zich de contouren af van de 2 dagen geleden gekochte lampions. Onder onze nieuwe pluutjes blijven we voorlopig lekker droog. We pakken weer route 56 op om het uitgestrekte industriegebied aan de noordoostkant van Ōzu te doorkruisen. Als we over een van de lange bruggen over de brede rivier lopen, zien we links op een heuvel het erg mooie kasteel van Ōzu liggen: helderwitte muren met grijze dakpannendaken in een verder grijsmistige wereld. In de diepte onder de brug liggen tientallen kleine, overdekte rondvaartboten, wachtend op het toeristenseizoen.

Het kilometerslange traject door het industriegebied van Ōzu is nooit echt leuk: afwisselend op een smalle stoep, dan weer balancerend op de dekplaten over de goot, langs een erg drukke autoweg, met als enige uitzicht kantoren, autobedrijven en andere industrie; hier en daar een winkel of restaurant. De regen maakt het er niet beter op: de grote plassen op de weg worden metershoog opgeworpen door het voorbijrazende verkeer. ‘We vergeten een tempel!’, gil ik plotseling naar Mels, boven al het verkeersgedruis uit. Hij kijkt me met grote ogen aan. Het routeboekje wordt uit een plastic zakje tevoorschijn gehaald. Inderdaad, we waren bijna bangai 8 vergeten… We zijn er nog net niet voorbij gelopen.

Het is inmiddels half 12 en we hebben 5 kilometer afgelegd, daarom leggen we eerst even aan bij een Joyfull voor (in chronologische volgorde) ijs en friet (Yna) respectievelijk gebak en tofu (Mels). We krijgen een handdoek om ons wat af te drogen. Als we eenmaal zijn geïnstalleerd, zie ik bij de ingang de ene na de andere gast een handdoek uit de hand- of aktetas halen en zich afdrogen. Dat is me in Japan wel vaker opgevallen: bijna iedereen heeft een handdoek bij zich, om zich af te drogen bij regen, om eventueel zweet af te wissen bij warmvochtig weer en voor een onverwacht bezoek aan een onsen. Altijd handig.

Al kort na de Joyfull is in de innige omhelzing van route 56 en een op grote hoogte kruisende snelweg bangai 8 te vinden. Jammer, denk ik, soms kan een mooi gebouw zich op zo’n verschrikkelijk verkeerde plaats bevinden… De regen is inmiddels afgenomen en beperkt zich afwisselend tot een heftig buitje, dan weer tot gestage druilregen. De tempelgebouwen bevinden zich op een rijtje langs route 56, een winderig plekje waar regenvlagen en wind voortdurend proberen greep te krijgen op fototoestel en boekjes. De stempelmonnik geeft ons elk een klein origami-krabbetje, zelfgevouwen. In ons routeboekje staat bij deze tempel dat we ook even onder de brug ernaast moeten kijken. Daar blijkt Kukai te slapen, vereeuwigd in steen. Een ontroerend plekje met schrijntjes en kussens op een klein stukje kade onder de brug. Een tweetal duiven volgt onze aanwezigheid nieuwsgierig. Volgens de overlevering zou Kukai tijdens zijn pelgrimstocht op Shikoku vaak onder bruggen hebben geslapen. Dat is een van de dingen die Mels en ik al voor onze eerste tocht hebben afgesproken: we gaan niet in bushokjes, op treinstations en onder bruggen slapen. Niet alleen omdat je dan ook de hele tijd een goede slaapzak en een matje mee moet slepen, maar ook omdat we denken dat onze lichamen daar echt niet meer tegen kunnen… Maar we houden ons wel aan het goede gebruik de pelgrimsstaf niet neer te laten komen op bruggen en viaducten, want dan zou je Kukai wakker kunnen maken… Het is een van de rituele gewoonten om alert te blijven op je pelgrimstocht. Ook het belletje aan je pelgrimstas, rugzak of jas is bedoeld om je voortdurend eraan te herinneren dat je op pelgrimstocht bent.

Als route 56 zich splitst, nemen een kleinere weg. Ik neem foto’s van enkele mooie oude gebouwtjes; op het terrein bevinden zich ook een grote loods en diverse houtstapels. Een man komt uit de loods, hij blijkt een paar woorden Engels te spreken. Hij had ons vanochtend al langs de weg zien lopen, vertelt hij. Of we zin hebben in thee? Jazeker! Hij maakt een van de schilderachtige gebouwtjes, dat half verscholen is onder een grote bloeiende kersenboom, open. Het blijkt een piepklein en erg mooi oud barretje. Hij vertelt dat hij o-mochi produceert, kleverige balletjes gemaakt van rijstpasta en gevuld met zoetebonenpasta; hij maakt ze op traditionele wijze: in houten vaten (vergelijkbaar met karnvaatjes) met een houten stamper die wordt aangedreven met de voeten. Op de veranda staat een houtskoolbrandertje voor het verwarmen van de balletjes. Of we zin hebben? ‘Zeg alsjeblieft ‘Nee’,’ zeg ik tegen Mels, ‘laatst ben ik er bijna in gestikt; ik krijg ze niet doorgeslikt…’, maar hij zegt ‘Ja’ en belooft alles op te eten of zonodig stiekem weg te werken. Maar even later krijgt hij wat last van zijn hart – het slaat over, iets waar hij het grootste deel van zijn leven al last van heeft – en hij weigert verder te eten of te drinken. Beleefdheidshalve eet en drink ik verder alles op en gelukkig valt het deze keer mee, ik krijg alles weggewerkt zonder te kokhalzen… Het is een aardige man en we hebben er een leuke tijd. Europa heeft hij zelf ook bezocht; zijn dochter geeft les aan de universiteit in Londen. Wij geven hem een osame fuda en een visitekaartje.

Om in Uchiko te komen, moeten we nog een kleine vallei door, over een door de regen zompig geworden pad. Het is een stille vallei met verlaten sawa’s, omringd door bossen. We hebben allebei weer eenzelfde ervaring van helderheid, net als gisteren. In het volgende dal, vlak voor Uchiko, is een park met een grote vijver met bedelende koivissen, zwarte en witte zwanen en eenden. In een boom aan de waterkant zit een groepje witte reigers. Net als ik een foto wil nemen, schiet er een pijnscheut vanuit mijn rug naar mijn linkerbeen. Langzaam bewegend strompel ik van links naar rechts, want plotseling zien we op verschillende berghellinkjes reigerkolonies hoog in de bomen, met zowel witte als blauwe reigers. Af en toe vliegt er eentje over met nestmateriaal in de snavel.

In Uchiko zullen we in 2 verschillende ryokans verblijven, omdat het niet lukte 2 nachten achtereen te reserveren in dezelfde ryokan. De eerste ryokan blijkt een groot complex te zijn. Ook de kamer is riant en tot mijn grote vreugde zijn er ook een badkamer en een zitwc. ‘Je hebt nog niet gekeken’, probeert Mels mijn enthousiasme te temperen. ‘Maakt niet uit, ik ben wel kleine badjes gewend.’ ‘Je hebt nog niet gekeken’, zegt hij nog een keer, nu wat nadrukkelijker. Ik doe de deur open: douche en bad zijn niet te gebruiken, overal liggen van de muur gevallen of afgebikte tegels op de vloer en in het bad… Wat een sof…
Maar het avondeten is uitstekend en bovendien erg gezellig. We delen de maaltijd met 2 Japanse henro’s en een Duitse fietshenro met zijn Japanse reisgenoot. De laatste begint meteen Mels ervan te beschuldigen dat hij de ofuro leeg heeft laten lopen. Als buitenlanders zullen we dat natuurlijk wel niet weten, dat iedereen in hetzelfde water moet baden. Nu kon ‘zijn’ Duitser niet baden. Mels ontkent; nu kijkt de man beschuldigend naar mij. Maar de vrouwen- en mannen-ofuro zijn hier gescheiden en ik ben sowieso niet in het mannengedeelte geweest. Hij lijkt het nauwelijks te willen geloven…
De Duitser – violist bij het Dresdener orkest – vertelt dat hij vaak beroepsmatig in Japan is geweest en jaren geleden van de pelgrimstocht op Shikoku hoorde. Het was zijn grote wens de tocht eens te maken en hij is erg blij dit samen met zijn Japanse ‘vriend/tolk/gids’ te doen. Naar Japanse gewoonte heeft zijn gids wel de totale controle overgenomen: de Duitser wil graag na het eten nog even door Uchiko lopen, maar dat wordt hem door zijn Japanse gids niet toegestaan; morgen moet er weer worden gefietst…
De Japanse henro aan de andere zijde van mij, spreekt aardig Engels, een cursus gedaan na zijn pensionering. Hij is 70, komt uit Osaka en doet de tocht voor de vijfde maal, maar moet vanwege voetproblemen deze keer af en toe de trein nemen. ‘Naze?’, vraagt hij. ‘Waarom doen jullie deze tocht?’ Mels vertelt ons verhaal. En wat de tocht met ons doet, dat je wereld klein wordt tijdens zo’n tocht, los van de ‘normale’ wereld, los van de stress, met simpele keuzes: links of rechts?

Geplande afstand: 12,0 km, 653 m stijging
Werkelijke afstand: 14,9 km, hoogste punt 111 m, totale stijging 375 m, totale daling 336 m
Cumulatief afgelegde afstand: 843,4 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 10.36– ca. 16.45 uur
Looptijd: 3,01 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: bangai 8
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Shin Machi So (1 kamer 10 tatami’s groot met kastenwanden, 2 tafeltjes, tv en 2 grondstoeltjes, 2 halletjes waarvan 1 met wasmeubel, 1 wc, 1 badkamer die niet is te gebruiken…, uitstekend avondeten, goed ontbijt)

Dag 45: dinsdag 10 april 2012: Vissen naar ballen

Even op en neer naar bangai 7 die zich ver buiten de ‘doorgaande’ henroroute bevindt, op 653 meter hoogte: 14 kilometer heen, 14 kilometer terug. Slapen in dezelfde ryokan, dus de meeste bagage blijft in de kamer. Maar… Hide-san mailde ons dat de bangai op 812 meter hoogte staat en ons hotel bevindt zich op 21 meter… Hide-san gebruikt het Japanse routeboekje dat een stuk gedetailleerder is dan het Engelstalige (met onder meer veel meer overnachtingsplaatsen) en veel nauwkeuriger wat betreft afstanden en hoogtelijnen. Dat wordt geen makkelijke dag. Hopelijk blijft de beloofde regen uit… Er zijn 3 routes mogelijk naar de tempel: de meest oostelijke is grotendeels via de weg, de 2 andere zijn via bergpaadjes. Mels vraagt de ryokan-eigenaar naar de gesteldheid van de verschillende routes en hij adviseert de weg te nemen, de andere zijn te moeilijk. ‘Maar hij heeft de routes waarschijnlijk nog nooit zelf gelopen’, dring ik aan bij Mels. ‘Zullen we de middelste route heen doen en via de weg teruglopen? De middelste route heet de Jizo-route en Jizo is de beschermheilige, niet alleen van de gestorven kindertjes, maar ook van de wandelaars. Dus het kan nooit een verkeerde route zijn…’ We nemen de Jizo-route…

Om 10 voor 8 storten we ons in de ochtenddrukte en lopen al gauw het westen van Ōzu uit. De bergen rondom Ōzu zijn gehuld in een rozige smog, maar de temperatuur is aangenaam. Nadat we in een supermarkt wat sushi hebben gekocht voor de lunch, lopen we langs route 234 verder naar het westen door een breed dal. We komen langs een oefengolfveld, in Japan een lang 2-laags gebouw vanwaaruit je je ballen schiet naar een kunstgrasveld of… naar een vijver, omgeven door 10-tallen meters hoge netten. Deze golfcourse bestaat uit een grote vijver. Een man in een roeibootje is bezig met een visnet ballen te vangen, zijn boot ligt al aardig vol met balletjes. We maken foto’s. Achter ons stopt een auto, een man knoopt een praatje aan. Hij blijkt Rogier Uitenboogaart te kennen, de Nederlandse papierkunstenaar op Shikoku die we nog niet zo lang geleden hebben bezocht.

Naarmate route 234 zich meer en meer afsplitst en de bergen inloopt, wordt het steeds stiller. ‘Welke berg zou het zijn?’, vraag ik Mels. ‘De bergen die je ziet, zijn niet hoog genoeg. Hij moet erachter liggen’, is het antwoord. ‘Oh…’ Na 5 kilometer komen we bij het begin van het bergpaadje, dat vooralsnog bestaat uit een betonnen pad. We trekken de fleecejacks uit; het wordt steeds warmer. ‘Zal ik eens kijken hoe hoog we al zitten?’, vraagt Mels. Dat blijkt 262 meter te zijn, niet erg bemoedigend. Langs het pad zie ik kleine blauwe besjes aan een rits; ze zien eruit als donkere glaskraaltjes; nooit eerder gezien. Even verderop in een steil wandje zit een groepje kikkers te brullen in hun holletjes die werken als kleine versterkertjes. Al gauw verandert het pad in een breed grintpad, regelmatig afgewisseld met iets dat meer op een wildpaadje lijkt. Dit moet op zijn zachtst gezegd een weinig gebruikte route zijn, vaak is er helemaal geen pad te onderscheiden. We lopen regelmatig over een richeltje langs de berghelling, 1 voet breed. Af en toe voelen we een voet wegzakken en moeten we ons haasten voordat de richel intstort… ‘Ik leer hier wel omgaan met smalle richeltjes en diepe afgronden’, zegt Mels. Dat denk ik ook, met zijn hoogtevrees had hij dit, denk ik, een paar jaar geleden niet gedurfd…

Overal staan viooltjes, pastelblauw met heel soms een witte ertussen, vooral op hellingen waar is gekapt. We krijgen het warmer en warmer; het zweet gutst eruit, mijn ogen lopen regelmatig vol… Kort rusten we op een richel bij een begraafplaatsje en trekken dan weer verder. Door uitgestrekte sugi-bossen, of soms een bamboe-enclave. Overal zijn sporen te zien van vroegere bebouwing: gestapelde muurtjes, paden die half terugveroverd zijn door de natuur, ingestorte gebouwtjes, verlaten akkertjes, aangeplante boomgroepjes… Het wordt steeds stiller. In de diepte is soms nog een motorzaag te horen, soms heel erg ver weg nog wat verkeersgedruis. Nachtegalen nemen het over, en soms is er de ik-weet-niet-hoe-ik-moet-stopppen-en-wij-weten-niet-hoe-hij-heet-vogel, boven de de bossen vaak het gegok van raven en verder weg wat gekoer van duiven. Langs het pad zie ik een wat verlopen morielje. Vaak schuifelen we door een dikke bladerlaag, beducht op halfsluimerende slangen. Langs de brede, makkelijk te belopen grintpaden liggen soms lange 1 meter hoge stapels stammetjes met shiitake-mycelia. In enkele beschutte kommetjes onder de hoge sugi is enkele keren een hele verzameling gerangschikt: 1 meter lange stammetjes half schuin neergezet in lange rijen, als het soldatenleger van Xi’an, verstild, doods…

Zo’n 4 kilometer voor de tempel komen we op een asfaltweg – de weg die we ook weer naar beneden zullen nemen. Richting tempel duikt de weg eerst nog een dal in. Tja, je kunt ook niet verwachten dat de eerste berg meteen DE BERG is…, denk ik berustend, maar we zijn allebei niet blij dat we dalen; naar de tempel is het nog minstens 300 meter stijgen. Na anderhalve kilometer komen we bij het laatste traject, weer een bergpaadje. Alle 3 henroroutes naar bangai 7 komen hier samen. En het is duidelijk een goed onderhouden en veel gebruikte route. Via een makkelijk pad – we zien zelfs sporen van een motorfiets! – stijgen we gestaag. Af en toe is er midden op het pad een vreemd – groot en ondiep – gat gegraven, gevuld met regenwater en in het midden een boomknotje tot een scherpe punt afgeslepen en glad alsof er steeds weer overheen is geaaid… We hebben er geen verklaring voor. Kort voor de tempel komen we langs een klein heiligdom: een schrijntje met rode vlaggen en gordijnen en tal van beelden met rode slabbetjes en mutsjes. Heel erg mooi. Ik blijf er even zitten op een bankje en we nemen wat foto’s.

Meteen daarna – het is inmiddels half 1 – komen we bij de omheining van het tempelcomplex waar een enorm standbeeld staat van Kukai. We lopen er de henro tegen het lijf die me gisteren liet schrikken met zijn belletje. Hij vertelt dat hij route 234 helemaal heeft afgelegd naar bangai 7 en dát is 26 kilometer…

Een heleboel trappen later komen we aan bij de poort, waar een enorme sugi nog niet zo lang geleden is ingestort: op enkele 10-tallen meters hoogte zijn recente sporen te zien van de afgeknakte stam. Blijkbaar heeft de boom geen schade berokkend aan zijn omgeving, zelfs de oude, volledig begroeide klokkentoren aan de andere zijde van de trap, is ongeschonden. Nog wat trappen verder komen we bij de fraaie hoofdtempel, volgens de gps 821 meter hoog, nog hoger dan Hide-san had voorspeld. Maar de afgelegde afstand is wat korter dan verwacht, slechts 13,1 kilometer. Het uitzicht is nog steeds erg heiig; de omringende bergen staan in verschillende grijstinten achter elkaar. De bewolking is inmiddels toegenomen; de zon schijnt er nog lichtjes doorheen. Het is koud op de top. Na het uitvoeren van de rituelen, aarzelen we tussen sushi op een tochtig bankje en een onverwacht udon-restaurantje in het tempelcomplex. Het wordt soep. Maar ik wil niet te lang blijven. ‘We hebben alle tijd!’, zegt Mels. ‘Er hangt regen in de lucht’, dring ik aan. Om 2 uur vangen we de terugweg aan, het eerste traject via hetzelfde pad als de heenweg. Er is een koude wind opgestoken. Bij het kleine heiligdom hebben we allebei eenzelfde ervaring van helderheid. Een magische plek. Alsof je dwars door de dingen heen kunt zien. Ik had diezelfde ervaring 2 jaar geleden, op een pad tussen tempel 81 en 82. Mels heeft die ervaring ook verschillende malen gehad. ‘Meestal heeft het te maken met meer verbranden dan je eet’, zegt Mels nuchter… Maar het is wel mooi…

Het makkelijke pad van de heenweg is niet zo makkelijk af te dalen… Het pad is bezaaid met sugi-takken die opspringen als je erop stapt. Als je de ander niet laat struikelen op die manier, dan gebeurt het vaak jezelf… En het coniferenloof is ook erg glad. En er zijn erg veel losliggende keien. Halverwege zien we een henro zitten, mooi gekleed in traditionele kledij: witte broek en tuniek en eroverheen een lange, zwarte, tuleachtige hes, gecompleteerd met een zwarte, stoffen schoudertas, een mooie, cognackleurige, rondgebogen bamboehoed en een zwarte staf met een setje ringen bovenaan. We vragen of we hem op de foto mogen zetten. Dat is wederzijds. Hij blijkt 68 te zijn, even oud als Mels. We hadden hem 90 geschat. Wonderlijk mooi!

Daarna loop ik voorop en ren zowat naar beneden. ‘Het gaat vandaag goed met lopen, hè!’, zeggen we nog maar eens tegen elkaar. ‘Dat we dit toch allemaal kunnen!’ Al snel zijn we terug bij de asfaltweg die vanaf hier eerst omhoog, dan steeds verder omlaag loopt, door fraaie bossen. Af en toe is er een akkertje. Percelen loofbos ogen nog winters kaal. Ook nu zien we regelmatig shiitake-boomstammetjes, in lage, langgerekte stapels langs de weg (net geënt met mycelia of juist ‘uitgewerkt’), of in kleine beschutte inzinkingen schuin in het gelid gezet, waar ze pas na 2 jaar te oogsten zijn, is ons gisteren verteld. Het is een fraaie weg, die we helemaal voor ons alleen hebben. We komen geen mens (en geen auto) tegen. Grote groepen geelbloeiend koolzaad omzomen de weg. Behalve sugi zijn er opvallend veel dennenbomen.

Als de asfaltweg weer het dal induikt, zien we in de diepte de weg die we vanochtend volgden door het dal. Het begint af en toe te druppelen, maar de regen zet niet door. Enkele keren snijden we een bocht af via een paadje, maar dat is niet altijd mogelijk: eenmaal is een paadje over een betonnen wand vanwege (duidelijk!) instortingsgevaar afgesloten, een andere keer is het pad overgenomen door een uitgestrekte zandgroeve. Het laatste deel van de weg snijden we zelf af, we nemen wat andere weggetjes die rechtstreekser het dal inlopen, maar lopen vast op een spoorlijn. Enkele vrouwen roepen ons terug: naar Ōzu moeten we iets terug, via een overdekte goot langs de achtertuinen. Ook de rivier is een hindernis: we moeten iets omlopen voor een brug. En dan lopen we aan tegen de heuvel waarop het mooie kasteel van Ōzu staat. Een man helpt ons: we moeten weer wat teruglopen en hij loopt met ons mee tot we voor onze ryokan staan. ‘Hayai!’, zegt hij tegen Mels terwijl hij naar mij wijst. ‘Ze loopt wel erg snel!’ Ja, dat lukt wel vandaag. Even over half 6 zijn we bij de ryokan.

Tijdens het avondeten overwegen we het Lampionnenfestival. Maar het regent inmiddels. En we zijn toch wel erg moe… Misschien morgen… in het volgende stadje. ’s Avonds komt er af en toe wat mail binnen via een onbeveiligd wifi-signaal. Er is een mailtje van de tv director die betrokken was bij ons interview: hij laat ons weten dat het interview uit het programma is geknipt. Helaas… de scène tijdens het avondeten is nog wel te zien, maar ik geloof niet dat we daar iets (zinnigs) hebben gezegd. Helaas…

Geplande afstand: 28,0 km, 653 m stijging
Werkelijke afstand: 26,0 km, hoogste punt 821 m, totale stijging 1095 m, totale daling 1095 m
Cumulatief afgelegde afstand: 828,5 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.51– ca. 17.30 uur
Looptijd: 5,22 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: bangai 7
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Shōraku (1 kamer 8 tatami’s groot met tokonoma / kastenwand, tafeltje, kluisje en tv, lange hal, 2 binnenveranda’s met wasmeubel en hurktoilet resp. kaptafeltje, af en toe een moment onbeveiligde wifi in de kamer, matig avondeten, matig ontbijt)

Dag 44: maandag 9 april 2012: Het schimmelparadijs

Onze gastvrouw gaat ’s ochtends opnieuw met haar neus door het stof, eerst bij het ontbijt – waarbij we ook 2 grote pakken onigiri krijgen en wat muntjes om in de tempel te offeren – en later bij ons afscheid om 10 voor 9. We volgen bijna de hele dag route 56 – of wat parallelweggetjes die door gehuchtjes voeren – verder naar het noorden. Het traject is grotendeels hetzelfde als vorig jaar, maar korter (zowel aan het begin als het eind een stuk eraf). Route 56 is erg druk en de omgeving is vrij saai. Op afstand liggen geregeld lage bergruggen, als losse schapen in een weiland; typisch Japanse bergjes, zo midden op een vlakte steil omhoog reizend. Hoewel het erg koud was bij ons vertrek, wordt het gedurende de dag warmer en warmer. Al gauw lopen we te zweten en gaan er jacks uit. Mels is inmiddels ook begonnen met afbladderen, misschien is het toch de zon…

Mels heeft een terugslag; misschien gisteren iets te enthousiast gelopen? We hebben allebei last van onze ruggen, maar Mels schijnt er het meeste onder te lijden. Zijn rugzak is loodzwaar. Bij een fraaie rest hut laten we wat gewicht achter: 2 grote dozen met onigiri, een doos met sushi, wat broodjes en het (ongebruikte) kinderponchootje. We zetten er data op, in de hoop dat iemand anders het eten gaat gebruiken. Nog geen 50 meter verder, komt er een man uit een huis rennen met 2 grote citrusvruchten. ‘Ik ben blij dat je ruimte hebt gemaakt voor nieuwe dingen…’, zeg ik tegen Mels.

Na de koffie heeft Mels, zoals wel vaker, extra last van zijn knieën. Het tempo blijft uiterst laag. Praten is ook lastig, als we al naast elkaar kunnen lopen, dan kunnen we elkaar nauwelijks horen door het drukke verkeer. ‘Kijk, een chalet.’ ‘Wie is weg?’ ‘Wat?’ ‘Er is iemand weg?’ ‘Wie?’ Hopeloos… maar ja, dat zijn we onderhand wel gewend in Japan, een groot deel van de pelgrimstocht voert langs drukke wegen…

Niet ver voor een autotunnel nemen we een afslag richting pasje. Vorig jaar was onze ervaring met deze meer dan 1 kilometer lange tunnel zonder stoep bijzonder angstaanjagend en we lopen graag de 3 kilometer lange omweg over het pasje dat zo’n 165 meter hoger ligt dan de ingang van de tunnel. Eerst dalen we wat af en via wat weggetjes door een dal bereiken we het bergpaadje dat makkelijk begaanbaar is. Rond 1 uur bereiken we de pas op 474 meter hoogte. Ik hoor steeds een belletje achter me, zeg ik tegen Mels, als we weer afdalen naar het volgende dal. ‘Dat is de belvogel’, grapt hij. Ik kijk om en zie tot mijn schrik een henro – met het gebruikelijke belletjes aan rugzak of tempeltas – die blijkbaar al een tijdje probeert mij te passeren… We krijgen alledrie de slappe lach. Het pad naar beneden is niet altijd even makkelijk: enkele keren bestaat het uit een zeer steil betonnen paadje dat door coniferenloof en kiezelsteentjes erg verraderlijk is; we zijn erg blij dat het niet regent… Lange tijd lopen we over een (afwisselend geasfalteerd en ongeasfalteerd) weggetje dat eindeloos langs de berghellingen cirkelt, nauwelijks dalend. We komen er langs een groepje mensen dat boomstammetjes aan het prepareren is met mycelia van shiitake. De mannen zijn met boormachines in de weer om overal gaten te boren in de 1 meter lange boomstammetjes; de vrouwen stoppen er kleine propjes in met mycelia. Een vrolijk gezelschap dat geen bezwaar heeft tegen foto’s. Even later – en 4 enorme citrusvruchten rijker – lopen we door.

Tot slot volgt er een laatste verraderlijk betonnen paadje. En dan een volgend dal vol kersenbloesem. Bij route 56 vinden we een wegstation met diverse restaurantjes. We kiezen Woody life. Er is geen lunch meer te krijgen om kwart over 2, maar er is taart, ook goed. Een hoogbejaard echtpaar nodigt ons uit aan de bar. De man spreekt wat Engels; zij heeft de pelgrimstocht eens per auto afgelegd. De warme choco met slagroom en taartpunt met ijs en slagroom zijn verrukkelijk. Het bejaarde echtpaar neemt verse jus en een enorme schaal met wafels en ijs en vruchten. De helft ervan wordt onze kant opgeschoven. Mels ontfermt zich over de wafels, ik over het ijs… Oeffff!!! Bij een rest hut kort daarna laten we de meeste van de citrusvruchten achter bij een zwerfhenro die er ligt te slapen, naast zijn fiets met 2 grote kratten met al zijn bezittingen erin

Tot mijn verbazing zet Mels er de pas in. Ook bergop- en afwaarts was hij al snel, maar dat verbaasde me niet: ik ben altijd langzaam op hellingen, hevig zwetend naar boven, bang om te vallen naar beneden… Maar de klim heeft hem goed gedaan, misschien is het de afwisseling? Ook voor mij is een dag langs de autoweg moeizamer dan wat afwisseling met bergjes in het programma.

Zo’n 5–6 kilometer later naderen we Ozu. Naast de nieuwe snelweg staat een enorme kathedraal, in de schaduw ervan een piepklein kapelletje. Dergelijke gebouwen zijn vaak neergezet als trouwlocatie, weten we. De kathedraal oogt in de verte typisch Europees, maar mist bij nader inzien iets… Alle details ontbreken, alleen op de torens zijn lijnen te zien als van echte shingles. Alsof de hele kathedraal van karton is gemaakt. Lopend langs een riviertje komen we bij een grotere rivier waar aan de overzijde een fraai theehuisje halverwege een bebost bergje hangt; 2 jaar geleden hebben we er een bezoek aan gebracht. In Ozu lopen we kriskras door wat oude straatjes, bekend als filmlocatie. We zien bij toeval een lampionnenmaker en stappen binnen. De man spreekt Engels. We zijn allebei geïnteresseerd in lampionnen, maar ze zijn niet goedkoop: handgemaakt met ragfijn bamboe staketsel, papier erover en dan beschilderd. Mels koopt er 2, rood plastic, drinkgelegenheid staat erop.

Even na half 5 komen we aan bij onze overnachtingsplaats. In de oude wijk staat op de hoek van een kruispunt een hotel dat zo uit een film over de negentiende eeuw weggelopen zou kunnen zijn. ‘Een goedmakertje voor gisteren?’, vraag ik. ‘Kan nog tegenvallen. Je moet nooit afgaan op de buitenkant…’, antwoordt Mels. Binnen blijkt het inderdaad om een erg aftandse gelegenheid te gaan met een sjagerijnige eigenaar. Jammer, want we blijven hier 2 nachten. De kamer is ruim, maar het hurktoilet ruikt nogal en er kan niet worden gelucht. Mels trekt een yukata aan en verdwijnt naar de ofuro. Maar meteen komt hij terug: te vies. ‘De muren, het plafond, alles zit onder de schimmel. En het stinkt…’ Schimmel, dat zijn we wel gewend in de Japanse ofuro’s – ook bad, badcover en doucheslang zitten er vaak onder – maar deze keer schijnt het wel heel erg te zijn. De kleren gaan weer aan. Kort vangen we een onbeveiligd wifi-signaal op, maar het is weg voordat ik mail kan binnenhalen.

Het avondeten in de koude eetzaal is zeer matig. En vooral erg weinig. Andere henro’s zijn er niet, wel enkele zwijgzame werkmannen. ‘Misschien is de ryokan-eigenaar niet sjagerijnig, maar lijdt hij onder het leven’, suggereer ik. Ik vind hem er vooral treurig uitzien. Zijn assistent – type zwerver maar wel erg aardig, die zijn visnetten heeft uitgehangen in de eetzaal – komt ons elk nog een extra schaaltje brengen: Mels krijgt hom of kuit, ik wat aangemaakte komkommer. ‘Misschien hebben jullie nog zin het Lampionnenfestival te bezoeken?’, vraagt hij. ‘Bij het kasteel van Ozu is de sakura erg mooi!’ Misschien morgen…

Geplande afstand: 18,7 km, 300 m stijging
Werkelijke afstand: 22,0 km, hoogste punt 474 m, totale stijging 589 m, totale daling 824 m
Cumulatief afgelegde afstand: 802,5 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.49– ca. 16.35 uur
Looptijd: 5,11 uur
Gemiddelde snelheid: 4,2 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Shoraku (1 kamer 8 tatami’s groot met tokonoma / kastenwand, tafeltje, kluisje en tv, lange hal, 2 binnenveranda’s met wasmeubel en hurktoilet resp. kaptafeltje, af en toe een moment onbeveiligde wifi in de kamer, matig avondeten, zeer matig ontbijt)

Dag 43: zondag 8 april 2012: 1000 grote stinkzwammen in volle glorie

’s Nachts schiet me te binnen dat Mels een tempel is vergeten: we moeten vandaag niet 2 maar 3 tempels bezoeken, omdat we niet overnachten in het hotel waar we vorig jaar hebben geslapen – vóór tempel 43 – maar in een ryokan na de tempel. Dat betekent 3 extra kilometers inclusief een bergje op en af naar tempel 43 en vervolgens weer een bergje op en af naar het dorp waar de ryokan zich bevindt. Vorig jaar hebben we deze zeer fraaie ryokan ontdekt: middenin een mooi, oud straatje met traditionele huizen in het plaatsje Uwa. We hebben de eigenaar en onszelf toen beloofd hier zeker te gaan slapen als we weer zouden gaan lopen op Shikoku.
We vertrekken daarom niet al te laat: 21–22 kilometer voor de boeg, inclusief een behoorlijk bergtraject, en vóór 5 uur moeten we de laatste tempel hebben bezocht… Hoewel avondeten en ontbijt niet zijn inbegrepen in deze overnachtingsplaats, kregen we vorig jaar zowel ’s avonds als ’s ochtends toch wat te eten en nu hebben we daar ook op gerekend, maar er komt niets. We eten dan maar de mikans op, die we van Hideko hebben gekregen, en wat koekjes en vertrekken om half 8. Het is bar koud, ondanks de zon. Met onze hoofden diep weggedoken in onze kragen en de handen zoveel mogelijk teruggetrokken in de mouwen volgen we route 57, die langzaam stijgend tussen de bergen naar het noorden loopt. De vele kersenbomen in het dal laten hun witte bloemblaadjes vallen. In een klein stroompje drijven grote oppervlakken als wit schuim. Niet voor niets zijn de sakura het symbool voor vergankelijkheid: ze bloeien slechts 1 week (en dan staat heel Japan op zijn kop, elke avond toont de tv de bloesemgolf die van zuid naar noord over Japan trekt!); de pruimenbloesem houdt het 2 weken uit.
Het loopt lekker. Dat constateren we allebei; sinds ons gesprek 11 dagen geleden gaat het ook met Mels prima. Ik heb al lang niet meer het ‘Als je (***) iets langzamer zou lopen, dan kon ik je tenminste bijhouden…’ gehoord. Natuurlijk zijn er allerlei lichamelijke ongemakken, maar dat kan ook niet anders op zo’n tocht. Tanoshiku arukimasu! We lopen met plezier. Het plezier van een kind, het plezier om te leven!
Na zo’n 5 kilometer komen we bij de pas en dan is er het brede rivierdal waar we de eerste 2 tempels zullen vinden. Maar we maken eerst een kleine omweg naar een wegstation. Er worden net een paar setjes grote stoffen vissen omhoog getakeld; ze worden op jongensdag in mei door de grootouders geschonken aan hun kleinzoon; we zien ze wel vaker hangen, in allerlei formaten, ‘zwemmend’ op de wind. Het restaurant opent pas om 9 uur, we moeten een kwartier wachten en lopen wat over het kleine marktje dat er net wordt opgebouwd. Bij het restaurant kunnen we geen ontbijtset kopen, daarom nemen we koffie, met brood en cakejes van de markt, en gaan lekker op het terras zitten. In de zon, uit de wind is het heerlijk warm. Links en rechts schieten zwaluwen voorbij; onder de overkappingen zijn overal nestjes. De vrouw van het bloemenstalletje komt een praatje maken. We ontdekken een wifi-signaal en blijven prompt meer dan een uur hangen. Mels moet nog even naar de drukproef kijken. Als we vertrekken, krijgen we van het restaurant cakejes mee en van de buurtafel toffees.

Kort daarna komen we bij tempel 41, die ligt op een lage uitloper van de bergen. Na het uitvoeren van de rituelen, steken we de uitloper over en komen dan weer in het brede dal. Geruime tijd volgen we een weg die aan 1 of beide zijden wordt omgeven door grote vakken gele en rode tulpen. In de verte is een nieuwe snelweg te zien, nog erg rustig. Om half 12 arriveren we bij tempel 42 en na de rituelen lunchen we met wat van de markt meegebrachte sushi op een bankje tegenover het stempelkantoor. Een jonge vrouw komt aanlopen, een grote tas vol rollen over de ene schouder, een grote, zware weekendtas over de andere. Stapels stempelboeken worden gestempeld. De rollen worden na het stempelen allemaal in de zon te drogen gelegd; 15 tellen we er op het bankje bij het kantoor. De vrouw is zonder groep; we vermoeden dat de rollen en boeken voor de handel zijn bedoeld. Vorig jaar vertelde iemand ons dat gestempelde boeken en rollen aardig wat geld opbrengen. Snoeven met ongeleverde prestaties… Ook een buschauffeur komt met een grote weekendtas aanzetten, met de stempelboeken van de busgroep die ondertussen de rituelen uitvoert. Als we na de lunch nog wat zitten te dommelen, komt een autohenro-echtpaar voorbij; de vrouw duidelijk zwanger. We zagen ze ook al bij de vorige tempel, 2,6 kilometer verwijderd. Auto- of bushenro’s zijn niet per se sneller dan loophenro’s…

Vanaf de tempel lopen we verder het dal in dat aan het einde wordt geblokkeerd door een hoge, dwarsliggende bergrug. We nemen het pad over de berg; de route door tunnels lijkt sowieso verdwenen door de nieuwe snelweg die hier de bergen doorsteekt. Het pad omhoog lijkt meer op een drooggevallen beekbeddinkje; gelukkig regent het niet. De pelgrimsstaffen – die de afgelopen dagen met de sterke wind meer last dan lust waren – komen weer goed van pas. Bijna missen we het begin van het vervolgpaadje dat nog hoger de berg opgaat, maar via een steil hellinkje kunnen we er alsnog bijkomen. Het vervolg blijkt erg lastig te zijn: met een ketting trekken we ons op langs de helling; 2 andere henro’s laten we achter ons. Mels zet er steeds steviger de pas in. Dan loopt het pad een tijdlang kronkelend langs de hellingen, steeds verder stijgend. Af en toe waait er een nare geur voorbij. Ik kijk om me heen of er grote stinkzwammen staan, maar er is niets te zien. Rond 1 uur bereiken we de pas op 496 meter en als we even uit zitten te rusten in de zon, komt ook een van de andere henro’s aan. Hij geeft ons 2 dekobon, citrusvruchten die dezelfde naam dragen als de Noord-Koreaanse raket die binnenkort de lucht wordt ingeschoten, legt hij uit. We bedanken hem dat hij die helemaal de berg op heeft zitten sjouwen voor ons! Kort daarna komt de andere henro aan en geeft ons een groene en zwarte theesnoepje. We maken foto’s van elkaar bij het bordje van de pas. Daarna volgt er weer een hachelijk paadje naar beneden, ook meer lijkend op een beekbeddinkje; soms is het zelfs helemaal verdwenen en laten we ons glijden van boomwortel naar boomwortel. Bergafwaarts laten de Japanse henro’s ons weer ver achter zich. Ruggen, knieën en enkels protesteren steeds heftiger. De smerige stank wordt bij vlagen steeds erger, alsof er 1000 grote stinkzwammen in volle glorie staan te pronken. Dan herinneren we ons het destructiebedrijf dat in het volgende dal staat. Gelukkig loopt dit pad iets verder weg, het eindigt bij het einde van de meer dan 2 kilometer lange tunnel van de autosnelweg.

In het dal pauzeren we kort bij een rest hut, lekker bij een picknicktafel in de zon. Het is half 3 en het gaat spannend worden of we de laatste tempel nog gaan halen voor 5 uur – die ligt 6 kilometer verderop – en daarom breken we al snel op. Lange tijd lopen we langs route 29 verder naar het noordwesten; het laatste stuk tot aan de tempel is via allerlei kleine weggetjes die dan weer links dan weer rechts van de nieuwe snelweg cirkelen. Nog weer even een hellinkje op en dan zijn we even voor half 5 bij tempel 43, een complex met fraaie gebouwtjes, gelegen in de omarming van een kleine bergrug. De laatste meters voor de tempel lift er een zwarte vlinder met blauwe randjes mee op mijn rugzak. Zekerheidshalve gaan we eerst naar het stempelkantoor en voeren daarna de rituelen uit. Kort daarna komen ook de andere Japanse loophenro’s aan. Wij nemen een pad dat nog iets verder de berg achter de tempel oploopt en na het pasje op 310 meter komen we in het dal waar het plaatsje Uwa ligt. We dalen af in een zee van kersenbloesem. Even later zijn we al in het fraaie, oude straatje waar onze ryokan zich bevindt. De ryokan-eigenaar staat buiten bij de poort die toegang geeft tot de zeer fraaie tuin met oude waterput. Of hij ons op de foto mag zetten? Uiteraard. Hij lijkt wat verbaasd te kijken als we zeggen dat we vannacht in zijn ryokan slapen, maar gaat ons voor door de tuin naar de erachter gelegen ryokan.

‘Er is iets mis. De reservering klopt niet’, zeg ik tegen Mels als het ryokan-echtpaar druk pratend verdwijnt achter een deur. ‘Welnee, ik weet zeker dat het klopt’, zegt Mels geruststellend. Wij doen alvast de rugzak af en trekken onze schoenen uit. Maar als ze even later terugkomen, blijkt er inderdaad geen reservering te zijn. Mels pakt zijn planningsschema erbij: ryokan Matsuchi Ya is geboekt. ‘Maar dit is ryokan Matsu Ya…’, legt de eigenaar uit. We staan er allemaal beteuterd bij, ook het aardige ryokan-echtpaar. Er zit niets anders op dan onze rugzakken weer om te gespen en onze schoenen weer aan te trekken. Elders zit een ryokan met eten op ons te wachten… Teleurgesteld druipen we af. ‘Misschien volgend jaar?’, zegt de ryokan-eigenaar nog. ‘Ach, we gaan gewoon nog een keer’, probeer ik Mels te troosten… We nemen nog wat foto’s van het mooie oude straatje en lopen dan het moderne deel van Uwa in waar we op minder dan een kilometer afstand de ryokan voor de komende nacht vinden. De ontvangst is uiterst hartelijk, de ryokan goed verzorgd en ook het avondeten is prima. We zijn de enige gasten en eten in een mooie kamer. De gastvrouw – die voortdurend de neiging heeft op de knieën te vallen met de neus op de grond en ook het hoogstbeleefde Japans bezigt dat Mels met moeite kan verstaan… – vraagt of we zin hebben om het Lampionnenfestival te bezoeken. In de ryokan hangen posters met het oude straatje, feeëriek verlicht met lampionnen. Een uitje, dat lijkt me wel wat, en ik trek nog wat bladders van mijn gezicht. Maar dit festival blijkt zich in een park af te spelen, buiten het stadje. We gooien er nog wat extra kilometers tegenaan. Door de donkere straten – Mels gewapend met zaklantaarntje en rood flikkerende armband – lopen we naar de heuvel aan de noordkant van het station. Aan de hemel prijken de eerste sterren. Het uitgestrekte park ligt op een heuvel en staat vol met bloeiende kersenbomen. Overal langs de paden zijn lampionnen opgehangen. Hier en daar zitten gezinnetjes op een zeiltje onder een boom te picknicken. Vriendenclubjes en verliefde stelletjes zitten op de stenen trappen. De kersenbloesem licht wit op in het donker. Lichtjes weerspiegelen in de grote vijver. Sprookjesachtig mooi!

Geplande afstand: 21,2 km, 500 m stijging
Werkelijke afstand: 25,4 km (incl. afstand naar volgende ryokan, excl. Lampionnenfestival), hoogste punt 496 m, totale stijging 947 m, totale daling 731 m
Cumulatief afgelegde afstand: 780,5 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.28– ca. 17.15 uur
Looptijd: 5,10 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: tempel 41, 42, 43
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Matsuchi Ya (1 kamer 7,5 tatami’s groot met halletje / kastenwand, tafeltje en tv, goed avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 42: zaterdag 7 april 2012: Blowing in the wind

We ontbijten met Peter, Paul & Mary. Jeugdherinneringen herleven. Daarna maken we nog even snel gebruik van de internetverbinding, nog even de tweede drukproef van KLEI… En er zijn enkele ongeruste e-mailtjes uit Nederland: of alles wel goed gaat; blijkbaar is de lichte tyfoon in Japan nieuws geweest op de Nederlandse televisie. Ook Hide-san was bang dat ons iets was overkomen toen hij na 31 maart de blog niet meer bijgewerkt zag; hij is alle overnachtingsplaatsen gaan afbellen die we de eerste week van april hadden gepland. Uiteindelijk kwam hij erachter dat we met een vriendin waren meegegaan. Het is erg vervelend dat we soms gedurende zo’n lange periode geen internetverbinding kunnen vinden (deze keer zelfs een week lang); vorig jaar met de Samsung konden we veel makkelijker een wifi-signaal opvangen dan nu met de Apple. Hide-san heeft ook uitgezocht wanneer wij op tv komen: 17 april om 19.30 uur op kanaal BS-PREMIUM (BS-3) in het half uur durende programma Kokoro to Karada no mitasareru toki, oftewel When heart and body are satisfied, met het beroemde fotomodel Moe Oshikiri. We gaan zeker kijken, hoewel we waarschijnlijk geen idee hebben wat er gezegd wordt… Alles wordt in het Japans nagesynchroniseerd…

Kouichi toont op de computer foto’s van zijn mooie dochter bij een miss yukata-verkiezing en van zijn muziekband van de highschool, die een paar jaar geleden voor een reünie bijeenkwam in zijn ‘experimenteerhuisje’, een oud huisje langs de rivier waar hij ongestoord muziek kan maken; toevallig kwamen we er gisteren langs, de houten brug – 2 planken breed en de enige toegangsweg – inmiddels grotendeels ingestort. Kouichi maakt nog enkele reserveringen voor ons en tracteert ons op koffie. En dan moeten we echt toch eindelijk eens weg… Bij het afscheid geeft hij Mels een Japans-/Engelstalig boek met soetra’s, iets waar Mels erg in geïnteresseerd is; het extra gewicht in de rugzak neemt hij op de koop toe.

Het is bewolkt en tamelijk koud als we vertrekken. Mels zet voor de zekerheid mijn petje op dat zodanig in de was is gekrompen dat het niet meer op mijn haardos past. Voorgaande jaren zijn we de hele dag route 56 blijven volgen, maar deze keer willen we na enkele kilometers een bergpad nemen in plaats van een 1710 meter lange tunnel. We hebben pas 2 kilometer afgelegd, als Mels voorstelt bij een koffiehuis aan te leggen, wetend dat we meteen erna de bergen in zullen trekken. We worden enthousiast ontvangen; dat we pas 2 kilometer hebben afgelegd, wordt ons meteen vergeven. Een andere gast betaalt de (Hollandse!) koffie en de gastheer komt met fotoboeken van werkzaamheden aan de bergroute waaraan hij in 2007 heeft meegewerkt: een nieuwe slaaphut met wc aan het begin van het pad en een rest hut met een schrijntje en een waterput bij het hoogste punt van de route, en ook talloze verbeteringen aan het pad zelf. Als we vertrekken, geeft hij ons een handvol snoepjes en wuift ons uit. Het begin van het bergpad is net voor de lange tunnel. Het blijkt een makkelijk begaanbaar pad te zijn – hoewel enkele gedeelten moeilijk zullen zijn met regen – en het loopt door fraaie bossen; eenmaal waden we door hoge varenbossen die links en rechts op de hellingen ver boven ons uitsteken. Langs het pad zien we wroetsporen van wilde zwijnen. De temperatuur is aangenaam door de beschutting van de bossen. Al snel dalen we weer af en komen in een mooie vallei met talloze moerasjes, verlaten sawa’s die weer zijn ingenomen door de natuur. De vallei is omringd door berghellingen met gemengd bos dat hier en daar zacht bruinrood ziet van de inmiddels bijna uitgebloeide pruimenbomen. Het doet me denken aan de krentenbomen in de bossen bij Dwingeloo, het landschap van mijn jeugd: de witte bloesem vermengd met het ontluikende teer bruinrode blad. Het is dit weekend Pasen las ik in enkele mailtjes; de tijd van de krentenbloesem.

Eenmaal weer in de buurt van route 56 nemen we een parallelweggetje langs een riviertje, maar keren voor de lunch terug naar de grote weg. We leggen aan bij Joyfull, waar frietjes en ijs zijn te krijgen. Net als bij de koffiepauze, maak ik ook nu gebruik van de gelegenheid om even wat aan het dagboek te werken; ik loop enkele dagen achter… Mels valt in slaap. Pas om half 3 stappen we op. De steeds hardere tegenwind langs route 56 is erg koud. Langzaam lopen we Uwajima in, een wat grotere stad. We verdwijnen in een wirwar aan kleine straatjes. Bij een winkel in vissersbenodigdheden informeren we nog maar eens naar een regenzak voor Mels’ rugzak; pas als we een sportzaak zien, hebben we meer geluk: hier is wel een (goed passende!) regenzak te koop. Tegen half 5 komen we aan bij bangai 6, die op een heuvel in de stad is gelegen. Vanaf het tempelcomplex is er een mooi uitzicht, niet alleen op talloze kersenbloesems, maar ook op het fraaie kasteel van Uwajima op de tegenoverliggende heuvel. Kort na het tempelbezoek leggen we aan bij een restaurant achter een groot warenhuis, omdat er bij onze overnachtingsplaats geen eten is inbegrepen. Rond 6 uur arriveren we bij de zeer aardige, licht spastische jongeman die het gastenverbijf beheert, waar we vorig jaar ook al verbleven. Even later staat zijn vader – zijn ouders wonen naast het gastenverblijf – met een dienblad met eten voor onze neus. Osettai! Er kan nog wel wat bij…

Geplande afstand: 17,1 km, 200 m stijging
Werkelijke afstand: 20,3 km, hoogste punt 231 m, totale stijging 601 m, totale daling 581 m
Cumulatief afgelegde afstand: 755,1 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.27– ca. 18.00 uur
Looptijd: 4,27 uur
Gemiddelde snelheid: 4,6 km/u
Bezochte tempels: bangai 6
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: Henro yado Moyai (2 kamers elk 6 tatami’s groot, elk met 1 rotan stoel, tafeltje en tv, geen avondeten, geen ontbijt)

Dag 41: vrijdag 6 april 2012: Shocking blue penis

Het is moeilijk afscheid nemen. Na een heerlijke nacht op lekkere dikke futons – een groot verschil met de flinterdunne matjes waar we de laatste tijd meestal op moesten slapen – is er een zeer overvloedig ontbijt. En dan nog groene thee met zoetebonengebakjes. Mels vertelt Hideko over mijn ziekte; het is dit jaar voor het eerst dat hij er in Japan vrijelijk over kan praten, maar het emotioneert hem wel, hij schiet vol. Hideko geeft ons een geluks-/blijdschapsbrengende fukuro (uil) van mooi ingelegd houtsnijwerk. Wij geven een klein Delftsblauw potje. Na nog wat foto’s in de tuin, brengen ze ons met de auto terug naar tempel 40 om de pelgrimsroute weer op te kunnen pikken. We omarmen elkaar en wrijven over elkaars rug. Zij dringen aan dat we volgend jaar weer bij hen langskomen en wij bezweren ze ook eens naar Nederland of Frankrijk te komen. Een straatlengte lang worden we uitgezwaaid. We zijn net iets verder dan de hoek om, als er een auto voor ons stopt: Hideko springt eruit, met 2 mikans (een soort sinaasappels) in de hand; we hadden ze laten liggen op de achterbank. Nogmaals afscheid. Dan zetten we de pas erin; het is al 10 voor 9 en we hebben zo’n 25 kilometer voor de boeg, eenzelfde traject als vorig jaar. De zon schijnt, maar de (tegen)wind is weer aangewakkerd en erg koud. We volgen route 56 die hier in het westen van Shikoku afbuigt naar het noorden. Aanvankelijk voert de weg door het binnenland. Op een sawa is een boer bezig met het machinaal planten van rijstplantjes. We passeren weer een schuur met 10-tallen huiden van everzwijnen; vorig jaar hingen ze er ook al, deels gespannen rond houten blokken alsof ze als een soort karikaturen opgezet zijn. Later kronkelt de weg op zo’n 30 meter hoogte langs de bergachtige kust. Het eerste restaurantje aan zee waar we voorbij komen, gaat net open. Tijd voor koffie en plassen; we hebben er inmiddels bijna 2 uur opzitten. In zee steken enkele rotsen uit, als 3 grote haaienvinnen op een rij; erachter is vaag een groter eiland te zien. Op de azuurblauwe zee zijn overal kleine, witte schuimkopjes. Kyushu, het eiland ten zuiden van Honshu, dat we na onze pelgrimstocht nog zullen bezoeken, is vaag in de verte te zien.

Vanwege ons late vertrek ’s ochtends zitten we wat krap in de tijd en daarom kiezen we – net als voorgaande jaren – ervoor route 56 te blijven volgen door diverse tunnels, in plaats van een paadje te nemen dat over de bergen loopt met als hoogste pas zo’n 500 meter. Tegen 1 uur komen we bij een uitgestrekt landschapspark. In een meertje vliegen enkele grijsgekopte aalscholvers op; bij een meertje verderop zitten 10-tallen kleine schildpadden te zonnebaden op de betonnen rand. Wij leggen aan bij de onsen tegenover het park, waar we een uitstekend restaurant weten. Kort na de lunch doorkruisen we via een tunnel een smal, langgerekt schiereiland dat zich ver naar het westen uitrekt.
Een parallelweggetje voert ons door schilderachtige kustplaatsjes vol parelkwekerijen. Langs de langwerpige baai zijn rijen houten huisjes op lange palen half in zee gebouwd. Op het wateroppervlak drijven uitgestrekte pontons met kleine barakjes erop. Metalen rekken zijn in het water uitgezet met oesters ertussen of liggen op de kades te wachten op grote stapels, net als grote bergen boeien. Vorig jaar zagen we overal op het water grote en kleine stukken piepschuim drijven, grote oppervlakken waren wit bedekt; nu lijkt het te zijn opgeruimd.
Dan buigt route 56 weer het binnenland in. De berghellingen zijn bedekt met fraaie gemengde bossen, overal gemêleerd met witte en rose bloesem. Een (laatste) fietstunnel later rusten we kort in een rest hut in een parkje. In de vijver bedelen koivissen; op het betonnen trapje zitten witte eenden toe te kijken. De wind lijkt in en na de laatste tunnel wat minder; het is lekker warm in de paar zonnestralen die we tussen de bergen nog op kunnen vangen. Maar als we verder trekken, neemt de (tegen)wind weer zienderogen toe. Lange tijd lopen we via parallelweggetjes langs rivieren omzoomd door rijen kersenbloesems. In de betonnen rivierbeddingen staan uitgestrekte rietvelden; 2 mannen zijn met bosmaaiers bezig riet te maaien. Het is al 5 uur geweest als we komen bij een schilderachtig gehucht dat zich uitstrekt langs een brede rivier en kort daarna bereiken we onze ryokan.

Vandaag hebben we een mijlpaal bereikt: we zitten op de helft van onze pelgrimstocht – uitgaande van de geplande kilometers. In de spiegel van de ofuro bewonderen we onze hoofden: Mels’s schedeldak is aardig roodverbrand; hij kon de afgelopen dagen vanwege de sterke wind zijn hoedje niet dragen. Ikzelf zie er ook wat vreemd uit: in de ofuro heb ik zeep uit een tube op mijn gezicht gesmeerd, denkend dat het gezichtscème was; de uren daarna zag mijn gezicht er nogal strakgetrokken uit, vandaag was het meer gevoelloos en opgezwollen. De bodysoap van deze ryokan doet er nog een schepje bovenop: de soap brandt rond mijn lippen en even later zwellen ze op alsof er een botoxbehandeling heeft plaatsgevonden. Het ongevraagde facelifteffect is nogal kortstondig: hier en daar begint het wat te bladderen…
‘Beer?’, vraagt Kouichi Sakamoto, de 56-jarige, iets Engelssprekende ryokan-eigenaar, als we binnenkomen in de eetzaal. We zijn – net als vorig jaar – de enige gasten. Hij komt weer gezellig een biertje meedrinken en zet video’s op van Oscar Peterson en Miles Davis: ‘Al die Japanse henro’s die hier komen, houden niet van die muziek. Jullie gelukkig wel. De beste avond van het jaar!’ Kouichi houdt vooral van jaren 60- en 70-muziek, ‘zoals Penis van Shocking Blue’ en hij verontschuldigt zich voor het feit dat Japanners de V niet uit kunnen spreken… Ja, ja… Later vertelt Kouichi over zijn 25-jarige dochter die productontwerpster is in Kyoto en toont 2 van haar ontwerpen: gehaakte slippers compleet met haakpatroon, en een displaytje van een draak gemaakt van stof. Het laatste doet hij cadeau. Sinds de scheiding ziet hij zijn dochter slechts 2x per jaar, tot zijn grote verdriet. In juni komt ze weer, voor 5 dagen. Het verhaal grijpt Mels aan; tranen.

Geplande afstand: 24,7 km, 100 m stijging
Werkelijke afstand: 27,9 km, totale stijging ca. 523 m, totale daling 543 m
Cumulatief afgelegde afstand: 734,8 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.44– ca. 17.30 uur
Looptijd: 5,45 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1 (zelfde)
Overnachting: ryokan Yoshino Ya (1 kamer ca. 5 tatami’s groot en 1 kamer 6 tatami’s groot met tafeltje, tv, internet via kabeltje in eetzaal, goed avondeten, goed ontbijt)

Dag 40: donderdag 5 april 2012: Verleidingen langs het pelgrimspad

We hebben om 12 uur afgesproken met Hideko, bij een wegstation aan de andere kant van de rivier waar tempel 40 zich bevindt. En als we om 10 voor 9 vertrekken van de minshuku, maken we meteen aardig tempo, want we willen niet te laat komen, ook al hebben we maar 11 kilometer af te leggen en 1 tempel te bezoeken. Toch besluiten we – in tegenstelling tot voorgaande jaren – niet route 56 weer op te pikken richting westen, maar een parallelweggetje te nemen. Na enkele kilometers zien we echter een provisorisch bord naar rechts. We aarzelen, want die richting wordt niet aangegeven in ons routeboekje en we hebben inmiddels de ervaring dat restaurants wel eens een route willen ‘verleggen’ zodat de loophenro bij hen komt aanleggen, en ook omwonenden die een henro rest hut hebben ingericht of zelf graag bezoek willen hebben, verdenken we er wel eens van routebordjes te verwijderen of te verplaatsen… Toch besluiten we op de verleiding in te gaan in de hoop dat we niet al te ver afdwalen… Na enkele kleine weggetjes blijkt dat we de bergen in gaan. Bergpaadjes brengen ons hoger en hoger; hier en daar ondersteund door enthousiaste bordjes met rest 0.89 ml en mannetje/vrouwtje-wc-aanduiding. Zou er een restaurant komen? ‘Ik hoop dat ze goede koffie hebben’, grom ik tegen Mels, als we de zoveelste helling opgaan. Het is inmiddels aardig warm; de wind is een stuk zwakker dan gisteren. Op een haast Europees aandoende hoogvlakte komen we door een gehucht; 2 vrouwen, die zitten te keuvelen aan de kant van de weg, zwaaien ons toe: ‘Nog 50 meter, dan is het aan de rechterkant!’ Het blijkt geen restaurant, maar een degelijke rest hut met erachter superdeluxe toiletten: een wc-deksel dat omhoog gaat zodra je de deur opendoet, doortrekgeluiden als je het wc-papier aanraakt etc. etc. We nemen warme Van Houten cocoa uit de automaat even verderop, een goed alternatief voor de niet zo lekkere warme (of koude) blikjeskoffie, dat we pas kort geleden hebben ontdekt. In de rest hut staat uitnodigend een heel groepje fraaie bamboe pelgrimsstaffen, maar ik blijf mijn eigen staf trouw. Een aanduiding in de hut geeft aan dat we al op de helft van ons geplande traject zitten. Dat valt ons erg mee, want we waren bang dat we erg naar het noorden waren afgedwaald met deze omleiding. Blijkbaar is deze omleiding korter en niet langer dan de officiële route. ‘Als je haast hebt, maak dan een omweg…’

Als we weer zijn afgedaald naar een breed rivierdal, komen we door een mooi oud dorp. Dan volgen we een pad langs de rivier (met alweer een rest hut met toiletgebouw) en komen we al snel bij tempel 40 aan. Na het uitvoeren van de rituelen, keren we terug naar de rivier, waar aan de andere zijde het wegstation is waar we hebben afgesproken. Net voor 12 uur komen we aanlopen. Al van verre zien we Hideko op en neer springen. Fumi o, haar echtgenoot is er ook. Eerst gaan we lunchen bij het restaurant tegenover het wegstation; de 67-jarige Hideko rent als een jong meisje de trappen op naar de ingang. We worden ontvangen door de eigenaresse die ons trots rondleidt langs haar keramiekverzameling. Na de lunch hebben Hideko en Fumi o een toeristische middag bedacht. We gaan naar een uitzichtspunt op een bergje vlakbij, waar zich ook een museum en een grote mast bevinden. Het museum herbergt een gevechtsvliegtuig dat in 1945 werd neergeschoten boven zee, vlak voor de kust. In 1977 werd het uit het water opgetakeld en geconserveerd. Aan de muur hangen foto’s van de vliegeniers: foto’s van hun jeugd, van hun gezinnetje, jonge mannen met dromen die werden geofferd voor de dromen van andere mannen. Buiten hebben we een mooi uitzicht over de zee met haar talloze inhammen, en het achterland met berghellingen vol met roze en witte bloesemwolken. Fumi o legt uit dat de rijen boeien in de zee viskwekerijen zijn. We lopen nog iets verder omhoog naar de grote mast. ‘Dat wordt klimmen!’, zegt Mels enthousiast. Maar rond de mast blijkt een ringvormige panorama-lift op en neer te gaan. Op stoeltjes laten we het landschap aan ons voorbij trekken. De ringvormige cabine draait voortdurend om de mast, terwijl we omhoog en later weer omlaag gaan. We boffen, het uitzicht is geweldig met dit mooie, zonnige weer. Aan de voet van de mast blijkt een piepkleine dierentuin met kippen, fazanten en kleine aapjes uit het Amazonegebied.

Na wat gerust te hebben in hun huis – met fraaie, gemillimeterde tuin; de hobby van Fumi o, 70 jaar en gepensioneerd leraar – bezoeken Fumi o, Mels en ik een onsen, een Japanse spa: een erg mooi traditioneel gebouw dat fraai gelegen is in de bergen. Een schitterende omgeving! Bij het avondeten heeft Hideko een high schoolboy uitgenodigd: Syogo Miyamoto, 15 jaar oud, met de nobele taak de nodige vertalingen te doen, want Hideko spreekt nagenoeg geen Engels en haar man al helemaal niet. We krijgen nu ook eens uitgelegd wat Japanners met ‘Fight, fight!’ bedoelen, iets wat wel eens tegen ons wordt geroepen. Het blijkt een aanmoeding te zijn, zoiets als ‘Ga ervoor!’, niet een uitdaging tot een gevecht. Na een uitgebreide Japanse fondue (vlees, vis en groenten in kokend water; daarna dopen in een sausje van sojasaus met een soort citroensap en geraspte daikon, een soort reuzenradijs), is er fruit en dan nog koffie met gebakjes. We klappen zowat uit elkaar. Hideko barst spontaan uit in de hartsoetra en Syogo en wij vallen enthousiast in; Fumi o kijkt het wat gelaten aan. Tot slot zingt Hideko – net als een jaar geleden – een lied over Kukai, dat op Kōya-san ten gehore wordt gebracht tijdens een concours. En dan is het kwart over 9: bedtijd.

Geplande afstand: 10,9 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 11,5 km, totale stijging ca. 385 m, totale daling 474 m
Cumulatief afgelegde afstand: 706,9 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.46– ca. 12.00 uur
Looptijd: 2,18 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u
Bezochte tempels: tempel 40
Blaren: 1 (verder gegroeid)
Overnachting: huis Hideko en Fumi o Fujita, meer dan uitstekend avondeten, meer dan uitstekend ontbijt)

Dag 39: woensdag 4 april 2012: Achter gindse kersenbloesem

’s Nachts steunt en kreunt de ryokan onder al het orkaangeweld. Ik slaap nauwelijks. Om 9 uur vertrekken we. Allebei zijn we nog erg moe van de lange tocht van gisteren en het tempo is niet al te hoog. De wind is nog steeds erg sterk en tegen. Maar de temperatuur is lekker. We volgen route 56 naar het westen. Al korte tijd later komen we bij tempel 39 die baadt in de kersenbloesems. Na het uitvoeren van de rituelen volgen we een mooi en makkelijk bergpaadje, onder meer door een bamboebos. Dan vervolgen we onze weg weer via route 56, steeds verder naar het westen. In enkele zeer ondiepe watertjes met waterhyacinten (verlaten natte sawa’s?) zwemmen salamanders en kleine visjes. Na 4 kilometer komen we langs een koffietentje, maar Mels wil liever wachten tot we in Sukumo aankomen, een stadje waar wellicht kans op wifi is. Maar Sukumo bereiken we pas tegen 12 uur en koffietijd is dan al lang voorbij. Na wat omzwervingen vinden we wel een lunchrestaurant, maar wifi is er niet bij.  Bij het weggaan vragen we of er wellicht een kampeer- of outdoorwinkel in de buurt is, want we zullen zo snel mogelijk de regenzak van Mels’ rugzak moeten zien te vervangen. Er komt net een vrouw binnen en zij biedt spontaan aan ons met de auto naar een zaak te brengen. In een warenhuis vinden we een kinderponchootje, dat mogelijk met tape tot een regenzak is om te bouwen, en 2 kleine pluutjes, maar bij de bouwmarkt ernaast vangen we bot. Ik verwacht ook niet dat er gespecialiseerde zaken zijn in dergelijke kleine steden. We besluiten de route weer op te pakken en door te lopen. Korte tijd later laten we de stad weer achter ons.

Het geheugen is een vreemd wezen. In ons beider herinnering was de tocht over de 2 bergjes vorig jaar niet al te moeilijk en van het eerste jaar herinneren we ons allebei de korte rust in het dal tussen beide bergjes in, op wat kratjes bij een fruitteler; we kregen toen voor het eerst buntans aangeboden. Maar de loods met kratjes ernaast blijkt pas in het derde of vierde (we raken de tel kwijt) dalletje te zijn. Zoveel dalletjes, zoveel bergjes??? En die helling met fruitbomen waar we zo schrokken van de harde knallen (gemaakt met butagasflessen) die bedoeld waren als vogelverschrikker, die blijkt op meerdere bergjes voor te komen. Eindeloos duurt de tocht deze keer… Af en toe vraag ik me af of we wel goed zijn gelopen, is dit dezelfde weg als vorig jaar? Maar ik herken de boom met de tientallen over elkaar kronkelende boomwortels die het pad hebben ingenomen. En het bankje vlak voor de pas staat er ook, met ernaast het kleine weitje met 3 – nu in bloei staande – kersenbomen, en ook de pas zelf, met de gevorkte splitsing, waarvan we ons elke keer weer afvragen of we nu links of rechts moeten… Vorig jaar waren de dagtochten in onze beleving (bijna) altijd makkelijker en korter dan tijdens de eerste looptocht; nu, gedurende onze derde pelgrimsreis is dat nogal wisselend: de ene keer valt het mee, maar vaak lijkt het juist langer…

Na de pas is er een makkelijk, langzaam dalend pad naar het volgende dal. Daarna blijven we de weg volgen; we verwachten nu elk moment onze ryokan te kunnen zien. Een paar maal vragen we of we goed zitten: een man in een pick-up zegt: ‘Bij de stoplichten linksaf.’ Stoplichten? Hier? In the middle of nowhere??? Een paar kilometer later klampen we een man aan die in zijn tuin staat te werken; hij heeft een lang verhaal over ‘iedere keer rechtdoor’ en ‘achter gindse kersenbloesem’. Welke kersenbloesem? Overal staan kersenbloesems! Langs wegen en straten staan hele rijen. Berghellingen zien wit, rose en zacht bruinrood van de bloesem. Bijne elke tuin herbergt een grote kersenbloesem. We lopen eindeloos door, tot we in een dorpje komen. Met een stoplicht. Even later zijn we bij de ryokan.

We worden door de hartelijke gastvrouw met groene thee ontvangen in de eetzaal met tafels en stoelen. Ze is gewend buitenlanders te ontvangen, hoewel ze niet altijd makkelijk zijn, vertelt ze: vorig jaar was er een Canadees die geen Japans voedsel lustte. Dat lijkt me heel erg lastig, zowel voor hemzelf als voor de gastvrouw. We zijn de enige gasten. Bij het avondeten converseert Mels (bijna) moeiteloos in het Japans met de gastvrouw. We eten onze buik rond en met zulke enthousiaste eters maakt onze gastvrouw nog een portie licht gebakken vispastei. We vragen of ze iemand voor ons wil opbellen: Hideko Fujita, de zingende henro die we vorig jaar ontmoetten en die vlak in de buurt moet wonen. Als we haar aan de lijn hebben, barst ze zowat uit elkaar van vreugde. Binnen het kwartier staat ze met de auto voor. Ze slaat me de longen zowat uit mijn lijf van plezier. We moeten onze reservering voor de volgende nacht cancellen en bij haar slapen. Morgen pikt ze ons op na ons tempelbezoek. We hebben met opzet een korte dagtocht gepland, slechts 11 kilometer. De ryokan-eigenaresse belt bereidwillig onze reservering af bij de volgende overnachtingsplaats en serveert groene thee. Op de televisie zijn weer beelden te zien van de storm die over het land trekt.

Geplande afstand: 19,3 km, 350 m stijging
Werkelijke afstand: 21,7 km (incl. 1 km met auto), hoogste punt 299 m, totale stijging ca.827 m, max. helling 32%, totale daling 670 m (deels schattingen; gps heeft tijdlang niet gewerkt)
Cumulatief afgelegde afstand: 695,4 km (excl. 13,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.04– ca. 17.10 uur
Looptijd: ?
Gemiddelde snelheid: ?
Bezochte tempels: tempel 39
Blaren: 1 (verder gegroeid)
Overnachting: minshuku Omori Ya (1 kamer 6 tatami’s groot met fraaie tokonoma/kastenwand, verwarmd tafeltje, tv, goed avondeten, goed ontbijt)

Dag 38: dinsdag 3 april 2012: Koffie?

Onze gastvrouw adviseert route 21 op onze tocht door het binnenland richting tempel 39. Die is wel wat langer dan een andere weg, maar gaat minder over de bergen heen. Alle gasten krijgen van haar een plastic tasje met onigiri, banaan, yakult, koekjes en snoep. Wij zijn er blij mee, want op weg naar de ryokan 3 kilometer voor tempel 39 verwachten we geen restaurants of supermarkten tegen te komen en het is een erg lange tocht: zo’n 30 kilometer. In zee is slechts vaag het donkergrijze silhouet van een kaap te zien. Met de wind valt het nog wel mee, maar al sinds half 5 hoost het. De wereld is weer grijs. Een flits en een klap… om kwart voor 7 begint het te onweren, minder dan 2 kilometer verwijderd, nog voordat we de deur uit zijn… Toch nog maar even wachten… We staren naar de regen buiten. In zee zitten op een rots wat verregende aalscholvers. Een zwaluw is druk bezig een nestje onder het dak van de ryokan te fourageren. ‘Als het onweer blijft aanhouden, bel ik een taxi’, suggereert Mels. ‘Dat hoeft niet… Vorig jaar bracht de ryokan-eigenaresse enkele gasten naar tempel 39. Als wij vragen om te worden gebracht, zal ze dat ook doen…’, antwoord ik. Maar na de derde klap blijft het stil en om half 8 stappen we goed ingepakt tegen de regen naar buiten; de gastvrouw zwaait ons uit, een paar Hollandse klompjes in haar hand. De wind is nog niet sterk, maar komt wel van alle kanten en mijn armzalige parapluutje begeeft het bijna meteen; ook die van Mels raakt wat geknakt. Mijn capuchon heeft de neiging steeds opnieuw via mijn linkeroog af te wateren. Grote hoeveelheden water stromen over de stoep. We zwoegen voort, weer naar het noorden langs route 321, dezelfde kustweg waarlangs we 3 dagen geleden naar het zuiden gingen. Tweemaal is er toch weer een donderslag en kort daarop een lichtflits en schuilen we onder een carport, dan blijft het definitief stil. Maar het lijkt wel of er steeds meer kranen worden opengezet. Bij de karaokebar waar we 3 dagen geleden zo genoten, slaan we weer het binnenland in en via een smal weggetje langs een rivier komen we op route 21 die ons verder naar het westen voert. In de natte sawa’s klinken 1000-en rateltjes, in alle toonaarden. In de stromende regen is een boer aan het ploegen. De weg versmalt steeds meer en klimt heel lichtjes maar gestaag een rivierdal in met rondom steeds hoger wordende, donkerbeboste berghellingen. In de diepte kronkelt een brede rivier, diep groenblauw als de regen niet een donkermat timbre eroverheen zou leggen. Slechts af en toe passeert er een auto. Felrode krabbetjes lopen over het asfalt, soms is er een salamander of een wegspringende kikker; ook zijn er weer de reuzenregenwormen. Na zo’n 10 kilometer komen we voorbij bouwwerkzaamheden: een beekdalletje wordt met een dam afgezet. Wij schuilen even onder het smalle afdakje van de bouwkeet en eten staand snel een banaan en wat koekjes op.

Uur na uur rijgt zich aaneen. Het lopen lijkt een trance; nog een paar zintuigen alert om struikelen te voorkomen en aanstormende auto’s op te merken. Steeds meer kranen worden opengezet. Met emmers tegelijk komt de regen naar beneden. Langs de berghellingen zijn overal stroompjes, vaak met fraaie watervalletjes. Soms heeft een waterloop de weg overgenomen en moeten we door het snelstromende water waden. Vanonder de capuchons zien we vaag een indrukwekkend mooi berglandschap voorbij trekken; de grote rivier steeds in de diepte. Mijn windjack en regenbroek lekken na enige tijd behoorlijk door. Tegen deze felle regen is niets bestand. Af en toe haal ik de grote plastic zak om mijn pelgrimstas los en laat het water dat zich onderin heeft verzameld er even uit lopen; ook de regenzak rond Mels’ rugzak blijkt een waterverzamelaar. Dan, rond een uur of 11, worden plotseling de kranen een voor een dichtgedraaid en korte tijd later is het al droog. De weg daalt langzaam naar de rivier. In het zich verbredende dal kruisen weg en sterk kronkelende rivier elkaar vele malen. Af en toe zijn er wat huizen. Bij een hutje naast de weg staat een man ons te wenken. Het blijkt een rest hut voor henro’s, gemaakt van bamboestammen en blauw zeil, bij de inrit naar zijn huis. Op tafel staat een kratje met koffie, thee, koekjes, chocolaatjes en instantsoep, met ernaast een elektrische waterkoker. Een koelkastje herbergt blikjes; een vers trosje bananen hangt aan een standaardje. Een andere henro is net aan het vertrekken. Wij krijgen door de gastheer koffie aangeboden en nemen heel erg dankbaar plaats. We zijn doodmoe en erg nat en nog niet eens halverwege de tocht. Dit is een heel erg plezierige verrassing. Helaas laat ik na de eerste slok het bekertje koffie uit mijn handen vallen; ik krijg geen nieuwe aangeboden. Jammer, erg, erg jammer… We besluiten onze meegebrachte lunch alvast op te eten, aangezien we niet weten of we nog eens zo’n beschutte plek tegen zullen komen. Maar als we het onderste vak van Mels’ rugzak openen, blijkt al het eten rond te drijven in het water. We proberen nog wat te eten van een rijstbal omwikkeld met zeewier, maar het is echt niet lekker… Ik stel voor verder te lopen naar een supermarkt die volgens het routeboekje 8 kilometer verderop moet zijn.

De zon komt tevoorschijn; langzamerhand verdwijnt de bewolking steeds meer. Maar er steekt ook een sterke tegenwind op waar het moeilijk tegenin worstelen is. Het dal verbreedt zich steeds meer; de hoge bergen vervangen door hier en daar wat kleine bergjes. Natte sawa’s vormen een groot mozaïek, schitterend in de zon. Hier en daar zijn huizen. Rond 1 uur komen we langs een huis met een grote koivijver waarin reuzenrotsen liggen. Overal staan grote en kleine waterradjes, plastic eenden, dwergen. Plotseling horen we een stem boven ons hoofd: ‘Kōhii?’ (koffie?) Een man staat bovenop een van de grote rotsen, een visnetje in zijn hand. Hij nodigt ons uit zijn terrein op te lopen. We bewonderen de koivissen en de vele andere bezienswaardigheden in de tuin. Dan nodigt hij ons uit, niet in het huis erachter, maar naar een klein huisje bovenop een bergje… We laten de rugzakken achter en klimmen man- en vrouwmoedig de lange trap op. Het blijkt een theehuisje te zijn; in een hoek staan de attributen voor een theeceremonie. Aan de tuinzijde is een groot raam waar 4 rotan kuipstoelen bij staan. Er wordt een vers pak koffiebonen geopend voor ons en terwijl het koffieapparaat bezig is, rent hij weer de trap af en komt even later terug met chocoladebroodjes en zoetebonenkoekjes. ‘Biertje, misschien?’ ‘Nou, nee.’ ‘Ach, een klein biertje dan?’ ‘Nee, echt niet. We moeten nog lopen…’ Dan krijgen we bij de koffie glazen met water en ijsblokjes. Hij neemt zelf een grote bel cognac met ijs en water. Miata Toshinori ziet er met zijn ravenzwarte haar uit als een goed geconserveerde vijftiger, maar hij blijkt 65. Hij is werkzaam (geweest?) bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Als hij hoort dat wij potters zijn en over keramiek schrijven, toont hij zijn chawans, theekommen, mooi verpakt in houten doosjes. Een ervan komt zelfs uit Mashiko. Na de tweede kop koffie neemt hij ons mee naar het huis achter de koivijver. Schoenen uit. In het grote huis is een uitgebreide verzameling keramiek en glaswerk; in elke kamer staat wel een kast vol… en is er ook een drankverzameling. Tot zijn verrassing ziet Mels een replica van een Koreaanse wierookbrander waarvan in het komende nummer van KLEI een foto zal staan (en waarvoor hij heel veel moeite heeft moeten doen om die foto te bemachtigen…) De echtgenote komt thuis en we babbelen nog wat. Of we nóg wat tijd hebben? Nou… we moeten nog 4 uur lopen… nog even dan… Er worden foto’s genomen en even daarna zien we onze verwaaide en roodgebrande gezichten uitvergroot op de enorme breedbeeldtelevisie. Daarna volgt een korte serie over de kersenbloesems langs de weg die we nog moeten volgen, gisteren op de foto genomen. Het afscheid is zeer, zeer hartelijk en we moeten zeker nog eens terugkomen.

We genieten van de sakura die overal onderweg te zien zijn in alle mogelijke witte, rose en roserode tinten, met enkele en dubbele bloemen, aan grote en kleine bomen, soms in treurvorm met watervallen van bloemen. Af en toe is er een dichte regen van bloesemblaadjes; het plaveisel is er soms wit van. Zo’n anderhalf uur na de onverwachte lunchpauze lopen we door een gehucht, als er aan de overkant van de straat bij een bushalte een man ons staat te wenken: ‘Kōhii?’ Een 3-persoons, witte skaileren bank neemt het hele bushokje in beslag. We worden uitgenodigd te gaan zitten en krijgen elk een blikje koude koffie, in Japan even gewoon als icetea. Hij neemt er zelf ook een en laat ons onderwijl op zijn mobieltje foto’s zien van zijn plantenkwekerij: onder meer lelies en kerstbomen. Dan zwaait hij en springt in zijn kleine pick-up. Wij blijven nog even zitten… Het is een mooie dag, vol verrassingen. Kort daarna komen we langs de ‘blokhut’ waar we 2 jaar geleden hebben geslapen; de slechste ryokan die we ooit hebben gehad en we lopen er graag wat extra voor om…

Het is erg moeizaam worstelen tegen de steeds meer aanwakkerende stormwind in; af en toe worden we zelfs teruggeworpen. In een tunnel worden we zowat gezandstraald door de sterke tegenwind; ik knijp ogen en mond zoveel mogelijk dicht. Na de tunnel is er een lange brug die op grote hoogte een weidse kronkel in de brede rivier oversteekt. We moeten moeite doen niet over de lage reling te waaien en houden onze staffen krampachtig vast. Plotseling krijgt de wind vat op de regenzak van Mels’ rugzak. Langzaam heen en weer zwaaiend op de wind zien we hem verdwijnen naar de diepte waar hij in de rivier achter een boomstam blijft haken. Erg vervelend, maar niets meer aan te doen… Een volgende tunnel is even moeilijk. De laatste kilometers door de laagvlakte nemen we een parallelweggetje en pas als we binnen de bebouwde kom zijn, hebben we iets minder last van de wind. Wel zijn we ons erg bewust van alle half ingestorte huizen en andere rotzooi die er ligt: erg gevaarlijk met dit weer. In de ryokan worden we verwelkomd door de 2 henro’s die we in vorige ryokans al tegenkwamen. Een van hen is een kleine, tengere vrouw op leeftijd. Blijkbaar weet ze het tempo aardig vol te houden. Bij de verschillende koffiepauzes vandaag kregen we telkens de opmerking dat we ‘yukuri’ – langzaam – lopen, met kortere dagtrajecten dan gemiddeld, maar wij zijn na zo’n lange tocht als vandaag heel erg moe. Op de televisie zijn beelden te zien van de storm die over het land trekt: omgevallen bomen, ingestorte huizen en vooral heel veel paraplu’s die het moeilijk hebben.

Geplande afstand: 29,2 km via kortste route, 31,4 km via route 21, 100 m stijging
Werkelijke afstand: 33,6 km, totale stijging 752 m, totale daling 766 m
Cumulatief afgelegde afstand: 674,7 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.33– ca. 17.20 uur
Looptijd: 6,31 uur
Gemiddelde snelheid: 5,2 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1 (verder gegroeid)
Overnachting: ryokan Tsuru no ya (1 kamer 8 tatami’s groot plus wat extra plus verhoogd deel ca. 3 tatami’s groot, tafeltje, tv, goed avondeten, goed ontbijt)

Dag 37: maandag 2 april 2012: Mona Lisa achter het raam…

Bij het overvloedige ontbijt krijgen we ook een dik pak onigiri. Wij geven klompjes, waar onze gastvrouw heel blij mee is. Happy everyday staat er op haar jurkschort. Nog wat typend aan de kaptafel, kijk ik aan tegen een knalrode neus en wangen en een wat gebrokkelde mond. Factor 30 is niet afdoende… Het goedje dat ik in een supermarkt heb gekocht om mijn strooien haar weer wat te fatsoeneren, lijkt wel te helpen, ook al lijkt het effect een beetje op mislukte hairspray: het kleeft als een gek…

Achter de ryokan dalen we via een weggetje en later een pad de andere kant van het bergje af. Het is wat minder warm dan gisteren, heerlijk om te lopen. We komen al gauw weer op route 27, hier een fraaie, zeer smalle weg die voortdurende rond de berghellingen kronkelt. In de diepte zijn eenzame kiezelstrandjes tussen rotsige uitlopers in zee. Af en toe is er een watervalletje vanaf de berghellingen. Enkele keren wijken we van de weg af, lager gelegen vissersplaatsjes doorkruisend. Uit een donkere fabriekshal horen we stemmen. We steken onze hoofden door een geopend raam: 2 vrouwen zijn bezig met het legen van stapels platte metalen manden vol met gedroogde vissen, onderwijl lachend en kletsend. Of we een foto mogen maken? We krijgen schaterlachend toestemming.

In een volgend plaatsje zien we een koffiehuis. We hebben pas 4 kilometer afgelegd en het is al 11 uur… maar ja, je weet nooit wanneer je nog iets tegenkomt… We krijgen een warm onthaal. De gastvrouw is een hartelijk lachebekje. Aan een tafel zitten 2 bejaarde vrouwen te wachten op een ontbijtset. We krijgen alle aandacht. Na alle gebruikelijke vragen, wordt de aandacht op onze pelgrimsstaffen gericht. Op Mels’ staf staat de volledige hartsoetra. Een van de vrouwen blijft hem maar vasthouden, al wrijvend over de woorden, en ze leest de hele hartsoetra op, ondersteund door Mels. We krijgen bij de koffie een gekookt ei en tempura. ‘Ah, daar is oma’, zeggen de 2 bejaarde vrouwen (waarvan de oudste 86 is) als er een nóg bejaarder vrouw binnenkomt: 90 jaar maar nog koppie-koppie beduiden ze. Als we vertrekken worden we hartelijk uitgezwaaid.

Vanuit het laatste vissersplaatsje klimmen we weer via wat weggetjes, paadjes en trappen naar route 27 en bij toeval komen we uit op het punt waar aan de overzijde van de weg een volgend henropaadje begint. Voorgaande jaren hebben we naar dit pad lopen zoeken, maar niet gevonden. Via dit paadje beklimmen we de volgende berg. Zowel omhoog als later omlaag is het niet makkelijk lopen (we zijn erg blij dat het niet heeft geregend) en het kost erg veel tijd, maar het blijkt een heel fraai pad dat, eenmaal boven, lange tijd voortkronkelt over de bergrug. Een halve meter boven het pad blijven af en toe kleine, spitsneuzige hommeltjes zoemend stilstaan in de lucht, net vliegende miniminispitsmuisjes. Als we weer zijn afgedaald naar route 27 blijken we een heleboel baaien te hebben afgesneden. Een brug en een halve baai later komen we – om kwart voor 1 – aan bij een wegstation waar we een uitstekend restaurant weten. Bij ons vertrek krijgen we elk een zak met koekjes van een bedeesd dienstertje. Om de hoek kopen we bij de supermarkt nog een ijsje. Dan vervolgen we onze weg, deze maal langs een traject dat we nog niet kennen. Via route 321 steken we het binnenland door tot we met een lus weer in zullen haken op de route die we gisteren hebben gelopen. Na een lange tunnel (met riantbrede stoep) komen we weer terug op het punt waar we gisteren verder naar het zuiden liepen langs de oostkust; deze keer lopen we naar het noorden. We laten alle parallelweggetjes en ook het lange strand voor wat ze zijn en blijven langs de autoweg lopen. De bewolking neemt steeds meer toe, maar het blijft warm. In een natte sawa is een boer aan het ploegen, omringd door wachtende reigers. Even verderop, op een andere natte sawa, is een bejaarde vrouw bezig het dijkje eromheen te fatsoeneren met een grote hak. Zwaar werk, zeker op die leeftijd… Kort daarna komen we langs de ryokan waar we de vorige nacht hebben geslapen. In zee dobberen weer 2 surfers op hun plank, op dezelfde plaats waar we ze gisteren achterlieten, maar vandaag zijn er wat meer golven. We leggen nog even aan voor een ijsje en worden hartelijk onthaald door het vriendelijke echtpaar en hun 5 maanden oude dochtertje Ao. Wij hebben echter een ryokan 3 kilometer noordelijker geboekt voor vannacht, omdat we morgen een zeer lang traject krijgen, dus stappen we na een half uurtje weer op, wederom uitbundig uitgezwaaid.

Bij binnenkomst in onze overnachtingsplaats mogen we elk een klein kussentje uitzoeken waar we onze staf op kunnen plaatsen. Osettai! Het avondeten delen we met 3 andere henro’s; 1 van hen loopt de tocht voor de 8-ste maal, deze keer in tegengestelde richting. We komen weer op de foto, voor op het internet. Onze gastvrouw – een lachebekje van nature – neemt haar favoriete plaatsje in, leunend aan een venster tussen gang en eetzaal. Uitbundig vertelt ze over de verkiezingsuitslag in Myanmar. Saichi heeft gewonnen! We feliciteren elkaar. Saichi belichaamt hoop, misschien dat het beter wordt… Mels krijgt de lachers op zijn hand met het oplezen van 67 vervoegingen van 1 werkwoord. We vertellen ook over Nederland, geografische en klimatologische bijzonderheden: plat, onder zeeniveau, warm tot heet in de zomer, koud tot zeer koud in de winter… en geen tsunami’s, vulkanen of tyfoons en slechts zeer kleine aardbevingen… De gastvrouw klaagt dat ze altijd zo’n last heeft van de hitte. Een van de mannen maakt – in het Engels – de opmerking dat ze ook zo dik is… Niet bepaald aardig… Ze heeft hem onmiddellijk door en zegt lachend: ik ben een roze varken…. en een Mona Lisa! ‘Dan moet je iets naar links gaan staan in het venster’, zegt Mels. We krijgen allemaal de slappe lach en rollen weer over de tatami’s van het lachen.

De weersvoorspelling voor morgen: 20 graden, overvloedige regen, onweer en wind met tyfoonkracht tegen…

Geplande afstand: 18,2 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 18,7 km, totale stijging 413 m, totale daling 540 m
Cumulatief afgelegde afstand: 641,1 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.20– ca. 16.30 uur
Looptijd: 3,40 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 1…
Overnachting: minshuku Kumomo (1 kamer 8 tatami’s groot (excl. grote hoek boven de trap), verwarmd tafeltje, tv, waslijn, zeezicht, goed avondeten, matig ontbijt)

Dag 36: zondag 1 april 2012: Koffieleuten, chocolademonsters, smulpapen…

Op het zonovergoten strand zie ik de eerste ochtendhenro lopen, nietig klein op de enorme vlakte. Enkele surfers maken zich op de zee in te gaan; 2 zitten er al op hun plank te wachten op een aardige golf, maar daar is weinig kans op vandaag, de zee is erg kalm. Van juni tot augustus komen hier zo’n 30–40 reuzenzeeschildpadden om in het zand hun eieren te leggen. Bij het ontbijt praten we met de gastheer over de moeizame verspreiding van biologisch voedsel. We blijven lang in de ryokan hangen om te profiteren van het internet, nog even de blog uploaden. En daarna hebben we ook nog wel zin in koffie… Om 10 uur vertrekken we eindelijk, voor een iets korter dagtraject dan vorig jaar, maar we herinneren ons dat het toen een hele, hele lange dag was, dus we moeten ons onderhand gaan haasten… We krijgen onigiri mee voor de lunch en geven ten afscheid chocolaatjes in Hollandse tegeltjesverpakking. De gastheer blijkt een chocolademonster, dat komt goed uit.

Vlak na de ryokan dalen we af naar het strand en steken via een lange vlonder een kreek over. De hele baai lang lopen we over het kilometerslange strand. Samen met route 321 passeren we de volgende kreek en nemen dan een parallelweggetje. De volgende keer dat we van route 321 afwijken, komen we langs een vissershaven waar vorig jaar net een lading vis was binnengebracht. Er waren toen 100-en buizerds die een hapje probeerden mee te pikken. Nu zitten en vliegen er nog 10-tallen, wachtend tot er weer een boot aanlegt. Wij nemen na de haven – via een klein strandje vol aangespoeld wrakhout en afval – een wat vervallen pad de berg op, dat wat erg veel wegheeft van een drooggevallen beekbeddinkje. De wrakke planken over een kruisend beekje worden elk jaar slechter; bij elke stap zakken we er een beetje in weg. De afdaling korte tijd later is al even hachelijk, maar deze keer hangt er een dik touw naast. Daarna loopt het pad – aan beide zijden omgeven door dicht struikgewas – door wat akkerland. Dan volgt een sprookjesachtig bamboebos dat vol kwetterende vogeltjes lijkt te zitten. Een etage hoger, vlak boven de bamboelaag, vliegen al gokkend wat raven. Even verderop zit een groep koerende duiven. Bijna in de bewoonde wereld is er een klein gebouwtje, een henro-rustplaats of een eettentje misschien? We stappen naar binnen, maar worden eruit gewuifd door een bejaarde vrouw; we mogen op het randje van de veranda zitten. We besluiten verder te lopen; misschien komt er nog een aantrekkelijker rustplaats.

Kort lopen we nog langs route 321, maar als deze verder landinwaarts buigt, slaan we af naar route 27, een kleinere en vooral rustiger weg, vaak met voetgangersdeel. De tempel die we vandaag zullen bezoeken, ligt ver buiten de ‘doorgaande’ henroroute, op de punt van een zuidelijke kaap – een lange vinger die hangt aan een al naar het zuiden uitstekend deel van het eiland. Veel henro’s lopen daarom langs dezelfde (want kortste) weg heen en terug (al dan niet in 1 dag) en we komen dan ook veel henro’s tegen onderweg. In zee zitten aalscholvers op witbescheten rotsen en soms – op hun ‘eigen’ rotsen – wat  grote meeuwen. Ook boven een volgende vissershaven hangen 10-tallen buizerds te wachten. De weg loopt hoog langs de haven en als we een kloppend geluid horen in de diepte kijken we even over het randje. Op de kade ligt een enorm visnet uitgespreid en 10-tallen mannen zitten er met hamers op te kloppen om zeepokken en andere aangroeisels te verwijderen. We nemen foto’s en worden enthousiast toegezwaaid. Tot onze verrassing zien we in het plaatsje ook een langneus in henrokleren: Arno van Diepen uit Zwaag. En even later is er ook de Japanse henro uit Kobe die regelmatig met de Hollander oploopt. Zij zijn op de terugweg van de tempel. Toevallig is er achter ons een restaurant – wij hadden het niet opgemerkt, ook voorgaande jaren niet… – en we besluiten met zijn 4-en een lunch te nemen. De 42-jarige Arno vertelt dat hij in november de pelgrimstocht op Shikoku op de televisie zag, in de serie De Wandeling en toen besloot dat dit wel een aantrekkelijke manier was om Japan te leren kennen. Hij heeft 3 maanden vrij genomen van zijn baan als IT-er bij de KLM, maar verwacht dat hij veel eerder terug zal zijn. Na iets meer dan 2 weken lopen, is hij al op de helft van de (88-tempels) route, dat betekent gemiddeld zo’n 45 kilometer per dag.

Een tijdlang versmalt route 27 regelmatig tot een smal weggetje op een dijkje; auto’s kunnen er elkaar niet passeren en ook wij komen af en toe wat in de knel. Dit deel heeft iets weg van het weggetje vlak voor tempel 38; dat is even smal, maar gelegen tussen hoge aarden wallen waarvandaan zich kronkelende bomen over de weg buigen. Even hebben we – vorig jaar ook al! – de illusie dat we bijna bij de tempel zijn, maar dan volgt er weer een eindeloze weg langs de kust; heen en weer en op en neer kronkelt route 27 op zo’n 50–80 meter hoogte langs de bergen. Het kost me steeds meer kruim om het hoge tempo vol te houden; de bal van mijn linkervoet is erg pijnlijk – ik kan er nauwelijks op lopen – en bij de rechtervoet lijkt er al een paar dagen een blaar te rijpen onder mijn enkel. Het is erg warm en een groot deel van de dag lopen we ook tegen de zon in, ook dat vermoeit. De kaap waarop de tempel staat, is het warmste deel van Shikoku vanwege de warme golfstroom en hij heet Ashizuri Misaki: kaap van de slepende benen… en dat is een wel erg toepasselijke naam voor loophenro’s!

Zo’n 4 kilometer voor de tempel komen we langs een uitgebreide henro-rustplaats die baadt in de kersenbloesems. We blijven niet, maar het geeft ons weer de illusie dat we er bijna zijn… Om half 4 zijn we dan eindelijk bij tempel 38. Op een richeltje bij het poortgebouw eten we eerst even een ijsje, even rust… We voeren de rituelen uit en bewonderen nog een keer het fraaie tempelcomplex. Het ambitieuze priesterechtpaar, dat we het eerste jaar ontmoetten toen we in het gastenverblijf sliepen, is voortdurend bezig het geheel nóg mooier te maken. Elk jaar dat we er komen, staat er wel iets in de steigers of vlonders. In de vijver zijn vele grote keien en stalagtieten gerangschikt en telkens komt er iets fraais bij; de allermooiste ligt er echter dit jaar in brokstukken bij. En het gastenverblijf ziet er, net als vorig jaar, gesloten uit. Het priesterechtpaar was 2 jaar geleden behoorlijk overspannen; zou dat inmiddels verslechterd zijn?

Vanaf de tempel is het nog 7 kilometer lopen naar onze overnachtingsplaats. Terwijl we het ene grote hotel na het andere passeren – en ook de ene ryokan na de andere – vraag ik me wat vertwijfeld af of we toch niet een beetje gek zijn, omdat we voor één bepaalde ryokan vandaag 7 kilometer langer lopen dan nodig is (en in totaal 4 kilometer extra omlopen), omdat het eten er zo goed is… Ik ga steeds meer strompelen. Tweemaal wijken we van route 27 af en doorkruisen wat gehuchtjes die in de diepte liggen, ver onder de autoweg. We weten het laatste deel van de tocht ietsje in te korten door een klein bergpaadje te nemen en om 20 over 5 zijn we eindelijk bij de ryokan die bovenop een bergje staat, met een mooi uitzicht over de kapen en de oceaan. Het eten is weer verrukkelijk en ook heel mooi opgemaakt: de vis, die grotendeels tot sashimi is gesneden, is met een satéprikker op een grote schaal gearrangeerd alsof hij nog aan het zwemmen is. Gelukkig beweegt hij niet meer. Dát heb ik eens op de televisie gezien en dat vind ik toch wel erg zielig…

Geplande afstand: 22,1 km (of ietsje meer…), 50 m stijging
Werkelijke afstand: 24,1 km, totale stijging 645 m, max. helling 9%, totale daling 534 m
Cumulatief afgelegde afstand: 622,4 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 10.00–17.20 uur
Looptijd: 4,47 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u
Bezochte tempels: tempel 38
Blaren: 1…
Overnachting: minshuku Aomisaki (1 kamer 8 tatami’s groot met kastenwand en halletje, tafeltje met 2 grondstoeltjes, kaptafel met stoeltje, tv, (internet via kabeltje in de eetzaal?), zeezicht, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt)

 

Dag 35: zaterdag 31 maart 2012: Het verlangen dat blijft…

Het hoost, ’s nachts al. De verwachting is dat het tegen 11 uur wat minder wordt en daarom blijven we wat op de kamer hangen; even tijd om wat mailtjes te beantwoorden, ook al is er geen internetverbinding. Maar om half 10 houden we het niet meer uit, trekken de regenpakken aan en nemen afscheid met Delftsblauwe klompjes. Wij krijgen 2 bananen mee. De gastvrouw loopt nog even mee naar de dijk, waar we ons – tot grote hilariteit – invoegen in een lange rij flink tegen de regen ingepakte wandelaars met buiknummers. Blijkbaar is er een zaterdagloop. De regen is inmiddels wat minder, maar er staat een harde, stormachtige wind; in de rug, tot onze – korte – vreugde. Zodra we het kleine paadje halverwege het dijklichaam verlaten en onze neuzen boven de dijk uitsteken, hebben we hem tegen. We verlaten de wandelclub en volgen de 2-baans weg naar de supermarkt, waar we wat lunchspullen kopen. We volgen vandaag dezelfde route als vorig jaar en weten dat we alleen een viezig lunchrestaurantje halverwege de tocht tegen zullen komen. Tot onze verrassing houdt het op met regenen. Als we de lange brug over de brede Shimanto-rivier oplopen, krijgen we plotseling weer enkele wandelaars achter ons aan. En er komen er steeds meer. Ik ben bang dat ze zich vergissen en probeer ze terug te sturen, maar er zijn waarschijnlijk 2 trajecten uitgezet. De hele horde komt achter ons aan. De hele lange brug lang worstelen we ons in tegen de stormwind, maar we weten het tempo aan te houden van de wandelclub. Kort na de brug nemen we toch afscheid; we duiken wat nauwe straatjes in, diep verscholen achter de dijk aan deze zijde van de rivier. Daar is de wind een stuk minder. De zon komt tevoorschijn en de bewolking neemt wat af. Een tijdlang loopt de route weer langs de rivier. In het traagstromende water zijn grote, langgerekte bamboe-eilandjes. Enkele vissers met kleine sloepjes drijven midden op de rivier. Langs de dijk rijgen de natte sawa’s zich aaneen, als een mozaïek van reuzenspiegels. Overal ratelen kikkers. Langs de oever en op de berghellingen is steeds meer ontluikend groen te zien. En overal zijn bloemen: narcissen, viooltjes, koolzaad, judaspenning… Ook de paarse azalea zie ik nu bloeien. Door de harde wind regent het af en toe kersenbloesems.

Kort nadat de weg – route 321 – afbuigt van de rivier, komen we bij een koffiehuis. Vorig jaar was er een aardige, vrolijke gastvrouw, maar ze is er even niet. Haar man heeft voor zichzelf en zijn kornuit pannetjeskoffie gezet en verontschuldigt zich dat hij niet weet hoe hij koffie moet zetten met het apparaat. Maar zijn aarzelende poging blijkt uitstekende koffie op te leveren: een lekker sterk bakkie! We bergen alle regenkleding weer op, hoewel de gastheer herhaalde malen waarschuwt dat er nog meer regen zal komen. Het is ons al te warm met die regenpakken. Binnen is het nóg warmer, naar Japanse gewoonte. Het zweet gutst er weer vanaf. ‘Ik heb mijn eigen thermometer bij me’, grapt Mels. ‘Als jij van blauw naar rood loopt, weet ik dat het warm is…’ Buiten blijkt de stormwind toch wel erg koud, maar we lopen er des te harder door. We passeren met route 321 een 1620 meter lange autotunnel met stoep; gelukkig wat beter verlicht dan vorig jaar, slechts eenmaal stappen we korte tijd in het duister. Bij het wegstation na de tunnel negeren we het viezige udon-restaurantje en lunchen, eerst op een winderig bankje, dan in een zithoekje in het toiletgebouw, met chocoladerol en appelflap (Mels) respectievelijk mini-sandwichjes en chocokoekjes (Yna). En elk een ijsje uit de vending machine. Het is te koud om lang te blijven zitten. We gaan snel door.

Enkele kilometers later verruilen we de autoweg voor wat kleinere weggetjes. Een tijdje gaat het over een heel smal dijkje met links een rivier en rechts sawa’s. We worden door de harde wind alle kanten opgeblazen. Ik ben blij dat ik niet meer zo’n grote henro-hoed meedraag; het zijn behoorlijke windvangers en ik heb vandaag weer andere henro’s ermee zien worstelen. Wij hebben al moeite onze staffen niet weg te laten waaien. Af en toe moeten we op het randje balanceren als er een auto wil passeren. Ik vraag me af hoe diep ik weg zal zakken als ik naar beneden val in zo’n natte sawa…

Langzamerhand begint ons het gebrek aan een lange lunchpauze weer op te breken. We kreunen en steunen allebei regelmatig. Dan zien we een koffiehuis. Mels trekt de deur open, maar stapt meteen weer naar buiten. ‘Ik denk niet dat dit het soort tent is waar we naar binnen willen’, zegt hij. ‘De ramen zijn geblindeerd; er is binnen alleen maar een lange gang met allemaal dichte deuren…’ Maar ik ben moe: ‘Als ik er warm kan zitten en er is koffie, dan maakt het mij niet uit’, zeg ik, trek de deur weer wat verder open en geef Mels een zetje in de goede richting. Nog een deur verder staan we tot onze grote verbazing middenin een karaokezaal. Aan beide zijden van de zaal staan tafeltjes en stoelen opgesteld. Op het podium, naast een groot beeldscherm, is een bejaarde man aan het zingen. Er zitten 4 bejaarde vrouwen en een man te wachten tot zij aan de beurt zijn om te zingen. Glimlachend knikken ze ons uitnodigend toe. Een wat jongere vrouw brengt ons koffie en chocolaatjes en zij is het ook die langs de tafeltjes loopt om de scores op te halen en ze in een apparaatje te verwerken. Blijkbaar zijn er punten te verdienen. Af en toe legt ze ons wat uit. Of we misschien mee willen zingen, vraagt de man tegenover ons. Dat zal niet lukken met die Japanse teksten… Lange tijd blijven we luisteren en applaudiseren driftig mee. Het ene zangtalent is beter dan het andere, maar er wordt door iedereen vol overgave gezongen. Vooraan bij het podium zit een vrouw die binnenkort 90 wordt. Ze zingt alsof ze een jong meisje is. Het ontroert ons. Op het beeldscherm zijn – achter de karaoketeksten – korte bijbehorende filmpjes, over jongemannen en vrouwen die heimelijk verliefd zijn, liefdes die fout dreigen te lopen, en soms komt het toch weer goed… Vaak in traditionele setting, eenmaal in een Japanse ‘western’. Smachtende liedjes, over prille liefdes, gezongen door mensen voor wie dat allemaal lang geleden moet zijn. Voor eeuwig voorbij…

We worden door de hele zaal uitgezwaaid als we eindelijk vertrekken en weer de felle wind instappen. Kort daarna komen we aan bij de zee waar we weer verder lopen langs route 321, hier een drukke kustweg zonder stoep. We schieten er van de ene zijde naar de andere om zoveel mogelijk uit de risicozone te blijven. Tot onze verbazing is de wind hier vaak een stuk rustiger. Enkele kilometers later nemen we een kleinere doorsteek die eindigt vlakbij de ryokan die we hebben geboekt. Het blijkt een kleine en zeer aangename minshuku, zo’n 20 meter boven zeeniveau, aan het begin van een fraaie baai met een zeer langgerekt strand. In zee zijn enkele surfers bezig. In het restaurantje zijn wij de enige gasten en we kletsen gezellig met onze gastheer die Engels spreekt. De meeste minshuku-eigenaren zijn behoorlijk op leeftijd, maar dit stel is relatief jong, met een baby van 5 maanden: Ao (blauw). Hij vertelt dat hij onder meer in Tokyo heeft gestudeerd en in de makelaardij heeft gewerkt, maar hij is geboren aan de Shimanto-rivier en wilde dichter bij de natuur zijn. Sinds 11 jaar drijven ze nu deze minshuku met restaurant en runnen daarnaast een internetwinkel in biologisch voedsel, verbouwd door een vriend van hen. Een andere vriend maakt washi (papier). Ze zijn niet afhankelijk van het korte henroseizoen; dankzij het strand en de zee hebben ze ook zomergasten. Voor vanavond zijn ze volgeboekt, anders was er nóg een Hollandse henro geweest, vertelt onze gastheer. Eenmaal op de kamer is er de drukproef van KLEI, dankzij de wifi. Het wordt een latertje…

Geplande afstand: 22,0 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 22,7 km, totale stijging 515 m, totale daling 579 m
Cumulatief afgelegde afstand: 598,3 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.40– ca. 16.40 uur
Looptijd: 5,00 uur
Gemiddelde snelheid: 4,5 km/u (gps is signaal tijdje kwijt geweest, werkelijk waarschijnlijk
rond 5,0 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 0!
Overnachting: minshuku Ohki Marin (1 kamer 6 tatami’s groot met kastenwand, tafeltje, tv, wifi op de kamer, zee- en strandzicht, uitstekend (biologisch) avondeten, goed ontbijt: keuze uit brood-setto of Japans)

 


Dag 34: vrijdag 30 maart 2012: Kilootje eraf, kilootje erbij…

De zonsopgang kan hier sensationeel zijn, maar deze ochtend piept de zon slechts af en toe fraai tussen de zware bewolking door. Toch is het erg warm en drukkend als we om 10 over 8 vertrekken. Het eerste deel van de dag lopen we hetzelfde traject als vorig jaar. Voorlopig langs de drukke route 56, die eerst langs de zee loopt. Zo’n 10 meter onder ons heeft de rotskust allerlei fantastische vormen aangenomen: hier en daar liggen plooiingslagen op hun zijkant, elders heeft de rotsbodem meer de vorm aangenomen van een doorploegde modderpoel; hier en daar steken grote rotsformaties erboven uit. Op rotsen verderweg in het water zitten soms aalscholvers. Als de weg wat van de kust afwijkt, zien we in de diepte natte sawa’s. Toevallig loopt er hetzelfde hondje als 2 jaar geleden; toen waren zijn baasjes samen aan het werk op de sawa en zat hij goeddunkend toe te kijken. Als het drukke autoverkeer even wat stilvalt, horen we pas het haast oorverdovende gekwaak om ons heen. Al om 9 uur komen we bij het barakje waar we inmiddels elk jaar koffiedrinken. Temidden van een enorme rotzooi zitten er altijd zo’n 4 vrouwen (inclusief de waardin) gezellig te kleppen. Op dit vroege uur zit het helemaal vol, zowel met vrouwen als mannen, de meesten met een ontbijtsetje. Er wordt gauw plaatsgemaakt voor ons en de waardin komt meteen met Mels’ visitekaartje. Bij de koffie krijgen we een stukje banaan, een koekje en 2 Japanse mixjes. Afrekenen is er niet bij. Osettai! Wij geven ook een klein cadeautje: cocktailprikkers met Delftsblauw gedecoreerde vlaggetjes. Tot de volgende keer maar weer…

Het eerste lunchrestaurant slaan we over – het is pas half 11 – maar enkele kilometers verder leggen we wel aan bij het michi no eki – het wegstation – omdat we voorlopig verder geen gelegenheid verwachten. Het wegstation ligt vlak achter een langgerekt strand; in zee zijn surfers bezig. We nemen niet alleen een lunchset, maar ook ijs toe, en we zien er ook weer de Montblanc-man. Vanaf het wegstation loopt route 56 het binnenland in, maar wij nemen eerst nog een asfaltpad door een dennenbos vlak achter het strand. De bewolking is steeds meer toegenomen en hier aan zee staat een sterke en koude tegenwind. Het bos gaat langzamerhand over in een enorm sportcomplex. We kiezen er dit jaar voor hierna weer naar route 56 terug te keren. Vorig jaar hebben we wat zuidelijker ervan gelopen via allerlei weggetjes, maar kwamen toen tegen het eind uit op enkele wegen waarlangs het erg riskant lopen was, en daar hebben we geen zin meer in. Maar route 56 laat zich niet makkelijk meer vinden. Pas voorbij het enorme sportcomplex – met groot hotel, atletiekbanen, voetbalvelden, golfterrein en tal van andere voorzieningen – lukt het ons weer allerlei weggetjes in de goede richting te vinden. Een tijdlang lopen we langs een kleine rivier waar vrouwen in het lage water kokkels verzamelen. Daarna bereiken we weer route 56. We hebben nog steeds tegenwind, maar het is niet meer zo koud. We worden ingehaald door een loophenro uit Kobe, die Engels spreekt. Hij heeft onze visitekaartjes gezien bij een ryokan: de mensen van magazine KLEI! Hij vertelt dat hij gisteren met een andere Nederlandse henro heeft opgelopen: Diepen uit Zwaag. We leggen nogmaals aan bij een koffiehuis, halen nog wat chocolaatjes in een supermarkt en komen al vroeg in de buurt van onze eindbestemming. De laatste kilometers gaan weer via kleine weggetjes, fraai gelegen tussen wat lage bergen, zigzaggend door de natte sawa’s; de bermen zijn donkerpaars van de talloze viooltjes. Onze ryokan bevindt zich vlak achter de dijk langs de mooie, brede Shimanto-rivier. We kennen de vrolijke gastvrouw van vorig jaar. Ze heeft een brief voor ons van Kyoko en Hiroshi van Hokkaido, het henro-echtpaar dat wij zowel vorig jaar als dit jaar hebben ontmoet. Ze schrijven dat ze inmiddels het tweede traject hebben afgerond en op weg naar huis zijn. Misschien tot volgend jaar, op Shikoku of langs de Camino?

Het avondeten delen we met een henro die we al in de vorige 2 ryokans tegenkwamen, en met de henro uit Kobe. Voor zover er überhaupt nog goede voornemens over waren wat betreft ijs, chocolade, gebak en drank… laten we ze vandaag wel varen…

Geplande afstand: 21,0 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 23,0 km, totale stijging 445 m, totale daling 426 m
Cumulatief afgelegde afstand: 575,6 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.11– ca. 16.10 uur
Looptijd: 4,37 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 0!
Overnachting: minshuku Tsukishiro (1 kamer 5 tatami’s groot met kastenwand, tafeltje, tv, en 1 kamer met 2 1p-bedden en stofzuiger, uitstekend avondeten, goed ontbijt)

Dag 33: donderdag 29 maart 2012: IJs met krukels

Mels begint de dag met een migraine, maar hij voelt zich desalniettemin een stuk beter dan de afgelopen weken, zowel geestelijk als lichamelijk. Het gesprek gisteravond heeft hem goed gedaan, zegt hij. Bij de afrekening blijkt de ryokan verreweg de duurste te zijn tijdens onze reis, bijna even duur als het duurste hotel dat we op Shikoku aandoen. Maar het is een prima ryokan en de gastheer en -vrouw zijn hartelijk; bij het afscheid krijgen we 2 houtgestookte sakekommetjes (sakasuki) cadeau, blijkbaar hebben ze gehoord dat we in keramiek geïnteresseerd zijn. We gaan – voordat we verder lopen – eerst naar tempel 37 en tot onze verrassing komen we bij de poort de eigenaresse van het gastenverblijf van de tempel tegen. Ze is blij ons te zien, maar ze ziet er even zombie-achtig uit als vorig jaar. Zou er iets aan de hand zijn met haar zoon, die priester was van deze tempel? Vorig jaar ontbrak hij en werd de tempeldienst uitgevoerd door een bejaard echtpaar. Ons Japans is ontoerijkend om hierover een gesprek te beginnen. En haar interesse is al snel weer weg. We nemen afscheid, voeren de rituelen uit en gaan dan op weg voor eenzelfde dagtraject als vorig jaar. Het is een heerlijk warme en zonnige dag. Bijna de hele dag lopen we langs de drukke route 56 – meestal met stoep – die zich eerst door het brede dal voortzet, later heen en weer en op en neer slingert door meer bergachtig gebied. Al na enkele kilometers leggen we aan voor koffie, maar daarna zetten we flink de pas erin. Hier en daar staat de (vroege) rijst al in volle wasdom – het veld weer droog – te wachten tot de oogst, maar de meeste sawa’s zijn net onder water gezet en geploegd om binnenkort de jonge rijstplantjes te kunnen planten die in kassen zijn opgekweekt in trays. Nu Mels zich weer goed voelt, herneemt hij zijn Japanse les aan mij: ik ben begonnen katakana te leren, een van de 3 alfabetten in Japan.

Halverwege de ochtend verlaten we route 56 en komen via kleine weggetjes bij een bergpad dat zich nogal hachelijk beweegt boven enkele tunnels waar route 56 door voortraast. Het paadje wordt elk kaar lastiger, naarmate het steeds meer afslijt en afbrokkelt, maar gelukkig regent het niet deze keer… We lopen net weer langs route 56 als er een auto bovenop de rem staat. We krijgen meteen enkele zakjes snoep toegestopt. Het zijn de man en vrouw die 2 dagen geleden met hun auto stopten en ons toen een zak aardbeien gaven. Ze bezoeken met de auto enkele tempels. Trots tonen ze ons hun stempelboeken. De file achter hun auto groeit wat aan, maar niemand toetert; iedereen wacht heel beleefd. Ik laat ook mijn stempelboekjes zien, wat kleiner van formaat vanwege het lichtgewicht reizen. Dan zwaaien we ze uit; mogelijk zien we elkaar weer op Kōya-san; we houden e-mailcontact.

Al om 20 over 11 zijn we bij een klein restaurantje waar we vorig jaar uitstekend hebben geluncht, maar alle tafels blijken al gereserveerd te zijn, en daarom lopen we een paar kilometer door naar een onsen. Daar blijkt een chiquer restaurant te zijn met ook uitstekend eten. We zien er weer de henro die we 3 dagen geleden voor het eerst tegenkwamen (‘de Montblanc-man’, noemt Mels hem). Ons verhaal begint iets weg te krijgen van een soap, realiseer ik me. Regelmatig komen dezelfde personages terug. Alleen de verhaallijnen zouden nog wat steviger in elkaar mogen passen. Ik weet bijna niets van hun levens af…

Ook tijdens de middag weet Mels het tempo erin te houden, hoewel ik op een gegeven moment achter mij hoor: ‘Weet je wel dat je met 6 km/u een helling van zo’n 7% oploopt? Je gaat nog sneller omhoog dan omlaag…’ En een maand geleden, bij het begin van de pelgrimstocht, dacht ik nog wel dat mijn conditie minder goed was dan vorig jaar. En ik maakte me zo’n zorgen om mijn voeten, want ik had al meteen last van blaren. Maar het gaat gewoonweg goed. En vandaag met Mels ook gelukkig. We rusten nog even kort op een bankje en krijgen daar tot onze verbazing bezoek van een haan. Ik geef hem wat water, wat dankbaar wordt aanvaard; eten heb ik helaas niet bij me. Halverwege de middag nemen we nog een zijweggetje, een kort bergpaadje en een klein, donker tunneltje en komen dan steeds meer richting kust. De kersenbloesem is hier uitbundig uitgebroken. We kopen een softijsje bij een kraam en worden uitgenodigd in de barak ernaast even uit te rusten. Er zitten 4 mannen rond een petroleumkacheltje waarop grote, puntige krukels aan het gaarkoken zijn in hun eigen sop. We krijgen telkens een paar hete krukels toegeschoven, nog terwijl we ons ijsje aan het eten zijn. En de gastvrouw komt met glazen water en pelt een sinaasappel en een buntan voor ons. Heerlijk!

Kort daarna komen we aan de haven en lopen we langs de 2 ryokans waar we eerder hebben geslapen (de eerste was heel slecht; de tweede heel goed, maar dit keer volgeboekt); deze keer moeten we een paar kilometer extra lopen naar onze overnachtingsplaats: een minshuku ingeklemd tussen het spoor en de drukke route 56 langs de zee. Als we naar onze kamer worden gebracht, schuiven er links en rechts deuren open en steken er lachende hoofden naar buiten: de 2 henro’s die we vanmorgen bij het ontbijt zagen, waaronder de vrouw die ook al in de vorige ryokan sliep. We eten met zijn vieren, met zeezicht. Zoals gewoonlijk kletst iedereen met iedereen in het restaurant. En we krijgen weer de vraag: ‘Naze?’ (Waarom? Waarom lopen jullie deze tocht?) Als Mels vertelt over mijn ziekte en de positieve invloed van de pelgrimstocht erop, is er gejuich.

Geplande afstand: 24,0 km, 200 m stijging
Werkelijke afstand: 24,5 km, totale stijging 864 m, max. helling 53%, totale daling 876 m, max. helling 24% (stijging -/- daling klopt niet: gisteren geëindigd op ca. 216 m, vandaag op ca. 20 m)
Cumulatief afgelegde afstand: 552,6 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.33– ca. 16.45 uur
Looptijd: 4,44 uur
Gemiddelde snelheid: 5,2 km/u
Bezochte tempels: tempel 37
Blaren: 0!
Overnachting: minshuku Shirahama (1 kamer 6 tatami’s groot met tafeltje, tv en zeezicht, redelijk avondeten, goed ontbijt: keuze uit brood-setto of Japans)

Dag 32: woensdag 28 maart 2012: De gulle automaat

Of het (nog steeds) door het gemberijsje komt? De hele nacht voelen we ons allebei beroerd en ’s ochtends is het alleen maar erger. Het ontbijt blijkt wel gezamenlijk te zijn en daar zien we weer de henro van eergisteren. Het lukt ons echter niet veel te eten. We vertrekken 20 voor 8 voor een traject van zo’n 24 kilometer. Wat betreft het eerste deel van het traject kunnen we kiezen uit 2 routes. Voorgaande jaren hebben we een route ten zuiden van route 56 genomen, de oudste en ook de meest gebruikte route: eerst lange tijd langzaam stijgend over een smalle weg, dan een steil bergpaadje tot de pas waar ook route 56 overheen gaat. Deze keer nemen we echter de route ten noorden van route 56, die hoger over de bergen loopt, maar ook geleidelijker stijgt en daalt, én nog fraaier schijnt te zijn. We moeten er iets voor teruglopen door het stadje en volgen dan een smalle, slingerende weg naar het noorden en vervolgens naar het westen, tussen sawa’s en af en toe wat bebouwing. De zon schijnt volop en bij de rest hut aan het begin van het bergpaadje gaat het windjack uit. We zijn niet de enigen: een andere henro gaat verder in T-shirt, in zijn ene hand een pelgrimsstaf, in de andere een nordic walking stick. Tot onze verrassing eindigt het pad na een tijdje en moeten we een lange trap af, onder een in aanbouw zijnd viaduct van de nieuwe snelweg door en dan via een nog veel langere trap weer naar boven. Halverwege de trap omhoog pauzeren we even in een rest hut. De fleecejacks gaan uit. We maken een praatje met de nordic walking stick-henro en er komen ook 2 landopmeters voorbij die het henropad opmeten. Ze dragen laarzen met een afzonderlijke grote teen en zolen vol spijkers. Er komen nog meer werkmannen voorbij en even later zien we tot onze verbazing zelfs een heel jongens-voetbalteam aankomen. We dachten nog wel dat er geen mens langs deze route kwam!

Na de trap volgen we lange tijd weer een bergpad. Vaak ligt het vol met puin en takken; blijkbaar in het regenseizoen aangevoerd door een stroompje. Elders moeten we voortdurend over kriskras groeiende boomwortels heen stappen. Af en toe kijk ik verontschuldigend naar boven. Een enkele keer blokkeren boomstammen het smalle, diep uitgesneden pad, soms zelfs hele bomen. Toch is het pad makkelijk begaanbaar, doordat het zo geleidelijk stijgt en daalt. Steeds hoger gaat het, na elk vermeend pasje gaat het weer iets verder omhoog. Er staan overal viooltjes, rose, of vaker nog zachtpaars. Soms zingt er een nachtegaal. Af en toe nemen we een slok water, maar dat maakt de misselijkheid eigenlijk alleen maar erger. Op het hoogste punt (bijna 400 meter) zitten we – samen met een vrouwelijke henro die we vanochtend bij het ontbijt zagen – op een bankje te genieten van het uitzicht over de dalen en bergen met in de verte de oceaan met hier en daar in de nevel drijvende eilandjes en rotsen. Daarna dalen we langzaam zo’n 100 meter af totdat we om 11 uur bij route 56 komen, op het punt waar ook de zuidelijke route erbij komt. We hebben in meer dan 3 uur tijd slechts 7 kilometer afgelegd. Bij het restaurant op de pas leggen we aan. Ik neem een moruningu setto (morning set), Mels beperkt zich tot het brood; niet alleen om het ontbijt goed te maken, maar ook omdat we verder geen lunch verwachten.

Vanaf de pas lopen we lange tijd door een breed dal, eerst via een parallelweggetje – langs sawa’s, huizen met moestuintjes, door een bos waar stammetjes met shiitakes staan, en door rietvelden – en later langs route 56, die hier grotendeels een stoep heeft. Van een tweede parallelweggetje missen we de afslag, dus blijven we langs de drukke autoweg lopen. Daar zien we bij een gebouw een kleine kooi met een wild zwijntje erin. Het dier is eerst wat bang van ons, maar besluit blijkbaar op een gegeven moment ons te vertrouwen en gebaart ons dan met zijn snuit de deur open te doen. Het is een triest gezicht. Het dier is duidelijk wanhopig. Maar het deurtje openen vlak naast een drukke autoweg is ook geen oplossing. We kunnen niets anders doen dan doorlopen, maar het trieste beeld blijft in ons hoofd rondspoken.

We rusten nog enkele malen, eerst bij een rest hut, later buiten bij een supermarkt. Ik neem er een ijsje, Mels een doos met chocolaatjes gevuld met noten. Dat moet hij later bezuren; zijn misselijkheid neemt weer toe. De hele middag sleept hij zich voort. De flesjes groente thee die we van de super krijgen, stoppen we weer elders in een vending machine. In het brede dal staat een sterke koude wind, eerst in de rug, later hebben we hem tegen. Pas tegen het einde van onze tocht is het af en toe verrassend warm in de volle zon, als de wind is gaan liggen. Een vrouw op een fiets komt een praatje maken. Ze is Filippijnse en woont met haar 2 kinderen in de buurt; ze werkt bij JA, een groot Japans bedrijf.

We wilden vandaag graag overnachten in het gastenverblijf van tempel 37, net als voorgaande jaren. Maar dat bleek al vol te zitten, daarom hebben we een overnachtingsplaats in de buurt van de tempel gezocht. Onze ryokan blijkt geen kleintje te zijn en de ontvangst is hartelijk. Een van de gastvrouwen spreekt wat Engels. We krijgen 2 kamers met bankstel en er is zelfs internet op de kamer. De ofuro is groot en schoon. Bij aankomst huilt Mels van moeheid. Voor het avondeten krijgen we een apart zijkamertje in het restaurant toegewezen. Mels en ik praten over zijn problemen: hij is krachteloos tijdens deze tocht, hoe hij ook zijn best doet, en dat maakt hem vatbaar voor allerlei lichamelijke aandoeningen. Maar stoppen wil hij niet. De eigenaar van het etablissement komt nog even een praatje maken. En de Engelssprekende gastvrouw maakt na het eten enkele reserveringen voor ons. Ze doet erg haar best (‘Ze lopen de tocht al voor de derde maal, ze spreken Japans…’ etc.), maar we worden toch nog weer ergens geweigerd zodra ze de niet-Japanse achternaam horen: geen enge buitenlanders…

Geplande afstand: 23,4 km, 400 m stijging
Werkelijke afstand: 21,0 km, hoogste punt 377 m, totale stijging 759 m, totale daling 548 m, eindhoogte 216 m
Cumulatief afgelegde afstand: 528,1 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.40– ca. 15.50 uur
Looptijd: 4,16 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 0!
Overnachting: ryokan Mima (1 kamer 8 tatami’s groot met tokonoma / kastenwand, tafeltje en grondstoeltjes, plus 1 kamer met vloerkleed – 6 tatami’s groot – met ingebouwde kast en bankstel, plus 1 binnenveranda over volle breedte en lengte van de kamers met rotan zithoek en schommelstoel, internet via kabeltje op de kamer, uitstekend avondeten, ontbijt)

Dag 31: dinsdag 27 maart 2012: 10 kleine Japannertjes…

Het bergje waarop bangai 5 staat, steekt vreemd uit temidden van een woonwijk; ernaast staat een rijtje middelhoge flats en er is een kabelbaantje naar boven. Wij nemen de betonnen trap, die meteen tegenover onze ryokan begint en komen al snel bij de hoofdtempel. We klimmen daarna nog even door naar een shinto heiligdommetje met rondom uitzicht over de woonwijk, maar vooral over alle industrie eromheen en ook over het havengbied. Een enorme hal bij een betonfabriek is bijna van hetzelfde formaat als een van de kleinere bergen eromheen.

Als we bij de ryokan onze rugzakken oppikken om onze reis te vervolgen, buigt de toch al buigzame ryokaneigenaresse zo mogelijk nog dieper; voortdurend valt ze voorover op de knieën en drukt ze haar neus tegen de grond. Oh, nederige nederigheid. Wij bedanken haar ook talloze malen – maar wel staand – want we hebben hier uitstekend verbleven. We krijgen elk een plastic zakje met lekkere chocolaatjes en hoestsnoepjes voor onderweg. We nemen zwaaiend afscheid en horen tot onze verrassing boven onze hoofden iemand ‘Good morning!’ zeggen. Het interieur van het huis naast de ryokan wordt gesloopt en een van de werkmannen blijkt een Engelsman: ‘Married, divorced, children, so can’t return…’ vat hij zijn leven in Japan kort samen…

Onder een viaduct zitten tientallen zwaluwnesten die druk worden bevoorraad. Regelmatig is er onderling ruzie die eindigt op het asfalt, maar altijd net op tijd beeïndigd voor er wielen komen aanrijden… Eenmaal op de bergweg, die ons naar de eerste tunnel van de dag leidt, weg uit dit industriedal, stopt al toeterend een auto naast ons. Een man springt eruit en geeft ons een zak heerlijk zoete aardbeien. De jonge(?) vrouw aan het stuur heeft vorig jaar zelf de route gelopen, samen met haar 73-jarige moeder; de man heeft de henro-michi per fiets afgelegd. Als ze hoort dat we na onze pelgrimstocht nog naar Kōya-san zullen gaan, de berg ten zuiden Osaka, waar Kukai ligt begraven, wordt ze helemaal lyrisch. Ze is van plan dit voorjaar ook Kōya-san te bezoeken, misschien kunnen we gezamenlijk?! Uiteraard. We wisselen meteen mailadressen en telefoonnummers uit. We hadden al afgesproken met Hide-san, de henro waarmee we sinds vorig jaar contact hebben, Kōya-san te beklimmen. En via de e-mail heeft ook Asaka Anakawa, die we 6 en 7 maart in een overnachtingsplaats tegenkwamen, zich aangemeld. Dat gaat een gezellig groepje worden!

Na 3 tunnels (wat beter verlicht en met iets meer ruimte naast de witte streep dan die van gisteren) leggen we even na 10 uur aan bij een koffiehuis, vlakbij een grote begraafplaats die in terrassen aan zee ligt; de rijen grafmonumenten staren als looploze afweergeschutskoepels naar de stille oceaan. Op de bar staan 3 aquaria van elk 10x10x10 centimeter, in de eerste een gelukskat, in de tweede een donkerrode vis met zo’n 10 centimeter lengte, in de derde een eenzelfde vis maar dieppaars; de laatste 2 levend. Hoe krijgen ze ze zo gekleurd??? Na 2 koffie besluiten we ook nog maar een moruningu setto (morning set) te nemen, ook al hebben we uitstekend ontbeten en is het wat vroeg voor een lunch. Maar we verwachten dat we tot aan onze eindbestemming niets meer zullen tegenkomen. We hebben voor vandaag slechts zo’n 10 kilometer te lopen – dat heeft te maken met een gebrek aan ryokans om het komende traject beter over de dagen te verdelen – en kunnen daarbij kiezen uit 3 routes: het eerste jaar hebben we een pasje over de bergen genomen, het tweede jaar zijn we via een 1 kilometer lange autotunnel (route 56) in het volgende dal aanbeland en nu willen we via de zeeweg lopen die zo’n 3 kilometer langer is, maar zeer fraai schijnt te zijn. We verwachten daar echter geen restaurants of supermarkten meer.

Pas rond half 12 breken we op. Al kort daarna slaan we af van route 56, maar al meteen bij het begin van de zeeweg worden we tegengehouden door verschillende automobilisten: er is een aardverschuiving geweest en de weg is volledig afgesloten. We vragen het voor de zekerheid na bij de minshuku op de hoek, maar helaas… het is niet anders. De eigenaresse geeft ons een grote buntan mee. We overwegen even om het pasje over de bergen te nemen, maar niet alleen moeten we daarvoor wat terug lopen, ook moesten we 2 jaar geleden uren omlopen op die route, omdat er een grote betonnen dam midden over het henro-paadje was gezet. Geen aanlokkelijk vooruitzicht. Dan maar weer de tunnel. Helaas is ook deze lange tunnel zonder stoep, maar hij is – net als de 3 eerdere tunnels vandaag – beter dan die van gisteren.

We rusten na de tunnel nog tweemaal kort bij een rest hut, de tweede een origineel bouwsel rond een boom, en we maken een praatje met een henro die tegen de de klok inloopt. Waarom tegen de ‘normale’ route in? ‘Omdat het de vijfde keer is. Elke vijfde keer moet je tegen de klok inlopen.’ Uiteraard. Dankzij de tunnel zijn we plotseling nog vroeger dan verwacht bij onze eindbestemming. En door het korte dagtraject voelt Mels zich ook nog opperbest. Om niet al te vroeg bij de ryokan aan te komen, gaan we daarom eerst naar de vismarkt – Taisho Machi Shiba – waarmee dit plaatsje bekend is, maar die blijkt ’s middags grotendeels opgebroken. We nemen een ijsje, maar dat blijkt helaas een gemberijsje te zijn. Pas 4 glazen water later is de hitte in mijn mond weer wat afgenomen, maar we blijven allebei last van onze magen houden. Niet voor herhaling vatbaar. We slenteren nog wat door het dorpje en langs de haven en melden ons dan al om 3 uur bij de ryokan, samen met een andere henro die ook net aankomt. ’s Avonds eten we op de kamer, terwijl ergens (beneden? of bij de buurryokan waar we vorig jaar waren en die nu vol zit?) een feest met toespraken plaatsvindt. Wij proberen al sinds onze aankomst een houding te vinden op ons platte kussentje, totdat het eetgerei wordt afgeruimd en de futons worden opgemaakt. Om half 8 staan we beteuterd aan het voeteneind. De zitkussentjes zijn niet aanlokkelijk en met een kamer vol met beddengoed is de keuze beperkt. We gaan maar weer vroeg op bed… Om 9 uur wordt het feestje officieel afgesloten – ‘Arigato daimashita’ (dankuwel) klinkt luid en duidelijk door de luidspreker – maar het duurt nog even voor iedereen – binnen en buiten – is uitgepraat. Dan wordt het stil.

Geplande afstand: 10,7 km, 300 m stijging (landroute via tunnel)
Werkelijke afstand: 13,8 km (incl. bezoek Taisho Market), totale stijging 331 m, totale
daling 326 m
Cumulatief afgelegde afstand: 507,1 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.22– ca. 15.00 uur (na marktbezoek)
Looptijd: 3,00 uur
Gemiddelde snelheid: 4,6 km/u
Bezochte tempels: bangai 5
Blaren: 0!
Overnachting: Fuku Ya (kamer 6 tatami’s groot met tokonoma / kastenwand, tafeltje, tv, goed avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 30: maandag 26 maart 2012: Leven op te grote voet…

Bij het ontbijt nemen we afscheid van Herbert. Voordat we zelf vertrekken, gaan we nog even met Koji zijn in aanbouw zijnde grotwoningen bekijken. Via het al eerder door hem gebouwde Santorini-gedeelte dat deze ochtend baadt in het zonlicht, komen we, nog wat lager, bij enkele organisch gevormde, half in de bergwand verscholen appartementen. Ook deze hebben een schitterend oceaanzicht. Een groot deel van de werkzaamheden is inmiddels afgerond, maar de fijnafwerking moet nog plaatshebben. Het afscheid van Koji is hartelijk. Wij hebben voor hem wat cadeautjes uit Nederland meegenomen: een stropdas met tulpjesmotief en stroopwafeltjes in een Hollands zakje. Koji zien we mogelijk nog terug tijdens onze tocht: als het enigszins kan, komt hij ons opzoeken in een ryokan onderweg.

We volgen vandaag dezelfde route als 2 jaar geleden, maar we hebben deze keer wat dichterbij een ryokan gevonden waar we kunnen overnachten. Gedurende de ochtend lopen we over het schiereiland, dat één groot natuurgebied is. De vrij stille 2-baans weg golft voordurend heen en weer en op en neer tussen de 100 en 160 meter hoogte. Links in de diepte zien we geregeld de oceaan, waar sliertige uitlopers van het gebergte baai na baai scheiden. Het is de mooiste kust die ik ooit heb gezien. Vlakbij is een grote vissersboot met links en rechts grote netten uitgezet. Aan de rechterkant is er geregeld het estuarium waar pontons op drijven. Soms is het schiereiland zo smal dat we aan beide zijden water zien. Het is zeer fraai weer. Warm zelfs; alleen bij pasjes is er soms een koude wind. De hellingen zijn bedekt met bossen en overal zijn plukjes wit en rose te zien: pruimenbomen die bijna zijn uitgebloeid – de bloesem inmiddels gemengd met het teerbruinrood van het ontluikende blad – en kersenbomen – hoewel hier nog steeds veel van in knop staat. Af en toe is er een boompje met trosjes gele bloemen; in knop lijken ze net op hangende katjes. In de berm staan vaak grote groepen lichtpaarse viooltjes; een enkele keer een tuiltje diepviolette miniviooltjes. Overal zijn nachtegalen te horen. Regelmatig is er de doordringende geur van wilde dieren. ‘Te groot!’, zegt Mels als voor de zoveelste keer een buizerd vlak boven ons komt hangen. We rusten tweemaal kort op een bankje; restaurants zijn hier niet. We zien regelmatig een andere loophenro, een 72-jarige man uit de omgeving van de Fuji-berg. Hij heeft tweemaal de Camino gelopen en driemaal de henri-michi (en in zijn jonge jaren de Matterhorn en de Montblanc beklommen…) ‘Camino en henro-michi, 2 zusters van hetzelfde bloed’, zegt hij.

Rond het middaguur komen we aan bij het begin van het schiereiland. Langzaam dalen we af naar een dal en worden verwelkomd door een legertje kwakende kikkers. We negeren een koffiehuis; ik heb sinds het ontbijt behoorlijk last van maag en darmen. Ook lopen we voorbij het drijvende restaurantje in de oksel van het estuarium. We hebben er 2 jaar geleden een lunch genomen, maar die bleek toen te bestaan uit schelpdieren die levend geroosterd werden op een tafelgrill. Het duurde erg lang voor ze ophielden met klepperen en spuiten. Niet leuk. En bovendien vonden we ze helemaal niet lekker. In plaats daarvan hopen we wat eten te kopen in een supermarktje bij een haventje verderop, maar we lopen het mis. We zijn inmiddels erg moe geworden en willen graag even rusten na zo’n 15 kilometer te hebben afgelegd, maar er is nergens een gelegenheid. Er staat een behoorlijk koude wind, dus even op een richeltje zitten is er ook niet bij. Dan zie ik toch nog een kleine super, maar het blijkt een sakezaakje te zijn. Ik vraag naar aisu kurimu (icecream), maar helaas. De hartelijke eigenaresse begrijpt het probleem en komt aan met 2 groenige, bolronde ijsjes. Mels zegt meteen nee; van groene thee-ijsjes houden we niet. Ik neem het beleefd aan, want het is duidelijk een osettai. We zien wat chocolaatjes liggen en daar heeft Mels wel zin in. We kopen wat en vragen dan of we even op het bankje bij de toonbank mogen zitten. Uiteraard. Terwijl Mels keuvelt met de aardige dame, probeer ik steeds wanhopiger iets van het ijsje te eten. Het is keihard en smaakt nergens naar. Het bijgeleverde houten lepeltje biedt ook geen soelaas. Hoe kan ik het ongemerkt in mijn tas laten verdwijnen, terwijl ze toekijkt??? Pas na 5 minuten kom ik tot de ontdekking dat ik bezig ben de groene, hardplastic verpakking af te likken… Zou ze denken dat ik vreemd gedrag vertoon? Dat ik alle verpakkingen altijd eerst aflik??? Binnenin het groene bolletje zit heerlijk vanilleijs; een prima middel tegen darmklachten! We krijgen ook nog een buntan mee en worden hartelijk uitgezwaaid als we vertrekken.

Na een vervelende, slecht verlichte autotunnel zonder stoep, komen we in een volgend dal. Inmiddels hebben we felle, erg koude tegenwind. Steeds meer komen we er met moeite tegenin. Het gebrek aan een lange rustpauze breekt ons allebei op. Mels is in de loop van de dag steeds meer last gaan krijgen van rug, knieën en voeten en ook ik ben erg aan een wat langere rust toe, ook mijn voeten zijn erg pijnlijk. We rusten – samen met de andere henro – nog weer even kort in een rest hut die aan de windkant is afgeschermd met doorzichtig golfplastic. Dan lopen we geleidelijk een enorm industriegebied in. Van de ochtendidylle komen we in het moderne Mordor. Mels sleept zich voort. Lange tijd lopen we langs een enorme betonfabriek. Het verkeer is erg druk en af en toe druk ik mezelf tegen de vangrail om niet geraakt te worden. Overal in het dal lopen autowegen die in hoogte variëren en her en der elkaar kruisen. Langs een rivier (in beton gevat, zoals bijna overal) staan nog veel meer betonfabrieken en liggen grote schepen aangemeerd. Langs de kade van een kleinere zijrivier liggen kleine vissersbootjes hoog boven het wateroppervlak; de zee is vlakbij en het is blijkbaar eb. Tegen 3 uur lopen we het stadje Susaki binnen en hier zijn wel restaurantjes. We leggen aan voor koffie en krijgen er zelfgebakken koekjes bij en een gelatinepuddinkje met aardbei. We blijven lang zitten; onderwijl pelt de eigenaresse een buntan voor ons. Lekker!

Daarna is het nog slechts enkele kilometers naar onze overnachtingsplaats, een ryokan aan de voet van het bergje waarop bangai 5 zich bevindt. Het is een ryokan waar we voor de eerste keer komen en het blijkt een schot in de roos: via een fraaie binnentuin met (letterlijk!) een boom van een schijfcactus, komen we bij een volgend gebouwtje dat we helemaal voor onszelf ter beschikking blijken te hebben. Het zijn allemaal oude gebouwen – 120 jaar oud – vol fraaie details. Op de kamer, in de tokonoma, staat een fraaie vaas met verse lelies en ontluikende wilgenkatjes. Alles ziet er goed verzorgd uit en ook de ofuro is – voor de verandering – erg schoon. We zijn de enige gasten en terwijl wij in de eigen kamer aan de verwarmde tafel een meer dan uitstekende maaltijd krijgen opgediend, worden in de even fraaie kamer naast ons de futons opgemaakt; de spiegel afgedekt een een mooie doek. De gastvrouw is uiterst hartelijk en blijkt een (nogal schel) lachebekje. Dat onze voeten – zoals gewoonlijk – veel en veel te groot zijn voor de binnensloffen en ook voor de houten buitenslippers, ze moet overal hartelijk om lachen.

Geplande afstand: 23,2 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 24,7 km, totale stijging 594 m, totale daling 654 m
Cumulatief afgelegde afstand: 493,3 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.32– ca. 16.25 uur
Looptijd: 5,20 uur
Gemiddelde snelheid: 4,6 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 0!
Overnachting: Yanagi Ya (2 kamer van elk 6 tatami’s groot met kastenwand en fraaie tokonoma, verwarmd tafeltje met 2 grondstoeltjes, tv, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt)

Dag 29: zondag 25 maart 2012: Kantoor met oceaanzicht

Bij het ontbijt nemen we afscheid van Shane die verder zal trekken, niet alleen lopend, maar ook af en toe met de trein om de verloren tijd in te halen. We geven hem 2 Delftsblauwe klompjes mee voor zijn grootmoeder. Kwart over 10 komt Yoshitake ons halen voor het infuus. We rijden weer dezelfde route terug naar Tosa City, waar het ziekenhuis zich bevindt vlakbij het vorige hotel. Het is mooi, zonnig weer, maar nog steeds erg koud. Vandaag wordt in Kochi de aftrap gegeven voor de sakurafeesten. De rest van Japan volgt daarna in 1–2 weken. Het is de gewoonte om dan in een park, onder bloeiende sakurabomen, gezamenlijk – meestal met collega’s – zittend op een zeiltje ‘wat’ te drinken – de schoenen netjes uitgetrokken en buiten het zeil opgesteld. Maar ik ben bang dat dat dit jaar toch wat erg koud zal worden…

Het nieuwe infuusflesje – dat ik altijd uit Nederland meeneem – levert problemen op, maar met enig improviseren lukt het uiteindelijk toch. Tegenover me liggen enkele mensen op bedden aan infusen; ze zien er duidelijk ziek uit. Ik voel me wat schuldig: ik loop maar vrolijk rond op Shikoku en voel me steeds beter…

Al snel zijn we weer terug in het hotel; Yoshitake vliegt meteen terug naar Tokyo. In de eetzaal van het hotel nemen we een lunch met katsuo tataki, een tonijnsoort; de plakjes iets aangebakken, met schijfjes rauwe knoflook, ui en een wat zure saus. Het is een mooie, zonnige dag en we hebben een mooi uitzicht op de rotsen en de zee onder ons. Na de lunch gaat Mels weer op de futon, ik werk de rest van de dag aan KLEI, onderwijl genietend van het fraaie uizicht. We hebben in Japan zelden internet en als het er is, dan is het vaak zo langzaam dat alle tijd wordt opgeslurpt door het uploaden van het blog, en/of de verbinding moet gedeeld worden met andere mensen (waaronder Mels…) Maar vandaag kan ik gelukkig even doorwerken. Ik zet enkele documenten en mailtjes klaar op de laptop, maar moet uiteindelijk toch nog geruime tijd wachten tot ik het noodzakelijke kabeltje kan gebruiken. Er zijn toch weer meer liefhebbers…

De avondmaaltijd delen we met Herbert Meinen, een 42-jarige Duitser, computerprogrammeur. Hij heeft ook al de Camino gelopen en weet er enthousiast en beeldend over te vertellen: ‘Je slaapt met 100-den mensen op een slaapzaal. Neem oordoppen mee!’ Dan is het zo slecht nog niet op die dunne futonnetjes met papieren muren…

Geplande afstand: 0 km
Werkelijke afstand: nagenoeg 0 km
Overnachting: hotel Kokumin Shukusha Tosa (kamer 6 tatami’s groot, kastenwand / halletje, binnenveranda met tafeltje en 2 fauteuils, tv, fantastisch uitzicht over kust en oceaan, wifi in de lounge, redelijk avondeten, goed ontbijt)

Dag 28: zaterdag 24 maart 2012: Rondje Holland

De zon komt bloedrood op boven de oceaan en verkleurt langzaam naar blikkerend zilver in een vaaggrijze lucht, boven een kwikzilveren wateroppervlak. ’s Ochtends gaan we met Ikegami Koji naar Dolf van Graas en zijn vrouw Fumika Kuninori in het INAX-huis in Sakawa; vorig jaar hebben we ze ook bezocht en daarna per mail contact gehouden. Bij de parkeerplaats naast het hotel ontdekken we een wild zwijntje. Koji heeft het vorig jaar als biggetje uit een rivier gered en het is erg aanhankelijk. Aiko, liefdeskind, heeft hij het genoemd. We rijden aanvankelijk dezelfde route terug naar Tosa City als we gisteren hebben gelopen naar het hotel. Af en toe regent het nog heel lichtjes. Vlakbij de kust vliegt een grote groep buizerds boven enkele drijvende stijgertjes; waarschijnlijk is er vis te vangen. Dolf en Fumika ontvangen ons opnieuw heel hartelijk met koffie en gebakjes. Tussen de middag gaan we gezamenlijk lunchen bij een fraai udon-restaurant. Mels en ik tracteren

Daarna is het een tocht van zo’n anderhalf uur met de mercedes naar de volgende afspraak: Chika en Rogier Uitenboogaart, die washi – Japans papier – maken. We rijden door vele fraaie valleien met beekjes en watervallen, omringd door hoge bergen. Naast de sawa’s in de dalen zijn er veel theeplantages op de lagere berghellingen. Hogerop zijn alleen imposante donkere bossen van voornamelijk Japanse ceder. In een rivier staan aalscholvers en reigers om en om op een rij op een richel. Hier en daar zijn bloeiende kersen. Ik val na een tijdje in slaap en ben blijkbaar niet de enige: af en toe maakt de auto een vreemde schuiver. Na lange tijd komen we steeds hoger in de bergen: Chika en Rogier wonen op zo’n 600 meter hoogte; op de achtergrond is een hoge, massieve, bergrug te zien; op de hogere delen ligt overal nog sneeuw. Het is er behoorlijk koud. Als we bij het huis aanklopppen, zijn Chika en Rogier nog druk verwikkeld in een interview voor een Japans tijdschrift. Dan maken ze tijd voor ons. Rogier leidt ons rond door de werkplaatsen en Chika vertelt over de tijd dat Kochi-prefecture de belangrijkste papierproducent van Japan was. De berghellingen waren toen bedekt met struiken die voor de papiervervaardiging werden gebruikt. Zelf gebruiken ze hout van de papierstruik (Edgeworthia papyrifera): deze kleine struikjes met geelwitte bloemen hebben ze rond hun terrein geplant. Rogier toont de vele mogelijkheden met papier. Hij vervaardigt kamerschermen en schuifdeuren, maar ook ‘tegels’ (behang), allerlei lampen en bijvoorbeeld kalligrafiepapier. Soms wordt katoen gebruikt als basis. Voor een schuifdeur is klei door de papierpulp gemengd, wat een heel mooi affect geeft. We kopen een boekje over de papierbiënnale in Nederland waar Rogier nog veel contacten mee heeft. We praten ook over de vele verwaarloosde huizen en sawa’s die we overal zien. Japan heeft een enorm vergrijzingsprobleem: in 2040 zal 50% van de bevolking uit 65-plussers bestaan. Maar er is ook een andere reden. Rogier vertelt dat kinderen vaak het ouderlijk huis, na het overlijden van de laatste ouder, niet willen verkopen, enerzijds vanwege de emotionele binding, anderzijds omdat huizen na 100 jaar zijn afgeschreven. De op traditionele wijze gebouwde huizen gaan gewoonweg niet langer mee, uitzonderingen daargelaten. Dus brengt een verkoop ook niets op. Rogier heeft voor zijn huis alleen de grondprijs hoeven te betalen, zo’n 1.000 euro…

Een groot deel van de terugweg valt samen met de henroroute die we de komende dagen nog moeten gaan lopen. We herkennen veel plaatsen. Wat we nu in 1–2 uur met de auto afleggen, daar zullen we de komende week minstens 2–3 dagen over doen. Dat voelt wel een beetje frustrerend… Koji dreigt onderweg weer in slaap te vallen achter het stuur; we houden hem aan de praat. Het laatste deel van de rit zien we langs de weg overal bloeiende kersen. Dat wordt een mooie wandeling de komende tijd!

Shane blijkt een nacht te hebben bijgeboekt in het hotel; hij heeft erg veel last van zijn enkel. Het avondeten gebruiken we weer gezamenlijk. Het is voor ons allemaal een verademing weer gewoon te kunnen communiceren; Japanners zijn wel vaak heel aardig, maar met name door het taalprobleem blijft de communicatie toch heel erg beperkt en dat is erg jammer. Wij proberen Shane en passant wat nieuwe Nederlandse woorden aan te leren zoals weigerambtenaar en gedoogkabinet. Ook niet makkelijk..

Geplande afstand: 0 km
Werkelijke afstand: nagenoeg 0 km
Overnachting: hotel Kokumin Shukusha Tosa (kamer 6 tatami’s groot, kastenwand /
halletje, binnenveranda met tafeltje en 2 fauteuils, tv, fantastisch uitzicht over kust en
oceaan, wifi in de lounge, goed avondeten, goed ontbijt)

Dag 27: vrijdag 23 maart 2012: Grijze eenzaamheid

Het plenst zoals voorspeld. In de laagvlakte hangt een dicht wolkendek; slechts hier en daar steken er donkere bergtoppen bovenuit. Tijdens het ontbijt komt de eigenaresse weer met enkele extraatjes: snippers gedroogde vis en speciale sojasaus, lekker door de rijst. Ze zal een zak van het een en een karton van het ander opsturen naar ons laatste hotel in Japan, zodat we het mee kunnen nemen naar Nederland. Wij blijven lekker lang hangen, de nattigheid buiten trekt niet echt en bovendien gaan we eerst koffiedrinken… denken we. Maar dat hebben we verkeerd begrepen: de eigenaresse suggereert dat we eerst nog tempel 35 bezoeken en daarna terugkomen om gezamelijk te gaan koffiedrinken. Dat komt eigenlijk veel beter uit, want voor tempel 35 hoeven we alleen even op en neer. We willen de rugzakken toch achterlaten in het hotel om ze later weer op te pikken voor het verdere dagtraject.

In de stromende regen lopen we door Tosa City en gaan daarna via een smalle weg de berg op waar tempel 35 zich bevindt. Vanwege de regen laten we een korter paadje links liggen. Na het tempelbezoek doen we het koffiehuis aan waar we hebben afgesproken met de eigenaresse van het hotel. Voordat we binnen mogen komen, droogt moeders onze natte regenpakken af met een handdoek. Ze tracteert op koffie met brood en ei. En van het koffiehuis krijgen we nog wat zure sinaasappelpartjes. We hebben de volle aandacht van het hele koffiehuis. Het zit er vol met – vooral wat oudere – vrouwen en enkele mannen. We zien dit soort koffiehuizen wel vaker in Japan: gezellige huiskamerachtige etablissements waar de meeste bezoekers rond de bar zitten, en waar veel gezamenlijk gekletst wordt. Heel anders is het bij de restaurants die meer westers ogen, zoals bij de luxe bakkerij waar we rond het middaguur nog wat broodjes (en een lekkere cappuccino) kopen voor onderweg. Daar zit iedereen netjes aan zijn eigen tafeltje, met zijn eigen gezelschap, meer zoals in westerse landen.

Ondanks onze voornemens vertrekken we pas rond half 1 voor het verdere dagtraject, na eerst nog onze rugzakken te hebben opgehaald in het hotel en wat cadeautjes te hebben achtergelaten voor de eigenaresse. Uur na uur lopen we in de regen. Ik moet voortdurend even wachten omdat Mels anders te ver achterblijft. De tocht is voor hem erg moeilijk dit jaar; er zijn maar weinig dagen dat hij redelijk fit is. De gebeurtenissen met zijn dochter afgelopen jaar hebben hem geestelijk en lichamelijk een flinke knauw gegeven. Hij is voortdurend moe. En zo lopen we samen alleen, elk met zijn eigen gedachten.

Bij een rest hut rusten we kort om de meegenomen broodjes op te eten. In de gestaag vallende regen lijken de bamboebossen wel reuzenboerenkoolstronken; de houtige stengels buigen zwaar door; het gebladerte hangt als natte pruiken naar beneden. We beslissen om niet het pasje te nemen dat we voorgaande jaren hebben gedaan: jammer, want het is een van de mooiste paadjes tijdens onze tocht. Maar met deze regen is het waarschijnlijk nauwelijks begaanbaar. Daarom gaan we nu via een ca. 1 kilometer lange autotunnel (gelukkig met brede stoep en railing). We komen daardoor iets te oostelijk uit, maar kunnen via een kustweg weer op het goede traject komen dat aansluit op een lange (maar gelukkig geen hoge en geen drukke) brug naar het schiereiland waar de volgende tempel staat en waar ons hotel zich bevindt. Als we uit de tunnel komen, is het zo mogelijk nóg harder gaan regenen. Af en toe zien we op het asfalt reuzenregenwormen, wel 30 centimeter lang en blauw-iriserend van kleur. Eenmaal op het schiereiland lopen we langs een vrij stille weg die vlak langs de zee kronkelt. Op de rotsen in zee zitten wat verfomfaaide aalscholvers, diep ineengedoken tegen de regen. Vlakbij lijkt de zee spiegelglad, maar aan de overkant van het water, langs het vasteland, beuken grote golven op de rotsen. We rusten heel kort in een rest hut; tegen de plafondbalken zitten overal lemen nestjes van metselbijtjes.

Al om 3 uur zijn we bij de tempel. Een Japanse henro omhelst ons en geeft ons elk een gelukskat-hangertje; wij geven hem een klompjes-sleutelhanger. De regen neemt inmiddels af. Bovenaan alle trappen, voor de hoofdtempel staat een kers in volle bloei: sakura! In het moeras aan de voet van de berg zitten volop kikkers te kwaken. We ontmoeten bij de tempel een langneus: de 24-jarige Shane uit Australië, student geologie, die regelmatig in Japan verblijft. Toen hij eens een tempel bezocht op Shikoku en er in wit geklede pelgrims met strooien hoeden zag, wist hij meteen dat hij dit ook wilde doen. Hij blijkt hetzelfde hotel als wij te hebben geboekt. Gezamenlijk nemen we het kleine paadje vanaf de tempel, verder de berg op, richting het hotel. En al voor half 5 zijn we er en worden we zeer hartelijk verwelkomd door Ikegami Koji, de hoteleigenaar. We komen hier inmiddels voor de derde keer en dit is het meest fantastische hotel tijdens onze pelgrimstocht, mede door de hoge ligging.

Vanuit de openlucht-ofuro heb ik een sensationeel uitzicht over de oceaan. Op zo’n grijze dag als vandaag gaat de oceaan aan de einder onmerkbaar over in de hemel. Er lijkt geen verschil in dichtheid meer te zijn tussen water en lucht. Het moet een ideale dag zijn voor een nami kanjo, een golfgebed, bedenk ik me… Vlakbij de buitenrand van het bad, waar geen afdak is, valt de regen zachtjes in het badwater. Langzaam gaat het schemeren. In de verte gaan de lichtjes aan op het vasteland.

We krijgen een mailtje en later ook een telefoontje: het is Yoshitake toch nog gelukt mijn infuus rond te krijgen, maar wel pas over 2 dagen. Daarom beslissen we niet 2 maar 3 nachten te blijven in het hotel. En Koji heeft al toeristische uitstapjes bedacht: we gaan weer Nederlanders bezoeken. De avondmaaltijd delen we met Shane. Heel gezellig! Mijn accent doet hem denken aan zijn grootmoeder die in Nederland is geboren.

Geplande afstand: 18,2 km, 200 m stijging
Werkelijke afstand: 20,7 km, totale stijging 571 m, max. helling 17%, totale daling 502 m
Cumulatief afgelegde afstand: 468,6 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.46– ca. 16.20 uur
Looptijd: 4,28 uur
Gemiddelde snelheid: 4,6 km/u
Bezochte tempels: tempel 35 en 36
Blaren: 0!
Overnachting: hotel Kokumin Shukusha Tosa (kamer 6 tatami’s groot, kastenwand / halletje, binnenveranda met tafeltje en 2 fauteuils, tv, fantastisch uitzicht over kust en oceaan, wifi in de lounge, uitstekend avondeten, goed ontbijt)

Dag 26: donderdag 22 maart 2012: Bitte, bitte, kein alkohol!

In de diepte zie ik ’s ochtends tegen 8 uur al behoorlijk wat mensen flaneren over het geplaveide pad langs het strand. De zon schijnt fel naar binnen in de kamer. Ik vraag me af wat warmer (en vochtiger) is: een broeikas of een broedkast? Het wordt een mooie, warme dag. Voor het raam cirkelen vlakbij 2 roofvogels; in de verte varen enkele vissersboten. De zee is spiegelglad. Na een weer uitstekend ontbijt en nog even internetten, vertrekken we om kwart over 9 voor een relatief makkelijk traject, hetzelfde als vorig jaar. Eerst dalen we weer af, via een smalle weg die rond het bergje cirkelt waarop ons hotel zich bevindt. Vlak voor de grote, hoge brug waarover we gisteren zijn aangekomen, nemen we een klein pad, nog verder naar beneden, en zigzaggen dan langs de ene na de andere inham op het schiereiland, door een vissersdorpje en langs heel veel havenindustrie. Mannen zitten te hengelen op de kademuren. We kopen een ijsje bij het enige supermarktje waar we deze ochtend langskomen en kort daarna komen we via een kleine, lage brug op de andere oever van de baai, waar zich meteen tempel 33 bevindt. Na het uitvoeren van de rituelen, zitten we even in het zonnetje op een bankje uit te rusten. Morgen is weer regen voorspeld; nu nog even genieten. Daarna lopen we verder, voornamelijk door agrarisch gebied, met af en toe een gehucht. Net als ik tegen Mels zeg dat we dit jaar niet zoveel buntans hebben gekregen als voorgaande jaren, komt er achter ons een vrouw aanlopen met 2 enorme buntans… We krijgen er een plastic tasje bij.

Tegen het eind van de ochtend gaan we steeds harder lopen. We hebben honger en zijn moe en we verwachten naast tempel 34 een aardig restaurantje waar we al tweemaal eerder hebben geluncht, de enige eetgelegenheid die we tot ver in de namiddag tegen zullen komen. Maar het restaurantje blijkt gesloten en het ziet ernaar uit dat dat definitief is… Bij de ingang van de tempel is een winkeltje met henrobenodigdheden en daar kunnen we gelukkig ook 2 cadetjes met zoetebonenvulling kopen, evenals wat koekjes en chocolade. We krijgen er een sinaasappel bij. Aan de overzijde van de 2-baans weg langs de tempel is een ruimte met wat automaten met frisdrank en etenswaren en ook wat tafels en stoelen. De ruimte erachter blijkt een keramiekatelier te zijn, maar dat ziet er wat ongebruikt uit; buiten staat een oven. We lunchen er met de gekochte versnaperingen en de eerder gekregen tomaten, buntans en sinaasappel. Mels valt weer in slaap. Aan het tafeltje naast ons zitten enkele werkmannen te lunchen, alle 3 druk bezig met spelletjes op hun mobieltjes. Ze negeren ons nadrukkelijk; ook ons ‘sayōnara’ als we weggaan, wordt niet beantwoord. Na het uitvoeren van de rituelen bij tempel 34, blijken de 3 medewerkers in het stempelkantoor ook nauwelijks tijd te kunnen vrijmaken voor ons. Rond lunchtijd loopt een populaire soap over een vrouw op leeftijd die een mode-imperium heeft opgebouwd. Alle aandacht is gericht op de tv aan de muur; stempelen en kalligrafie worden afgeraffeld en daarna worden we er weer meteen ‘uitgesayōnaraad’.

Langzamerhand lopen we Tosa City binnen, een kleine stad die wat van de kust af ligt. We hopen nog ergens koffie te kunnen drinken, vooral om nog even uit te kunnen rusten, maar alles blijkt gesloten. In een winkelcentrum vinden we een kleine McDonald’s. Cappuccino en McFlurry-ijs blijken er niet te zijn; uiteindelijk nemen we elk een piepklein softijsje, samen 6 euro. Wel wat veel geld voor zulke kleine ijsjes, vinden we. Maar even later blijkt dat we ook nog 2 grote bekers zwarte koffie hebben besteld. Het Japans blijft moeilijk…

Kort daarna komen we al bij het hotel waar we dit jaar voor de derde keer hebben gereserveerd. Mels noemt de eigenaresse ervan ‘de Generaal’ (maar wel stiekum achter haar rug…), maar tijdens ons tweede verblijf bleek ze ook een heel andere, heel aardige kant te hebben: we kregen een mooi antiek theepotje uit Bizen cadeau en werden de ochtend van ons vertrek getracteerd op koffie in een koffiehuis. We zien haar weer als we ’s avonds – nadat we in de buurt hebben gegeten – nog even in de ontbijtzaal zitten te internetten. Ze brengt meteen wat te eten: schaaltjes met overheerlijke zoete tomaten, ananas en zoete sinaasappel. Ook een Duitse pelgrim komt erbij zitten: Pekka Scheuermann, 35 jaar. We hebben hem even daarvoor op straat, bij de ingang van het hotel ontmoet. Hij doet de tocht voor de eerste keer, maar het bevalt hem niet: Teveel lopen in stedelijke omgeving, langs wegen en straten. De geur van de zompige sawa’s vindt hij ook verschrikkelijk. En de taal is een groot obstakel. Meer te spreken is hij over de Camino die hij al tweemaal heeft gelopen. Daarom doet hij de pelgrimstocht op Shikoku nu versneld per bus en trein, af en toe lopend, zodat hij later dit jaar weer de Camino kan lopen en later in Amerika het Appalachian-trail. Hij heeft wat eten gekocht in een supermarkt. De eigenaresse laat meteen ook een kommetje misosoep brengen, en een vis – maar die lust hij niet – en sake en later ook zelfgemaakte umeshuu – maar hij drinkt geen alcohol sinds een iets te wild feest in Tokyo… Hij is vooral bezig met internetten op zijn mobieltje. Terwijl de alcohol via een bochtje onze kant op stroomt, wordt Mels zijn Japans plotseling vloeiend. Hij vertaalt moeiteloos tussen Nederlands, Duits en Japans. De eigenaresse geeft de Duitser echter nog niet op: Of hij van Kagawa heeft gehoord? Dat is het toverwoord: Kagawa is de Japanse voetballer die het Duitse voetbal aan het redden is. Mels vertaalt enthousiast over en weer het gesprekje. De eigenaresse komt ook nog met een soort wrongel: het overblijfsel van gefermenteerde rijst bij de bereiding van sake. En we worden opnieuw uitgenodigd om morgen met haar koffie te gaan drinken. Daar kunnen we niet onderuit, hoe we ons ook voorgenomen hadden, haast te maken met ons dagprogramma, omdat we voor 5 uur de laatste tempel moeten zien te halen…

Om 9 uur worden we allemaal uit de ontbijtzaal gezet. Sommige dingen veranderen niet…

Geplande afstand: 17,8 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 18,9 km, totale stijging 444 m, totale daling 496 m
Cumulatief afgelegde afstand: 447,9 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.17– ca. 16.20 uur
Looptijd: 4,05 uur
Gemiddelde snelheid: 4,6 km/u
Bezochte tempels: tempel 33 en 34
Blaren: 0!
Overnachting: hotel Business Inn Tosa in Tosa City (westerse kamer, 2x1p-bed, bureau met stoel, zitje met 2 fauteuils, koelkast, tv, badkamer met bad / douche / wc, hal met wastafel, wifi in de ontbijtzaal, geen avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 25: woensdag 21 maart 2012: Geven en nemen…

Meneer Hagiwara is een vroegopstaander. Al voor dag en dauw, nog voor de hanen beginnen te kraaien, hoor ik geschuifel aan de andere kant van de gemeenschappelijke schuifwand. Blijkbaar is hij zijn rugzak opnieuw aan het inpakken en is hij zich aan het aankleden. Na een tijdje wordt het weer stil, tot er opnieuw geschuifel is. Het maakt niet uit, al de hele nacht kan ik bijna in mijn eigen zweet naar buiten zwemmen, liggend tussen 2 vachtachtige dekens. Ik heb toch niet geslapen, hoewel 4 uur toch wel wat vroeg is… Het geschuifel gaat zo lange tijd door, tot meneer Hagiwara rond half 6 naar de keuken gaat, waar onze beide kamers aan grenzen. Blijkbaar heeft hij zijn staf meegenomen, ik hoor het belletje eraan telkens rinkelen als hij heen en weer loopt. Misschien is hij even aan het vooroefenen voordat hij echt op stap gaat. Af en toe botst hij nadrukkelijk tegen onze schuifdeuren aan, maar wij reageren niet. Tegen kwart voor 6 wordt het stil. Meneer Hagiwara is blijkbaar vertrokken. En voor ons is het tijd om op te staan…

Na het ontbijt is Mels nog even de blog aan het uploaden en ga ik alvast terug naar het appartement om mijn voeten in te tapen. Als hij na een uurtje er nog niet is, loop ik maar terug naar het restaurant. Snel komt hij naar buiten: een fietsvriend van de Franse fietsclub is door een auto aangereden en zwaargewond op de ic beland. Uiteindelijk vertrekken we om kwart over 8. We lopen verder rond Kochi; eenzelfde traject als vorig jaar. Het is – hoewel zonnig – erg koud: sjaal en handschoenen worden weer tevoorschijn gehaald. Al snel zijn we bij tempel 30 en na de rituelen te hebben uitgevoerd (en de kleine sandaaltjes te hebben vastgebonden aan het poortgebouw!), gaan we op weg naar de volgende tempel. Aanvankelijk lopen we vooral langs sawa’s, later meer door stedelijk gebied. Langs een rivier staat een bejaarde vrouw met een fiets ons op te wachten. We krijgen een halve kilo tomaten (Japanse tomaten zijn heerlijk zoet!) en enkele hoestsnoepjes met gembersmaak. Ze wil de pelgrims ondersteunen; ook de viooltjes langs het weggetje zijn door haar geplant als osettai! Een tijd later worden we aangesproken door een andere vrouw. Ze is zeer geïnteresseerd in onze bezigheden. We blijven lang staan praten. Weer later is er een man op een fiets die enthousiast een praatje met ons aanknoopt. We vinden het erg fijn als mensen zo positief reageren op onze tocht.

Na zo’n 5 kilometer leggen we even aan voor koffie. We hebben al snel de volle aandacht van het restaurant. Waar we vandaan komen, of we de hele tocht lopen, in 1 keer… wat, al 3 keer???? Als we weer buiten staan, zegt Mels: ’Volgens mij ben ik opgelicht bij het afrekenen…’ En dát is niet gebruikelijk in Japan… Via wat kleine, smalle weggetjes en straatjes lopen we naar de voet van de berg waarop zich een botanische tuin uitstrekt én de volgende tempel zich bevindt. In een grote rivier zien we weer talloze schildpadden, zonnend op elk stukje wrakhout dat ze kunnen vinden. Een bejaarde man uit het restaurant komt ons achterna op de fiets en wil ons blijkbaar de weg wijzen. Wij lopen echter iets te snel voor hem; regelmatig moet hij weer op zijn fiets springen om ons bij te kunnen houden. Bij het betonnen trappetje – met piepkleine treden – dat de berg op gaat, laten we hem zwaaiend achter. Voorgaande jaren liepen we de berg op onder een hemel van bloesem; maar nu zit alles nog in knop. Enkele weken geleden zei een vrouw tegen ons: ‘De pruimenbloesemtijd loopt ten einde, het sakkurafeest nadert: de kersenbloesems!’ Maar hoewel Shikoku – zeker het zuiden – een subtropisch klimaat kent, is het voorjaar dit jaar erg koud en de natuur zeer laat. Kersenbloesems hebben we nog maar weinig gezien. Naarmate we hoger stijgen, zien we in de diepte een grote vlakte met natte sawa’s, blinkend in de felle zon. Na een korte klim komen we in de botanische tuin. Ook daar is het nog erg kaal. Hier en daar zijn groepen bloeiende narcissen, blauwe druifjes, helleborus en crocussen. En af en toe een azalea. Citroentjes fladderen er tussendoor. In een dal ver weg is een grote kolonie sneeuwreigers aan het broeden, hoog in de bomen die er inmiddels erg kaal bijstaan door alle bijtende stront die naar beneden valt.

Op een bankje eten we een ijsje, met uitzicht op drijvende plantenbakken in een grote vijver, gevuld met bloeiende tulpen en andere voorjaarsbloeiers. Plotseling is het warm, erg warm. Heerlijk! Net als we de botanische tuin willen verlaten, ontdekken we een tropische kas vol met cactussen, orchideeën, tillandsia’s, euphorbia’s… en 2 langneuzen: een echtpaar uit Schotland; hun dochter geeft Engelse les op Shikoku. We blijven even staan kletsen; blij dat we eindelijk weer echt kunnen converseren, want het Japans blijft toch erg moeilijk…

Direct achter de botanische tuin bevindt zich tempel 31, een idyllisch plekje dat nog ligt binnen de invloedssfeer van de tuin: op de plateaus tussen de talrijke trappen staan diverse plantenbakken met voorjaarsbloeiers. Een stenen kantjil koestert zich in de zon. Helemaal bovenaan alle trappen bevinden zich niet alleen de tempels en een stoepa, maar ook een koddig groepje zittende beelden met rode, gebreide mutsen op. Helaas zit ook deze tempel volop in de werkzaamheden. In enkele bomen worden takken gesnoeid en in de grond worden gaten geboord rond een slecht groeiende kamferboom. We rennen tussen de vallende takken door om de hoofdtempel te bereiken en proberen de hartsoetra te reciteren tegen het lawaai van allerlei apparaten in. Gauw weer weg…

We eten – bij gebrek aan alternatieven – udonsoep in een tentje onderaan het tempelcomplex. De rest van de middag heb ik spijt… En Mels zegt – als we weer aan het lopen zijn: ‘Volgens mij ben ik hier óók opgelicht…’ In plaats van extra osettai’s krijgen we op de sterfdag van Kukai blijkbaar andersoortige ‘cadeautjes’… Maar we kunnen er niet echt mee zitten, daarvoor vinden we de mensen van Shikoku over het algemeen véél te aardig. Het zal de grotestadsmentaliteit zijn die we in en rond Kochi wel ervaren: ook medehenro’s zijn hier vaak zo op zichzelf gericht dat ze regelmatig geen tijd hebben om elkaar dag te zeggen…

Via een smal asfaltweggetje bereiken we het volgende dal en lopen dan lange tijd over een weggetje tussen een grote en kleine rivier. Uit het kleine water springen af en toe grote vissen, net als in voorgaande jaren. En met de zon komen natuurlijk ook de slangen tevoorschijn. Als ik een hoek omsla en een bruggetje over wil steken, weet ik net op tijd te stoppen voor een zonnende slang. Wat foto’s rijker lopen we weer door.

Langs een 2-baans weg over een klein huchtje komen we bij een meertje met een rest hut. We rusten er kort en krijgen gezelschap van een bejaarde vrouw. Maar helaas heeft Mels vandaag weer een moeilijke dag, nu vanwege zijn rug en hij heeft niet zo’n zin in praten. We nemen al snel afscheid. Kort daarna bereiken we de voet van de volgende berg waar tempel 32 zich op bevindt. Via een klein paadje zijn we al snel boven. We voeren de rituelen uit en bewonderen het uitzicht: in de verte is onze overnachtingsplaats voor vannacht te zien, bovenop een volgend bergje, aan de andere kant van een groot water. Nadat we zijn afgedaald, volgen we lange tijd route 14, een stoep langs een drukke 2-baans weg, vlak langs de kust, eerst langs sawa’s, later door havenindustriegebied. Om ons een beetje moed in te prenten, eten we nog een ijsje bij een supermarkt – het tweede ijsje vandaag; blijkbaar zijn we weer op een ijsjesdieet aanbeland… – en dan… ja dan komt die vervelende brug weer. De weg wordt wat smaller; de stoep hoger en zo mogelijk nóg smaller… – het is een haast nachtmerrieachtige toevoerweg – en dan gaan we met zijn allen – het razend drukke autoverkeer en wij – de hoogte in en via een langzame bocht komen we in de goede richting naar het schiereiland waarop ons hotel zich bevindt. De brug maakt een sierlijke boog over het brede water; in de diepte – tussen de schitteringen van de inmiddels bijna ondergaande zon – zien we de veerboot die we 2 jaar geleden namen. Maar inmiddels hebben we een hotel ontdekt dat zó goed is dat we er een omweg voor over hebben – én een stressvolle looptocht over een hoge brug… Elke struikeling kan fataal zijn. Elke keer als er een grote vrachtauto aan komt, drukken we ons plat tegen de vangrail, in de hoop dat we niet worden meegesleurd door de ver uitstekende spiegels. Angst geeft vleugels… De opluchting is groot als we van de stoep af kunnen stappen…

Dan is er nogmaals een klim, rond de heuvel waar ons hotel zich op bevindt. Met een fenomenaal uitzicht op de kust waar we het laatste deel van de dag langs hebben gelopen en ook op de oneindige oceaan natuurlijk. En in de diepte het strand waar mensen en honden lopen, piepkleine poppetjes.

Rond half 6 komen we aan bij het hotel bovenop de top. We blijken een westerse kamer te hebben met bedden. Helemaal niet erg voor een keer… En het eten…. het eten is goddelijk!

Geplande afstand: 22,0 km, 150 m stijging
Werkelijke afstand: 22,8 km, totale stijging 556 m, totale daling 510 m
Cumulatief afgelegde afstand: 429,0 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.16– ca. 17.35 uur
Looptijd: 5,02 uur
Gemiddelde snelheid: 4,5 km/u
Bezochte tempels: tempel 30, 31 en 32
Blaren: 0!
Overnachting: hotel Katsurahama (westerse kamer, 2x1p-bed, bureau, koelkast, 2 stoelen, tv, badkamer met bad, douche, wastafel en wc en invalidenoprit, fantastisch uitzicht over kust en oceaan en onder ons een vuurtoren en (ver onder ons) het strand, wifi in de lounge, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt)

Dag 24: dinsdag 20 maart 2012: Ik zag 2 beren…

Bij het ontbijt zijn er toch nog 2 andere gasten bijgekomen: werkmannen in pastelgroene pakken (alle werkmannen in Japan zijn op dezelfde manier gekleed). Uit het haventje vertrekt af en toe een motorsloep, soms een wat grotere vissersboot met grote hengels die – in ongebruikte toestand – naar voren steken. In de verre verte zijn vaag bergen te zien; we zitten momenteel in een gigantische baai aan de zuidkant van het eiland dat de vorm heeft van een roggenei. Het is bewolkt, de zee is aan de einder net iets donkerder dan de grijze wolkenlucht. Als we om 8 uur vertrekken is het behoorlijk fris. We worden hartelijk nagezwaaid door de gastvrouw. We hebben voor vandaag eenzelfde programma gepland als vorig jaar. De komende dagen moeten we om Kochi, de grootste stad aan de zuidkust, heentrekken en onderweg diverse tempels bezoeken.

Een tijdlang volgen we weer het fietspad, tot we – vóór Kochi – naar het noorden afbuigen via allerlei grote en kleine wegen, afwisselend door agrarisch gebied en kleine gehuchtjes. Ik zie steeds meer magnolia’s in bloei staan en af en toe is er ook het felle, uitbundige geel van forsythia’s. Op een bergtop staat een Frans(?!) kasteel. Rond 10 uur vinden we een leuk restaurantje met uitstekende cappuccino en overheerlijk gebak. We krijgen een extra cakepunt erbij als osettai. De gastvrouw is onder de indruk van de tekst op mijn pelgrimstas: 1 weg, 2 mensen. Het gaat uit van het idee dat Kukai in gedachten met je meeloopt tijdens de pelgrimstocht. Voor mij betekent het nog heel veel meer: ik neem in gedachten iederéén mee die me dierbaar is… Het piepkleine restaurantje is ingericht met allerlei ditjes en datjes: bloemetjes, kleedjes, kopjes, kaarsjes… Eigenlijk zijn onze lijven veel te groot voor zo’n restaurantje en al helemaal met bepakking. Als we vertrekken, worden we uitgeleide gedaan door de aardige gastvrouw die onderwijl probeert de schade beperkt te houden…

Kort daarna bereiken we – op een huchtje – tempel 28, onder grote belangstelling van een busgroep. We praten ook kort met de eerste langneus die we dit jaar op Shikoku tegenkomen: een Engelse vrouw die woont in Japan, samen met haar Japanse echtgenoot is ze aan het sightseeing. Als we – na het uitvoeren van de rituelen – nog even zitten bij het stempelkantoor, komt er een echtpaar aanlopen: zij met een kleine pluchen beer met klein pelgrimstasje, hij met een enorme – (Japanse) mensgrote – beer met pelgrimstas. Baikiman heten de beren. Ik ga op de foto met de grootste. We vragen: ‘Naze?’ (Waarom?) En het antwoord is: ‘Hij is 3 jaar geworden, dus mag hij mee.’ We snappen het niet echt. Is dit een soort compensatiegedrag voor ongewenste kinderloosheid? Als we even later de berg weer zijn afgedaald en onze route langs de weg vervolgen, horen we plotseling: ‘Goodbye!’ Uit het raam van een auto hangt een enorme beer te zwaaien.

Rond het middaguur hopen we een restaurant of supermarkt tegen te komen, maar ondanks het feit dat er 2 supermarkten in het routeboekje staan aangegeven, komen we niets tegen. Uiteindelijk rusten we kort bij een klein tempeltje, waar we vorig jaar ook hebben gezeten, en eten we wat mierzoete chips op, het enige eetbare dat we bij ons hebben. Er hadden nog kaakjes in Mels’ rugzak moeten zitten als reservevoedsel, maar die kunnen we niet meer vinden…  Als dank voor het mooie verblijf schrijven we in het gastenboek.

Zo’n 5–6 kilometer voor tempel 29 springt er een jonge vrouw uit wat armzalige gebouwtjes. Het is de verslaggeefster van de NHK weer, die we gisteren ook al zagen. Ze is bij de volgende gratis henro-overnachtingsplaats aanbeland. Mels plaagt haar: ‘Heb je er zelf al ingeslapen?’ ‘Nou, nee…’ Maar ze heeft wel een nieuwe tip: ‘Morgen is het de sterfdag van Kukai. Dan zullen jullie worden bedolven onder de osettai!’ Een leuk vooruitzicht!

Enkele kilometers later zien we een restaurantje. Voorgaande jaren hadden we dat ook gezien, maar konden toen nooit de ingang vinden… Nu wel. We drinken er koffie. Er is ook wel udonsoep, maar mijn darmen raken daar nogal eens van overstuur, aangezien dergelijke restaurantjes meestal niet erg hygiënisch zijn. Koffie kan minder kwaad… We trekken onze schoenen uit om onze voeten even wat vrijheid te geven, ze doen erg veel pijn.

Op het terrein van tempel 29 staan vele, grote treurkersen en 2 jaar geleden waren er hele watervallen van rose bloemen te bewonderen. Maar zowel vorig jaar als deze keer zit alles nog in de knop. Alleen een veldje judaspenning bloeit overvloedig. Bij tempel 29 zien we het echtpaar met de beren terug. Mels en ik poseren met de grootste beer voor een foto. Dan nemen we al zwaaiend afscheid. We lopen al lang en breed weer tussen de sawa’s als we achter ons iemand horen hollen en hijgen. De kleinste beer – vastgehouden door de man – overhandigt ons een visitekaartje. In de verte staan de grootste beer en de vrouw te zwaaien. We nemen nog eens hartelijk afscheid. Henroberen zijn nieuw voor ons; het is nog even wennen, maar wel leuk…

De tocht gaat verder, over kleine paadjes tussen sawa’s door, over smalle weggetjes langs kassen, over vele, lange bruggen… Op enkele natte sawa’s zijn boeren aan het ploegen. Boven een rivier vliegt een vlucht aalscholvers. Ik krijg steeds meer last van mijn voeten en knieën. En van mijn rechterenkel, ondanks de elastische tape die ik er sinds een paar dagen op heb geplakt. Het laatste deel van de tocht is moeizaam en dan komt er ook nog een huchtje… We zijn bijna bovenaan als er een auto stopt; het raam gaat open en ik krijg een paar piepkleine, gehaakte sandaaltjes aangereikt. ‘You need this’, zegt de man. Het zijn sandaaltjes die pelgrims vastbinden aan tempelpoorten in de hoop dat het hen vrijwaart van voetenpijn. Even na 5 uur zijn we dan toch bij onze overnachtingsplaats. Bij het inschrijven in het restaurant even verderop in de straat laat onze gastheer herhaaldelijk ‘yakimono’ vallen: gebakken waren. Mels vermoedt dat we het avondeten elders moeten halen, maar als we bij het appartementencomplex komen waar we zullen slapen, blijkt dat met yakimono keramiek werd bedoeld. Onze gastheer herinnerde zich van vorig jaar dat wij potters zijn. En… we delen deze keer ons appartement met meneer Hagiwara, potter uit… Mashiko! Hij is niet een van de aan de tentoonstelling in Nederland deelnemende keramisten. Daar zit ook een Hagiwara tussen, maar eentje die geboren is in 1974. En degene die hier zit moet minstens 90 zijn… Het blijkt een nogal dwingend baasje te zijn. Mels moet en zal meteen in bad. Mels geeft uiteindelijk toe, maar begint wat opstandig ‘De haren drijven je tegemoet zodra…’ te zingen. Ondertussen komt meneer Hagiwara (in pyjama!) voortdurend even langs, terwijl ik in de keuken op een bank zit te typen. Rochelend… kuchend… boerend… Ik suggereer dat Mels nog een tweede keer even in bad gaat en dan doet alsof ik dat ben, want er zit niet eens een deur voor… Maar daar heeft Mels deze keer geen zin in en als meneer Hagiwara weer langskomt om nu mij te sommeren in bad te gaan, vertelt Mels hem dat ik nu niet in bad ga, maar morgenvroeg een douche neem. Verbouwereerd druipt hij af naar zijn kamer.

Bij het avondeten in het restaurant neemt meneer Hagiwara 2 frisdrankglazen met sake en na de maaltijd is hij duidelijk aangeschoten. Hij is hardhorend en ook nogal moeilijk te verstaan, maar uit de uiterst moeizame conversatie blijkt dat hij geen familie is van de Hagiwara die meedoet aan de expositie. Zijn voornaam is Toshio en hij is 78 jaar oud. Hij gaat vroeg op bed; wij gaan nog even internetten met het kabeltje in de eetzaal. Onze gastheer vraagt of wij al klaar zijn met de ofuro: zou meneer Hagiwara hebben geklaagd over mij? Wij knikken zo overtuigend mogelijk ‘ja’. Een tijdje later komen 2 vrouwen ons bedanken dat ze ons bad hebben mogen gebruiken… Onze gastheer doet even na 8 uur de gordijnen dicht en ook steeds meer lichten uit. We begrijpen de hint en vertrekken naar het appartementencomplex. En zo staan we om 10 over 8 in een steenkoude kamer van minder dan 2,5 x 3 meter en zonder enig meubilair elkaar aan te kijken… Mels gaat maar weer op de futon en valt meteen in slaap; ik zit nog lange tijd – met jas aan en met de rug tegen het beddengoed – te typen… ‘Het blijft kamperen’, zegt Mels voor de zoveelste keer… Aan de andere zijde van de dunne schuifwant klinkt afwisselend luid gesnurk, gebrom, gemompel en soms een schreeuw. Dat wordt een onrustige nacht…

Geplande afstand: 26,0 km, 150 m stijging
Werkelijke afstand: 28,5 km, totale stijging 734 m, totale daling 708 m
Cumulatief afgelegde afstand: 406,2 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.00– ca. 17.05 uur
Looptijd: 5,48 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: tempel 28 en 29
Blaren: 0!
Overnachting: Rainbow Hokusei (kamer 6 tatami’s groot, gedeelde keuken met zitbank, kaptafel, bureautje, kantoorstoel, koelkast, tv en wasmeubel / badkamer / wc, internet via kabeltje in eetzaal, redelijk avondeten, redelijk ontbijt)

 

Dag 23: maandag 19 maart 2012: Mels is er weer!

Bij het ontbijt nemen we voorlopig afscheid van Kyoko en Hiroshi. Ze moeten vandaag eerst nog de berg op naar tempel 27, voordat ze – net als wij – verder westwaarts langs de zuidkust trekken. Het is zonnig en fris als we om 20 over 7 vertrekken voor eenzelfde dagtraject als vorig jaar. Mels voelt zich vandaag een stuk beter en ook het zonnige weer maakt het lopen een stuk makkelijker. Mels pakt meteen zijn Japanse lessen aan mij weer op: regelmatig staan we even stil bij een reclamebord om de Japanse karakers te ontcijferen.

Via het parallelweggetje waar de ryokan aan ligt, komen we weer op route 55. Het is erg druk op de 2-baans weg. We lopen een beetje daas naast al het voorbijrazende verkeer en concentreren ons op de hobbelige stoep of de ongelijk liggende platen die de goot bedekken. Vaak is er een sterke (en koude) tegenwind. Al na 5 kilometer leggen we aan bij een restaurantje waar we vorig jaar ook zijn geweest. Uit het raam zijn talloze vissersbootjes te zien die met grote hengels vlakbij de rotsige kust vissen. De gastvrouw herkent ons en komt met de ene osettai na de andere: een zak chips, een buntan en later nog een doos dure chocolaatjes. Ook een vrouw aan het tafeltje naast ons komt met een vreemdgevormde oranje citrusvrucht. We hebben grote lol met elkaar en vooral de gastvrouw klapt regelmatig dubbel van het lachen. Mels’ Japans is een groot succes. Als we vertrekken moeten we eerst nog even bij de ingang van het restaurant op de foto. Tot weerziens!

Kort daarna kunnen we van route 55 afwijken, door over een vele kilometerslange zeewering te lopen. De zee is bijna spiegelglad vandaag, zo kalm. Er wordt voor en aan de kust druk gewerkt om de zeewerken te verstevigen. Op pontons in zee liggen grote betonnen blokken die door een kraan op hun plaats worden gebracht. Dai vertelde ons in Green House Juen dat de zuidelijke helft van Shikoku de gevaarlijkste kust van heel Japan is wat betreft tsunami’s… Aan landzijde is een boer bezig een natte sawa om te ploegen, de eerste die we zien dit jaar. Nu we de drukte van route 55 kwijt zijn, horen we ook weer de kikkers kwaken. En we zien de eerste vlinders: koolwitjes. Het wordt steeds warmer en ik trek maar eens mijn jas uit. We komen een echtpaar tegen dat aan de wandel is en ons aanspreekt. Hij probeert ons ervan te overtuigen dat de hartsoetra en de shingonsekte een mens niet blij maken: allemaal veel te zwaar. De nichirensekte – een van de andere sektes van het boeddhisme – is een stuk lichter, betoogt hij. ‘Makes you happy.’ Mels zegt: ‘Happiness is in your heart.’ Met handenschudden en zwaaien nemen we na een tijdje afscheid.

Als we bij de haven van Aki – een van de kleinere steden aan de zuidkust – van de zeewering af moeten, lopen we verder door kleine straatjes tot we bang worden dat we ons favoriete sushi-restaurant missen op deze manier. Daarom keren we kort terug naar route 55 en na enkele kilometers zien we tot onze vreugde het uithangbord: SUSHI! Het is pas half 11… Maar een vroege lunch is ook nooit weg – met het schrale ontbijt van vanochtend heb ik alweer honger en Mels eet al wekenlang nauwelijks – en dus leggen we aan. We gaan weer in het kleine zithoekje zitten en bestellen een aardige mix aan sushi. Als alles op is, dommelen we zachtjes weg in het zonnetje achter het glas… De juffrouwen van de sushi hebben het wel door, maar laten ons maar gaan. Later, veel later, worden we met een brede grijns uitgelaten. Tot weerziens!

Korte tijd later vinden we het eerste bordje met ‘fietspad’: een riant asfaltpad dat afwisselend vlak voor of vlak achter de zeewering loopt. We lopen lange tijd ‘aan de achterkant’ van de bebouwing, langs kleine groentetuintjes en later vooral langs opgestapelde rotzooi. Enkele keren moeten we van het fietspad af vanwege werkzaamheden – en zo rusten we nog eenmaal bij een koffierestaurant langs route 55, waar Mels alweer in slaap valt… – maar dankzij enkele aardige vlaggenmansen worden we weer teruggeleid naar het fietspad. Lange tijd loopt het pad voor de betonnen zeewering langs door een fraai dennenbos. Het strand bestaat uit zwarte, heel fijne steenslag. Vissers zijn bezig met wagentjes een enorm net binnen te halen. Buizerds zwermen in grote aantallen hoog in de lucht. Langs het pad is hier en daar een groepje lage schijfcactussen, soms gemengd met klaverzuring met grote witte bloemen.

Enkele kilometers voor onze overnachtingsplaats komen we langs een REST AREA, zoals op bordjes is aangegeven. Het blijken kleine units te zijn voor loophenro’s. Gratis overnachtingsplaatsen. Een oude, tamelijk tandeloze man en een jonge vrouw komen uit een van de units. Zij blijkt een verslaggeefster te zijn, ook al van NHK, de nationale televisie. Ze maakt een reportage over gratis c.q. goedkope overnachtingplaatsen voor henro’s: henro zenkonyado. Maar er zijn geen camera’s en ze heeft ook weinig vragen. We krijgen wel diverse goedkope adresjes getipt. De man biedt ook aan mijn bamboestaf in te ruilen voor een grotere die netjes is gelakt en in een rubber dopje eindigt, maar ja, een mens hecht zich nu eenmaal… en bovendien vind ik de mijne mooier…

Korte tijd later voegt het fietspad zich weer bij route 55 en dan kunnen we – na nog een kilometer – afslaan naar het kustplaatsje waar onze overnachtingsplaats zich bevindt. Al om half 5 arriveren we bij de ryokan. We krijgen de mooiste kamer: de ruimte die voorgaande jaren als eetzaal werd gebruikt en een fantastisch uitzicht heeft op het kleine havenhoofdje met lichtbaken. Er zitten 2 vissers te hengelen. Achter het haventje strekt zich de oneindige oceaan uit. Het uitzicht is hier minder sensationeel dan we later zullen meemaken vanuit hotels die hoog gelegen zijn, maar het is wel het meest intieme uitzicht en het meest rustgevende. We kunnen er eindeloos naar kijken…

Bij aankomst in een ryokan of hotel heeft zich de afgelopen weken over het algemeen eenzelfde tafereel ontvouwd: ik maak zo snel mogelijk een futon op, Mels valt er voor dood op neer en ik begin aan het dagboek te schrijven, slechts onderbroken voor ofuro en avondeten. Maar vanavond komt Mels voor het eerst niet totaal uitgeput aan. Integendeel. Voor het eerst tijdens deze reis is hij er weer helemaal! En nu we relatief vroeg zijn aangekomen, zitten we lang op de speciaal voor ons neergezette lage stoeltjes en genieten van de groene thee met cake, kijkend naar de zee.

Bij het avondeten zijn er slechts 2 andere (ons onbekende) gasten. We verbazen ons erover: de meeste henro’s van de vorige avond hadden hier erg graag willen overnachten, maar hen werd verteld dat de ryokan al vol zat. Daardoor moesten zij langer doorlopen tot een volgende ryokan. Wij werden niet geweigerd en de gastvrouw is duidelijk blij dat wij er weer zijn. Dat is een verademing na de vele moeizame reserveringen die wij de afgelopen jaren hadden!

Geplande afstand: 21,0 (eh nee, misschien toch 23,6) km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 26,5 km, totale stijging 635 m, totale daling 634 m
Cumulatief afgelegde afstand: 377,7 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.22– ca. 16.30 uur
Looptijd: 5,24 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 0!
Overnachting: Sumiyoshi Sou (L-vormige kamer 10 tatami’s groot, uitzicht over haventje met lichtbaken en de héle oceaan(!), tafeltje en 2 lage stoeltjes, uitstekend avondeten, goed ontbijt)

Dag 22: zondag 18 maart 2012: We have rumour

De nacht breng ik grotendeels wakend door; wakker gehouden door de pijn in mijn voeten en de voortdurende zweetaanvallen. Het is nog steeds warm en klam, maar ook zijn de Japanse dekbedden weinig doorluchtig. ’s Ochtends, bij het ontbijt in het restaurant van de onsen, kijk ik naar de gestaag vallende regen. Weer een grijze dag. Onder de lange brug aan de brede riviermonding staat een oranje tentje op een grasheuveltje. Naast ons zit een gezin met een piepjonge baby. Wij mogen even kijken. Als ze weg zijn, huilt Mels. Een mens neemt zichzelf en zijn problemen mee, hoever hij ook reist…

Tegen half 10 vertrekken we voor eenzelfde dagprogramma als vorig jaar: zo’n 5,5 kilometer verder naar het westen langs route 55 (of via parallelweggetjes), naar de ryokan waar we zullen overnachten. Daar zullen we het grootste deel van de bagage achterlaten om dan de berg te beklimmen waarop de volgende tempel staat. We zijn weer stevig ingepakt: de afsluitbare zakjes zijn prima bevallen gisteren, de zweterige regenpakken minder, maar daar hebben we helaas geen alternatief voor. Het is gelukkig niet zo warm klam vandaag, eerder koud klam… Het zweten is er nauwelijks minder om…

Ik houd nogmaals een pleidooi voor meer pauzes; die hebben we dit jaar minder gehouden dan vorig jaar en ik denk dat ik daardoor meer last van mijn voeten heb en ook behoorlijk afgepeigerd ben aan het eind van elke dag (nou, eigenlijk al halverwege…) Het helpt, al minder dan een uur later drinken we koffie in een restaurantje. Daarna is het niet lang meer naar de ryokan. Plotseling is er toch nog wat oponthoud: een lange, lage brug over een brede riviermonding is verdwenen. Ik had wel een bord gezien, maar had niet door dat dat hierover ging. We proberen eerst via een zeewering op de grote en hoger gelegen brug van route 55 te komen, maar dat lukt niet. Dus moeten we een halve kilometer teruglopen om via een zijstraat weer op route 55 uit te komen.

Even na 11 uur arriveren we bij de ryokan; de gastheer geeft ons trots de kamer waar in 2006 de Japanse premier Naoto Kan heeft geslapen – wel, ex-premier inmiddels, gestruikeld over de lekkende kerncentrale. (Ik neem aan dat inmiddels toch wel eens de lakens zijn verschoond?) We laten we de bagage achter en lopen dan de berg op. Het houdt eindelijk op met regenen. Overal stijgen grote dampwolken vanuit de dichtbeboste berghellingen. Af en toe zingt er een nachtegaal en ook de ik-weet-niet-hoe-ik-moet-stoppen vogel is er weer. Op het smalle weggetje is slechts weinig autoverkeer; af en toe wat loophenro’s die afdalen en een enkele keer een fietshenro. De bergpaadjes die hier en daar de haarspeldbochten in de weg afsnijden, laten we voor wat ze zijn, te link met dit natte weer. Mels heeft het moeilijk vandaag, maar naarmate we hoger komen, ben ik degene die telkens even achter blijft om mijn temperatuur weer wat te laten zakken. Af en toe laat ik de regen – die toch weer lichtjes is gaan vallen – over mijn gezicht stromen. Ik vraag me af waarom ik vanmorgen schone, droge kleren heb aangetrokken. De wind is te koud om onderweg te rusten of te eten, maar bij het restaurantje bij de parkeerplaats vlak onder het tempelcomplex nemen we enkele ijsjes (Mels 1, ik 2) en daar kunnen we weer wat opdrogen (binnen en buiten de pakken…) We hebben geen van beiden zin in de onigiri die we van de onsen hebben meegekregen. De kleine vogelkooitjes met rijstvogeltjes, die bij betere weersomstandigheden buiten hangen, staan nu op een rijtje bij de keuken, met kranten beschermd tegen de tocht.

Tempel 27 is een van de fraaist gelegen tempelcomplexen, in verschillende etages langs een berghelling. Een fraaie tuin omgeeft de vele trappen tussen de verschillende tempelgebouwen; een fotogenieke plek die in verschillende reisgidsen is terug te vinden. Helaas is er nu een grote kraan bezig. We zien de overgebleven stronken van 4 à 5 eeuwenoude woudreuzen die zijn omgezaagd. De laatste resten worden net opgeruimd. Jammer, jammer, jammer… Bovendien kunnen we een deel van de rituelen nu niet uitvoeren: handen wassen, de bel luiden en – speciaal bij deze tempel – wat drinken van de genezende bron. Via een smal weggetje zijn toch de hoger gelegen tempelgebouwen te bereiken. We voeren de rituelen uit en zo’n 50–100 meter lager drink ik toch nog wat van hetzelfde genezende water, nu bij een andere bron. We dalen weer verder af naar de laagvlakte aan zee, waar onze ryokan zich bevindt tussen talloze kassen die – zoals overal op Shikoku – niet bestaan uit glas maar uit met doorzichtig plastic omwikkelde metalen karkassen. Als we bijna beneden zijn, klinkt er uit luidsprekers aan hoge palen een liedje. Het is 3 uur. Ik onderbreek er even mijn geneurie over De Postkoets voor. Na het liedje komt er nog een mededeling en dan – tot onze verrassing – De Ochtengymnastiek! Mels zakt meteen fanatiek door de knieën, tot grote hilariteit van een henro-echtpaar dat net omhoog komt lopen.

Bij binnenkomst is er een henro die wat Engels spreekt: ‘Ah, de Hollandse potters die voor de derde keer lopen! You have rumour!’ Op weg naar de ofuro loop ik langs een kamer waar net een echtpaar is aangekomen. Tot (grote!) wederzijdse verrassing blijken dat Kyoko en Hiroshi uit Hokkaido te zijn! We hebben vorig jaar samen gelopen op 11 maart en we namen afscheid vlak voor de aardbeving plaatsvond. We maakten ons ernstig zorgen over hen, maar konden geen contact krijgen. Het blijkt dat zij hetzelfde hadden geprobeerd, tevergeefs. Zij waren vorig jaar hogerop gevlucht in verband met een mogelijke tsunami en hadden ons willen waarschuwen. Pas 3 dagen later was het hen gelukt naar Hokkaido terug te reizen, eerst met een bus naar Tokyo, later met het vliegtuig naar Hokkaido. De regio waar ze wonen, was gelukkig niet getroffen door de aardbeving of de tsunami. Ze waren vorig jaar al van plan de pelgrimstocht in 4 delen te lopen, zoals veel Japanners doen: elk jaar een volgend traject dat samenvalt met een van de 4 provincies van het eiland. En ze hadden gehoopt ons dit jaar terug te zien (wij hen ook!), daarom hadden ze het tweede deel van hun route qua vertrekpunt en datum precies aan laten sluiten op hun schema van vorig jaar. Wij hadden exact hetzelfde gedaan, maar… doordat wij al in februari startten, kregen wij door het schrikkeljaar een extra dag erbij… Ze hadden overal geïnformeerd of er Nederlanders voorbij waren gekomen en toen ze viavia hoorden dat we in hotel White Beach hadden geslapen, hadden ze extra snel gelopen om ons alsnog in te halen!

Bij het avondeten lijkt het wel een reünie: niet alleen Kyoko en Hiroshi zijn er, maar ook een andere man die we vorig jaar in onsen Sakamoto zagen, de avond dat we Kyoko en Hiroshi voor het eerst ontmoetten. En ja, de enorme hoeveelheid sake die avond herinnert iederéén zich nog… Kyoko vertelt dat de man voor de vierde keer de pelgrimstocht loopt en dat zijn kanker bijna helemaal verdwenen is daardoor. Wij kunnen eenzelfde verhaal vertellen… Shikoku byoin!

Geplande afstand: 12,5 km, totale stijging 450 m
Werkelijke afstand: 15,8 km, hoogste punt 441 m, totale stijging 655 m, max. helling 23%,
totale daling 640 m
Cumulatief afgelegde afstand: 351,2 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 9.24– ca. 16.30 uur
Looptijd: 3,33 uur
Gemiddelde snelheid: 4,4 km/u
Bezochte tempels: tempel 27
Blaren: 0!
Overnachting: Hamayoshi Ya (kamer 10 tatami’s groot, kastenwand, tokonoma, tafeltje, ventilator, prima avondeten, uiterst schraal ontbijt)

Dag 21: zaterdag 17 maart 2012: Zakjesdag

Al voor we om half 6 op moeten, dringt het tot ons door: het giet en giert. Geen aanlokkelijk vooruitzicht. Na de tempeldienst en het ontbijt blijven we dan ook nog lange tijd wat op de kamer hangen. Maar het weer is niet van plan op te klaren; integendeel, de wereld wordt steeds grijzer en kleiner, alsof we middenin de wolken zitten. Mels leest een van de vele boeken die hij op de i-phone heeft gezet: The history of the Japanese people, in 1912 geschreven door Frank Brinkley, een Engelse kapitein, ondersteund door Dairoku Kikuchi, een Japanse baron, 3800 pagina’s (i-phone formaat). Af en toe leest hij eruit voor. Mijn boek zit helaas in de koffer die ik elke 10–12 dagen weer zie en dat schiet niet op: een serie van 4 boeken, elk zo’n 800 pagina’s, minstens 5 verhaallijnen… en ik lees 10–20 bladzijden per 10–12 dagen…

Plotseling, om 10 over 8, zijn we uit de wolken. In de verte zien we (vaag) beboste berghellingen, Muroto en de zee die hier en daar witschuimt. ‘Even nog’, zegt Mels, die hoopt op zon. Maar dan stort de regen zich met hernieuwde kracht naar beneden. Het heeft geen zin nog langer te wachten, we stoppen kwetsbare spullen in afsluitbare plastic zakjes en alles gaat zoveel mogelijk in de rugzakken, hopend dat we deze keer beter voorbereid zijn; de regenponcho’s zitten nog steeds in de koffers. Van de gastvrouw krijgen we weer elk een kompasje aan een sleutelhanger, lijkend op een oogbal op sterk water. En even na 9 uur lopen we naar de naast het gastenverblijf gelegen tempel en voeren daar in de stromende regen de rituelen uit. Daarna dalen we de berg aan de westkant af, eerst via een weggetje, dan via een paadje dat we regelmatig moeten delen met een voorbijkomend stroompje. De rotsige bodem is spekglad door de regen en het is een moeizame afdaling. De binnenkant van de regenpakken is al gauw even nat van het zweet als de buitenkant van de regen. Eenmaal beneden, volgen we weer route 55, deze keer langs de zuidkust, steeds verder naar het westen, dezelfde route als vorig jaar. De temperatuur is relatief hoog, evenals de luchtvochtigheid en het zweet blijft onverminderd gutsen. Links van ons storten zich hoge golven op de rotsen onder ons, rechts van ons is de 2-baans weg waar auto’s en vrachtwagens met een lange sissssssss voorbij jagen, ons af en toe nog natter achterlatend. Op de berghellingen zijn overal struiken met gele en witte zakjes om de beginnende vruchtjes. Hele legers kikkers brullen, raspen en ratelen. Feestje vandaag… Af en toe hoor ik achter mij wat gerochel. Blijkbaar is Mels er ook nog steeds… Met de capuchons op is het moeilijk achterom kijken…

Een paar maal wijken we van route 55 af om enkele dorpen met fraaie oude, witgepleisterde huizen te doorkruisen. Eenmaal komt de regen zo erg met bakken tegelijk naar beneden, dat we even schuilen onder het afdak van een houtfabriek. Maar… om een uur of 11 wordt het – eindelijk! – droog. Tegen 12 uur komen we langs een restaurant waar we aanleggen voor koffie en lunch. We komen er een loophenro-echtpaar tegen dat we 2 dagen geleden zagen in minshuku Tokumasu. We blijven een uurtje hangen en trekken dan verder. Een henro die in tegengestelde richting loopt, biedt ons enkele chocolaatjes aan. Dat smaakt naar meer en in een supermarkt kopen we nog een zakje. Even later is er een jongetje met een vergrootglas met een lampje. Hij inspecteert Mels’ pelgrimsstaf en concludeert dat die echt is. We geven hem een chocolaatje. ‘Good bye!’, roept hij.

En – ohja… – dan is er toch nog weer een huchtje… Het routeboekje zit diep onderin Mels’ rugzak; we hebben het tijdens deze derde tocht nauwelijks ingekeken, omdat we de weg bijna uit ons hoofd kennen. Maar we kunnen kiezen: extra kilometers lopen om een ver uitstekende kaap te ronden of deze dwars over de heuvelrug te nemen. We kiezen voor het laatste. Afwisselend via een weggetje en wat paadjes stijgen we langzaam omhoog, begeleid door apengekrijs links en rechts en af en toe het wat zoeter gevooisde gezang van een nachtegaal. Kleine krabbetjes steken het pad over. Nu worden de zweetsluizen pas echt opengezet. Ik moet af en toe even het zweet uit mijn ogen wissen, anders zie ik niets meer. Op en neer gaat het pad – met mooie vergezichten en vaak heel idyllisch, een tijdlang zelfs omzoomd met bloeiende maartse viooltjes en afgevallen dieprode cameliabloemen – tot we aan de andere kant van de bergrug weer afdalen, deze keer langs een pad dat deels is geplaveid met natuurstenen. We hebben er een hekel aan, want ze zijn spekglad na een regenbui. Maar we komen weer heelhuids beneden en vervolgen dan onze tocht langs route 55. Het begint weer lichtjes te druppelen, maar daar blijft het bij. Uit de omringende bossen en ook uit de zee stijgen dichte dampen op. De wereld is nog steeds grijs. Af en toe staan we stil om naar de imposante golven te kijken die zich witschuimend op de rotsen storten. En ook om even stoom af te blazen…

Tegen 4 uur lopen we Nahari binnen waar ons hotel zich bevindt, wederom een langgerekt stadje ingeklemd tussen bergen en zee. En om half 5 zijn we eindelijk bij het hotel, doodmoe en we beginnen meteen met een biertje op de kamer om even het vocht weer aan te vullen… In het restaurant vinden we hetzelfde echtpaar terug dat we met de lunch zagen. Ze komen uit Nagasaki en als we in mei daar naartoe gaan, willen ze ons graag rondleiden! We bestellen sashimi en krijgen tot onze – aangename! – verrassing sushi, iets wat we nooit krijgen bij de herbergen en hotels waar een vast menu is. ‘Sushi! Dat mis ik nou in Japan!’, roep ik. Mijn verkoudheid is nagenoeg verdwenen, blijkbaar eruit gezweten!

Geplande afstand: 21,0 km, totale stijging 110 m
Werkelijke afstand: 22,9 km, totale stijging 523 m, max. helling 18%, totale daling 637 m,
max. helling 35%
Cumulatief afgelegde afstand: 335,4 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.49– ca. 16.30 uur
Looptijd: 4,29 uur
Gemiddelde snelheid: 5,1 km/u
Bezochte tempels: tempel 26
Blaren: 0!
Overnachting: onsen Ni Ju San Shi (kamer 7,5 tatami’s groot, kastenwand, tokonoma, tafeltje, grondstoeltjes, tv, kluis, hal met badmeubel, wc, uitstekend avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 20: vrijdag 16 maart 2012: De hand van Anthony

Nog terwijl we op de futons liggen, horen we nachtegalen zingen. Ik sta op met hoofdpijn en een verkoudheid – misschien door het tochtige raam boven mijn futon? Mels voelt zich daarentegen een stuk beter door de antibiotica. Oma is al druk bezig met de kamers als we na het ontbijt onze spullen bij elkaar pakken. We geven haar de grote doos lekkernijen – geen idee wat erin zit… Even na 8 uur worden we hartelijk uitgezwaaid door moeder en grootmoeder en we zetten er meteen stevig de pas in. Gisteren dacht ik aan het eind van de dag dat ik niet in staat zou zijn vandaag ook nog maar 1 stap te verzetten, en vandaag gaan we weer fluitend op pad… We hebben hetzelfde dagtraject gepland als vorig jaar: zo’n 14–15 kilometer langs route 55, het laatste traject dat we zullen lopen langs de oostkust, dan een stukje berg op naar tempel 24, aan de andere kant er weer af, 6,5 kilometer langs de zuidkust naar tempel 25 en dan nog 4 kilometer en weer een bergje op naar tempel 26 waar we zullen overnachten. Een zwaar programma… En het is een stuk kouder dan gisteren, de zon priemt slechts zwakjes door de sluierbewolking.

In een gehucht stappen we binnen bij een postkantoor om geld te pinnen. In het kleine halletje probeer ik in de juiste afwisseling mijn lekkende neus te snuiten en de juiste handelingen te verrichten voor het verkrijgen van geld, onder het toeziend oog van enkele bewakingscamera’s. Als we via het postkantoor weer het pand willen verlaten, schieten 2 knipmessende jongedames in uniform naar voren en breedgrijnzend bieden ze ons elk 2 pakjes zakdoekjes aan. En ik dacht nog wel dat er niemand naar die bewakingscamera’s zat te kijken… ‘De hand van Anthony’, zegt Mels, een gevleugelde uitdrukking tussen ons.*

Langs dit laatste traject dat we langs de oostkust zullen lopen, is veel meer bebouwing aanwezig. Veel tuinen etaleren al een zee aan bloeiende struiken en planten: camelia’s, een enkele mimosa en chaenomeles, narcissen, lenteklokjes, groen- en roodbladige klaverzuring, geraniums, vele kleuren viooltjes en af en toe rozen. En er zijn sawa’s, steeds vaker al weer onder water gezet: het ploeg- en plantseizoen voor de rijstteelt begint weer. Overal zijn grote aantallen kikkers aan het kwaken. Kort voor we ons ochtendprogramma hebben afgerond, horen we een tijdlang ijzingwekkend gekrijs uit de bossen achter de bebouwing. Gevechten tussen apenfamilies? Buizerds cirkelen geïnteresseerd boven de bomen.

Om 20 over 11 komen we aan bij de meest zuidelijke kaap aan de oostkust, die ver naar het zuiden uitsteekt. We nemen een vroege en zeer uitgebreide lunch in een restaurant aan de voet van de berg die we op moeten voor een bezoek aan tempel 24. Pas anderhalf uur later hebben we genoeg moed verzameld voor het middagprogramma, want eigenlijk zijn we na 14 kilometer – zonder onderweg ergens te rusten – al erg moe… We lopen langs het enorme witte beeld van Kukai dat hier uitstaart over de oceaan en bezoeken eerst weer de 2 grotten waar Kukai verlichting vond. Grote agave’s escorteren de ingang. Daarna nemen we het bergpaadje en komen al snel voorbij een andere grot, waar in het verleden vrouwen altijd naartoe gingen omdat het ze verboden was hoger de berg op te gaan. Grote lotusplanten omzomen deze grot en een tijdlang ook het paadje. Het is geen moeilijk pad: de treden liggen ver uit elkaar en zijn ook niet zo hoog. Dat maakt het voor ons een stuk makkelijker. Al snel komen we aan bij het fraaie tempelcomplex en na het uitvoeren van de rituelen en het nemen van nog wat foto’s, dalen we de berg aan de andere kant weer af, via een weg vol haarspeldbochten die ver uit de berg steken. We hebben een magnifiek uitzicht over Muroto, een kleine stad die zich aan de zuidkust van Shikoku uitstrekt op de smalle strook laagvlakte tussen de hoge bergen en de oceaan. Als we bijna beneden zijn, vallen de eerste druppels van de voor vanavond voorspelde regen, maar erger wordt het gelukkig niet.

Het doorkruisen van Muroto valt ons elk jaar opnieuw tegen. Na de afdaling is er een lange weg door de laagvlakte voor we Muroto hebben bereikt. Dan zijn er wat kleine straatjes en komen we aan bij een haventje. De volgende tempel die we willen bezoeken ligt aan een dergelijk haventje. Maar na het eerste haventje volgt er nog een eindeloze 2-baans weg, dan weer kleine straatjes en een volgend haventje, wat langer uitgestrekt dan het vorige. Weer volgt er een 2-baans weg, kleine straatjes en dan is er eindelijk het haventje waar we moeten zijn. De tijd gaat dringen – het is inmiddels al kwart voor 4 – en we rusten slechts kort op het bankje bij het stempelkantoor, bestijgen dan de vele trappen naar de hoofdtempel, voeren de rituelen uit en dalen weer snel af. Bij de supermarkt op de hoek nemen we een aisu kurimu (icecream) (goede voornemens???) en eten het al lopend op. Na enkele kilometers bereiken we de westkant van Muroto, komen langs het ziekenhuis waar ik 2 jaar geleden mijn ontstoken blaren heb laten behandelen, en na nog wat weggetjes tussen wat sawa’s door komen we eindelijk aan de voet van de laatste berg die we op moeten. We ploeteren naar boven, ik zweet verschrikkelijk, maar vooral Mels heeft het moeilijk. Het pad is rotsig en erg ongelijkmatig. De vergezichten zijn evenwel schitterend: in de diepte ligt Muroto uitgestrekt tussen bergen en oceaan. De holle weg wordt omgeven door kronkelige bomen, een sprookjesachtige sfeer, versterkt door de vallende schemering. Bij het tempelcomplex zijn er nog vele trappen te bestijgen, maar om even voor half 6 zijn we dan eindelijk bij het gastenverblijf. We kunnen gelijk aanschuiven aan de overvloedig gedekte tafel met loophenro’s. Bier!

Geplande afstand: 26,0 km, toppen: 1e top 100–150 m, 2e top 100–150 m
Werkelijke afstand: 27,2 km, toppen: 1e top 161 m, 2e top 148 m, totale stijging 707 m, max. helling 14%, totale daling 556 m
Cumulatief afgelegde afstand: 312,5 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.05–17.25 uur
Looptijd: 5,29 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u
Bezochte tempels: tempel 24 en 25
Blaren: 0!
Overnachting: gastenverblijf tempel 26 (Kongōchōji) (kamer 10 tatami’s groot, kastenwand, tokonoma, tafeltje, tv, binnenveranda met 2 zachte fauteuiltjes, tafeltje en schitterend uitzicht over baai met Muroto, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt)

*Als Anthony, de Engelse buurman in Montpalach en oud-piloot, jaren geleden eens in Japan is, probeert hij – met een net gekochte, hete hamburger in de hand – treinkaartjes te kopen bij een ticketautomaat. Om zijn handen vrij te hebben, legt hij de hamburger even neer. Maar het kopen van een kaartje is niet zo makkelijk als alles in het Japans is en na nogal wat gestuntel gaat er plotseling een luikje open en verschijnt een hand met 2 kaartjes erin. Verbouwereerd neemt Anthony de kaartjes aan en loopt weg. Dan gaat er een deurtje open en komt een man naar buiten die met veel misbaar de hamburger pakt en hem achterna rent.

Dag 19: donderdag 15 maart 2012: Zwei Flimmerheini’s im Orangenland

Mels begint aan een antibioticakuur die ik heb meegenomen uit Nederland. Misschien dat dát helpt tegen het hoesten. Hij haalt zijn wollen ondergoed en sjaal weer uit de koffer (de koffers worden weer doorgestuurd) en flink ingepakt tegen de kou stappen we om 10 uit de voordeur van het hotel. Het blijkt zonnig en redelijk warm te zijn; de wind is gaan liggen… We volgen vandaag dezelfde route als vorig jaar, verder naar het zuiden, bijna de hele dag langs route 55 die hier grotendeels vlak langs de zee loopt. Regelmatig ontbreken stoep of overdekte goot en moeten we op de witte streep lopen, wat hachelijke momenten oplevert in tunnels en bij scherpe bochten. Het is druk op de weg – veel tankwagens en ook ander vrachtverkeer – en er wordt erg hard gereden.

Een tijdlang loopt de weg door vele boomgaarden die vol hangen met citrusvruchten. In gehuchtjes zijn overal uitstallingen ermee. In een open opslagplaats zitten enkele henro’s op kratjes. Wij worden er ook bij geroepen. Een bejaarde vrouw pelt de ene na de andere buntan, grote citrusvruchten met een gele schil, waarbij je elk partje ook helemaal uit moet kleden om het te kunnen eten. Ze geeft ook 2 verschillende soorten mandarijnachtige vruchten, heerlijk zoet. We blijven eten, terwijl zij maar aan het pellen is en breedlachend met iedereen een praatje houdt. We nemen afscheid met osame fuda’s en een hartelijke zwaai.

Als de weg weer verder loopt langs de zee, zien we een aangereden wasbeer, een van de zeer weinige road kill’s die we al die jaren in Japan hebben gezien. Tegen lunchtijd wijken we van route 55 af en doorkruisen een dorp. In een supermarkt kopen we wat eten en lunchen ermee op het bankje ervoor: Mels met een cakerol gevuld met crème, ik met sashimi, ijs en aardbeien (smaken verschillen…) Van de winkeleigenaar krijgen we nog een osettai: een grote doos met lekkernijen.

De hoge bergruggen eindigen met lange uitlopers in zee, ver weg ligt een rijtje van 4–6 kapen achter elkaar, de laatsten vaag in de heiige verte zichtbaar. We ronden kaap na kaap, terwijl het aantal kapen in de verte vóór ons niet vermindert. Een enkele keer – voor het ronden van een extra lange uitloper – lijkt het even of we de laatste kaap hebben bereikt, maar dan ontvouwt zich een nieuw vergezicht met weer een nieuw rijtje kapen…

Bij het ronden van een kaap is er steeds een koude wind, maar in de inhammen is het windstil en warm, erg warm zelfs. Op een huchtje houden we het niet meer uit – het zweet stroomt me van het gezicht en zelfs de buitenkant van mijn jas is helemaal nat van het zweet – en trekken we een laagje uit. In wat struikgewas liggen karkassen en huiden, mogelijk wilde zwijnen gevild door mensen; de bloederigheid doet vermoeden dat dit vrij recent is gebeurd.

’s Middags is er nauwelijks verkeer en al helemaal geen bebouwing. We lopen – uur na uur – met alleen het geluid van de branding, de pelgrimsstaf, die elke vierde stap op het asfalt neerkomt, en het soms wat naargeestige krijsen van de vele buizerds die in groepen boven ons hoofden zweven. Op rotsen vlak voor de kust zit soms een groepje aalscholvers. Het is een heerlijke dag. Ik moet denken aan het verlangen dat ik als kind al had om te reizen, dat zich soms zelfs uitte in een lichamelijke pijn. Ik reisde al met mijn ouders vanaf dat ik een half jaar oud was, maar altijd was er het verlangen naar meer, naar verder. Vele boeken over ontdekkingsreizigers verslond ik. In de loop der jaren is dat verlangen minder geworden, maar op zo’n dag als deze voel ik het onderweg zijn in de meest ultieme vorm: lopend van herberg naar herberg, dichtbij mezelf, los van alles.

Met Mels gaat het minder goed, hij sukkelt wat achteraan en ik moet regelmatig op hem wachten. ‘Overleven’, noemt hij zelf zo’n dag. In de tweede helft van de middag begin ik ook behoorlijk moe te worden. We doorkruisen nogmaals een dorp en eten een ijsje op een bankje voor een supermarkt. Maar we blijven niet lang: er is inmiddels steeds meer bewolking gekomen en de wind is hard en akelig koud geworden. De laatste kilometers lopen we opnieuw langs route 55, waar we al van verre de herberg ontwaren, een eenzaam gebouw langs de weg, voor de donkerbeboste bergketen erachter. In zee is een van de uitlopers van de bergen in verschillende rotsige delen gebroken. Ze steken als een massief karkas uit het water.

Op het terrein van de herberg wordt gebouwd aan een nieuw pand naast het bestaande. Oma is er weer en ook de (klein)zoon die in de winter lesgeeft in civiele techniek, in de zomer de minshuku runt. De kleine kamer ziet aan 2 zijden uit op de oceaan. Enkele surfers in zwarte duikpakken balanceren op de hoge golven. In de verte is er af en toe een schip. Het avondeten is weer uitzonderlijk. Uiteraard zijn er de zelfbereide blaadjes zeewier: oma (91 jaar!) verzamelt het kantfijne wier op de rotsen en maakt er matjes van die ze droogt en in stukken knipt. We eten ook bijzondere vissen: manbō, die vissen die (bij leven) eruit zien als halfafgeknipte vissen waarvan het staartgedeelte mist, en kinmetai, oftewel goudenoog, oranjegekleurde, bolronde vissen, in gekookte staat hangen hun ogen als witte knikkers aan koordjes buiten de oogkassen…

We liggen al om 8 uur op de futons.
‘Wat een herrie, hoe kan het nu zo druk zijn op de weg; vanmiddag was er zowat geen auto te bekennen. En er is ook een spoorlijn. Hoor je die trein?’
‘Dat is de branding…’
‘O.’
Dan is het stil (op het geluid van de branding na…)
Morgen weer nieuwe kapen ronden…

Geplande afstand: 24,0 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 24,9 km, totale stijging 525 m, totale daling 533 m
Cumulatief afgelegde afstand: 285,3 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 10.00–17.00 uur
Looptijd: 5,04 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 0!
Overnachting: minshuku Tokumasu (kamer 6 tatami’s groot, kastenwand, uitzicht over zee, verwarmd tafeltje, tv, krukje, (webmail via computer en/of wifi???), uitstekend avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 18: woensdag 14 maart 2012: Niets, helemaal niets…

Het uitzicht vanaf onze kamer op de vierde verdieping is geweldig, het hotel staat vlak achter het strand. Rondom de baai zijn lage heuvelruggen, die rij na rij grillig in zee eindigen. De zee kent vele kleuren blauw en spoelt witschuimend op het strand. Achter het strand staat een rij palmen en er is een klein wegstation. De lucht is blauw met hier en daar grote, witte wolken. Er is volop zon. En wij genieten van een vrije dag. Na 12–13 uur wat ‘bijgeslapen’ te hebben (we lagen gisteravond al om 7 uur te slapen…), beginnen we heerlijk uitgerust aan de dag: mailtjes en blog bijwerken, machinewas, 2 handwassen en wat verstelwerk doen, de inhoud van de rugzakken waar nodig aanvullen uit de naar het hotel gestuurde koffers, reserveringen laten maken voor de komende anderhalve week, en – uiteraard – aan KLEI werken. Ik stop – voor de zekerheid – maar een grote voorraad papieren zakdoekjes en 10 strippen paracetamol in de rugzak én een grote glazen fles met echinaforce. Liever door mijn voeten zakken dan verkouden worden… Buiten komen we slechts een klein uurtje, op zoek naar een lunchrestaurant. Bij gebrek aan alternatieven, nemen we sobasoep bij het wegstation vlakbij het hotel. Daarna haasten we ons weer naar de warmte van de hotelkamer, want het blijft erg koud…

Een mailtje van Thomas. Het blijkt dat ik bij verschillende afspraken verkeerde data heb toegestuurd. Overal zitten 3 dagen bij opgeteld. Ook bij de planning van mijn 4-wekelijkse infuus. Dat is erg vervelend. Ik moet alles weer recht zien te breien. En Thomas zullen we niet meer zien. We zitten nu te ver weg van hem en volgend jaar zit hij niet meer in Japan.

Lang zijn we bezig met de afhandeling van de Mashiko-tentoonstelling. Het museum in Nederland wil plotseling een aanzienlijk deel van de opbrengst gebruiken om de transportkosten te dekken. Dát was niet de afspraak: zelfs in hun eigen persbericht staat dat 100% van de opbrengst naar de Mashiko-potters gaat.

Geplande afstand: 0 km
Werkelijke afstand: nagenoeg 0 km
Overnachting: hotel White Beach (westerse kamer, 2×1½p-bed, zithoek, bureau, tv, koelkast, badkamer met bad/douche/wc/wasbak, hal met wasbak, hal met kast, wifi in hal+eetzaal, redelijk avondeten, matig ontbijt)

Dag 17: dinsdag 13 maart 2012: Gedistingeerd slappe koffie

Het rokerige en ook nogal tochtige gebeuren in de tempelzaal heeft ons geen goed gedaan. Vooral Mels ligt de hele nacht te hoesten. We slapen slecht en om 5 uur zijn de eerste gasten al weer op; vrouwelijke henro’s blijken even lawaaierig te zijn als mannelijke. We besluiten de aangekondigde ochtenddienst over te slaan. Om kwart voor 6 wordt er op de deur geklopt: ontbijt over 3 kwartier, maar we kunnen rustig aan doen. Een kleine 10 minuten later is er de Engelssprekende non: 1000 excuses, maar of we toch op willen staan, ontbijt om half 7, we kunnen rustig aan doen… Op weg naar de eetzaal staat de cameraman in de hal op ons te wachten. Interview na het ontbijt. Prima. Uiteindelijk is het de bedoeling dat ze ons filmen terwijl we vertrekken. De hele ploeg staat bij de deur terwijl wij ons in onze schoenen hijsen. Presentatrice Moe Oshikiri komt erbij en knoopt een praatje aan. Zo wordt het toch nog een interview. We vertellen over onze beweegredenen voor deze tocht, dat de eerste tocht zo verschrikkelijk moeilijk was, maar dat de pelgrimstocht ook zo’n goede uitwerking had op mijn gezondheid: Shikoku byoin – het ziekenhuis dat Shikoku heet en dat helend is voor lichaam, geest en ziel. ‘Wat hebben jullie gevonden?’, vraagt ze. Ik antwoord: ‘Mensen, ontmoetingen, dat is de grote gift die we telkens weer tijdens onze looptocht krijgen. En die ons diep ontroert.’ Of we vaker in gastenverblijven van tempels slapen. ‘Ja, dat doen we zoveel mogelijk, niet alleen omdat er vaak een bijzondere sfeer is, maar vooral omdat we dan ook de tempeldienst mee kunnen maken’, zegt Mels. ‘We kunnen misschien niet alle woorden begrijpen, maar we begrijpen wel de intentie’, licht ik toe. ‘Geloof gaat over mysterie, ontzag voor wat er is en wat je maar voor een deel kunt begrijpen’, zegt Mels. ‘Wat er gisteravond gebeurde was dat dat mysterie voelbaar werd gemaakt. Dat maakte diepe indruk.’ We zwaaien uit.

Bij de tempel staat Samae(?) op ons te wachten, de Engelssprekende non. Gelukkig, want we hadden niet weg gewild, zonder van haar afscheid te nemen. We praten nog wat na over het interview. Presentatrice Moe Oshikiri blijkt 32 jaar oud te zijn; we hadden 16 ingeschat… ‘En ze heeft van die grote, ronde ogen’, zegt Mels. ‘Net als in manga’s. Waar hebben ze die gekweekt?!’ ‘Over plastische chirurgie wordt in Japan niet gesproken’, zegt Samae. ‘Dat moet een mysterie blijven.’ We kunnen sowieso moeilijk de leeftijd van Japanners inschatten. Samae blijkt 43, we hadden 30 gedacht… Samae blijkt overigens geen non, ze wil haar hoofd (nog) niet kaal laten scheren, zegt ze. We maken nog wat foto’s, krijgen ten afscheid elk een klein, zelfgemaakt zakje zout. ‘Als je wat zout over je schouder strooit, weer je het kwaad af; iets wat in Japan ook na een begrafenis wordt gedaan zodat slechte geesten op het kerkhof achterblijven’, vertelt ze. Ze hoopt dat we met deze pelgrimstocht vinden wat we zoeken: ‘Het belangrijkste dat een mens kan vinden is zichzelf.’ Ze drukt ons op het hart terug te komen. En dat zullen we heel graag doen!

Even na 8 uur vertrekken we dan eindelijk voor dezelfde route als vorig jaar, verder naar het zuiden, voor een groot deel direct langs de kust. Op een enkel moment in de zon en in de luwte na, is het de hele dag bar koud. Eenmaal volgen we een oude, rond de kaap slingerende weg, voor het overige lopen we voortdurend langs de drukke route 55. We missen voor het derde achtereenvolgende jaar een afslag, zodat we een tweede kronkelweggetje missen, en komen daardoor – net als voorgaande jaren – bij het leuke koffietentje terecht waar een gedistingeerde en zeer vriendelijke dame op leeftijd op even gedistingeerde (en langdurige!) wijze zeer slappe koffie zet, zoals we bijna overal in Japan meemaken: na een heel ingewikkeld procedé met diverse glazen kolfjes wordt eindelijk een slap aftreksel geserveerd. Er is één andere gast: een Japanse vishandelaar die 2–3 jaar in Spanje heeft gewoond en met Mels een gesprek in het Spaans aanknoopt. Onze gastvrouw vindt het erg leuk dat we er weer zijn en ze presenteert de koffie weer in nauwgezet uitgekozen kopjes. Ze weet nog dat we potters zijn en vertelt bij elk kopje de herkomst. We krijgen er een lekkernij bij. ‘Het lijken wel grote, gebruikte groene theezakjes’, zegt Mels. Hij blijkt helaas niet ver van de waarheid af te zitten… Ze smaken naar groene thee, zijn warm en vooral heel erg kleverig, gemaakt van rijstpasta. Ze kleven niet alleen erg aan het schoteltje vast, ze zijn ook niet door te bijten en – het ergste – je krijgt ze nauwelijks doorgeslikt. We zitten half te kokhalzen. Als onze gastvrouw even naar buiten is, stop ik ze gauw in een plastic zakje in mijn tas. Als we verder gaan, worden we hartelijk uitgezwaaid. Volgend jaar weer komen!

Kort daarna zien we bij een zijweggetje een grote groep apen, half in de berm, half op de berghelling ernaast. We blijven een tijdje staan kijken. Als ik in een supermarkt even naar de wc ga, krijgen we 2 flesjes groene icetea mee die we bij de volgende supermarkt netjes in de vending machine stoppen. We lusten ze nou eenmaal niet, maar zijn te beleefd om te weigeren… Om 11 uur zien we een bakker met koffiehuis ernaast en omdat we verder geen restaurants verwachten langs de route, nemen we hier een mikkusu sando (mixed sandwich) en bekonchisutoasuto (beacon cheese toast). We blijven er lang hangen, want we hebben ruim tijd en Mels heeft het niet makkelijk vandaag… Na een uur trekken we verder, om enkele uren later nog eenmaal te rusten in een halfopen opslagruimte waar een hoek is ingericht voor vermoeide henro’s. Mels kan er ook mailtjes ontvangen op zijn i-phone. Een vrouw komt langs om de voorraden die net zijn gebracht, op te bergen en geeft ons 2 drinkjoghurts. Een aardige en gezellige vrouw. En dan zijn we al om 6 uur bij onze overnachtingsplaats, een hotel waar we vorig jaar ook al hebben geslapen en waar we nu 2 nachten zullen blijven. Morgen is er – eindelijk! – een echte rustdag!

Mels valt meteen op bed en in slaap, ik vermaak we weer in bad met velletjes aftrekken. Hele lappen gaan er van mijn voeten. En… blaren zijn er niet meer. Nul!

Geplande afstand: 19,6 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 19,9 km, totale stijging 443 m, totale daling 430 m
Cumulatief afgelegde afstand: 260,4 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.55–16.00 uur
Looptijd: 4,05 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: geen
Blaren: 0!
Overnachting: hotel White Beach (westerse kamer, 2×1½p-bed, zithoek, bureau, tv, koelkast, badkamer met bad/douche/wc/wasbak, hal met wasbak, hal met kast, wifi in hal+eetzaal, redelijk avondeten, matig ontbijt)

 

Dag 16: maandag 12 maart 2012: Henro spotting

Mels ligt een groot deel van de nacht te hoesten, maar in de ochtend gaat het toch iets beter met hem. Toch slaan we de tempeldienst maar over: dat scheelt niet alleen een uur slaap, maar ook een koude en lange klim – alle trappen weer op naar de hoofdtempel – en een lange zit in een vrij koude tempelruimte… En we besluiten ook de ‘toeristische’ kustroute te laten voor wat die is en de route te volgen die we in voorgaande jaren al hebben afgelegd: langs route 55 – voornamelijk op een trottoir; soms op de witte streep of op de overdekte goot; met diverse tunnels – verder naar het zuiden. De kustroute is niet alleen langer, maar loopt ook meer door de wildernis. Mocht Mels toch te ziek worden, dan is er makkelijker hulp te vragen langs route 55. Bovendien verwachten we er meer restaurantjes waar we op kunnen warmen, ook al weten we – uit eerdere ervaring – dat er de eerste 4 uur niets zal zijn…

Het is zonnig en tamelijk koud als we vertrekken om 10 over 8. Naarmate de tocht vordert, wordt het wel steeds warmer, maar rond pasjes en bij tunnels is er een erg koude (tegen)wind. Net als gisteren geeft Mels er de voorkeur aan niet te rusten op winderige bankjes en in dito rest huts. Dus lopen we maar door, pasje na pasje, tunnel na tunnel. Kort na de langste tunnel (690 meter) schiet er een aap over de weg. Op de berghelling zien we hier en daar groepjes apen zitten. Ze zijn niet erg verlegen, zolang we maar niet hun kant uitkijken, want dan schieten ze weg. Niet lang daarna stopt luid toeterend een auto voor ons. Een oudere heer houdt een heel verhaal. We verstaan 3 woorden: Osettai, police, one hour Mugi. Mugi is een plaatsje waar we vandaag doorheen zullen lopen. Mels is gefrustreerd dat hij na al zijn Japanse lesjes evenveel woorden begrijpt als ik. Het is duidelijk dat hij ons een osettai aan wil bieden, maar wat en waar… We knikken ‘one hour Mugi’ en lopen door na veel bedankingen.

Een klein uurtje later, bij het begin van Mugi, zien we de bakker waar we vorig jaar lekkere broodjes hebben gekocht en buiten in 2 kampeerstoelen hebben gezeten. Helaas dicht. Even verderop is er wel een bakker open met een leuk lachebekje achter de kassa; helaas zonder stoelen en koffie en alleen met mierzoete koeken. Jammer, want na 4 uur lopen zijn we errug moe en doen onze voeten ook errug zeer. Maar dan staat die oudere heer daar weer met zijn auto. Nog 10 minuten beduidt hij. Kort daarna zien we het restaurantje waar we vorig jaar koffie hebben gedronken. We kijken elkaar aan: als iemand een uur op je heeft gewacht, kun je hem niet teleurstellen, toch? En misschien biedt hij ons wel een lunch aan… Vreemd, hoe een niet-gedane belofte toch schuldplichtig maakt… We lopen door en ook het volgende restaurant negeren we. En dan zien we – schuin tegenover het politiebureau – de grote henro rest hut, gemaakt van 2 tenten, die we vorig jaar ook al zagen, maar toen verlaten. Er zit al een groepje mensen. We worden verwacht. De oudere heer heet ons welkom: Koffie? Uiteraard! Een andere loophenro stapt net op. Een 4-tal mensen blijft over op de geïmproviseerde banken rond een grote eettafel: een vrijwilligersgroep die henro’s verwent. Vorig jaar zagen we al een heel corveeschema hangen. Een van hen – een bejaarde man van 83 – herkent ons van vorig jaar, ergens van langs de weg. Een oudere, breedlachende vrouw brengt koffie met repen zoetebonenpasta en doet de afwas bij het aanrechtje dat ook in de tent is gezet. De oudere heer – 77 is hij – trekt er blijkbaar telkens op uit met de auto om henro’s binnen te halen. Er zijn sinds de aardbeving maar weinig henro’s, vertelt een andere man die wat Engels spreekt. Als ze horen waar we zullen overnachten – nog maar een klein uurtje lopen – suggereren ze een alternatieve route: een oude pelgrimsroute uit de tijd dat er nog geen tunnels waren, eerst een paadje links van route 55, dan een weggetje rechts ervan, beide over een huchtje. We krijgen een kopie van een zelfgetekend kaartje mee. In een boek schrijven we onze namen, adressen en leeftijden én dat we voor de derde keer lopen. De oudere heer toont hoe jaarlijks van alle lijsten tabelletjes zijn gemaakt. Ik krijg 2 schelpjes, met stof bekleed en samen aan een koordje hangend: 1 schelpje is ongelukkig; 2 identieke schelpjes samen zijn gelukkig, wordt erbij verteld. De moraal is duidelijk. Het afscheid is hartelijk; we krijgen nog een zakje met allerlei koekjes en snoepjes mee en wij laten elk een osame fuda achter.

We voelen wel iets voor die alternatieve route – het is nauwelijks om – maar we hebben ondertussen nog steeds niet geluncht en teruglopen naar de eerdere restaurants vinden we niet beleefd, dus lopen we maar door, maar veel eetgelegenheden verwachten we niet meer te zien, zeker niet langs die alternatieve route. Gelukkig is er bij het begin van die route een supermarkt met zithoekje waar je udonsoep kunt eten. We blijven er lang hangen, want het verblijf in de henro rest hut was niet lang genoeg om even goed uit te rusten. Mels heeft in de loop van de ochtend last van onderrug en schouder gekregen en allebei hebben we erg pijnlijke voeten. Uiteindelijk vertrekken we toch voor het laatste loodje. Eerst een mooi paadje dat enige tijd kronkelt over een heuvelrug, afwisselend omgeven door een wat fijnere bamboesoort, dan met links en rechts kronkelende bomen, vervolgens omzoomd door hoogstengelige varens die hoog uittorenen boven de holle weg. Het is erg fijn even weg te zijn van de drukke autoweg. De afdaling is echter erg lastig, via een sterk uitgesleten paadje. Ons looptempo daalt drastisch. Als we route 55 oversteken voor de tweede omweg, zien we in de verte de ryokan liggen, waar we voorgaande jaren hebben overnacht: een uitstekende ryokan met heerlijk eten en wifi op de kamer. Maar dit jaar hebben we gereserveerd in een bangai-tempel, enkele kilometers verderop. Het weggetje aan de andere kant van route 55 is heel wat makkelijker en al om even voor 4 uur komen we aan bij de bangai. We voeren eerst de rituelen uit en bij het stempelkantoor worden we al opgehaald door een uitstekend Amerikaans-Engelssprekende non. Ze heeft 4 jaar in de USA gewoond met een Amerikaans vriendje. De tijden van avondeten en tempeldienst zijn onduidelijk: eerst 5 uur eten, half 6 de dienst, later 6 uur eten en nog weer later half 7 eten met om half 8 de dienst… ‘Beneden rent een boze priester rond, driftig met zijn armen zwaaiend’, vertelt Mels als hij terugkomt van de ofuro. ‘Volgens mij hebben ze niet alles onder controle. Je zou toch anders verwachten in een tempel…’

Als we de eetzaal binnengaan, begrijpen we alle stress en chaos: een cameraploeg is druk bezig met filmen. Mels en ik zitten aan een lange tafel, samen met een autohenro, en kort daarop wordt er bijgedekt: we krijgen een jonge presentatrice erbij. De lange tafel achter ons wordt ingenomen door een groep vrouwen en een man (busgroep met chauffeur?). Een priester komt even een praatje houden dan wordt gezamenlijk de hartsoetra gereciteerd. Het groepje vrouwen gaat nog lang door met het reciteren van allerlei andere soetra’s. Onderwijl beginnen wij maar te eten. De presentatrice begint vragen te stellen, eerst aan de autohenro, dan aan Mels en mij, eerst in het Japans, later ook in het Engels. De camera’s worden veelvuldig op ons gericht. Het eet niet echt rustig. Af en toe fluistert de cameraman haar een nieuwe vraag in. Mels vraagt haar voor wat voor programma het is: het blijkt een serie van de NHK (Japanse NOS) te zijn over gastenverblijven bij tempels. Ze reizen allerlei eilanden af en vandaag zijn ze op Shikoku aangekomen. In april wordt het uitgezonden. Moe Oshikiri heet ze en ze schijnt een zeer BJ-er te zijn. Of we haar niet kennen? Nee, helaas. Ze is ietwat teleurgesteld… ‘We gaan vooruit’, zegt Mels. ‘Vorig jaar hadden we een groot interviewartikel in de Asahi Shimbun, de grootste krant in Japan, ik denk zelfs ter wereld, en nu gaan we op de nationale televisie komen…’ Als de camera’s weg zijn, is helaas ook haar interesse voor haar tafelgenoten weg.

Na het eten halen we onze windjacks en henrojasjes en gaan naar de hoofdtempel. Vaak zijn gastenverblijf en hoofdtempel via allerlei gangen met elkaar verbonden, zodat je voor de dienst niet naar buiten hoeft. Dat is ook hier het geval, maar anders dan we hadden verwacht. Na enkele gangen in het gastenverblijf – met vele fraaie foto’s van henro’s en ook met veel beelden – komen we bij de ingang van een langzaam rond lopende en langzaam dalende tunnel waarin langs de ene wand stenen beelden staan en langs de andere wand vitrinekasten vol met kleine gouden Myōō-beeldjes, het moeten er minstens 10.000 zijn. Myōō’s worden beschouwd als goddelijke boodschappers en als strijders tegen het kwaad, vooral bij waanvoorstellingen, slechte begeerten en rusteloze geesten. Elk beeldje is gewijd aan een overledene, horen we later. De tunnel draait steeds verder rond en daalt langzaam totdat we bij de ingang van een grote, donkere, 8-kantige ruimte komen. We vermoeden dat de ruimte zich bevindt onder de fraaie, grote 8-kantige tempel bovengronds. Van een priester in goudgeel gewaad krijgen we wat as in een handpalm. Langzaam komen ook de andere gasten binnen, alleen de presentatrice en haar cameraploeg ontbreken. Langs de wanden staan ­– van boven tot beneden – rijen met wat grotere gouden Myōō-beelden. Tegenover de ingang is een altaar met een groot Myōō-beeld. Ervoor gaan 4 goudgeelgeklede priesters zitten rondom een vuurplaats. Ze beginnen met het reciteren van soetra’s. Hun diepe bassen weerklinken indrukwekkend in de ruimte. Een van hen voert allerlei rituelen uit en maakt langzaam een vuur aan. Een dikke rookkolom stijgt naar boven waar een grote afzuigkap hangt. De meeste rook verspreidt zich echter via het plafond en de wanden. Het wordt rokerig. En nog donkerder in de ruimte. Plotseling vlamt het vuur hoog op en weerklinkt een zware trom. De hartsoetra wordt gereciteerd op de maat van de trom, steeds opnieuw. Opzwepend, bezwerend. Daarna volgen nog weer andere soetra’s. Elke keer als de priester zijn handen opheft, vlamt het vuur nog hoger op. Een van de priester komt met een enorme staf ons zegenen: het symbool van de pelgrimsstaf van Kukai (Kobo Daishi) die deze tocht als eerste liep. Als het ritueel voorbij is, volgt een inzegening van de rozenkransen (de mijne ligt op de kamer…) en een uitleg van een van de priesters. We mogen tot slot – al reciterend – eenmaal rondlopen langs het altaar en krijgen bij vertrek een goudgekleurde osame fuda. Een indrukwekkende dienst!

Geplande afstand: 19,3 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 22,5 km, totale stijging 508 m, totale daling 526 m
Cumulatief afgelegde afstand: 240,5 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.12–15.52 uur
Looptijd: 4,46 uur
Gemiddelde snelheid: 4,7 km/u
Bezochte tempels: bangai 4
Blaren: restantjes…
Overnachting: gastenverblijf bangai 4 (Saba Daishi) (kamer 12 tatami’s groot + wat extra, halletje, 2 kastenwanden, 2 deuren, 2 zaklantaarns, tafeltje, kluis, uitstekend avondeten, karig (Mels) c.q. matig (Yna) ontbijt)

Dag 15: zondag 11 maart 2012: Een jaar later

Het is een jaar na de grote aardbeving en tsunami. Op de tv zijn voortdurend reportages over de ramp. Mensen die een jaar geleden zijn geïnterviewd in deplorabele toestand, worden nu weer opgezocht om te kijken hoe het hen nu vergaat. Veel wrakhout is opgeruimd; de overblijvende gebouwen staan veelal nog leeg. In enkele lege ruimtes zien we herdenkingsplekjes ingericht. Overal in het land worden vandaag herdenkingsceremonieën gehouden. Kayoko vertelt dat het aantal boekingen drastisch is afgenomen; Japanners van boven Tokyo en buitenlanders komen er al helemaal niet meer. Ja, dat hadden wij onderweg ook al gemerkt, dat het erg rustig is met henro’s…

Wij besluiten vandaag rustig aan te doen: tot en met de lunch blijven we in de minshuku; daarna gaan we pas de 10 kilometer afleggen die voor vandaag zijn gepland. Toevallig hebben we voor vandaag een kort traject gepland, omdat we Thomas, de Australische leraar in Hiwasa, die we vorig jaar tegenkwamen, dag willen zeggen, en omdat we morgen een wat langere ‘toeristische’ route langs de kust willen lopen. Maar… hoewel Mels zich aanvankelijk wat beter voelt, gaat zijn conditie in de loop van de ochtend achteruit. Kayoko biedt aan ons met de auto te brengen. Mels voelt daar wel voor. Ik stel voor dat ik dan ga lopen in mijn eentje, wetend dat Mels veilig aan zal komen bij de volgende overnachtingsplaats. Maar van dat idee krijgt Mels het op zijn heupen, dan liever lopen… En zo vertrekken we om 10 voor half 2 dan toch nog lopend, nadat Mels eerst nog een hotpack op zijn rug gestopt heeft gekregen en wij nog wat cadeautjes hebben gegeven: het Engelse leerboek voor Miki, een Delftsblauw doosje voor Kayoko. Ze laat zien wat ze voorgaande jaren heeft gekregen van ons: 2×2 Delftsblauwe klompjes. Gelukkig hadden we nu een doosje voor haar meegenomen… ‘Ja mata rainen?’, vragen ze. ‘Volgend jaar weer?’ Mels legt uit dat we volgend jaar de Camino zullen lopen, naar Santiago in Spanje. Blijkbaar is hij inmiddels aan dat idee gewend geraakt. ‘Sarainen?’ oftewel ‘Overvolgend jaar dan?’ Uiteraard!

We nemen dezelfde route als voorgaande jaren: voornamelijk via asfaltwegen, met tussendoor 2x een paadje dat vrij makkelijk begaanbaar is, bijna voortdurend langs de kust. Korte tijd valt er een licht maar gestaag doorzettend buitje. Wind is er nauwelijks en dat is erg aangenaam na al die koude dagen. Af en toe is er wat zon. De grillige, rotsige kust wordt afgewisseld met hier en daar een klein vissershaventje. Voor de kust zijn er talloze rotsen in zee. We zien weer aalscholvers zitten; de rotsen witbescheten van hun stront. Op steile bergwandjes zien we af en toe massaal bloeiende maartse viooltjes. Een enkele keer zijn er buizerds, hoog in de lucht. Gekrijs in de bomen duidt op apen, maar we zien ze niet. Enkele malen komt er een fietshenro voorbij, eenmaal een loophenro. Het is stil, de weg bijna verlaten. Eenmaal stopt een auto en krijgen we 2 repen zoetebonenpasta in de handen gedrukt. Vlak voor Hiwasa zien we in de verte op een strand een ceremonie plaatsvinden die we ook op tv zagen vandaag: Nami kanjo, het golfgebed. In het natte zand worden de namen van de overledenen geschreven. De zee neemt het gebed mee naar de einder, waar zee en hemel elkaar raken. Gedurende de hele wandeling is de herinnering aan een jaar geleden in ons hoofd en hart. Het is een droeve dag.

Even na 4 uur komen we aan bij tempel 23, waar we zullen overnachten in het voormalige gastenverblijf. Nadat we onze rugzakken op de kamer hebben gezet, gaan we nog naar de tempel om de rituelen uit te voeren. Daarna gaat Mels weer even liggen, want hij is doodmoe. Van Thomas hebben we geen reactie gehad op mijn mailtje en we kennen zijn adres of telefoonnummer niet, dus we laten het maar zo. Het avondeten in de eetzaal delen we met een busgroep en 3 loophenro’s, waarvan we er 1 enkele dagen geleden al bij Sakamoto zagen. Hij is vol lof over Mels’ prestatie: voor de derde keer het pelgrimspad aan het lopen! Hij is uiterst verbaasd als hij merkt dat ik ook loop. Denkt hij soms dat ik de man elke dag met de taxi volg??

Om kwart over 8 – we liggen net een kwartier op de futons – wordt er hardnekkig op de deur geklopt. De dame van de receptie. Of we nog van plan zijn van de ofuro gebruik te maken. Maar daar hebben we vandaag geen zin in: we moeten ervoor in de yukata (kimono) buitenom lopen en dat is ons wat te koud. ‘Nee, helaas’, zegt Mels. Ze is verbijsterd. Ik vermoed dat ze morgen al onze lakens zullen desinfecteren…

Geplande afstand: 10 km, totale stijging 150 m
Werkelijke afstand: 10,5 km, totale stijging 378 m, max. helling 10%, totale daling 371 m
Cumulatief afgelegde afstand: 218 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 13.17–16.05 uur
Looptijd: 2,12 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: tempel 23
Blaren: restantjes…
Overnachting: Ikko (voorheen Yakushi Kaikan, gastenverblijf tempel 23) (kamer 10 tatami’s groot + wat extra, halletje, kastenwand, tafeltje, tv, kluisje, wifi in hal bij voordeur, uitstekend avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 14: zaterdag 10 maart 2012: Ziek!

Mels twijfelt of het verstandig is verder te lopen. Zijn hoest is erger geworden en hij voelt zich belabberd. We kijken eerst maar even wat voor weer het is en dat blijkt in ieder geval droog en bewolkt met zonnige perioden te zijn. We besluiten toch te lopen. Als we om half 7 de ontbijtzaal binnengaan, blijkt de groep al te zijn vertrokken. Ze hebben voor ons een osettai achtergelaten: een schaaltje met lekkere tomaten. Net zoals in voorgaande jaren krijgen we een borrelkommetje umeshuu bij het ontbijt. Als we naderhand naar de kamer lopen, zien we tot onze schrik dat iemand onze bergschoenen op speciale verwarmingsapparaten voor schoenen heeft gezet. Ik haal ze er snel vanaf, want niets is zo slecht voor schoenen dan nat bij de verwarming zetten…

We nemen nog een lekkere cappuccino. Mels trekt alle kleren aan die hij in de rugzak heeft, een handdoek als sjaal om zijn nek. Als we om 8 uur de frisse lucht instappen, worden we hartelijk uitgezwaaid. Tassen en schoenen zijn nog steeds nat, maar ze drogen snel in de wind. Het fototoestel werkt gelukkig nog steeds. Onze handen zijn kapot van alle nattigheid en kou en het ons overal aan vastgrijpen gisteren, vooral aan de pelgrimsstaffen. Ook de staffen hebben geleden, ze zijn erg vezelig geworden op die plaatsen waar we ze hebben vastgehouden.

We volgen dezelfde route als vorig jaar, want we willen weer een van onze meest favoriete minshuku’s en ryokans aan doen. Een afstand van 21,5 kilometer, met 1 tempelbezoek, voornamelijk via asfaltwegen. De koude wind hebben we gelukkig in de rug. Enkele keren moeten we een huchtje over, de eerste keer weer via een paadje van betonnen boomstamtreedjes, dat ik langzaam beklim terwijl ik mijn rechterknie zoveel mogelijk probeer te ontzien, maar deze keer is de pas al op 250 meter. Omlaag gaat het via een afwisselend rotsig en lemig paadje dat erg glibberig is door de regen van gisteren. Hier en daar zitten groepjes kikkers te brullen; net grommende hondjes. In het volgende dal lopen we weer via asfaltwegen en al om 10 uur zijn we bij tempel 22, waar veel pruimenbomen in bloei staan. Mels is kapot. We drinken eerst maar eens koffie: in de vending machine met gekoelde flesjes is meestal ook een afdeling hete blikjes. We hebben deze koffie van het begin af aan smerig gevonden, maar toch blijven we proberen… Bij sommige dingen blijf je hopen dat je eraan went…

Nadat we langdurig hebben gerust op de bankjes bij de tempel, voeren we de rituelen uit. Bij het stempelkantoor ontwaar ik een staffenbak met verweesde pelgrimsstaffen. Ik ben al weken op zoek naar een mooie staf van bamboe. Die vind ik mooier dan de wat stijve officiële staffen, waarvan ik er al eentje in huis heb staan. Deze keer zou ik graag zo’n bamboestaf mee willen nemen naar Nederland. Hier staat er een groot aantal en ik kies de allergrootste uit; hij komt bijna tot aan mijn kin. Een ‘echte’ herdersstaf. Ik ben er helemaal weg van en verruil hem voor de aftandse (maar wel officiële) staf die ik in mijn handen gedrukt kreeg bij het begin van de eerste pelgrimshel. Ik voel me wel wat schuldig, want je krijgt toch een band met je staf, ook al heb je hem niet zelf uitgekozen. Toen Mels enkele weken geleden aan een Japanse henro vertelde dat hij een verweesde pelgrimsstaf had meegenomen, zei deze: ‘Een staf kiest jou uit.’ Maar misschien had hij naar Harry Potter-films gekeken… In ieder geval loop ik even later trots met mijn ‘nieuwe’ staf weg. Als hij neerkomt op het asfalt, wordt mijn komst luid en duidelijk aangekondigd..

Op een volgend – heel klein – huchtje pauzeren we kort bij een tempeltje met een 1000-jarige boom; we hebben er ook voorgaande jaren gezeten. Een idyllisch plekje aan een beekje. De wind is echter guur en we eten ditmaal snel onze meegebrachte onigiri op. We rusten onderweg nog enkele keren in een resthut, maar het is telkens te koud en winderig om lang te kunnen blijven zitten. Om 2 uur zien we voor het eerst de oceaan. Onwillekeurig denken we aan vorig jaar. Toen stonden we hier op 11 maart, kort voordat 800 kilometer noordelijker de verschrikkelijk tsunami plaatsvond. We dalen af naar Tainohama Beach, waar we om kwart over 3 bij de minshuku aankomen. Kintaro, de witte samojeed staat voor de deur te wachten. Miki, de dochter des huizes, komt net naar buiten. We knijpen elkaars handen van vreugde en dansen op en neer; kussen durven we nooit met Japanners. Even later is er ook Natsu, de Japanse inu, en de gastvrouw, Kayoko. Een van de 2 ofuro’s is voor ons gereserveerd: ‘BOOM’ staat er met grote letters op. Gastheer Yuzuro is al druk bezig met vullen. Het blijkt een enorm bad te zijn en we brengen er meteen een uurtje in door. Daarna gaat Mels meteen op de futon.

De minshuku ziet eruit alsof deze een lichte opknapbeurt heeft gehad, en dat geldt ook voor het echtpaar en zelfs voor de honden: ze ogen allemaal wat actiever en slanker. De honden komen steeds even langs als we op de bank in de eetkamer zitten. Bij het avondeten zien we een henro terug die we al in de ryokan bij tempel 13 tegenkwamen: Dai Yano. ‘Where have you been all the time?’, vraagt hij quasi(?) verbaasd. Hij blijkt al naar de volgende tempel te zijn gelopen en weer terug, rustig aan doend vanwege een zere enkel, volgens hem. Macho-talk? We hebben afgelopen jaren erg vaak de mannelijke henro’s tegen elkaar op horen bieden: wie meer dan 40 kilometer op een dag loopt, krijgt applaus; als je minder dan 30 kilometer op een dag loopt, heb je een excuus nodig zoals een zere enkel…

Het avondeten is weer overvloedig en heerlijk, maar Mels krijgt bijna geen hap door zijn keel. Hij legt aan Kayoko uit dat hij ziek is en krijgt prompt een thermometer onder zijn arm gedrukt en een zelfgebrouwd kruidendrankje ter inname. Ik krijg er voor de zekerheid ook maar een. Mels verdwijnt weer op de futon. Ik sleep hem naar een kant van de kamer, zodat ik ook mijn eigen futon op kan maken. Ik kan ook wel wat extra slaap gebruiken en inmiddels begint ook mijn keel zeer te doen. Onze gastvrouw komt nog langs met een hete kruik voor de voeten en een icepack voor in de nek. Ze merkt dat ik de futons niet heb opgemaakt zoals het hoort. Op het lichaam – en vaak ook eronder – moet eerst een deken, daarna pas het dekbed. Wij vinden dekens eigenlijk niet zo lekker en slapen liever tussen lakens. Maar de gastvrouw trekt zonder verdere plichtplegingen het dekbed van Mels af. Ik schiet in de lach. Luid giebelend spreiden we een deken over hem uit waarop het dekbed komt. Mels laat het allemaal maar gebeuren. Voor 8 uur liggen we allebei te slapen. Zo’n 4 uur later komt Kayoko met een nieuw icepack en wat zoet drinken. Dat hebben we vaker gemerkt bij minshuku’s: als je in de problemen zit, krijg je aan alle kanten hulp. Hartverwarmend!

Geplande afstand: 21,5 km, totale stijging 300 m
Werkelijke afstand: 22,6 km, totale stijging 699 m, max. helling 22%, totale daling 731 m
Cumulatief afgelegde afstand: 207,5 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 8.02–15.15 uur
Looptijd: 4,52 uur
Gemiddelde snelheid: 4,6 km/u
Bezochte tempels: tempel 22
Blaren: restantjes…
Overnachting: Green House Juen (kamer 10 tatami’s groot + wat extra, halletje, kastenwand, verwarmd tafeltje, enorme tv, muziekapparaat, lage zitstoeltjes, grondstoeltjes, webmail via computer Miki, uitstekend avondeten, uitstekend ontbijt)

 

Dag 13: vrijdag 9 maart 2012: Nat!

Een grijze dag. De regen komt met pijpenstelen uit de hemel, hoewel voor een hele week mooi weer was voorspeld. Vandaag staat de tweede pelgrimshel op het programma: een bezoek aan 2 tempels, elk op een andere bergtop. Het eerste deel van de tocht – de eerste berg op – kan via meerdere paadjes worden afgelegd; voorgaande jaren hebben we de westelijke route genomen die iets langer en iets minder steil is; dit jaar willen we de andere proberen. We aarzelen, want het is niet handig met die regen een steil paadje te nemen, maar de hartelijke mensen van de onsen verzekeren ons dat het kan. Dus worden we met het busje bij het begin van de oostelijke route afgezet. We krijgen nog een zak met 6 mandarijnen mee. Om half 8 beginnen we aan de eerste klim: een pad dat meer lijkt op een (bijna) droge beekbedding… We zwoegen omhoog, meter na meter. Mels heeft erg veel last van de kou; ik niet in het minst met al dat gezwoeg. Soms kan ik Mels – die altijd wat voor ligt – niet meer zien door voorbijdrijvende wolkenflarden. Pas na 1,5 kilometer lukt het hem de instellingen van de gps weer aan te passen aan ons lage looptempo (van dit traject is daarom de afstand alleen hemelsbreed gemeten, niet alle kronkels die in het pad zitten). We komen tot de conclusie dat we 1 km/uur afleggen, dat is niet hoopgevend voor een gepland dagtraject van 18,5 kilometer. Gelukkig komt Mels bij de eerste tempel tot de conclusie dat die 18,5 kilometer inclusief de rit met het busje (5,5 kilometer) was en niet exclusief. Oef, dat scheelt tenminste iets…

We blijven maar kort bij tempel 20. Ik ben erg moe, maar er staan alleen wat bankjes middenin de koude wind en regen, en de wc’s zijn afgesloten. Via een zeer vermoeiend paadje dalen we af naar het volgende dal, eerst een rotsig paadje dat we delen met een snelstromend watertje, dan eindeloze, werkelijk eindeloze treden naar beneden, gemaakt met betonnen boomstammetjes. Halverwege komen we door een betoverend mooi bamboebos. De wind zoemt door de bomen, eh… grashalmen… Op de treedjes, onder het vaak dichte bladerdek, liggen verraderlijk los liggende stenen en takjes. Ik ga eenmaal onderuit en kom met mijn dijbeen op een uitstekende rots terecht – dat wordt een flinke blauwe plek en grote kans dat ik ook weer last van mijn rug ga krijgen… We ploeteren nog langzamer voort, tot we eindelijk in een klein gehucht aankomen, waar we de rivier over moeten steken, de mooiste rivier die we tegenkomen tijdens onze tocht: helblauw water in een brede kiezelbedding, omzoomd door wuivende bamboebossen. Maar deze keer proberen we zo snel mogelijk de winderige brug over te steken…

Aan de overzijde van de rivier begint meteen de klim naar de volgende top, ditmaal een betonnen weggetje waar ik erg dankbaar voor ben. In de diepte perst een bruisende beek zich door spleten en gaten, soms met kleine watervalletjes. Naarmate we meer stijgen, komen beek en weggetje meer in elkaars buurt. In een rest hut aan het idyllische beekje eten we gehaast onze onigiri op; het is te koud om lang te blijven zitten. Zo’n 1,5 kilometer voor de top moeten we toch weer een klein paadje op, dat ook hier bestaat uit treden van betonnen boomstammetjes. Elke keer als ik met mijn rechterbeen de volgende trede op wil stappen, krijg ik een pijnscheut in mijn rechterknie, dus moet mijn linkerbeen nu al het werk doen, zowel bij het klimmen als dalen. En het tempo zakt nog verder… Het is een moeizame dag. Theoretisch moet deze tweede pelgrimshel wat makkelijker zijn dan de eerste, maar met de regen en de kou, de zere knie, de vermoeidheid die ons allebei parten speelt en vooral een pad dat veel lastiger is, valt het zwaar tegen. We zijn blij als we eindelijk bij het volgende tempelcomplex arriveren. We schuilen even in een afgeschermd hoekje met enkele banken bij het stempelkantoor. Niet lang, Mels heeft duidelijk erg last van de kou. De temperatuur is waarschijnlijk rond het vriespunt; hier en daar liggen nog kleine restjes sneeuw, ondanks de aanhoudende regen. We laten de rugzakken achter, bestijgen nog diverse trappen en zien dan dat de hoofdtempel in de steigers staat en het terrein eromheen afgesloten is. Ervoor is een klein noodtempeltje ingericht van tentdoek. Foto’s en teksten leggen uit wat er aan de hand is: vorig jaar is een tyfoon over het eiland getrokken en op 20 juli waaide een van de fraaie, eeuwenoude Japanse ceders om, bovenop de hoofdtempel. We raffelen de rituelen zo snel mogelijk af en dalen dan maar weer snel de berg af, terwijl de wolkenflarden langs ons gieren. Een bijna even eindeloos betonnen weggetje loopt steil naar beneden, het volgende dal in. Maar dat is altijd nog beter dan betonnen boomstamtreedjes of droge beekbeddinkjes… Onderweg horen we weer kikkers.

Tegen 4 uur arriveren we bij de ryokan. We zijn geruime tijd bezig onze schoenen en regenkleding uit te trekken en alles zo droog mogelijk te maken voor we naar de kamer mogen. Daar zetten we alles op handdoeken en plastic. En dan kunnen we de schade opnemen… Mijn tempeltas en gehele inhoud is doorweekt, inclusief fototoestel, ondanks het plastic dat ik eromheen had bevestigd. Hetzelfde geldt voor Mels’ buiktasje en inhoud. Mijn handtasje, dat onder mijn ‘beslist waterdichte’ windjack hing, is eveneens doorweekt, maar de inhoud – geld en papieren – is droog gebleven. De regenzakken om de rugzakken hebben evenmin alle regen tegengehouden. Wel zijn onze voeten droog gebleven, evenals het grootste deel van onze kleding: alleen manchetten, halzen en de onderkant van mijn broekspijpen zijn nat geworden. Het blijft lastig, we hebben weinig zin de zware en evenmin goed functionerende regenponcho’s weer mee te zeulen. Een echt goede oplossing is er blijkbaar niet…

Met enkele heerlijke cappuccino’s uit de automaat proberen we ons weer wat op te warmen. Mels lukt dat pas in de hete ofuro. Hij blijft wat bleekjes eruit zien en zijn hoestje – een erfenis uit Frankrijk – steekt weer de kop op. Bij het avondeten is er in de eetzaal een grote groep henro’s. Aan het tafeltje naast ons zit een taxi-henro met zijn chauffeur (dat laatste is ons niet helemaal duidelijk…) Al sinds onze binnenkomst horen we voortdurend ‘Oranda’ fluisteren. In de keuken, onder gasten, overal. En ook nu hebben we al gauw de warme belangstelling van de andere gasten, eerst van het tafeltje naast ons, waar de enorm dikke taxi-henro inmiddels – volgens eigen zeggen – zijn 15e sake-flesje achter de kiezen heeft, en dan komen een voor een de leden van de henro-groep onze richting uit. Een van hen begint te filmen terwijl hij een vraag probeert te stellen, eerst in het Japans, dan met wat Engelse woorden. Met wat Japans en Engels, handen en voeten, en uiteraard Mels’ i-phone komen we weer een aardig eindje. Mels’ i-phone is zoals altijd een groot succes bij de Japanners, vooral het vertaalgedeelte geniet ruime belangstelling.

Geplande afstand: 18,5 km, toppen: 1e top 478 m, 2e top 500 m, totale stijging 1000 m, totale daling
Werkelijke afstand: 14,3 km (excl. rit met busje 5,5 km), toppen: 1e top 487 m, 2e top 502 m, totale stijging 1045 m, max. helling 46%, totale daling 969 m, max. helling 40%
Cumulatief afgelegde afstand: 184,9 km (excl. 12,4 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.32–15.55 uur
Looptijd: ?
Gemiddelde snelheid: ?
Bezochte tempels: tempel 20 en 21
Blaren: restantjes…
Overnachting: Sakaguchi Ya (kamer 7,5 tatami’s groot, tafeltje, tv, uitstekend avondeten, goed ontbijt incl. standaard-borrel)

Dag 12: donderdag 8 maart 2012: A busman’s holiday

Onze vrije dagen zijn niet meer wat ze geweest zijn… Vandaag gaan we op onze rustdag bangai 3 bezoeken die, net als de onsen, wat af ligt van de normale pelgrimsroute; de loopbagage laten we grotendeels achter in onsen Sakamoto, waar we voor een tweede achtereenvolgende nacht zullen slapen. Een eitje – dachten we – maar de afgelopen weken zijn we al verschillende keren gewaarschuwd voor het moeilijke traject. Gisteren – voor het avondeten – probeerde de gastvrouw – met behulp van een (iets Engelssprekende) onsen-gast en de loophenro/feestvierder die we van vorig jaar kenden – ons uit te leggen hoe de route loopt naar bangai 3. Na het eten probeerde de loophenro/feestvierder het nog een keer. Inmiddels hebben we – naast het routeboekje – 5 getekende kaartjes…

Na het ontbijt om half 7 (vrije dag???), zwaaien we eerst de henro’s uit die met het busje naar de (normale) pelgrimsroute worden gebracht. Asaka drukt ons op het hart haar te bellen als we naar Mount Kōya gaan zodat we samen deze berg kunnen beklimmen, of als we in Osaka, haar woonplaats, overnachten zodat we samen kunnen eten.

Als we om kwart voor 8 willen vertrekken voor ons eigen dagtraject staat Nakajima te wachten. We gaan gezamenlijk naar bangai 3. Ik weet niet of hij uit zichzelf meegaat, aangezien Mels hem vanochtend vroeg hoe laat hij zou vertrekken naar de bangai, misschien schept dat verplichtingen… Volgens ons routeboekje is het slechts 2,6 kilometer naar de bangai, maar het blijkt in werkelijkheid 2x zo lang te zijn. Via kleine paadjes, betonplaatpaadjes en 2x een autoweg bereiken we wel in iets meer dan een uur de tempel, een heel klein,wat onopvallend complex met een magnifiek uitzicht. Het is afwisselend bewolkt met wat zon; de omringende bergen zijn gehuld in een vage nevel. Na het uitvoeren van de rituelen en even uitrusten op een bankje, maken we een extra wandeling: we willen graag een grot bezoeken waar bepaalde rituelen worden uitgevoerd. Hide-san schreef ons dat je er alleen in mag/kan als je door de spleet bij de ingang past en dat kon nog wel eens een probleem zijn voor onze westerse lichamen… We stijgen nog eens 100 meter en komen dan aan bij een kleine tempel. In de rotsen erachter is een trappenstelsel (rotsen afgewisseld met een stalen trap) naar de ingang van de grot. Het blijkt dat je alleen in een groep, onder begeleiding van een gids, erin mag, waarbij je van tevoren moet reserveren. Een tocht van maar liefst 2 uur klauteren en strompelen over glibberige stenen door een nauwe spleet diep in de berg. Voor vandaag zit het al vol; er zijn 40 reserveringen. We mogen wel even bij de ingang kijken en dat blijkt ook nog een hele klim te zijn. Mels voelt er niets voor de grot binnen te gaan en Nakajima nog minder; er nu is geen licht in de grot aan en we hebben alleen een kleine zaklantaarn. Jammer, want ik had mijn eigen angsten wel eens in de ogen willen kijken… We dalen weer af naar de bangai en dan maken we nog een extra wandeling over de weg naar een waterval in de buurt: kanjo no taki (zachte waterval). Onderweg komen we al verschillende mooie watervallen en -valletjes tegen en in een volgend dal staan we onderaan een lange, zachtjes vallende waterval die zich stort over de kliffen ver boven ons. In het regenseizoen zal het nog indrukwekkender zijn, denk ik. Na het nemen van de nodige foto’s lopen we weer langzaam terug de berg op, om iets meer dan een kilometer voor de bangai af te slaan en via alle paadjes en wegen die we op de heenweg namen, weer terug te keren naar de onsen. Bijna beneden, horen we de eerste kikkers van dit jaar.

Kort voor de onsen komen we door een gehucht dat ook helemaal vol staat met hina-poppen. Voor bijna elk huis, elke werkplaats, elke winkel en elke schuur staat een stellage, tafel, plantenbakken, kano of iets anders waarop de poppen zijn uitgestald op een rood kleed. Er is een groepje toeristen aan het fotograferen met zware toestellen en grote lenzen. Plotseling zijn wij het middelpunt van de belangstelling. Op een rijtje staan ze ons te fotograferen, met achter ons de hina-poppen. Of we nog iets naar links kunnen? Iets naar rechts? Iets dichter bij elkaar? In de lens kijken alstublieft? Lachen? Ook nog voor die andere uitstalling? We poseren enthousiast.

Als we weer terug zijn bij de onsen, biedt onze gastvrouw aan ons naar een hina-evenement te brengen en nadat we onze onigiri hebben opgegeten op de kamer, stappen we bij haar in de auto. ‘Jullie moeten wel terug lopen’, zegt ze. Ik ben even bang dat ze ons brengt naar de grote hal bij het wegstation, die we gisteren al hebben bezocht en die zo’n 9 kilometer van de onsen af ligt…. Maar gelukkig stopt ze net aan de andere kant van het dorpje en wijst ons een pad dat naar beneden voert. In het dal is een fraai traditioneel woonhuis, dat als achtergrond dient voor 100-en en 100-en hina-poppen. Zowaar komen wij er weer dezelfde fotogroep tegen. Of we nog een keer willen poseren? Daarna nemen we zelf volop foto’s. Op een bankje drinken we met andere bezoekers groene thee. En Mels schrijft een haiku op een langgerekt papier. Die komt naast het pad te hangen.

Op de terugweg komen we langs een veld waar enkele mensen met een spelletje crocket bezig zijn, iets wat we regelmatig zien hier in Japan. We staan een tijdje te kijken en dan wordt Mels – en later ook ik – uitgenodigd mee te spelen. Het lukt Mels een bal door een poortje te slaan en dankzij hem kan eindelijk de laatste deelnemer nu het veld op. We worden hartelijk uitgezwaaid. Na nog een heleboel hina-poppen-uitstallingen komen we weer bij de onsen.

Uiteindelijk hebben we op deze dag nog meer gelopen dan op diverse loopdagen. De Engelsen hebben een uitdrukking voor een dag als deze: a busman’s holiday – een buschauffeur die tijdens zijn vakantie met een touringcar op reis gaat… De resterende vrije uurtjes brengen we – net als gisteren – door met het werken aan KLEI.

Geplande afstand: 5,2 km, totale stijging 500 m
Werkelijke afstand: 13,9 km (incl. bezoek aan grot en waterval, excl. uitje hina-festival), hoogste punt 654 m, totale stijging 789 m, max. helling 24%, totale daling 789 m
Cumulatief afgelegde afstand: 177,5 km (incl. 6,9 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.45– ca. 13.00 uur
Looptijd: 3,05 uur
Gemiddelde snelheid: 4,5 km/u
Bezochte tempels: bangai 3
Blaren: restantjes…
Overnachting: onsen Sakamoto (kamer 8 tatami’s groot + hal met wasbak en binnenveranda met kast, lage rotan stoeltjes, 2 tafeltjes, tv, kluis, wifi op de kamer, redelijk avondeten, redelijk ontbijt)

 

 

Dag 11: woensdag 7 maart 2012: Hina, hina, hina…

…en om 5 uur ontwaakt het huis alweer: het ontbijt is om 6 uur… Van Yukiko krijgen we een bakje speciale rijst: congratulations rice die ook in de ryokan na tempel 88 wordt geserveerd. De gastvrouw heeft het opgewarmd voor ons. (Gelukkig… koud vinden we het nóg viezer…) En we krijgen onigiri mee. Bij het afrekenen blijken de onigiri en de umeshuu van gisteravond gratis te zijn geweest… Het is een van de goedkoopste en een van de fijnste ryokans die we tijdens onze 3 reizen hebben aangedaan! Voor ons vertrek wegen we nog even de rugzakken; onze gastheer heeft speciaal de weegschaal klaargezet. Mels’ rugzak weegt 8 kilo, die van mij 7 kilo, en mijn 2 tassen op de buik samen 3 kilo. Ondanks al onze pogingen het gewicht van onze tassen te reduceren, is dat in vergelijking met vorig jaar niet echt gelukt. En het valt ons dit jaar eigenlijk zwaarder, vooral als we nog wat extra gewicht meezeulen aan eten en drinken.

Na nog wat foto’s worden we om 10 over 7 uitgezwaaid door het hartelijke echtpaar. Het is bewolkt en er staat een stevige (tegen)wind, maar de temperatuur is net goed genoeg om de jassen in de rugzakken te laten. Na een halve kilometer zijn we al bij tempel 19, voeren er de rituelen uit en vervolgen dan onze looptocht, hetzelfde traject als vorig jaar, zo’n 25 kilometer (volgens onze gastheer 22 kilometer) naar onsen Sakamoto, de uitstekende spa waar we vorig jaar ook al hebben geslapen. De eerste uren volgen we smalle weggetjes, afwisselend door bebouwing of langs (nog lege) rijstvelden, in de verte rijen heuvelruggen met eindeloze, altijd wat warrig ogende bamboebossen. Na 2 uur zien we het shabby koffiehuisje van vorig jaar, we kloppen er opnieuw aan. Het zaaltje ziet er iets beter uit en de gastvrouw (een andere?) idem dito. We krijgen bij de koffie chocolaatjes en bij de 2e kop zelfs een heel ontbijt. Erg aardig, maar bij het afrekenen blijkt dat we hem waarschijnlijk zelf hadden besteld… De communicatie verloopt nog niet helemaal vlekkeloos, maar dat is niet erg, het was evengoed erg lekker…

Na enkele kleine huchtjes komen we in een breder dal langs een 2-baans weg te lopen, afwisselend op de witte streep of de overdekte goot. Een erg drukke weg met veel vrachtwagens. Af en toe moeten we ons snel tegen een muur of in een haag drukken. Er zijn ook opvallend veel touringscars. Vandaag is het hina-dag: op 7 maart geven grootouders hun kleindochter een mooie hina-pop cadeau. En wij komen toevallig vandaag door Katsuura, hét centrum van het jaarlijkse Hina-festival, dat zo’n maand duurt (vanaf de 3e week van februari). Langs de weg staan overal hina-poppen uitgestald, en de weg is ook versierd met (plastic) kersenbloesems. Bij een michi no eki (wegstation) is een grote tentoonstellingshal. Dit jaar nemen we de tijd om even binnen te wippen en zien dan 1000-en en 1000-en hina-poppen uitgestald staan, waarvan sommige heel oud. Daarna lunchen we (alleen ik, want Mels’ maag is wat van streek) in het restaurantje in het wegstation. We zijn allebei wat vermoeid. Mels rekent nog eens het aantal kilometers uit en komt tot de conclusie dat het resterende dagtraject korter is dan gedacht. We zien wel. Onsen Sakamoto pikt – na een telefoontje – ook gasten op met een busje, aangezien het hotel ver van de normale henro-route af ligt. We zijn niet van plan er gebruik van te maken, maar enkele kilometers later stopt er plotseling een busje voor onze neus: onsen Sakamoto! Daar kunnen we geen nee tegen zeggen en zo arriveren we al om 1 uur bij onze overnachtingsplaats. We worden uiterst hartelijk onthaald door de gastvrouw. Vorig jaar zijn foto’s gemaakt en ze heeft een grote foto af laten drukken voor ons. Een van de feestvierders van vorig jaar (de grootste!) is er nu ook weer. ‘Sake ato?’, vraagt hij meteen. (Weer sake straks?) Als ik lig te badderen in het enorme bubbelbad komen de herinneringen aan vorig jaar weer boven: Bij de feestvierders was toen een duidelijk erg zieke loophenro die de volgende dag naar het ziekenhuis zou afreizen; blijkbaar legde hij slechts een deel van de pelgrimstocht af. Zou hij nog leven? En het aardige, Engelssprekende echtpaar Kyoko en Hiroshi van Hokkaido (het noordelijke Japanse eiland) kwamen we hier tegen. De 2 dagen erna hebben we grotendeels met elkaar opgetrokken en op 11 maart liepen we zelfs de hele dag lang samen. Zo’n half uur voor de tsunami plaatsvond, namen we afscheid van elkaar, in het zicht van de oceaan waar we net waren aangekomen. We hebben daarna nooit meer contact met hen kunnen krijgen, hoezeer ik ook geprobeerd heb, want we waren erg ongerust over hen. Ook nu informeren we weer bij de gastvrouw, maar ze kan ons geen informatie geven. Wel horen we tijdens het avondeten dat het met de zieke loophenro van vorig jaar goed gaat.

Tijdens het eten zitten we naast Nakajima, een van de mannen, en Asaka Anakawa, de jonge vrouw (nou ja, ze blijkt 47 te zijn) die we in de vorige overnachtingsplaats leerden kennen. Na de maaltijd komt Nakajima plots weer binnen en stapt op Mels af, overhandigt een vel Japanse postzegels en buigt: ‘Moraemasu.’ (dat betekent zo ongeveer iets als ‘het geven van iets aan iemand die je hoger acht dan jezelf…’) Daarna verdwijnt hij weer snel. Asaka vertelt dat de man groot respect heeft voor Mels.

Geplande afstand: 25,0 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 20,9 km (waarvan 14 km gelopen en 6,9 km met auto), totale stijging 475 m, max. helling 12%, totale daling 309 m
Cumulatief afgelegde afstand: 163,6 km (incl. 6,9 km met auto)
Vertrek-/aankomsttijd: 7.10– ca. 13.00 uur
Looptijd: 3,36 uur (excl. 12 min. autorit)
Gemiddelde snelheid: 5,5 km/u (incl. autorit!)
Bezochte tempels: tempel 19
Blaren: restantjes…
Overnachting: onsen Sakamoto (kamer 8 tatami’s groot + hal met wasbak en binnenveranda met kast, lage rotan stoeltjes, 2 tafeltjes, tv, kluis, wifi op de kamer, redelijk avondeten, redelijk ontbijt)

 

Dag 10: dinsdag 6 maart 2012: Omajus

Nog zo lang mogelijk profiterend van de wifi op de kamer, vertrekken we pas om 10 voor 10 voor opnieuw een relatief korte dagtocht: 15 kilometer met 1 tempelbezoek, dezelfde route als vorig jaar. De koffers gaan op transport en ik heb besloten mijn nieuwe schoenen niet om te ruilen voor de oude die in de koffer zitten: we zijn aan elkaar gewend geraakt, maar toch tape ik mijn voeten zekerheidshalve bijna helemaal in elke dag… De jassen laten we in de rugzak; het is al 11 graden. Eerst volgen we een tijdlang een brede weg door de stad, dan willen we binnendoor steken naar route 55, die ons verder naar het zuiden zal voeren. Op dat moment is er een goedlachse vrouw op een scootmobiel, 2 krukken achterop gebonden. Ze wenkt ons om ons de weg te wijzen. Wij vragen prompt of ze misschien de MakuDo kan wijzen, de McDonalds, want we hebben zin in cappuccino. Ze gaat ons voor, met aardige snelheid allerlei bochtjes rondsjezend. Ik houd af en toe mijn hart vast, maar ze schaterlacht elke keer harder. Binnen no time – snellopend achter haar aan – staan we voor de McDonalds en na een brede lach en een zwaai sjeest ze verder.

In de McDonalds ga ik zitten naast een man en vrouw die goed Engels blijken te spreken: broer en zus, hun moeder woont nog in Tokushima; zij woont inmiddels meer in de buurt van Tokyo, maar haar broer is eigenaar van 3 hotels in Tokushima. Volgende keer zijn we bij hem welkom. We blijven lang hangen, het is een relaxte dag…

Route 55 is een erg drukke 4-baans weg. Voetgangers en fietsers moeten de brede stoep ernaast delen, waardoor we steeds achter elkaar moeten lopen. Van het drukke verkeersgedruis worden we een beetje daas. Het wordt ook steeds warmer, drukkend warm zelfs. Het tempo daalt. Als we na 5 kilometer een sushi-kaiten (lopende band-sushi) zien, leggen we aan voor de lunch en gaat ook het fleecejack uit. Het zweet gutst eruit… De kok is uiterst hartelijk, we krijgen misosoep van het huis; 2 serveersters willen met ons op de foto – moeder en dochter, breedgrijnzend. We genieten van de heerlijke sushi, maar ik heb helaas nog steeds last van mijn darmen en nog voor we afrekenen is de maaltijd er al weer uit…

Enkele kilometers later verlaten we eindelijk de drukke weg en komen via wat kleine straatjes en landelijke weggetjes bij tempel 18 die op een heuvel ligt. Vlak voor de tempel komen we enkele loophenro’s tegen. Een van hen spreekt wat Engels en hij nodigt ons uit langs te komen als hij hoort dat we na onze looptocht zijn woonplaats, Nagasaki, zullen bezoeken: ‘Ik zet de beste koffie van heel Nagasaki!’ Bij de tempel rusten we even uit op een bankje en krijgen aanspraak van enkele leden van een busgroep, een vrouw spreekt goed Engels en vertaalt zonodig.

Als we weer de heuvel afdalen, geeft een groot bord aan dat de vroegere henro-route is afgesloten. Jammer, want daarmee missen we een kronkelend paadje door een wonderschoon bamboebos op enkele huchtjes, en moeten we bovendien een eindje omlopen rond diezelfde heuvels, een veel saaier weggetje door stedelijke bebouwing. We verdenken de boer die bij het begin van het pad koeienstallen heeft, ervan zelf het bord te hebben geplaatst om henro’s te misleiden… maar gehoorzaam volgen we de omweg…

Om 4 uur arriveren we al bij de ryokan net voor tempel 19, die ons is aanbevolen door Hide Tabata. Hide-san is de loophenro die we vorig jaar tegenkwamen op een hachelijk stukje berghelling in het zuiden van het eiland, en die ons een kleine 2 maanden later in zijn oude auto langs allerlei keramiekbezienswaardigheden heeft rondgereden in de omgeving van Nagoya, zijn woonplaats. We hebben het afgelopen jaar contact gehouden en bij de voorbereiding van de derde pelgrimstocht heeft hij allerlei tips gegeven. En zo komen we vanavond in een ryokan met een bijzonder gastvrije gastheer en -vrouw. In de hal is een traditionele Japanse vuurplaats; aan 2 zijden ervan kan op kussentjes worden gezeten op het verhoogde gedeelte, aan de andere 2 zijden zijn krukjes geplaatst. We krijgen bij binnenkomst groene thee en een lekkernij, en de gastheer werkt meteen de route van de volgende dag uit, met verschillende kleurstiften op een gekopieerd, zelfgetekend kaartje. De ofuro is schoon en ruim en al om 5 uur begint het avondeten, rond de vuurplaats. Het wordt heel gezellig, huiselijk zelfs. Er zijn al 2 andere (mannelijke) henro’s en wat later komt een vrouwelijke loophenro binnen. De flessen zelfgemaakte umeshuu (pruimenwijn, spreek uit: oemejus) komen op tafel en de maaltijd is overvloedig. De gastvrouw bakt ook nog eens shiitakes op de bakplaat en blijft er gezellig bij zitten. Yukiko Maeda, de 63-jarige vrouwelijke loophenro, is een vrolijkerd, een gezellige babbelaar. Haar verhaal is wat minder vrolijk: ze woonde net binnen de 20-kilometer zone bij de lekkende kerncentrale. Op 14 maart mag ze 4 uur lang in haar huis zijn, zo heeft ze te horen gekregen. Door de tsunami is ze verschillende vrienden verloren; haar familie woont sinds de ramp verspreid. Ze vond het tijd voor een pelgrimstocht. We worden hartelijk uitgenodigd om eens te komen logeren, ze woont nu vlakbij Kamakura, ten zuiden van Tokyo: ‘Dan kunnen jullie samen met mijn man drinken, die houdt er ook zo van…’ Iedereen blijft hangen, ook na het eten. Er komt nog een vrouwelijke loophenro binnen, een jonge vrouw uit Osaka. Met een paar woorden Engels en Japans, wat handen- en voetenwerk en een heleboel umeshuu komen we in dit gezelschap een heel eind. Het is berengezellig. En nog lang nadat we rond 8 uur naar onze kamer zijn vertrokken, horen we de 3 vrouwen (in ongelooflijk rap tempo!) kletsen en gieren van het lachen, want alle ruimten op de bovenverdieping zijn aan de bovenkant open en ook via een schuifraampje kunnen we gewoon bovenop de vuurplaats kijken. We liggen (zoals wel vaker) vroeg op de futon, maar tot het om 11 uur wat rustiger wordt, klinkt het even lawaaierig als op een slaapzaal. De 2 vrouwen kwebbelen gezellig door op hun kamer, de mannen hebben elk de tv aan – elk op een ander kanaal – en later is er het gesnurk, in alle toonaarden. ’s Nachts giert de wind om het huis. Onze kamer bevindt zich in een uitbouw, met aan 2 zijden ramen met uitzicht op rivier en verdere omgeving. Erg mooi, maar ook vol in de wind…

Geplande afstand: 15,4 km, 300 m stijging
Werkelijke afstand: 18,4 km, totale stijging 418 m, totale daling 442 m
Cumulatief afgelegde afstand: 142,7 km
Vertrek-/aankomsttijd: 9.49– 16.00 uur
Looptijd: 3,42 uur
Gemiddelde snelheid: 5,0 km/u
Bezochte tempels: tempel 18
Blaren: restantjes…
Overnachting: ryokan Funa no sato (kamer 7,5 tatami’s groot, 2 tafeltjes, tv, zitstoel, uitstekend avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 9: maandag 5 maart 2012: Dansen op de blaren!

Als we ’s ochtends willen vertrekken, krijgen we van de bejaarde gastvrouw een brocaten osame fuda: zij heeft de tocht meer dan 100x afgelegd met bus of auto. Wij geven bedeesd een witte osame fuda terug: wit betekent dat we de tocht minder dan 10x hebben gedaan…

In de lichte regen voeren we de rituelen uit bij tempel 13, vlakbij de ryokan, en we lopen nog even naar de mooie shinto-tempel aan de overzijde van de weg. Betoverend mooi, we worden er stil van. Dan beginnen we om 10 over 8 aan ons verdere dagprogramma, een makkie vandaag: slechts 15 kilometer te lopen en 5 tempels te bezoeken. We volgen dezelfde route als een jaar geleden, meest door stedelijk gebied, eindigend in Tokushima, om te overnachten in hetzelfde hotel als een week eerder, tegenover het station. Er zijn meer henro’s onderweg vandaag, zowel loophenro’s (opvallend veel vrouwen, individueel of in een groepje!) en enkele fietshenro’s, en ook busgroepen. De tempels liggen op slechts enkele kilometers afstand, waardoor we regelmatig dezelfde busgroep tegenkomen. Bij tempel 15 informeert de priester die de groep aanvoert, waar we vandaan komen en of we lopen. Voor de derde keer zelfs, vertellen wij. Hij is onder de indruk en schudt ons de hand. Prompt volgt de hele busgroep zijn voorbeeld. Zo staan we plotseling tientallen handen te schudden bij de tempelpoort.

Na tempel 16 gaan we voor koffie en gebak naar dezelfde bakker als een jaar geleden. We krijgen een hartelijk onthaal. De andere gasten aan de toog bieden ons een kop koffie aan als osettai en de gastheer doet er nog een kop bij. En een schaaltje heerlijk zoete tomaten. We maken foto’s. En we krijgen nog 2 lekkere koeken. En een broodje, net uit de oven. Een van de andere gasten vindt het leuk Mels wat Japanse les te geven. We leren enkele nieuwe woorden. En ook begrijpen we nu waarom we enkele dagen geleden geen tweede kop koffie kregen, toen we enthousiast knikten op de vraag of we nog zin hadden: verkeerde klemtoon…

Even na tempel 17 stopt er een auto naast ons. Een man opent het raampje en drukt me een warm pakketje in de handen en 2 flesjes drinken. Het voelt een beetje als een warme reuzenhondendrol van wel een kilo. Mels mag hem dragen. Even later leggen we toch even aan bij een McDonalds, om even uit te rusten en wat kleren uit te doen, want de voorspelde regen wil niet echt vallen, maar de voorspelde 16 graden is er wel en we hebben het dan ook erg warm in onze regenkleding. Aan het tafeltje pakken we het warme pakketje uit: dezelfde warme koeken met zoete bonenvulling als gisteren. Die bewaren we voor morgen of overmorgen als er minder of geen restaurants onderweg te verwachten zijn. Nu nemen we een lekker frietje…

Voordat we verder trekken, kopen we in een boekhandel een Engels leerboek, een cadeautje voor de aardige dochter van de ryokaneigenaren waar we over een paar dagen zullen logeren. Al met al zuchten we onder het gewicht van onze rugzakken. Het is al teveel eten en drinken dat we meesjouwen. We zakken zowat door onze ruggen en ik ook nog eens bijna door mijn voeten. Bij een boom lozen we wat water en in slakkengang leggen we de laatste 5 kilometer af naar het hotel. De koffers staan al te wachten op de kamer. Ik duik meteen het bad in en ga uitgebreid velletjes trekken. Voor het eerst in dagen verwijder ik alle pleisters en tape van mijn voeten en van mijn blaren blijkt niet veel meer over. We besteden korte tijd aan het herschikken van de inhoud van koffer en rugzak. Het thermisch ondergoed gaat in de koffer, evenals de meeste stempelboeken. En eten dat we niet lekker vinden, gaat in de prullenbak.

En dan… gaan we uit! Eerst lekker eten in een restaurantje (waar we elk een schortje cadeau krijgen) en dan naar de Awa Odori Kaikan. De Awa Odori is een eeuwenoude dans die elk jaar in augustus wordt opgevoerd in Tokushima. Er zijn zo’n 950 groepen die deze dans uitvoeren en ze oefenen en treden het hele jaar op, onder meer in de grote danshal (kaikan) in Tokushima, slechts een kilometer verwijderd van ons hotel. Wij zijn al vroeg aanwezig voor de avondvoorstelling en gaan vooraan zitten. Onder begeleiding van traditionele muziek krijgen we verschillende fraaie voorstellingen te zien: mannen-, meisjes- en kindergroepen. De leidster geeft af en toe uitleg en praat het geheel aan elkaar. En het publiek mag ook meedoen. Ook ik wordt uitgenodigd en doe enthousiast mee, ook al valt dat niet mee met bergschoenen aan. Als dank krijg ik een hoofddoekje.

Geplande afstand: 15,6 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 17,8 km, totale stijging 441 m, totale daling 446 m (betreft bruggen en viaducten…)
Cumulatief afgelegde afstand: 124,3 km
Vertrek-/aankomsttijd: 7.44– ca. 16.45 uur
Looptijd: 3,43 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: tempel 13 t/m 17
Blaren: restantjes…
Overnachting: Sun Route Hotel, Tokushima (westerse kamer, 2p-bed, bureau, tv, badkamer met bad/douche/wc, wifi op de kamer, uitstekend ontbijt)

Dag 8: zondag 4 maart 2012: Brug te vroeg…

Als we om even na half 9 de ontbijtzaal (die met het mooie uitzicht op het valleitje met park) verlaten, zijn we de laatste gasten. En dat op een zondagochtend en terwijl wij waarschijnlijk de enige (loop)henro’s zijn; de andere gasten zagen er meer uit als spa-genieters… We bestellen onigiri bij de balie, omdat we geen lunchrestaurants verwachten onderweg, en stappen even na 9 uur in de gestaag vallende regen naar buiten voor een tocht van zo’n 21–22 kilometer naar de ryokan naast tempel 13, inclusief een omwegje via bangai 2. Vanaf de onsen volgen we eerst dezelfde route als vorig jaar, over een voortdurend op en neer golvende autoweg, huchtje na huchtje, met af en toe een klein gehuchtje. Maar na zo’n 4 kilometer nemen we een afslag die wat meer naar het noorden loopt, in de richting van bangai 2. Een drukke weg, zeker voor een zondag. Opvallend veel sportwagens komen voorbij. Na een autotunnel (531 meter lang, verlicht, met smalle hoge stoep) komen we bij een brede rivier, die we een tijdlang volgen.

Tegen 12 uur zijn we behoorlijk toe aan ‘koffie met even zitten…’, en eindelijk zien we een restaurantje dat er geopend uitziet. Maar de waardin verwacht een busgroep voor de lunch en wil geen extra gasten. ‘Chotto koohii?’, bedelt Mels. ‘Klein beetje koffie?’ Daar kan ze geen ‘nee’ tegen zeggen en we mogen bij een tafel achterin het zaaltje gaan zitten. We krijgen koffie met een gebakje van een grote aardbei met deeg eromheen. Terwijl er om ons heen druk gewerkt wordt, hebben we de warme belangstelling van het voltallige personeel. Iedereen komt af en toe even een praatje maken. We krijgen groene thee, water en… nog eens koffie. En een bordje met overheerlijke rijst met allerlei groenten. Betalen? Nee, dat is niet de bedoeling. Osettai! Wij geven elk een osame fuda. We worden hartelijk uitgewuifd.

Inmiddels is het even (heel even) opgehouden met regenen en we lopen verder langs de brede rivier: een grote bedding van kiezelstenen doorsneden door een klein, kronkelend stroompje – het (echte) regenseizoen begint pas in juni. In een bocht met wat meer en rustiger water staan tientallen witte reigers en enkele aalscholvers. Uiteindelijk steken we de rivier over en komen dan via een autotunnel (641 meter lang, verlicht, met smalle hoge stoep) bij de voorsteden van Tokushima, waar ook bangai 2 zich bevindt. Bangai 2 is een adembenemend mooi complex langs een klein stuwmeer. We zijn de enige bezoekers. Op een bankje onder een afdakje eten we wat (supermarkt)aardbeien (‘Weet je dat die 5 euro kostten?’, ‘Ja, ik had gehoopt dat je het niet zou zien…’) en koekjes. In de meegebrachte onigiri hebben we geen zin meer… Na het uitvoeren van de rituelen en het stempelen van de boekjes, verlaten we het complex, op weg naar de ryokan naast tempel 13. Maar dan ziet Mels een vreemd bord: een rond verkeersbord met daarop de onmiskenbare contouren van een noborigama, een meerkameroven voor het stoken van keramiek. Even later staan we voor een kleine uitvoering van een dergelijke oven en als we foto’s nemen, gaat er een deur open in het gebouwtje erachter. De pottenbakker komt naar buiten. Een hartelijke, breedlachende man. Wij stellen ons voor: mede-pottenbakkers uit Nederland. Er worden kaartjes uitgewisseld. Zijn naam is Matsuo. En na het bezichtigen van zijn toonkamer (‘Eén kommetje kost meer dan 2000 euro!’, sist Mels), worden we uitgenodigd in het grote atelier waar enkele cursisten aan het werk zijn. Er wordt tijd voor ons gemaakt. We drinken gezamenlijk koffie met grote, warme koeken gevuld met zoete bonenpasta, en uiteraard groene thee. Ik heb de hele dag al last van mijn darmen, maar afslaan is niet beleefd, dus hap ik vrouwmoedig door…

Dan is het half 4, we moeten nodig afscheid nemen. We lopen terug via dezelfde tunnel en volgen dan een klein weggetje, verder langs de brede rivier. Het lijkt steeds kouder te worden en het blijft maar regenen, maar het is niet onaangenaam: het regent niet heel hard en de regenpakken zijn met dat frisse weer niet al te warm. En alles is waterdicht!!! Via een brug bereiken we weer de andere zijde van de rivier. ‘Nu is het nog 500 meter’, zegt Mels, maar even later zien we een paal met 1,8 kilometer naar tempel 13. We waren een brug te vroeg… Inmiddels zijn we aardig moe, maar het lopen gaat nog steeds prima. Rond 5 uur komen we aan bij de ryokan. De gastheer boent onze pelgrimsstaffen schoon en propt daarna onze schoenen vol met kranten. En er is een lift! Ik krijg visioenen van een luxe kamer met bedden en een bad… Maar de kamer is van het kleinste type: 6 tatami’s groot met 2 stapeltjes beddengoed. Maar op de gang is er een zit-wc en dat maakt veel goed na al die veel te kleine hurk-wc’s die ik vandaag heb gezien…

Het avondeten is in een zaaltje met tafels en stoelen. We hebben gezelschap van 2 andere loophenro’s, die allebei Engels spreken. En het eten is overheerlijk. We krijgen van de bejaarde gastvrouw allemaal een klein flesje massage-olie (zelfgemaakt van loquat, een soort citrusvrucht) voor de pijnlijke spieren. Dat kunnen mijn schouders en rug wel gebruiken! Helaas ligt Mels al lang te slapen tegen de tijd dat ik het blog van deze dag heb geschreven…

Geplande afstand: 21,4 km, met enkele huchtjes (200 nee 300 nee 400 m stijging in totaal)
Werkelijke afstand: 24,7 km, totale stijging 550 m, totale daling 658 m
Cumulatief afgelegde afstand: 106,5 km
Vertrek-/aankomsttijd: 9.06– ca. 17.00 uur
Looptijd: 5,31 uur
Gemiddelde snelheid: 4,5 km/u
Bezochte tempels: bangai 2
Blaren: geen idee… (al sinds dag 5 geloof ik de pleisters er niet meer afgehaald…)
Overnachting: ryokan Myozai, naast tempel 13 (kamer 6 tatami’s groot + inloopje, tafeltje, tv, uitstekend avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 7: zaterdag 3 maart 2012: Een relatieve rustdag

Van de lange preek tijdens de ochtenddienst in de koude en kale zaal vangt Mels regelmatig het woord jibun (‘het zelf’) op. Ik herken vooral ano, waarvan ik sinds een jaar doorheb dat het niets anders is dan… ‘eh…’. De priester doet nog wel zo zijn best ons bij de dienst te betrekken, en af en toe lukt dat dankzij 1 van de 2 andere aanwezige henro’s, een Japanner die Engels spreekt en zelfs veelvuldig bij Philips in Eindhoven is geweest.

Na een sober ontbijt op de kamer vertrekken we al vlot voor een kort dagtraject: 8 kilometer (nee, 11, nou misschien toch 12…) naar een spa waar we al 2x eerder zijn verwend. Een rustdag, nou bijna dan… Net als we de deur achter ons willen dichttrekken, ontwaart Mels’ i-phone een wifi-signaal. Toch even de mailtjes binnenhalen. David Moreton mailt dat hij plotseling naar Canada moest afreizen omdat zijn moeder ernstig ziek ligt. Misschien zien we hem later nog tijdens onze tocht. En er zijn meer mailtjes, waarbij enkele waar we niet vrolijk van worden… Het maartnummer van KLEI is niet verzonden afgelopen week: Post.nl heeft plotseling nieuwe tarieven en voorwaarden gesteld… En bericht uit Mexico: het museum aldaar moet afzien van de Mashiko-tentoonstelling. Van het Duitse museum hebben we niets voor de deadline van 1 maart gehoord. En het Nederlandse museum vraagt wie voor de transportkosten retour Japan gaat betalen… We worden er niet vrolijk van…

Nadat we de rituelen bij tempel 12 hebben uitgevoerd, dalen we de berg af, voornamelijk via de smalle betonnen weg, aangezien ik tijdens de voorgaande tochten hier beide keren onderuit ben gegaan op het glibberige bergpaadje. Eenmaal in het dal begin ik tijdig ‘Koohii wa arimasu ka?’ te suggereren. ‘Koffie?’ We leggen aan bij een restaurantje waar ik 2 jaar geleden al had willen koffiedrinken, aan het begin van de hopeloos moeizaam verlopende dag die eindigde in een ‘blaren’bad. We krijgen niet alleen koffie en groene thee, maar ook udon-soep. En zo zitten we al even na half 10 uur aan de (eerste) lunch. Betalen mag niet, osettai! Wij geven elk een osame fuda.

In het warme zonnetje lopen we relaxed verder door het dal. Hoe erg we ook allebei tegen de ‘pelgrimshel’ hadden opgezien, eigenlijk voelen we ons achteraf best wel goed… Zelfs de zwelling in mijn rechterarm is iets minder, ondanks het veelvuldig leunen op de pelgrimsstaf gisteren. In een gehucht vinden we op een bankje een van de henro’s die vanochtend bij de dienst aanwezig waren. Een wat gezette vrouw uit Osaka. Ze wacht op de bus om terug te keren naar huis, teveel last van haar voeten. Kort daarna komen we al aan bij de onsen (spa). We lunchen uitgebreid in het restaurantje in het hotel, met uitzicht op de mooie vallei met parkje, terwijl ondertussen onze kamer in orde wordt gemaakt. De middag en avond brengen we door met het beantwoorden van mailtjes en andere werkzaamheden voor KLEI, die we slechts onderbreken voor de avondmaaltijd in het hotel: een meer dan uitstekend diner waar we al naar uit hadden gekeken. Aan het eind van de dag zijn we even moe als na de ‘pelgrimshel’…

Geplande afstand: 9,0 km, geen stijgingen
Werkelijke afstand: 12,8 km, 635 m daling (hoogste-laagste punt), totale stijging 155 m, totale daling 753 m
Cumulatief afgelegde afstand: 81,8 km
Vertrek-/aankomsttijd: 8.43–12.06 uur
Looptijd: 2,32 uur
Gemiddelde snelheid: 5,1 km/u
Bezochte tempels: tempel 12
Blaren: Yna 3 stuks (dezelfde als gisteren)
Overnachting: hotel Shiki no Sato, Kamiyama onsen (kamer 8 tatami’s groot, tokonoma, kastenwand, lage tafel met grondstoelen, tv, koelkast, binnenveranda met tafel en stoelen, hal met wasmeubel, wc, kast, uitstekend(!) avondeten, wifi op de kamer, uitstekend ontbijt)

Dag 6: vrijdag 2 maart 2012: Kermis in de hel – geprolongeerd

’s Nachts slaap ik niet van de pijn in mijn voeten en mijn arm en ’s ochtends zie ik er erg koortsig uit. Ik pleister en tape mijn voeten uitgebreid in, over de blaren zelfs kruislings 2 grote pleisters. Er is weinig huid meer te zien, maar het werkt. Mijn grote schoenen raken op deze manier aardig gevuld en zo schuif ik minder heen en weer met mijn voeten…

Vandaag staat de ‘pelgrimshel’ op het programma: over kleine paadjes 3 bergruggen over, met op de derde bergrug tempel 12. De voorgaande jaren lukte het ons niet een overnachting te boeken in het gastenverblijf van tempel 12, nu hebben we dat wel voor elkaar gekregen via David Moreton, de Canadese auteur van het routeboekje, die ons vorig jaar stond op te wachten toen we de pelgrimstocht ten einde liepen. Hij heeft aangekondigd deze dag met ons mee te lopen, maar… we zien of horen niets van hem. Mels stuurt via de i-phone nog een mailtje; we hebben geen adres of telefoonnummer en kunnen niets anders verzinnen. Uiteindelijk vertrekken we om half 8, we zien wel… Bij het afscheid geven we de hartelijke gastvrouw een klein Delftsblauw doosje en ook de zak knoflook en de 2 blikjes tomatensap: het wordt ons teveel gewicht… Prompt komt ze met 2 dozen heerlijke chocolade aanzetten… We nemen nog foto’s en dan gaan we.

Moesten we vorig jaar door de sneeuw lopen en was het 2 jaar geleden een warme, zonnige dag, nu regent het lichtjes. We lopen eerst naar tempel 11 en voeren daar de rituelen uit. Achterin het complex is de toegang tot de pelgrimshel. Het is een rustige dag, we zien de hele ochtend maar 2 andere pelgrims, waaronder de Koreaan die we de afgelopen dagen al vaker zagen. We worstelen door de blubber en glijden regelmatig uit op de glibberige paadjes. Al gauw houdt het op met regenen en stijgt de temperatuur. Bij de eerste de beste bank gaan sjaals, jas en regenbroek uit. Dat alles onder de warme belangstelling van een Japanner. Hij bewondert mijn figuur en kan moeilijk zijn handen thuishouden (niet dus). We blijven niet lang… Bij het weggaan duwt hij me een verweerde pelgrimsstaf in de handen, want de berg op zonder staf, dat kan niet…

Ik heb erg veel moeite de berg op te komen; mijn knieën klappen af en toe de verkeerde kant op en mijn rug begint op te spelen. Ook de warmte speelt me parten. We klimmen zelfs zo langzaam, dat de gps niet werkt. Daarom stelt Mels hem anders in, alleen kunnen we dan de gemiddelde snelheid niet meer noteren. Toch komen we al om 10 uur aan bij aan bij Chodo-an, bijna aan de top van de eerste bergrug, en dat is even snel als vorig jaar. Op de holle paadjes zien we hier en daar grote aantallen aardsterren, bijzondere, stervormige paddenstoelen, van een iets ander type dan in Europa. Pas boven de 500 meter zien we sneeuw: wat restjes langs het pad. Om 12 uur arriveren we bij Ryusui-an, halverwege het dal tussen de eerste en de tweede bergrug. We eten op een bankje, samen met de Koreaan, de meegebrachte onigiri (rijstballen voor de lunch) op. Er komen nog 3 henro’s voorbij. Een ervan heeft grote witte lappen op zijn knieën. Ik krijg er ook een paar. Het zijn een soort coolpacks: een heel dun vlieslaagje dat op de huid wordt geplakt en kou afgeeft, urenlang. Ik krijg nog wat extra mee. En later geeft hij nog zijn brocaten osame fuda: achterop staat dat hij de tocht al 100x heeft afgelegd, waarvan 3x te voet.
We raken steeds meer achter op schema. Dat komt vooral door de lange pauzes die we dit jaar nemen. Om 2 uur zijn we bij Joren-an, bovenop de tweede bergrug. Een bijzondere plaats met een enorme, wijdvertakte Japanse ceder, een groot beeld van Kukai en wat houten gebouwtjes. Vlak voor we de tweede top bereiken, denderen 2 grote wilde zwijnen met een enorm lawaai de steile berghelling af.
We rusten maar kort bij Joren-an, want we moeten voor 5 uur bij het gastenverblijf op de derde bergtop aankomen. Het pad naar beneden valt niet mee, langzaam bewegen we ons voort over de glibberige stenen. Ik begin nu toch ook mijn blaren weer te voelen. Om half 4 beginnen we pas aan de derde beklimming. We zwoegen voort en zien vlak voor 5 uur de eerste balustraden van het pad dat zich rond het tempelterrein de berg op slingert. Nog wat trappen en dan zijn we om even na 5 uur bij het gastenverblijf. Het is stil in het enorme complex, aan de schoenen in de opbergvakken en de pelgrimsstaffen in het staffenrekje is te zien dat er nog 2 andere gasten zijn. Als ik om 5 voor 6 geroepen wordt voor de ofuro, doet ik maar net of ik echt in bad ga en haast me dan weer terug voor het eten dat om 6 uur naar de kamers gebracht zal worden. De schijnvertoning lukt maar half; ik wordt achterna gezeten door een van de medewerksters die roept dat ik meer tijd had moeten nemen…

Geplande afstand: 13,5 km, toppen: 1e top 626 m, 2e top 745 m, 3e top 705 m, totale stijging 1000 m
Werkelijke afstand: 13,6 km, toppen: 1e top 593 m, 2e top 746 m, 3e top 700 m, totale stijging 1290 m, max. helling 62%, totale daling 614 m
Cumulatief afgelegde afstand: 69,0 km
Vertrek-/aankomsttijd: 7.19–17.05 uur
Looptijd: ?
Gemiddelde snelheid: ?
Bezochte tempels: tempel 11
Blaren: Yna 3 stuks
Overnachting: gastenverblijf tempel 12 (Shōsanji) (kamer 8 tatami’s groot, verwarmd tafeltje, sober vegetarisch avondeten, wifi bij de buitendeur, sober vegetarisch ontbijt)

Dag 5: donderdag 1 maart 2012: Weer weerzien

Vandaag bezoeken we eerst 4 tempels aan de noordkant van het rivierdal en doorkruisen dan het dal naar de bergen aan de zuidkant ervan, waar we morgen doorheen zullen trekken. Het is dezelfde route als voorgaande jaren, maar – tot mijn verrassing – heeft Mels 2 relatief korte dagtrajecten samengetrokken tot 1 dagtraject, in totaal 18,6 kilometer. Dat wordt een lange dag, met morgen een nog zwaardere dag voor de boeg… Helaas missen we op deze manier ook 2 overheerlijke sushi-restaurants…

Het is fris als we vertrekken, maar de zon schijnt flink en al gauw stoppen we sjaal en handschoenen in de rugzak en nog weer later gaat ook Mels’ wollen hemd uit. Evengoed krijgen we het steeds warmer naarmate de dag vordert. De sneeuw op de berghellingen is inmiddels grotendeels verdwenen.
Bij tempel 7 kan Mels een oude, verweerde en dus duidelijk verweesde pelgrimsstaf niet weerstaan. Hij heeft er al snel spijt van, overweegt bij elke volgende tempel hem achter te laten, maar heeft hem aan het eind van de dag nog steeds… Kort na tempel 7 stopt een bestelautootje voor ons: de bestuurder heeft elke zaterdag Engelse les en wil graag even met ons praten. Hij biedt aan ons naar tempel 8 te brengen, maar dat slaan we af. Met grote brokken gepofte rijst lopen we uiteindelijk verder.

We lunchen in hetzelfde udon-restaurantje als vorig jaar, vlak voor tempel 10, het eerste restaurant dat we open vinden langs de route. Even verderop lopen we langs een bedrijfje in kakejiku’s, peperdure rollen ter herinnering aan de tempelbezoeken. De vorige keren werden we hier uitgenodigd onze rugzakken achter te laten, omdat het nog een aardige klim is naar tempel 10 en je op de terugweg hier toch weer langs komt. Dit keer gaat er geen schuifwand open. We zien een (ons onbekende?) jongeman binnen aan het werk. Enkele keren lopen we zo onopvallend toevallig mogelijk langs de schuiframen, dan nemen we zelf maar het initiatief en kloppen aan. Het mag. En als we terugkomen, zijn ook weer de aardige vrouwen aanwezig en krijgen we een kopje thee. We geven een sleutelhanger met Delftsblauwe klompjes en krijgen prompt elk een armbandje met in een glazen oogje verstopt een afbeelding van Kukai.

Er zijn meer aardige mensen waar we naar uitkijken vandaag. Zo’n 2 kilometer na tempel 10 zijn we vorig jaar uiterst vriendelijk ontvangen in een kleine supermarkt: in een hoekje stonden wat krukjes en kratjes rond een klein kacheltje, waar we aan konden schuiven bij een gezellig groepje ongeregeld. Dit jaar is er een ons onbekende jongeman in de winkel aan het werk, maar als we wat ronddralen komen de eigenaresse en haar moeder naar voren. We worden weer in het ‘zithoekje’ uitgenodigd en krijgen koffie, met crème gevulde koekjes, op het kacheltje geroosterde deegkoekjes gevuld met zoete bonenpasta, geroosterde rijstdeeg gedoopt in sojasaus met suiker, en dan komt er nog een vrouw binnen met enorme citrusvruchten. Eén vrucht wordt uitgebreid gepeld en dan bewerkt met een slagersmes. We zien nog weinig vruchtvlees in alle zachte, schuimrubberachtige vulmassa, maar als we uiteindelijk ook enkele partjes krijgen, blijken die mierzuur te zijn. We trekken vieze gezichten en krijgen prompt nog een heerlijke zoete sinaasappel en 2 grote koeken gevuld met crème, om mee te nemen. Eigenlijk hadden we ernaar uitgekeken hier weer de uiterst hartelijke vrouw te ontmoeten die ons vorig jaar – na ons supermarktbezoek – achterop kwam met een piepklein autootje, maar na enig (moeizaam) navragen komen we erachter dat zij niet de eigenaresse was, maar (waarschijnlijk) een (ver weg wonende) klant. Jammer, maar niets aan te doen, we weten haar naam en adres ook niet. Ze had ons nog wel zo op het hart gedrukt over een jaar terug te komen… We geven de (echte) eigenaresse een sleutelhanger met klompjes en vervolgen uiteindelijk onze weg, de buiken nog iets bolronder dan ze al waren…

Zo’n 2 kilometer voor onze overnachtingsplaats is er een restaurant waar we ook even binnen willen wippen. Hier zijn we elk jaar hartelijk ontvangen door de eigenaar, zijn vrouw en het kleine witte hondje dat Sakura heet. Ze kennen ons nog: de togei-mensen (togei=klei). Het is inmiddels al 4 uur geweest, maar ik ben wel toe aan een break, want mijn blaren mogen dan wel als luchtkussentjes onder mijn voeten zitten, ze spelen me aardig parten… Bij de koffie krijgen we chocolade, 4 zoete sinaasappels en 2 blikjes tomatensap. En we worden hartelijk uitgezwaaid. Een lift naar onze ryokan slaan we af en al even na 5 uur komen we aan bij de ons zo bekende en geliefde ryokan. Moeder en zoon komen ons enthousiast tegemoet en in de kamer blijken al extra futons te zijn neergelegd, voor mama-san met haar zere rug (die ze dit jaar helaas moet delen met papa-san…) Het avondeten delen we met 6 andere gasten, waaronder een henro die we 2 dagen geleden al in de minshuku zagen. Het wordt een gezellig samenzijn. Aan het lopen van de pelgrimshel met al mijn blaren denk ik maar even niet…

Geplande afstand: 18,6 km, 200 m stijging
Werkelijke afstand: 23,8 km, 152 m stijging (laagste–hoogste punt), totale stijging 604 m, totale daling 591 m
Cumulatief afgelegde afstand: 55,4 km
Vertrek-/aankomsttijd: 7.42–17.06 uur
Looptijd: 4,52 uur
Gemiddelde snelheid: 4,9 km/u
Bezochte tempels: tempel 7 t/m 10
Blaren: Yna 3 stuks (dezelfde als gisteren, maar behoorlijk gegroeid…)
Overnachting: ryokan Yoshino (kamer 6 tatami’s groot, kastenwand, wasmeubel, tafeltje, tv, redelijk avondeten, redelijk ontbijt)

Dag 4: woensdag 29 februari 2012: Het zogenaamde paallezen

’s Nachts slaap ik nauwelijks van de pijn in mijn arm; dat de buurmannen – aan de andere kant van de papieren schuifdeuren – al om kwart voor 5 op zijn, helpt ook niet… Buiten komt de regen met bakken naar beneden. ’s Ochtends regent het nog steeds lichtjes en als we even na half 8 vertrekken, zijn we goed beschermd in onze nieuwe windjacks en regenbroeken. We lopen door het brede rivierdal verder naar het westen. De bergen die het dal aan de zuidkant afbakenen, zijn van hoog tot laag wit besneeuwd (daar leggen we overmorgen de ‘pelgrimshel’ af!!!) En ook in het dal zelf zien we langs de kant van de weg al gauw wat sneeuw liggen, die blijkbaar ook afgelopen nacht is gevallen. Vandaag bezoeken we een bangai-tempel in de bergen die de noordrand vormen van het rivierdal, om vervolgens grotendeels via dezelfde route weer naar het dal terug te keren en dat verder naar het westen te volgen tot aan tempel 6 (van de officiële lijst) waar we in het gastenverblijf zullen overnachten. Doordat we dit jaar af en toe een (extra) bangai-tempel in de officiële tempelroute hebben gepland, wijken de dagtrajecten in dergelijke gevallen af van de eerdere tochten.

Nog voor we de bergen intrekken, houdt het op met regenen. We kiezen ervoor de smalle, betonnen weg te blijven volgen tot aan de tempelpoort en laten de door de sneeuw in glijbanen veranderde bergpaadjes links (en rechts) liggen. Dat betekent wat extra afstand afleggen. Vlak voor het begin van het tempelcomplex, staat een enorme woudreus, een Japanse ceder (sugi), die doet denken aan de sequoia’s in de VS. De tempelpoort blijkt onderaan een lange, steile, stenen trap te staan, omringd door een bamboebos en bijna bovenaan links en rechts een rij grote Japanse ceders. Een sprookjesachtig gezicht, mede door de sneeuw die hier en daar ligt. Bovenaan de trap is vaag een andere oude poort te zien. We worden bij onze klim vergezeld door 2 Japanse inu’s, mooie, lieve honden die zich graag laten aaien. De bangai-tempels liggen buiten het normale ‘toeristische’ schema en dit fraaie, oude tempelcomplex ademt een verstilde sfeer. Alleen 1 van de andere minshuku-gasten is hier vandaag vóór ons geweest, dat kunnen we zien aan de voetafdrukken in de sneeuw. Als we na het uitvoeren van de rituelen het stempelkantoor bezoeken, krijgen we koffie met een koekje aangeboden (het is pas 11 uur!) Bij het weggaan stopt ze ons een zak hartige koekjes toe en ze zwaait ons lang na. De gladde stenen trap (zonder leuning) omzeilen we door naar beneden ook hier de weg te volgen.

Op zo’n 2/3 van de afdaling lunchen we met wat supermarkt-sushi op een bankje langs de kant van de weg. Mijn hand en onderarm zijn inmiddels nog verder opgezwollen, ondanks mijn toegewijde zorgen: paracetamol, warm houden met handschoenen aan en laten rusten op de tempeltas… En mijn voeten zijn ook in opstand: met het stijgen en dalen schuif ik – (nog) meer dan gisteren – van links naar rechts en van voor naar achteren in mijn riante schoenen. Dat worden blaren… Mels vermaakt zich tijdens de lunch met het aflezen van de teksten op de paal die bij de bank staat. ‘Ik kan de héle tekst lezen!!!’

Eenmaal in het dal, bereiken we via kleine weggetjes de grote weg die langs tempel 6 loopt. We leggen voor koffie aan bij een Chinees (we hadden eigenlijk gehoopt op een cappuccino bij Happy, maar die is blijkbaar overgenomen…) De ontvangst is hartelijk en bij het afscheid krijgen we 2 grote sinaasappels, een zak gepelde (rauwe!) knoflookteentjes en een strip met 5 Yakultjes mee. Na het uitvoeren van de rituelen bij tempel 6 melden we ons al voor 3 uur aan bij het gastenverblijf. We worden hartelijk ontvangen door een monnik en krijgen uitleg over het nieuwe systeem: na de ofuro en het avondeten is er om 7 uur in de nieuwe hoofdtempel een speciale avonddienst, waarbij de overledenen worden geëerd. We ontvangen alle attributen daarvoor: osettai! En de nodige uitleg…

Op de kamer lezen we de gps af. Die verzamelt behoorlijk wat gegevens over de tocht: elke 2 minuten worden hoogte, afstand, snelheid en tijd gemeten en alles wordt aan het eind van de dag in mooie grafiekjes weergegeven. En dát geeft ons een verrassend inzicht: we lopen elke dag meer dan gepland, we stijgen elke dag meer dan gepland en het aantal uren dat we daadwerkelijk lopen is veel kleiner dan gedacht. Mijn vermoedens tijdens de eerdere tochten worden nu bevestigd…

Het avondeten is in een vrij koude eetzaal. We zitten met een Engelssprekende Koreaan aan tafel. Hij heeft o.a. Nederland bezocht. En de tocht naar Santiago gelopen! Nu loopt hij voor het eerst de pelgrimstocht op Shikoku. De meeste andere tafels worden in beslag genomen door een busgroep, in totaal zo’n 30 mensen. Uit de geluidsinstallatie komt klassieke muziek en een priester met een microfoon komt af en toe een (stichtelijk resp. commercieel) praatje houden. We logeerden 2 jaar geleden hier ook en vonden het toen nogal Hans van der Togt-achtig, nu stoort het ons niet meer; inmiddels hebben we zoveel tempels gezien, elk met zijn eigen invulling van het geloof…

Na het eten trekken we gauw wat extra kleren aan en zorgen ervoor dat we als eersten in de tempel zitten, bij een van de kleine gaskacheltjes. De dienst is indrukwekkend. Na het reciteren van enkele soetra’s gaan alle lampen uit en vervolgens ook alle kaarsen. In de donkere ruimte maakt een monnik hier en daar met enkele vuurstenen wat vonken. Dan gaan een voor een de kaarsen weer aan en tot slot alle lampen. In een rij gaan we via een zuilengang naar de achterkant van het altaar en laten daar elk een osame fuda achter met onze naam, wens en datum. Dan gaat het verder naar een andere zaal. Langs de hoge achterwand loopt een helblauw beekje met daarin eilandjes, een voor elk teken van de (oosterse) dierenriem. Op aanwijzingen van de priester komen schaap (Mels) en aap (Yna) voor hetzelfde eilandje te staan. Op het eilandje zetten we elk een boomtakje met daaraan een papiertje met de naam van een overledene die ons dierbaar is, en laten dan elk een bakje met een brandend kaarsje wegdrijven. Mels herdenkt zijn broer Herman die het afgelopen jaar is overleden; ik herdenk Meiny die de vorige tochten in gedachten met me meeliep; zelf kon ze niet meer reizen en kort na onze 2e tocht overleed ze aan een hersentumor. Ik mis haar warme en altijd positieve mails gedurende onze reizen.
Dan zijn we toe aan het volgende ritueel: in een vlammende vuurpot gooien we elk een latje met onze naam en wens. In een volgende zaal zijn er alweer nieuwe rituelen. Na een uitleg over enkele mooie schilderijen – o.a. de stichters van de 5 (Japanse) boeddhistische sekten samen op 1 schilderij, kun je je dát voorstellen met de christelijke leiders? – branden we wat wierook voor de slachtoffers van de aardbeving vorig jaar. Verderop offeren we nog eens wat wierook en lopen dan in een rij 3x rond een groot gouden beeld van Amida (een van de leerlingen van boeddha), onderwijl soetra’s reciterend (Samu Amida Buddha). In een volgende zaal buigen we voor de zittende Kukai (degene die als eerste deze pelgrimstocht ondernam) en wrijven hem over de knieën, misschien dat het helpt… Dan staan we weer op de buitenveranda tussen tempel en gastenverblijf. In het licht van de sterren ontwaren we de donkere contouren van de tempelgebouwen. Een mooie wereld, zo stil…

Geplande afstand: 15,7 km, 400 m stijging
Werkelijke afstand: 18,5 km, 441 m stijging (laagste–hoogste punt), totale stijging 688 m, max. helling 20%, totale daling 665 m
Cumulatief afgelegde afstand: 31,6 km
Vertrek-/aankomsttijd: 7.37– ca. 15.00 uur
Looptijd: 3,51 uur
Gemiddelde snelheid: 4,8 km/u
Bezochte tempels: bangai 1, tempel 6
Blaren: Yna 3 stuks… (maar niet op mijn kleine tenen!)
Overnachting: gastenverblijf tempel 6 (Anrakuji) (kamer 10 tatami’s groot, kastenwand, zitvensterbank, tafeltje, tv, open halletje met wastafel, avondeten redelijk/matig, ontbijt redelijk/matig)

Dag 3: dinsdag 28 februari 2012: Alle begin is moeilijk…

Dankzij alle goede voorbereidingen van Mels staat de nieuwe weblog volledig klaar voor gebruik en kunnen meteen al de eerste teksten worden ingeladen. Nog even profiterend van de voorlopig laatste wifi, probeer ik een rondzendmail te versturen met het blogadres. Heel veel tijd (en vooral ergernis) later is dat karweitje voor een groot deel gelukt… Nou weet ik weer, waarom we tijdens de vorige pelgrimstochten altijd zo laat vertrokken en ondanks alle goede voornemens nooit toekwamen aan mediteren (Mels) of Japanse les (Yna)…

Een uur later dan gepland vertrekken we met de trein naar Bando Eki, vanwaar we lopen naar tempel 1. Als we door de hoofdpoort lopen, schieten ons de tranen in de ogen. Ik ben dankbaar hier weer te mogen zijn. En net als voorgaande jaren loop ik niet alleen: in mijn hart draag ik degenen die me dierbaar zijn, vooral degenen die me ontvallen zijn…
Na het uitvoeren van de rituelen bezoeken we het winkeltje in de hoofdtempel, waar we nog wat tempelbenodigdheden kopen: wierook, aansteker, osame fuda’s (de ‘wensbriefjes’ waarop je naam, wens en datum schrijft om ze achter te laten bij de tempels) en ook een stapeltje stempelboeken. Deze reis wil Mels alleen stempels laten zetten bij de bangai, maar ik ga weer voor álle stempels en dat betekent 4 boeken meesjouwen tot de eerstvolgende keer dat ik mijn koffer weer zie en er 3 kan achterlaten… In het winkeltje schrijven we ons ook weer in in het Boek der Voltooiing. Alleen henro’s (pelgrims) die de tocht lopend afleggen, mogen hun naam hierin schrijven. Vanaf begin dit jaar staan er 132 namen in, waarvan 2 buitenlanders (Fransen); de leeftijden variëren tussen 17 en 85 jaar. Maar bij tempel 1 zijn meerdere winkeltjes met een dergelijk boek, bovendien kun je ook bij een andere tempel beginnen als je wilt, dus dit is slechts een deel van het werkelijke aantal.

Na de hartelijke ontvangst in het winkeltje – met een kopje groene thee en als osettai (pelgrimscadeautje) 2 stoffen zakjes – vertrekken we om 10 uur voor onze dagtocht. We hebben maar 11,5 kilometer gepland, met bezoek aan 5 tempels, dus een relaxte dag. Het is tamelijk koud weer, maar de zon schijnt volop. Ik zie camelia’s bloeien en een enkele kersenbloesem. In een tuin vlak voor tempel 2 staan massaal goudsbloemen en kleine margrietjes in bloei. Af en toe horen we een nachtegaal. De weg is vertrouwd, we kijken nauwelijks meer in het routeboekje. Als we kort na tempel 2 – net als tijdens de eerste tocht – door een achteraf straatje lopen, komt dezelfde vrouw naar buiten rennen als 2 jaar geleden; in haar handen een dienblad met blikjes (groene) icetea en zelfgemaakte stoffen zakjes waar we uit mogen kiezen. Dat was 2 jaar geleden onze eerste osettai. Het raakt ons dat ze blijkbaar dag in, dag uit bij het raam zit te wachten op een voorbijkomende henro… Ook bij tempel 3 krijgen we een osettai: een echtpaar dat de tempel bezoekt, is onder de indruk als Mels vertelt dat het onze derde keer is. We krijgen speciale zoete bonenkoekjes uit Kyoto.

Mels krijgt sowieso vandaag volop de gelegenheid zijn Japans te oefenen. Ook tijdens de lunch – in een onverwacht goede, nog niet eerder ontdekte eetgelegenheid– informeert een echtpaar vol belangstelling naar onze wederwaardigheden. ‘Yukkuri! Yukkuri!’, roept hij steeds – ‘Langzaam! Langzaam!’ – maar het enthousiasme valt niet te stoppen… Als ze weggaan, krijgen we 2 zakken Japanse mix.

Al om 4 uur komen we aan bij onze overnachtingsplaats, vlakbij tempel 5. Toch viel de eerste dag niet mee… Ik heb behoorlijk last van mijn voeten (had ik toch de eerste week mijn oude schoenen aan moeten trekken???) en van mijn linkerschouder (in de nieuwe kleine windjacks past bijna niks en daarom heb ik extra gewicht in mijn tempelschoudertas…), en in mijn rechteronderarm is denk ik een spier ontstoken – hand en onderarm zijn opgezwollen en zeer pijnlijk, wat me erg ongerust maakt. Mels is er nog erger aan toe met zijn rug, schouders en zere voeten. Hij is ook niet gewend dat zijn lichaam zo opspeelt. Ondanks al onze inspanningen vooraf, zijn zowel het lopen als de rugzakken zwaarder dan gedacht.
In de piepkleine ofuro (bad) kunnen onze spieren weer wat ontspannen. We mogen er met zijn 2-en in, voor zover dat lukt… Als we – terug op de kamer – de waardin horen roepen dat de 2 mannen uit de buurkamer na ons in bad mogen, barsten we in lachen uit: 2 mannen in dat ¾ persoonsbadje?

Bij gebrek aan stoelen, ligt Mels al om kwart over 6 op de futon; ik volg anderhalf uur later, als de batterij van de laptop leeg is…

Geplande afstand: 11,3 km, geen stijgingen (volgens routeboekje)
Werkelijke afstand: 13,1 km, totale stijging 290 m, totale daling 277 m (volgens gps i-phone; excl. station–tempel 1)
Cumulatief afgelegde afstand: 13,1 km
Vertrek-/aankomsttijd: 10.01– ca. 16.00 uur (vanaf tempel 1)
Looptijd: 2,45 uur
Gemiddelde snelheid: 4,7 km/u
Bezochte tempels: tempel 1 t/m 5
Blaren: 0
Overnachting: Minshuku Morimoto-Ya (kamer 8 tatami’s groot, tokonoma, tv, verwarmd tafeltje, avondeten prima, ontbijt wat karig)

Dag 2: maandag 27 februari 2012: Lost in transformation

Na 11 uur vliegen, kijken we elkaar wat slaperig aan in de nieuw ontdekte Starbucks op de luchthaven van Osaka. We lijken een stuk vermoeider dan een jaar geleden na de vliegreis en voelen ons nog niet ‘echt geland’. Misschien dat al het harde werken zich wat wreekt?

Met de Limousine bus – over de lange bruggen bij Naruto waar reusachtige draaikolken in de zee zijn te zien – zijn we in 4 uur in Tokushima aan de oostkust van Shikoku, waar we de eerste nacht zullen doorbrengen in Sun Route Hotel tegenover het station. Er is natte sneeuw voorspeld, maar het is heerlijk zonnig. Wel erg koud – 1 graad boven 0 – en in onze nieuwe – superlichtgewicht maar ook erg dunne – windjacks lopen we te bibberen.

We eten om de hoek, weer in hetzelfde gezellige tentje als vorig jaar. Op de kleine hotelkamer pakken we om de beurt koffer en rugzak opnieuw in. We zullen de koffers pas over 7 dagen terugzien als we via een rivierdal het binnenland zijn ingetrokken en vervolgens door de bergen (de ‘pelgrimshel!’) weer zijn teruggekeerd naar Tokushima. Morgen de eerste loopdag…

Overnachting: Sun Route Hotel, Tokushima (westerse kamer, 2p-bed, bureau, tv, badkamer met bad/douche/wc, wifi op de kamer, uitstekend ontbijt)

Dag 1: zondag 26 februari 2012: Schoon genoeg

Nadat we de vorige keer terugkwamen van Japan hebben we als bezetenen gewerkt om het vele werk rond te krijgen. Vooral de organisatie van de tentoonstelling over Mashiko kostte veel kruim. Ook de laatste week voor vertrek hebben we elke dag tot 1 uur ’s nachts gewerkt En nóg is niet alles af en nemen we werk mee… Het vertrek voelt daardoor wat rommelig, maar als we de deur achter ons dicht trekken, voel ik ook voldoening: zelfs het huis is schoon achtergelaten! Wat een energie!